Ethics V - Van 't vermogen des Verstants, of Van de Menschelijke Vrïheit.

 Opera Posthuma
Expand
De Nagelate Schriften
Show All
Elwes
Expand
5A1
Indien in een zelfde onderwerp twee strijdige doeningen verwekt worden, zo zal nootzakelijk, of in beide, of in een van beide, verändering geschieden, tot dat zy ophouden strijdig te wezen.
5A2
't Vermogen van 't gewrocht word door 't vermogen van d'oorzaak zelve bepaalt, voor zo veel des zelfs wezentheit door de wezentheit van d'oorzaak zelve verklaart, of bepaalt word.
Deze Kundigheit blijk uit de zevende Voorstelling van 't darde deel.
5P1
Gelijk de denkingen, en de denkbeelden der dingen in de ziel geschikt, en te zamen geschakelt worden; zo worden d'aandoeningen des lighaams, of de beelden der dingen naaukeuriglijk in 't lighaam geschikt, en te zamen geschakelt.
Betoging.--D' ordening en samenknoping der denkbeelden is de zelfde, (volgens de zevende Voorstelling van het tweede deel) als d'ordening en samenknoping der dingen: en wederom, d'ordening en samenknoping der dingen is de zelfde, (volgens de Toegift van de zeste en zevende Voorstellingen in het tweede deel) als d'ordening en samenknoping der denkbeelden. Dieshalven, gelijk d'ordening en samenknoping der denkbeelden in de ziel geschied, naar d'ordening en samenschakeling der aandoeningen des lighaams, (volgens d'achtiende Voorstelling van het tweede deel) zo geschied, van d'andere zijde, (volgens de tweede Voorstelling van 't darde deel) d'ordening en samenknoping der aandoeningen des lighaams, naar dat de denkingen, en denkbeelden der dingen in de ziel geschikt en te zamengeschakelt worden; gelijk te betogen stond.
5P2
Indien wy de bewegingen des gemoeds, of de hartstochten van de denking van d'uitterlijke oorzaak afweeren, en by andere denkingen voegen, zo zal de liefde, of haat tot d'uitterlijke oorzaak, gelijk ook de vlotheden des gemoeds, die uit deze hartstochten spruiten, vernietigt worden.
Betoging.--Want dit, 't welk de vorm van liefde, of van haat stelt, is blijschap, of droefheit, van 't denkbeelt van d'uitterlijke oorzaak verzelt; volgens de zeste en zevende Bepalingen der hartstochten. Indien men dan dit wechneemt, zo word ook de vorm van liefde, of haat gelijkelijk wechgenomen: en dieshalven worden deze hartstochten, en de genen, die hier uit spruiten, vernietigt; gelijk te betogen stond.
5P3
De hartstocht, die een lijding is, houd op lijding te wezen, zo haast als wy der zelfder klaar en onderscheide denkbeelt vormen.
Betoging.--De hartstocht, die een lijding is, is een verward denkbeelt; volgens d'algemene Bepaling der hartstochten. Indien wy dan een klaar en onderscheide denkbeelt van de hartstocht zelf vormen, zo zal dit denkbeelt niet, dan door de reden, van de hartstocht zelf, voor zo veel het tot de ziel alleen toegepast word, onderscheiden worden; volgens de tweeëntwintigste Voorstelling van het tweede deel: en dieshalven (volgens de darde Voorstelling van 't darde deel) houd de hartstocht op een lijding te wezen; gelijk te betogen stond.

Toegift.--De hartstocht dan is zo veel te meer in onze macht, en de ziel lijd zo veel te minder daar af, als hy meer aan ons bekent is.

5P4
Daar is geen aandoening des lighaams, van de welke wy niet enige klare en onderscheide bevatting konnen vormen.
Betoging.--Het geen, dat aan alle dingen gemeen is, kan niet, dan evenmatiglijk, bevat worden; volgens d'achtëndartigste Voorstelling van het tweede deel: en dieshalven, (volgens de twaalfde Voorstelling, en het tweede Voorbewijs, 't welk achter het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in het tweede deel staat) daar is geen aandoening des lighaams, van de welke wy niet enige klare en onderscheide bevatting konnen vormen, gelijk wy voorstelden.

Toegift.--Hier uit volgt dat'er geen hartstocht is, van de welk wy niet enige klare en onderscheide bevatting konnen vormen: want een hartstocht is het denkbeelt der aandoening van 't lighaam, (volgens de Bepaling der algemene hartstochten) 't welk dieshalven (volgens de voorgaande Voorstelling) enige klare en onderscheide bevatting moet insluiten.

Byvoegsel.--Dewijl 'er niets is, uit het welk niet enig gewrocht volgt, (volgens de zesendartigste Voorstelling van 't eerste deel) en dewijl wy al 't geen, 't welk uit het denkbeelt volgt, dat in ons evenmatig is, klarelijk en onderscheidelijk verstaan; volgens de veertigste Voorstelling van het tweede deel: zo volgt hier uit, dat yder macht heeft om zich zelf en zijn hartstochten, is 't niet volkomentlijk, ten minsten ten deel, klarelijk en onderscheidelijk te verstaan, en by gevolg te maken dat hy minder van hen lijd. Wy moeten dan voornamelijk vlijt en naerstigheit hier toe aanwenden, dat wy yder hartstocht, zo veel als 't mogelijk is, klarelijk en onderscheidelijk kennen; op dat de ziel dus uit hartstocht bepaalt zou worden tot die dingen te denken, de welken zy klarelijk en onderscheidelijk bevat, en op de welken zy warelijk gerust is, en op dat dieshalven de hartstocht zelf van de denking'der uitwendige oorzaak afgescheiden, en aan de ware denkingen gevoegt zou worden: en hier uit zal voortkomen dat niet alleenlijk de liefde, haat, enz. vernietigt zullen worden; volgens de tweede Voorstelling van dit deel: maar dat ook de lusten of begeerten, die gemenelijk uit zodanige hartstochten spruiten, geen overmaat zullen konnen hebben; volgens de tweeënzestigste Voorstelling van 't vierde deel. Want men heeft voornamelijk aan te merken dat het een en de zelfde lust is, door de welk de mensch, gelijk men zegt, zo wel doet, als lijd. Tot een voorbeelt; wy hebben getoont dat het met de menschelijke natuur zodanig gestelt is, dat yder wenscht en begeert dat d' anderen naar zijn verstant en zin leven; bezie het Byvoegsel van d' eenëndartigste Voorstelling in 't darde deel: en deze lust in de mensch, die niet door reden geleid word, is een lijding, de welke roemzucht word genoemt, en niet veel van de verwaantheit verschilt. In tegendeel in de mensch, die naar het voorschrift der reden leeft, is hy een doening of deucht, die godvruchtigheit word geheten; bezie het eerste Byvoegsel van de zevenëndartigste Voorstelling in 't vierde deel, en de tweede Betoging van die zelfde Voorstelling. En op deze wijze zijn alle lusten, of begeerten alleenlijk voor zo veel lijdingen, als zy uit onëevenmatige denkbeelden voortkomen. De zelfden worden aan de deucht toegerekent, als zy van evenmatige denkbeelden verwekt worden, of voortkomen. Want alle begeerten, door de welken wy bepaalt worden tot iets te werken, konnen zo wel uit evenmatige, als uit onëevenmatige denkbeelden spruiten; bezie de negenenvijftigste Voorstelling van 't vierde--deel: en daar kan (om weêr tot het geen te keren, daar af ik begonnen heb) geen andere voortreffelijker hulpmiddel, die in onze macht is, bedacht worden, als deze hulpmiddel tegen de hartstochten, namelijk die in der zelfder ware kennis bestaat; dewijl 'er geen ander vermogen van de ziel is, dan die van te denken, en evenmatige denkbeelden te vormen; gelijk wy hier voor (in de darde Voorstelling van 't darde deel) getoont hebben.

