Ethics V - Van de Menschelijke Vrïheit. - Voorrede

Opera Posthuma
Expand
De Nagelate Schriften
Show All
Elwes
Expand

IK ga eindelijk tot het ander deel van de Zedekunstover, 't welk is van de middel, of weg, die tot de Vryheit leid. Ik zal dan hier in van 't vermogen der reden handelen, en tonen wat de reden zelve over de hartstochten vermag; en daar na wat de vryheit der ziel, of de zaligheit is: daar uit wy zien zullen hoe veel beter de wijze is, dan d' onkundige. Doch op welke wijze, en door welke middel het verstant volmaakt moet worden, en door welk beleit men daar na het lighaam moet bezorgen, op dat het zijn ampt recht en wel zou konnen uitvoeren; dit behoort niet hier toe: want het leste heeft zijn op zicht op de Geneeskunde, en 't eerste op de Redenkunst. Ik zal hier dan, gelijk ik gezegt heb, alleenlijk van 't vermogen der ziel, of der reden handelen, en vooräf tonen hoe grote en hoedanige heerschappy zy over de hartstochten heeft, om de zelfden in te tomen, en te bestieren: want wy hebben hier voor alreê getoont, dat wy geen volkome heerschappy over hen hebben. De Stoïschen hebben echter geacht, dat zy volstrektelijk van onze wil afhingen en dat wy volstrektelijk daar over konden gebieden. En echter zijn zy door d' ervarentheit, daar tegen zijnde, maar niet door hun beginselen, gedwongen te belijden dat'er geen kleine oeffening en vlijt, om hen in te tomen, en te regelen, verëischt word: 't welk iemant door het voorbeelt vantwee honden, (zo ik wel onthouden heb) namelijk van een huishont, en van een jachthont, heeft gepoogt te tonen, om dat hy eindelijk heeft konnen uitwerken dat hy de huishont tot de jacht, en de jachthont tot zich van 't najagen der hazen t' onthouden gewende. Deskartes is niet weinig tot dit gevoelen genegen. Want hy stelt dat de ziel, of de geest voornamelijk met zeker deel van de harssenen, de pijnäppelklier genoemt, verëenigt, is door welks behulp de geest alle de bewegingen, die in het lighaam verwekt worden, en ook d' uitterlijke voorwerpen gevoelt, en die van de geest, alleenlijk hier om, dat hy wil, verscheidelijk kan worden bewogen. Hy stelt dat deze klier in dier voegen in 't midden der harssenen geplaatst is, dat hy door de minste beweging der dierelijke geesten bewogen kan worden. Wijders stelt hy dat deze klier op zo veel verscheide wijzen in 't midden der harssenen is geplaatst, als de dierelijke geesten op verscheide wijzen daar tegen stoten, en dat vorders zo veel verscheide merkteekenen daar in ingedrukt worden, als verscheide uitterlijke rvoorwerpen de dierelijke geesten naar de zelfde drijven. En hier uit spruit het dat, indien de klier namaals van de wil der ziel, deze klier verscheidelijk bewegende op deze of die wijze geschikt word, daar in zy eenmaal van de geesten, op deze of die wijze bewogen, geschikt is; dat, zeg ik, de klier zelf de dierelijke geesten zelven op de zelfde wijze voort zal drijven, en bepalen, als zy te voren van gelijke gesteltheit des kliers weêröm gestoten waren. Hy stelt wijders, dat yder wil van de ziel van natuur met zekere beweging van de klier verëenigt is. Tot een voorbeelt, indien iemant de wil heeft om een afgelege voorwerp t' aanschouwen, zo zal deze wil maken dat d' oogäppel zich uitbreid: maar indien hy alleenlijk denkt op d' oogäppel uit te breiden, zo zal 't hem niet baten de wil daar toe te hebben; om dat de natuur de beweging van de klier, die dienstig is om de geesten naar de gezichtzeenuw te drijven, namelijk op een bequame maat van d' oogäppel uit te breiden, of in te trekken, niet met de wil van de zelfde uit te breiden, of in te trekken, maar met de wil van d' afgelege, of nabygelege voorwerpen t' aanschouwen te zamen gevoegt heeft. Eindelijk stelt hy, dat, schoon yder beweging van deze klier door de natuur, van 't begin onzes levens af, aan yder van onze gedachten verknocht schijnt te wezen, hy echter door gewoonte en gebruik aan anderen gevoegt kan worden; 't welk hy in 't vijftigste Lid van 't eerste deel der Lijdingen van de ziel poogt te bewijzen. Hy