5P5
De Hartstocht tot een zaak, die wy ons enkelijk, en niet als nootzakelijk, noch als mogelijk, noch als gebeurelijk inbeelden, is, als d' andere dingen gelijk zijn, de grootste van allen.
Betoging.--De hartstocht tot een ding, dat wy ons inbeelden vry te zijn, is groter, dan tot een ander, dat nootzakelijk is: (volgens de negenenveertigste Voorstelling van 't darde deel) en by gevolg noch groter dan tot dat, 't welk wy ons als mogelijk, of gebeurelijk inbeelden; volgens d' elfde Voorstelling van 't vierde deel Maar enig ding als vry in te beelden kan niets anders zijn, dan dat wy ons het zelfde enkelijk inbeelden, terwijl wy van d' oorzaken, door de welken het tot werken bepaalt heeft geweest, onkundig zijn; volgens het geen, dat wy in 't Byvoegsel van de vijfëndartigste Voorstelling in het tweede deel getoont hebben: Dieshalven, de hartstocht tot een ding, 't welk wy onsenkelijk inbeelden, is, als d' andere dingen gelijk zijn, groter dan tot het nootzakelijk, mogelijk, of gebeurelijk, en by gevolg de grootste; 't welk te betogen stond.
5P6
Voor zo veel als de ziel alle dingen als nootzakelijk verstaat, voor zo veel heeft zy groter vermogen op de hartstochten, of lijd minder van hen.
Betoging.--De ziel verstaat alle dingen nootzakelijk te wezen, (volgens de negenëntwintigste Voorstelling van 't eerste de deel) en door een oneindige samenknoping van oorzaken tot wezentlijk te zijn, en tot werken bepaalt te worden; volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van 't eerste deel: en maakt dieshalven (volgens de voorgaande--Voorstelling) dat zy van de hartstochten, die daar uit spruiten, minder lijd, en (volgens d' achtënveertigste Voorstelling van 't darde deel) minder tegens de zelfden aangedaan word; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hoe deze kennis, namentlijk dat de dingen nootzakelijk zijn, meer omtrent de bezondere dingen, die wy ons onderscheidelijker en levendiger inbeelden, verkeert, hoe dit vermogen van de ziel over de hartstochten groter is; 't welk ook d' ervarentheit zelve betuigt. Want wy zien dat deze droefheit over enig goet, 't welk verloren is, verzacht word, zo haast de mensch, die dit verloren heeft, aanmerkt dat dit goet door geen middelen bewaart kon worden. Dus zien wy ook dat niemant deernis met een jong kint heeft, om dat het niet kan spreken, wandelen, redeneren, en eindelijk om dat het zo veel jaren als onkundig van zich zelf leeft. Maar indien zy ten meestendeel volwassen, en alleenlijk een of twee kinderen wierden geboren, zo zou yder erbarmenis met deze kinderen hebben: dewijl men dan de kintsheit zelve niet als een naturelijk en nootzakelijk ding, maar als een gebrek der natuur, of zonde zou aanmerken: en op deze wijze zouden wy meer andere dingen konnen tonen.

5P7
De hartstochten, die uit de reden spruiten, of verwekt worden, zijn, zo men achting op de tijt heeft, machtiger dan de genen, die tot bezondere dingen toegepast worden, de welken wy als afweezig beschouwen.
Betoging.--Wy beschouwen enig ding als afweezig, niet uit die hartstocht, daar meê wy ons het zelfde inbeelden; maar hier uit, dat het lighaam door een andere hartstocht aangedaan word, die de wezentlijkheit van het zelfde ding uitsluit; volgens de zeventiende Voorstelling van het tweede deel. Dieshalven, de hartstocht, die tot de zaak toegepast word, de welke wy als afweezig beschouwen, is niet van die natuur, dat hy d' andere doeningen van de mensch, en zijn vermogen overtreft; bezie hier af de zeste Voorstelling van 't vierde deel: maar in tegendeel van zodanige natuur, dat hy van die aandoeningen, die de wezentlijkheit van des zelfs uitterlijke oorzaak uitsluiten, enigsins bedwongen en ingetoomt kan worden; volgens de negende Voorstelling van 't viede deel. Maar de hartstocht, die uit de re---den spruit, word nootzakelijk op de gemene eigenschappen der dingen toegepast, (bezie de Bepaling van de reden in het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) die wy altijt als tegenwoordig aanschouwen, (want daar kan niets wezen, 't welk der zelfder tegenwoordige wezentlijkheit uitsluit) en die wy ons altijt op de zelfde wijze inbeelden; volgens d' achtëndartigste Voorstelling van het tweede deel. Dieshalven, zodanige hartstocht blijft altijt de zelfde; en by gevolg (volgens d' eerste Kundigheit van dit deel) zullen de hartstochten, die tegen de zelfde strijden, en die van hun uitterlijke oorzaken niet gevoed worden, zich meer en meer naar de zelfde moeten schikken en voegen, tot dat zy niet langer strijdig zijn; en dus verre is de hartstocht, die uit de reden spruit, machtiger; 't welk te betogen stond.
5P8
Hoe enige hartstocht van meer te zamenkomende oorzaken verwekt word, hoe hy groter is.
Betoging.--Veel oorzaken te gelijk vermogen meer, dan of'er weiniger in getal waren; volgens de zevende Voorstelling van 't darde deel: en dieshalven, (volgens de vijfde Voorstelling van 't vierde deel) hoe enige hartstocht van meer oorzaken te gelijk verwekt word, hoe hy sterker is; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling blijkt ook uit de tweede Kundigheit van dit deel.

5P9
De. hartstocht, die tot meer en verscheide oorzaken toegepast word, de welken met de hartstocht zelf te gelijk van de ziel aangeschout worden, is minder schadelijk, (wy lijden ook daar door te minder, en worden minder tot yder oorzaak aangedaan) dan een ander even grote hartstocht, die tot een enige, of tot weiniger oorzaken toegepast word.
Betoging.--De hartstocht is alleenlijk voor zo veel quaat, of schadelijk, als de ziel daar door belet word in te konnen denken; volgens de zes---en zevenëntwintigste Voorstellingen van 't vierde deel: dieshalven die hartstocht, door de welk de ziel bepaalt word tot veel voorwerpen te gelijk t'aanschouwen, is minder schadelijk dan een andere even grote hartstocht, die de ziel in d'enige aanschouwing van een enig, of weinig voorwerpen in dier voegen weêrhoud, dat hy niet op d'anderen kan denken; 't welk het eerste was. Wijders dewijl de wezentheit van de ziel, dat is, (volgens de zevende Voorstelling van 't darde deel) haar vermogen, in d'enige denking bestaat; volgens d'elfde Voorstelling van 't darde deel: zo lijd de ziel door de hartstocht, door de welk zy bepaalt word tot meer dingen te gelijk t' aanschouwen, minder, dan door een even grote hartstocht, die de ziel in d'enige aanschouwing van een enig, of van weinig voorwerpen bezich houd; 't welk het tweede was. Eindelijk, deze hartstocht (volgens d' achtënveertigste Voorstelling van 't darde deel) voor zo veel hy tot veel uitterlijke oorzaken toegepast word, is ook minder tot yder oorzaak; 't welk te betogen stond.
5P10
Zo lang wy van de hartstochten, die tegen onze natuur strijden, niet bestreden worden, zo lang hebben wy macht om d' aandoeningen des lighaams te schikken, en te zamen te schakelen, volgens d' ordening van het verstant.
Betoging.--De hartstochten, die tegen onze natuur strijden, dat is, (volgens de dartigste Voorstelling van 't vierde deel) die quaat zijn, zijn voor zo veel quaat, als zy beletten dat de ziel verstaat; volgens de zevenëndartigste Voorstelling van 't vierde deel. Zo lang als wy dan van de hartstochten, die tegen onze natuur strijden, niet bestreden worden, zo lang word het vermogen van de ziel, daar door zy poogt de zaken te verstaan, (volgens de zesentwintigste voorstelling van 't vierde deel) niet belet: en dieshalven heeft zy lange tijt macht van klare en onderscheide denkbeelden te vormen, en anderen van anderen af te leiden; bezie het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling, en het Byvoegsel, van de zevenënveertigste Voorstelling in het tweede deel: en by gevolg, (volgens d' eerste Voorstelling van dit deel) zo lang hebben wy macht van d'aandoeningen des lighaams te schikken, en te zamen te schakelen, volgens d'ordening van het verstant; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Door deze macht, van d'aandoeningen des lighaams wel en recht te schikken, en te zamen te schakelen, konnen wy uitwerken dat wy niet lichtelijk van de quade hartstochten aangedaan zullen worden. Want (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) daar word groter kracht verëischt om de hartstochten, die volgens d'ordening van 't verstant geschikt, en te zamen geschakelt zijn, dan om de genen, die onzeeker zijn, en zich in 't wilde verspreiden, te bedwingen. Het beste dan, dat wy doen konnen, zo lang wy geen volmaakte kennis van onze hartstochten hebben, is een rechte middel en wijze van te leven, of zekere leerstukken des levens te bevatten, en de zelfden in geheugenis te houden, en hen geduriglijk tot de bezondere dingen, die deurgaans in 't leven voorkomen, toe te passen; op dat zy over-vloediglijk plaats in onze inbeelding zouden krijgen, en wy hen altijt gereet hebben. Tot een voorbeelt, onder de leerstukken des levens hebben wy gestelt, (bezie de zesenveertigste Voorstelling van 't vierde deel, met der zelfder Bjvoegsel) dat men de haat door liefde, of door edelmoedigheit moet verwinnen, en niet met onderlinge haat vergelden. Doch op dat wy dit voorschrift van de reden altijt, daar het nodig is, in handen zouden hebben, zo moeten wy de gemene ongelijken en onbillijkheden der menschen bedenken, en dikwijls overwegen, en hoe, en op welke wijze wy hen best door edelmoedigheit zullen verdrijven. Want dus zullen wy het beelt van 't ongelijk met d'inbeelding van dit leerstuk te zamen voegen; en dus zullen wy 't (volgens d'achtiende Voorstelling van het tweede deel) altijt vaerdig hebben, daar ons ongelijk aangedaan zal worden. Indien wy ook de reden van onz ware nut, en daar beneffens van 't goet, 't welk uit d'onderlinge vrientschap, en gemene gezelligheit volgt, vaerdig en by der hant hebben; gelijk ook dit, dat uit de rechte wijze en middel van te lerven d'opperste gerustheit des gemoeds voortkoomt, (volgens de tweeënvijftigste Voorstelling van het tweede deel) en dat de menschen, gelijk d'andere dingen, uit nootzakelijkheit der natuur werken: zo zal het ongelijk, of de haat, die gemenelijk uit het ongelijk rijft, het minste deel van d'inbeelding beslaan, en lichtelijk overwonnen worden: of indien de gramschap, die gemenelijk uit de grootste ongelijken spruit, niet zo lichtelijk verwonnen word, zo zal zy echter, hoewel niet zonder enige vlotheit des gemoeds, in veel korter tijt verwonnen worden, dan als wy deze dingen niet--zo voorbedacht hadden; gelijk uit de zeste, zevende en achtste Voorstellingen van dit deel blijkt. Om de vrees te verdrijven, moet men op gelijke wijze de gedachten op de kloekmoedigheit vester: dat is, men moet de gevarelijkheden van 't gemeen leven optellen, en hen zich dikwijls inbeelden, en hoe zy door kloekhartigheit en vroomheit best gemijd en verwonnen konnen worden. Maar hier staat aan te merken, dat wy, in onze denkingen en beelden te schikken, altijt (volgens de Toegift van de drieënzestigste Voorstelling in 't vierde deel, en de negenënvyftigste Voorstelling van 't darde deel) op die dingen moeten letten, die in yder ding goet zijn, om dus altijt door de hartstocht van blijschap tot werken bepaalt te worden. Tot een voorbeelt, indien iemant ziet dat hy naar al te grote roem tracht, zo moet hy des zelfs recht gebruik bedenken, en tot welk einde de zelfde betracht, en door welke middelen verkregen kan worden, en niet op des zelfs misbruik en ydelheit denken, gelijk ook niet op de wispelturigheit der menschen, of op andere diergelijke middelen, daar op niemant denkt, dan uit zwakheit des gemoeds: want de genen, die meest roemzuchtig zijn, pijnigen zich meest met zodanige denkingen, als zy wanhopen in d'eer, daar zy naar trachten, te verkrijgen, en als zy, terwijl zy hun gramschap uitbraken, wijs willen schijnen. 't Is dan zeker dat de genen meest naar roem trachten, die meest tegen des zelfs misbruik, en tegen d'ydelheit des werrelts roepen. Dit is niet alleenlijk de roemzuchtigen eigen, maar gemeen aan alle de genen, die in tegenspoet zijn, en zich zelven niet konnen bestieren. Want d'arme zelf, gierig zijnde, houd niet op van 't misbruik van 't gelt, en van de gebreken der rijken te spreken; daar meê hy niets anders uitricht, dan dat hy zich zelf pijnigt, en aan anderen toont, dat hy niet alleenlijk zijn eige armoede, maar ook de rijkdommen der anderen onverduldiglijk draagt. In dezer voegen denken ook de genen, die van hun vrijster qualijk onthaalt zijn, nergens anders op, dan op d'ongestadigheit en bedriegelijkheit der vrouwen, en op hun andere gebreken, die dus uitgekreten worden; doch zy vergeten hen alle terstont, zo haast zy van hun vrijster weêr aangenomen zijn. De geen dan, die zijn hartstochten en begeerlijkheden alleenlijk naar de liefde tot de vryheit tracht te matigen, en te stieren, zal, zo veel als hem mogelijk is, pogen de deuchden, en hun oorzaken te kennen, en zijn ziel met vreucht, die uit hun ware kennis spruit, te vervullen, en geensins de gebreken der menschen t'aanschouwen, de menschen te lasteren, noch zich met de valsche schijn van vryheit--te verheugen. De geen dan, die deze dingen naerstiglijk zal waarneemen, (want zy zijn niet zwaar) en oeffenen, zal zekerlijk binnen korten tijt zijn doeningen deurgaans naar 't gebied van de reden konnen stieren.