besluit dan hier uit, dat 'er geen ziel zo zwak is, die, wel bestiert zijnde, niet een volkome macht over haar lijdingen zou konnen verkrijgen: want zy, gelijk zy van hem bepaalt worden, zijn bemerkingen, of gevoelingen, of ontroeringen van de ziel, die bezonderlijk op haar worden toegepast, en die, (merk) door enige beweging der geesten voortgebracht, onderhouden en versterkt worden. Bezie het zevenentwintigste Lid van 't eerste deel der Lijdingen. Maar dewijl wy aan yder wil yder beweging des kliers, en by gevolg der geesten konnen voegen, en dewijl de Bepaling des wils van onze macht alleen af hangt, zo zullen wy een volkome heerschappy op onze lijdingen verkrijgen, indien wy, onze wil op zekere en bestandige oordeelen, naar de welken wy de doeningen onzes leven willen stieren, bepalen, en de bewegingen der lijdingen, die wy willen hebben, by deze oordeelen voegen. Dit is het gevoelen van deze vermaartste Man, (voor zo veel ik uit zijn woorden kan begrijpen) 't welk ik naauwelijks zou konnen geloven van zo groot een Man voortgebracht te wezen, zo het niet zo scherpzinig had geweest. Zeker, ik kan my niet genoech verwonderen van dat zulk een groot Wijsbegerige, die vast gestelt heeft dat men niets moet afleiden, dan van beginselen, die uit zich zelven bekent zijn, en niets bevestigen, dan dat men klarelijk en onderscheidelijk bevat, en die de Schoolsgezinden zo dikwijls berispt van dat zy duistere dingen door verborge hoedanigheden wilden verklaren; dat, zeg ik, deze een onderstelling neemt, die duisterder, dan alle hoedanigheden is. Want, ik bid u, wat verstaat hy by zverëeniging van a geest en lighaam? Wat klare en onderscheide bevatting, zeg ik, heeft hy van een denking, eer engelijk aan zeker deeltje der hoegrootheit verëenigt? zeker, ik wilde wel dat hy deze verëeniging door haar naaste oorzaak verklaart had. Maar hy had de geest in dier voegen van 't lighaam onderscheiden bevat, dat hy geen bezondere oorzaak van deze verëeniging, noch van zijn geest heeft konnen aanwijzen: in voegen dat hy gedwongen heeft geweest zijn toevlucht tot d'oorzaak van 't Heeläl, dat is tot God, te nemen. Wijders, ik zou wel willen weten hoe veel trappen van beweging de geest aan deze pijnäppelklier kan toevoegen, en met hoe grote kracht hy de zelfde geschorst kan houden: want ik weet niet of deze klier langsamelijker, of gezwindelijker van de ziel omgedreven word, dan van de dierelijke geesten, en of de bewegingen der lijdingen, die wy door kunst aan de bestandige oordeelen gevoegt hebben, niet door de zelfden weder van de lighamelijke oorzaken gescheiden konnen worden. Hier uit volgt dat, schoon de ziel vastelijk voorgenomen had de gevarelijkheden tegen te gaan, en de beweging der stoutheit by dit besluit gevoegt had, de klier, als men echter het gevaar zag, zo gestuit zou konnen worden, dat de ziel nergens anders op, dan op de vlucht, zou konnen denken. Enzeker, dewijl'er geen reden van de wil tot de beweging gestelt word, zo word'er ook geen vergelijking tusschen het vermogen, of de krachten der ziel en des lighaams gestelt; en by gevolg konnen de krachten van deze leste geensins door de krachten van d'eerste bepaalt worden. Voeg hier by, dat deze klier niet in dier voegen in 't midden der harssenen geplaatst word gevonden, dat hy zo lichtelijk, en op zo veel wijzen omgevoert kan worden, en ook dat niet alle de zenuwen zich tot aan de holligheden der harssenen uitstrekken. Eindelijk, ik ga al 't geen voorby, 't welk hy van de wil, en van des zelfs vryheit zegt; vermits ik genoech, en meer dan genoech getoont heb, dat deze dingen valsch zijn. Dieshalven, dewijl het vermogen van de ziel, gelijk ik hier voor heb aangewezen, door 't verstant alleen. bepaalt word, zo zullen wy de hulpmiddelen der hartstochten, die (gelijk ik geloof) van alle menschen wel beproeft, maar niet naaukeuriglijk waargenomen, noch onderscheidelijk gezien worden, alleenlijk door de kennis der ziel bepalen, en van daar alle die dingen, de welken tot haar zaligheit behoren, afleiden.