5P11
Hoe enig beelt op meer dingen toegepast word, hoe het geduriger is, of meermaals voorkoomt, en de ziel meer bezich houd.
Betoging.--Want hoe het beelt, of de hartstocht tot meer dingen toegepast word, hoe 'er meer oorzaken zijn, van de welken hy verwekt en gevoed kan worden; alle de welken de ziel (volgens d'onderstelling) door de hartstocht gelijkelijk aanschout; en dieshalven is de hartstocht zo veel te geduriger, of koomt meermaals voor, en (volgens d'achtste Voorstelling van dit deel) houd de ziel meer bezich; 't welk te betogen stond.
5P12
De beelden der dingen worden lichtelijker aan de beelden, die tot dingen toegepast worden, de welken wy klarelijk en onderscheidelijk verstaan, te zamen gevoegt, dan aan d'anderen.
Betoging.--De dingen, die wy klarelijk en onderscheidelijk verstaan, zijn of gemene eigenschappen der dingen, of zodanigen, die daar van afgeleid worden; bezie de Bepaling van de reden in het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel: en worden by gevolg (volgens de voorgaande Voorstelling) meermaals in ons verwekt: en dieshalven kan lichtelijker gebeuren, dat wy andere dingen, gezamentlijk met dezen, dan met anderen, aanschouwen; en by gevolg (volgens d'achtiende Voorstelling in het tweede deel) dat zy lichtelijker met dezen, dan met d'anderen, te zamen gevoegt worden.
5P13
Hoe enig beelt aan meer anderen gevoegt is, hoe het meermaals voorkoomt.
Betoging.--Want hoe enig beelt aan meer anderen gevoegt is, hoe 'er (volgens d'achtiende Voorstelling van het tweede deel) meer oorzaken zijn, van de welken het opgewekt kan worden.
5P14
De ziel kan maken dat alle d' aandoeningen des lighaams, of de beelden der dingen tot Gods denkbeelt toegepast worden.
Betoging.--Daar is geen aandoening des lighaams, van de welk de ziel niet enige klare en onderscheide bevatting kan vormen; volgens de vierde Voorstelling van dit deel: en dieshalven kan zy maken (volgens de vijftiende Voorstelling van 't eerste deel) dat zy alle tot Gods denkbeelt toegepast worden; 't welk te betogen stond.
5P15
De geen, die zich zelf, en zijn hartstochten klarelijk en onderscheidelijk verstaat, bemint God, en zo veel te meer, als hy zich zelf, en zijn hartstochten beter verstaat.
Betoging.--De geen, die zich zelf, en zijn hartstochten klarelijk en onderscheidelijk verstaat, verblijd zich; (volgens de drieënvyftigste Voorstelling van het darde deel) en dit met Gods denkbeelt verzelt; volgens de voorgaande Voorstelling: en dieshalven (volgens de zelfde Bepaling der hartstochten) bemint hy God, en (volgens de zelfde reden) zo veel te meer, als hy zich zelf, en zijn hartstochten beter verstaat; 't welk te betogen stond.
5P16
Deze liefde tot God moet de ziel meest bezich houden.
Betoging.--Want deze liefde is aan alle aandoeningen des lighaams gevoegt, (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel) van alle de welken zy gevoed word; volgens de vijftiende Voorstelling in dit deel: en dieshalven (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) moet zy de ziel meest bezich houden: 't welk te betogen stond.
5P17
God is zonder lijdingen, en word van geen hartstocht van blijschap, of van droefheit aangedaan.
Betoging.--Alle denkbeelden, voor zo veel zy tot God betrokken en toegepast worden, zijn waar, (volgens de tweeëndartigste Voorstelling van het tweede deel) dat is (volgens de vierde Bepaling van het tweede deel) evenmatig; en dieshalven, (volgens d' algemene Bepaling der hartstochten) God is zonder lijdingen. Wijders, God kan tot noch meerder, noch tot minder volmaaktheit overgaan; volgens de tweede Toegift van de twintigste Voorstelling in 't eerste deel: en word dieshalven (volgens de tweede en darde Bepaling der hartstochten) door geen hartstocht van blijschap, of van droefheit aangedaan: 't welk te betogen stond.

Toegift.--God, om eigentlijk te spreken, bemint en haat niemant. Want God (volgens de voorgaande Voorstelling) word van geen hartstocht van blijschap, noch van droef heit aangedaan; en by gevolg (volgens de zeste en zevende Bepalingen der hartstochten) bemint en haat niemant.

5P18
Niemant kan God haten.
Betoging.--Gods denkbeelt, twelk wy in ons hebben, is evenmatig, en volmaakt; volgens de zes- en zevenënveertigste Voorstellingen van het tweede deel: dieshalven, voor zo veel wy God aanschouwen, voor zo veel werken wy; volgens de darde Voorstelling van 't darde deel: en by gevolg (volgens de negenënvijftigste Voorstelling van het darde deel) kan 'er geen droef heit, in 't gezelschap van Gods denkbeelt wezen; dat is, (volgens de zevende Bepaling der Hartstochten) niemant kan God haten; 't welk te betogenstond.

Toegift.--De liefde tot God kan niet in haat veränderen.

Byvoegsel.--Men kan hier tegenwerpen, dat, dewijl wy God d'oorzaak aller dingen verstaan te wezen, wy daar door zelf God voor d'oorzaak--van de droefheit aanmerken. Maar ik antwoord hier op, dat, voor zo veel wy d' oorzaken der droefheit verstaan, de droefheit zo verre (volgens de darde Voorstelling van dit deel) ophoud een lijding te wezen; dat is, (volgens de negenënvijftigste Voorstelling van het darde deel) voor zo veel houd zy op droef heit te zijn: en dieshalven, voor zo veel wy God verstaan d' oorzaak van droefheit te wezen, voor zo veel verblijden wy ons.

5P19
De geen, die God bemint, kan niet pogen dat God hem ook zal beminnen.
Betoging.--Indien de mensch hier naar trachtte, zo zou hy begeren (volgens de Toegift van de zeventiende Voorstelling in dit deel) dat God, die hy bemint, geen God was, en by gevolg (volgens de negentiende Voorstelling van 't darde deel) begeren dat hy droevig wierd; 't welk (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van 't darde deel) ongerijmt is.
5P20
De liefde tot God kan door geen hartstocht van nijt, noch yverzucht besmet worden; maar word zo veel te meer aangevoed, als wy ons inbeelden dat 'er meer menschen met de zelfde bant van liefde met God te zamen gevoegt zijn.
Betoging.--Deze liefde tot God is het opperste goet, 't welk wy, volgens het Voorschrift van de reden, konnen begeren; volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van 't vierde deel: en dat aan alle menschen gemeen is; volgens de zesëndartigste Voorstelling van 't vierde deel: en 't welk wy begeren en wenschen dat alle menschen het zelfde mogen genieten; volgens de zevenëndartigste Voorstelling van 't vierde deel: en dat dieshalven (volgens de drieëntwintigste Bepaling der hartstochten) niet door de hartstocht van nijt besmet kan worden, noch ook (volgens d' achtiende Voorstelling van dit deel, en de Bepaling der yverzucht, die in 't Byvoegsel van de vijfëndartigste Voorstelling in 't darde deel te zien is) door de hartstocht van yverzucht: maar dat, in tegendeel, (volgens d' eenëndartigste Voorstelling van 't darde deel) zo veel te meer gevoed moet wor---den, als wy ons inbeelden dat meer menschen het zelfde genieten; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Wy konnen dan op de zelfde wijze tonen, dat 'er geen hartstocht is, die rechtstrijdig tegen deze liefde is, van de welk deze liefde zelf vernietigt kan worden: en dieshalven konnen wy besluiten dat deze liefde tot God de stantvastigste van alle is, en ook, voor zo veel zy tot het lighaam toegepast word, niet vernietigt kan worden, dan met het lighaam zelf. Maar van welke natuur zy is, voor zo veel zy tot de ziel alleen toegepast word; wy zullen dit hier na zien. En hier in heb ik alle hulpmiddelen der hartstochten, of al 't geen, 't welk de ziel, in zich alleen aangemerkt, tegen de hartstochten vermag, begrepen; uit het welk blijkt, dat het vermogen van de ziel over de hartstochten bestaat; eerstelijk in de kennis zelve der hartstochten; bezie het Byvoegsel van de vierde Voorstelling in dit deel: ten tweeden hier in, dat zy de hartstochten van de denking der uitterlijke oorzaak, die wy ons verwardelijk inbeelden, afscheid; bezie de tweede Voorstelling, met het zelfde Byvoegsel van de vierde Voorstelling in dit deel: ten darden in de tijt, daar in d' aandoeningen, de welken tot het geen toegepast worden, dat wy verstaan, die dingen overtreffen, de welken tot het geen toegepast worden, dat wy verwardelijk, of op een verminkte wijze bevatten; (bezie de zevende Voorstelling van dit deel: ten vierden in de menigte der oorzaken, van de welken d' aandoeningen, die men tot de gemene eigenschappen der dingen, of tot God toepast, gevoed en gesterkt worden; bezie de negendeen elfde Voorstellingen van dit deel: ten vijfden, en eindelijk in d' ordening, daar door de ziel haar hartstochten schikken, en onderling samenschakelen kan. Bezie het Bjvoegsel van de tiende Voorstelling, en daarënboven de twaalfde, dartiende en veertiende Voorstellingen van dit deel. Maar op dat men dit vermogen der ziel over de hartstochten te beter zou verstaan, zo staat voornamelijk aan te merken, dat wy de hartstochten groot noemen, als wy de hartstocht van een enig mensch met die van een ander vergelijken, en zien dat d' een meer, dan d' ander, van een zelfde hartstocht word bestreden, of als wy de hartstochten van een en de zelfde mensch onderling vergelijken, en bevinden, dat de zelfde meer van d'een, dan van d' ander, aangedaan, of bewogen word. Want, (volgens de vijfde Voorstelling van 't vierde deel) de kracht van yder--hartstocht word door 't vermogen van d'uitterlijke oorzaak, met het onze vergeleken, bepaalt. Maar het vermogen der ziel word door de kennis alleen bepaalt; en 't onvermogen, of de lijding word alleenlijk van de derving der kennis, dat is van 't geen, door 't welk de denkbeelden onëvenmatig gezegt worden, geschat. Hier uit volgt, dat die ziel meezt lijd, welker grootste deel uit onevenmatige denkbeelden bestaat; in voegen dat zy meer door het geen, dat zy lijd, dan door 't geen, dat zy doet, onderkent word: en in tegendeel, dat deze ziel meest werkt, welks grootste deel uit evenmatige denkbeelden bestaat; in voegen dat deze, schoon zy zo veel onëvenmatige denkbeelden, als d'andere, in zich heeft, echter meer door de genen, die aan de menschelijke deucht toegeëigent worden, dan door dezen, die 't menschelijk onvermogen aanwijzen, onderkent of gekent word. Wijders staat aan te merken, dat de qualen des gemoeds, en d'ongelukken voornamelijk hun oorsprong uit d' al te grote liefde tot een zaak trekken, die veel veränderingen onderworpen is, en die wy nooit machtig konnen worden. Want niemant is ooit voor enige zaak bekommert, en beängst, dan voor de gene, die hy bemint. D'ongelijken, achterdenkingen, vijantichappen, enz. spruiten ook nooit, dan uit liefde tot zaken, die niemant warelijk bezit. Hier uit dan bevatten wy lichtelijk wat een klare en onderscheide kennis, en voornamelijk deze darde slach van kennis, (bezie hier af het Byvoegsel van de zevenënveertigste Voorstelling in het tweede deel) van 't welk de kennis zelve van God de grontvest is, over de hartstochten vermag: want indien zy hen, namelijk voor zo veel zy lijdingen zijn, niet gantschelijk wechneemt, (bezie de darde Voorstelling, met het Byvoegsel van de vierde Voorstelling in dit deel) ten minsten maakt zy dat zy het minste deel van de ziel uitmaken. Bezie de veertiende Voorstelling van dit deel. Wijders, zy brengt een liefde tot een onveränderlijke en eeuwige zaak voort; bezie de vijftiende Voorstelling van dit deel: en die wy warelijk genieten; bezie de vijfënveertigste Voorstelling van het tweede deel. Zy kan dieshalven door geen gebreken, die in de gemene liefde plaats hebben, besmet, maar altijt groter en groter worden; volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel: en het grootste deel van de ziel beslaan, (volgens de zestiende Voorstelling in dit deel) en bredelijk aandoen. Hier meê heb ik alle de dingen, die tot dit tegenwoordig leven behoren, afgehandelt. Want wat het geen betreft, welk ik in 't begin van dit Byvoegsel gezegt heb, namelijk dat ik in dit weinige aile de hulpmid---delen der hartstochten heb begrepen, yder zal dit lichtelijk konnen zien, die op deze dingen merkt, de welken wy in dit Byvoegsel gezegt hebben, gelijk ook op de Bepalingen der ziel, en der zelfder hartstochten, en eindelijk op d'eerste en darde Voorstellingen van 't darde deel. 't Is dieshalven nu tijt dat ik tot die dingen overga, de welken tot de during der ziel, zonder betrekking tot het lighaam, behoren.

5P21
De ziel kan zich niets inbeelden, noch aan de verlede dingen gedenken, dan terwijl het lighaam duurt.
Betoging.--De ziel drukt niet de dadelijke wezentlijkheit van haar lighaam uit, en bevat ook niet d'aandoeningen des lighaams als dadelijk, dan terwijl het lighaam duurt; volgens de Toegift van d'achtste Voorstelling in het tweede deel: en bevat by gevolg (volgens de zesentwintigste Voorstelling van het tweede deel) geen lighaam, als in der daat wezentlijk, dan terwijl haar lighaam duurt: en kan dieshalven niets inbeelden; bezie de Bepaling van d'inbeelding in 't Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel: noch aan de verlede dingen gedenken, dan terwijl het lighaam duurt; bezie de Bepaling van de geheugenis in 't Byvoegsel van d'achtiende Voorstelling in het tweede deel: 't welk te betogen stond.
5P22
In God is echter nootzakelijk het denkbeelt, 't welk de wezentheit van dit en dat menschelijk lighaam, onder de gedaante van eeuwigheit, uitdrukt.
Betoging.--God is niet alleenlijk d'oorzaak van de wezentlijkheit van dit, of van dat menschelijk lighaam, maar ook van de wezentheit; volgens de vijfëntwintigste Voorstelling van 't eerste deel: de welke dieshalven door Gods wezentheit zelve nootzakelijk bevat moet worden; volgens de vierde Kundigheit van 't eerste deel: en dit door zekere eeuwige nootzakelijkheit; volgens de zestiende Voorstelling van 't eerste deel: welke bevatting nootzakelijk in God moet wezen; volgens de darde Voorstelling van het tweede deel: 't welk te betogen stond.
5P23
De menschelijke ziel kan niet gantschelijk met het lighaam vernietigt worden: maar daar blijft iets van de zelfde, dat eeuwig is.
Betoging.--In God is nootzakelijk zekere bevatting, of denkbeelt, 't welk de wezentheit van 't menschelijk lighaam uitdrukt, (volgens de voorgaande Voorstelling) de welke daaröm nootzakelijk iets is, dat tot de wezentheit van de menschelijke ziel behoort; volgens de dartiende Voorstelling van het tweede deel. Maar wy eigenen aan de menschelijke ziel geen during toe, die door de tijt bepaalt kan worden, dan voor zo veel zy de dadelijke wezentlijkheit van 't lighaam, die door de during verklaart word, en door de tijt bepaalt kan worden, uitdrukt: dat is, (volgens de Toegift van d'achtste Voorstelling in het tweede deel) wy eigenen daar aan geen during toe, dan terwijl het lighaam duurt. Dewijl 't echter iets is, 't welk wy door zekere eeuwige nootzakelijkheit door Gods wezentheit zelve bevatten, (volgens de voorgaande Voorstelling) zo zal nootzakelijk dit iets, 't welk tot de wezentheit der ziel behoort, eeuwig zijn: 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Dit denkbeelt, 't welk de wezentheit des lighaams, onder de gedaante der eeuwigheit, uitdrukt, is, gelijk wy gezegt hebben, zekere wijze van denken, die tot de wezentheit van de ziel behoort, en die nootzakelijk eeuwig is. En echter kan 't ons niet heugen dat wy, voor het lighaam, wezentlijk geweest hebben; dewijl 'er noch in 't lighaam enige voetstappen of speuren van die zaak zijn, noch d'eeuwigheit door de tijt bepaalt kan worden, noch enige betrekking tot de tijt hebben. Wy gevoelen en bevinden nochtans dat wy eeuwig zijn: want de ziel gevoelt niet minder die dingen, de welken zy met te verstaan bevat, als die zy in de geheugenis heeft; dewijl d'ogen der ziel, met de welken zy de dingen ziet en waarneemt, de betogingen zelven zijn. Dieshalven, hoewel ons niet heugt dat wy voor het lighaam wezentlijk geweest hebben, zo gevoelen wy echter dat onze ziel, voor zo veel zy de wezentheit des lighaams onder de gedaante van eeuwigheit insluit, eeuwig is, en dat deze haar wezentlijkheit niet door de tijt bepaalt, noch door de during verklaart kan worden. Onze ziel dan kan alleenlijk voor--zo veel gezegt worden te duren, en haar wezentlijkheit door zekere tijt bepaalt te worden, als zy de dadelijke wezentlijkheit des lighaams insluit; en voor zo veel heeft zy alleenlijk vermogen van de wezentheit der dingen door de tijt te bepalen, en onder de during te bevatten.

5P24
Hoe wy de bezondere dingen meer verstaan, hoe wy ook God meer verstaan, of meer verstant van God hebben.
Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit de Toegift van de vijfëntwintigste Voorstelling in 't eerste deel.
5P25
D' opperste poging der ziel, en d'opperste deucht is, de zaken door de darde slach van kennis te verstaan.
Betoging.--De darde slach van kennis spruit uit een evenmatig denkbeelt van enigen van Gods toeëigeningen, en gaat voort tot een evenmatige kennis van de wezentheit der dingen; bezie de Bepaling hier af in het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel: en hoe wy op deze wijze de zaken meer verstaan, hoe wy (volgens de voorgaande Voorstelling) God ook meer verstaan: dieshalven, (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van 't vierde deel) d'opperste deucht van de ziel, dat is, (volgens d'achtste Bepaling in 't vierde deel) het vermogen der ziel, of de natuur, of (volgens de zevende Voorstelling van 't darde deel) d'opperste poging is, de dingen door de darde slach van kennis te verstaan; 't welk te betogenstond.
5P26
Hoe de ziel bequamer is tot de dingen door de darde slach van kennis te verstaan, hoe zy meer begeert de dingen door deze zelfde slach van kennis te verstaan.
Betoging.--De Betoging blijkt. Want voor zo veel als wy bevatten dat de ziel bequaam is tot de dingen door deze darde slach van kennis te verstaan, voor zo veel bevatten wy de zelfde bepaalt tot de dingen--door de zelfde van kennis te verstaan; en by gevolg (volgens d' eerste Bepaling der hartstochten) hoe de ziel hier toe bequamer is, hoe zy dit ook meer begeert; 't welk te betogen stond.
5P27
Uit deze darde slach van kennis spruit d' opperste gerustheit der ziel, die 'er wezen kan.
Betoging.--D' opperste deucht van de ziel is, God te kennen; volgens d' achtentwintigste Voorstelling van't vierde deel: of de dingen door de darde slach van kennis te verstaan; volgens de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel: welke deucht zo veel te groter is, als de ziel door deze darde slach van kennis de dingen meer kent; volgens de vierëntwintigste Voorstelling van dit deel. Dieshalven, de geen, die de dingen door deze slach van kennis kent, gaat tot d' opperste menschelijke volmaaktheit over, en word by gevolg (volgens de tweede Bepaling der hartstochten) van d' opperste blijschap aangedaan; en dit (volgens de drieënveertigste Voorstelling van het tweede deel) in 't gezelschap van zijn denkbeelt, en van zijn eige deucht: en dieshalven, (volgens de vijfëntwintigste Bepaling der Hartstochten) uit deze slach van kennis spruit d' opperste gerustheit, die 'er wezen kan; 't welk te betogen stond.
5P28
De poging, of de begeerte van de dingen door de darde slach van kennis te kennen kan niet uit d' eerste, maar wel uit de tweede slach van kennis spruiten.
Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit zich zelve. Want al 't geen, dat wy klarelijk en onderscheidelijk verstaan, verstaan wy door zich zelf, of door iets anders, 't welk door zich bevat word: dat is, de denkbeelden, die in ons klaar en onderscheiden zijn, of die tot de darde slach van kennis betrokken en toegepast worden, (bezie het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) konnen niet uit verminkte en verwarde denkbeelden volgen, de welken (volgens het zelfde Byvoegsel) tot d' eerste slack van kennis toegepast worden: maar uit evenmatige denkbeelden, of (volgens het zelfde Byvoegsel) uit de tweede en darde slach van kennis;--en dieshalven, (volgens d' eerste Bepaling der hartstochten) de begeerte van de dingen door de darde slach van kennis te kennen kan niet uit d' eerste, maar wel uit de tweede slach van kennis spruiten; gelijk voorgestelt is.
5P29
Al 't geen, dat de ziel onder de gedaante van eeuwigheit verstaat, verstaat zy niet hier uit, dat zy de tegenwoordige dadelijke wezentlijkheit des lighaams bevat, maar hier uit, dat zy de wezentheit des lighaams onder de gedaante van eeuwigheit bevat.
Betoging.--Voor zo veel als de ziel de tegenwoordige wezentlijkheit van haar lighaam bevat, voor zo veel bevat zy de during, die door de tijt bepaalt kan worden, en voor zo veel alleen heeft zy vermogen van de dingen, met betrekking tot de tijt, te bevatten; volgens d' eenëntwintigste Voorstelling van dit, en de zesentwintigste Voorstelling van het tweede deel: maar d' eeuwigheit kan niet door de during verklaart worden; volgens d'achtste Bepaling van't eerste deel, en der zelfder verklaring: dieshalven, de ziel heeft niet voor zo veel de macht van de dingen onder de gedaante van d' eeuwigheit te bevatten. Maar dewijl het tot de natuur der reden behoort, de zaken onder de gedaante van eeuwigheit te bevatten, (volgens de tweede Toegift van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) en tot de natuur van de ziel ook behoort de wezentheit des lighaams onder de gedaante van d' eeuwigheit te bevatten; volgens de drieëntwintigste Voorstelling van dit deel: en dewijl 'er, behalven deze twee dingen, niets anders is, dat tot de wezentheit der ziel behoort; (volgens de dartiende Voorstelling van het tweede deel) zo behoort dit vermogen, van de dingen, onder de gedaante van d' eeuwigheit te bevatten, niet tot de ziel, dan voor zo veel zy de wezentheit des lighaams onder de gedaante van d'eeuwigheit bevat: 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Wy bevatten de dingen op twee wijzen als dadelijk, of voor zo veel de zelfden, met betrekking tot zekere tijt en plaats, wezentlijk zijn, of voor zo veel wy hen bevatten in God begrepen te wezen, en uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur te volgen. Maar de dingen, die op deze tweede wijze als waar, of zake---lijk bevat worden, bevatten wy onder de gedaante van d' eeuwigheit; en der zelfder denkbeelden sluiten Gods eeuwige en onëindige wezentheit in; gelijk wy, in de vijfënveertigste Voorstelling van het tweede deel, getoont hebben, daar af men ook het By voegsel te bezien heeft.

5P30
Onze ziel, voor zo veel als zy zith zelve, en 't lighaam onder de gedaante van d' eeuwigheit, kent, heeft ook voor zo veel nootzakelijk Gods kennis, en weet dat zy in God is, en door God bevat word.
Betoging.--D' eeuwigheit is Gods wezentheit zelve; voor zo veel deze leste nootzakelijke wezentlijkheit insluit; volgens d' achtste Bepaling van't eerste deel. Dieshalven, de zaken onder de gedaante van eeuwigheit te bevatten, is de zaken te bevatten voor zo veel zy, door Gods wezentheit, als zakelijke wezenden, bevat worden, of voor zo veel zy, door Gods wezentheit, wezentlijkheit insluiten: in voegen dat onze ziel, voor zo veel zy zich zelve, en het lighaam onder de gedaante van eeuwigheit bevat, ook nootzakelijk voor zo veel Gods kennis heeft, en weet, enz. gelijk te betogen stond.
5P31
De darde slach van kennis hangt af van de ziel, als van de vormelijke oorzaak, voor zo veel de ziel zelve eeuwig is.
Betoging.--De ziel bevat niets onder de gedaante van eeuwigheit, dan voor zo veel zy de wezentheit van haar lighaam onder gedaante van eeuwigheit bevat; (volgens de negenëntwintigste Voorstelling van dit deel) dat is (volgens d' een- en drieëntwintigste Voorstelling van dit deel) dan voor zo veel zy eeuwig is: en dieshalven, (volgens de voorgaande Voorstelling) voor zo veel zy eeuwig is, heeft zy Gods kennis; welke kennis nootzakelijk evenmatig is; volgens de zesënveertigste Voorstelling van het tweede deel: in voegen dat de ziel, voor zo veel zy eeuwig is, bequaam is tot alle die dingen te kennen, de welken uit deze gestelde kennis van God konnen volgen; volgens de veertigste Voorstelling van het tweede deel: dat is, tot de zaken door de darde slach van kennis te kennen, (bezie de Bepaling hier af--in het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) van 't welk, om deze oorzaak, (volgens d' eerste Bepaling van het darde deel) de ziel, voor zo veel zy eeuwig is, d' evenmatige, of vormelijke oorzaak is; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hoe dan yder meer van deze darde slach van kennis heeft, hoe hy beter van zich zelf, en van God bewust is: dat is, hy is zo veel te volmaakter en zaliger; 't welk noch klarelijker uit het volgende zal blijken. Maar hier staat aan te merken dat, hoewel wy alreê hier af zeker zijn, dat de ziel eeuwig is, voor zo veel zy de zaken onder de gedaante van eeuwigheit bevat, wy echter (om het geen, dat wy tonen willen, gemakkelijker te verklaren, en beter te doen verstaan) haar zullen aanmerken, gelijk wy tot noch toe hebben gedaan, als of zy nu begon te zijn, en de zaken onder de gedaante van eeuwigheit te bevatten; 't welk wy, zonder enig gevaar van doling, konnen doen, zo wy wel toezien dat wy niets, dan uit zeer klare vooräfgaanden, besluiten.

5P32
Wy verheugën ons met het geen, dat wy door deze darde slach van kennis verstaan; en dit in 't gezelschap van Gods denkbeelt, als d' oorzaak.
Betoging.--Uit deze slach van kennis spruit d' opperste gerustheit der ziel, die 'er wezen kan; dat is, (volgens de vijfentwintigste Bepaling der hartstochten) blijschap, en die van zijns zelfs denkbeelt verzelt, (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) en by gevolg (volgens de dartigste Voorstelling van dit deel) ook in 't gezelschap van Gods denkbeelt, als d' oorzaak; 't welk te betogen stond.

Toegift.--Uit de darde slach van kennis spruit nootzakelijk Gods verstandelijke liefde: want uit deze slach van kennis rijst (volgens de voorgaande Voorstelling) blijschap, verzelt van Gods denkbeelt, als van d' oorzaak: dat is, (volgens de zeste Bepaling der hartstochten) Gods liefde, niet voor zo veel als wy ons de zelfde als tegenwoordig inbeelden; volgens de negenentwintigste Voorstelling van dit deel: maar voor zo veel wy verstaan dat God eeuwig is; en dit is het geen, 't welk ik Gods verstandelijke liefde noem.

5P33
Gods verstandelijke liefde, die uit de darde slach van kennis spruit, is eeuwig.
Betoging.--Want de darde slach van kennis is (volgens d' eenëndartigste Voorstelling van dit deel, en volgens de darde Kundigheit van het eerste deel) eeuwig: en dieshalven (volgens de zelfde darde Kundigheit van 't eerste deel) is de liefde, die uit de zelfde spruit, ook nootzakelijk eeuwig; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hoewel deze liefde tot God geen begin heeft gehad, (volgens de voorgaande Voorstelling) zo heeft zy echter alle volmaaktheden der liefde, even als of zy gesproten en voortgekomen was; gelijk wy, in de Toegift van de voorgaande Voorstelling gestelt hebben. Hier is ook geen onderscheit, dan dat de ziel de zelfde volmaaktheden, die, gelijk wy gestelt hebben, nu daar by komen, eeuwig heeft gehad; en dit in 't gezelschap van Gods denkbeelt, als d'eeuwige oorzaak. Indien dan de blijschap in d'overganing tot groter volmaaktheden bestaat, zo moet warelijk de zaligheir hier in bestaan, dat de ziel met de volmaaktheit zelve begaaft is.

5P34
De ziel is geen hartstochten, die lijdingen zijn, onderworpen, dan terwijl het lighaam duurt.
Betoging.--Inbeelding is een denkbeelt, door 't welk de ziel enig ding als tegenwoordig aanschout, (bezie der zelfder Bepaling in 't Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) de welke echter meer de tegenwoordige gesteltheit van het menschelijk lighaam, dan de natuur van d' uitterlijke zaak, aanwijst; volgens de tweede Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel. D'inbeelding dan is een hartstocht, (volgens d'algemene Bepaling der hartstochten) voor zo veel zy de tegenwoordige gesteltheit van 't lighaam aanwijst; en dieshalven is (volgens d'eenëntwintigste Voorstelling van dit deel) de ziel niet, dan terwijl het lighaam duurt, de hartstochten, die tot de lijdingen toegepast worden, onderworpen; 't welk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt dat geen andere, dan de verstandelijke liefde, eeuwig is.

Byvoegsel.--Indien wy op 't gemeen gevoelen der menschen merken, zo zullen wy zien dat zy wel van d'eeuwigheit van hun ziel bewust zijn; maar dat zy de zelfde met de during vermengen, en aan d'inbeelding, of geheugenis toevoegen, die gelijk zy geloven, na de doot blijft.

5P35
God bemint zich zelf met een onëindige verstandelijke liefde.
Betoging.--God is volstrektelijk onëindig; (volgens de zeste Bepaling van 't eerste deel) dat is, (volgens de zeste Bepaling van het tweede deel) Gods natuur geniet zich in een onëindige volmaaktheit, en dit (volgens de darde Voorstelling van het tweede deel) in 't gezelschap van zijn denkbeelt, dat is, (volgens d'elfde Voorstelling, en eerste Kundigheit van't eerste deels) van't denkbeelt van zijn oorzaak: en dit is het geen, 't welk wy, in de Toegift van de tweeendartigste Voorstelling in dit deel, verstandelijke liefde hebben gezegt te wezen.
5P36
De verstandelijke liefde tot God is Gods liefde zelve, daar meê God zich zelf lief heeft: niet voor zo veel hy onëindig is; maar voor zo veel hy door de wezentheit van de menschelijke ziel, onder de gedaante van eeuwigheit aangemerkt, verklaart kan worden: dat is, de verstandelijke liefde van de ziel tot God is een deel van d'onëindige liefde, daar meê God zich zelf lief heeft.
Betoging.--Deze liefde der ziel moet tot de doeningen der ziel toegepast worden, (volgens de Toegift van de tweeëndartigste Voorstelling in dit deel, en de darde Voorstelling van't darde deel) die dieshalven een doening is, door de welke de ziel zich zelve aanschout, in 't gezelschap van Gods denkbeelt, als d'oorzaak; (volgens de--tweeëndartigste Voorstelling van dit deel, en der zelfder Toegift) dat is, (volgens de Toegift van de vijfëntwintigste Voorstelling in het eerste deel, en de Toegift van d'elfde Voorstelling in het tweede deel) de doening, daar door God, voor zo veel hy door de menschelijke ziel verklaart kan worden, zich zelf aanschout in 't gezelfchap van zijn denkbeelt: dieshalven, (volgens de voorgaande Voorstelling) deze liefde der ziel is een deel van d'onëindige liefde, daar door God zich zelf lieft; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt dat God, voor zo veel hy zich zelf lieft, ook de menschen lieft, en by gevolg dat Gods liefde tot de menschen, en de verstandelijke liefde der ziel tot God een en de zelfde is.

Byvoegsel.--Hier uit verstaan wy klarelijk, waar in onze welstant, of zaligheit, of vryheit bestaat; namelijk in een bestandige en eeuwige liefde tot God, of in Gods liefde tot de menschen. Deze liefde, of zaligheit word in de heilige Schrift heerlijkheit genoemt; en niet t'onrecht. Want het zy deze liefde tot God, of tot de ziel betrokken en toegepast word, zy mag met recht gerustheit des gemoeds genoemt worden, die warelijk (volgens de vijfëntwintigste en dartigste Bepaling der hartstochten) niet van de heerlijkheit onderscheiden word. Want voor zo veel zy tot God betrokken en toegepastword, is zy (volgens de vijfëndartigse Voorstelling van dit deel) een blijschap, (het zy my geöorloft deze benaming te gebruiken van zijn denkbeelt verzelt; gelijk ook voor zo veel zy tot de ziel toegepast word; volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel. Wijders, dewijl de wezentheit van onze ziel alleenlijk in de kennis bestaat, van de welke God het beginsel, en de grontvest is; volgens de vyftiende Voorstelling van't eerste deel, en het Byvoegsel van de zevenënveertigste Voorstelling in het tweede deel: zo blijkt hier uit klarelijk aan ons, op wat wijze, en door welke middel onze ziel, volgens de wezentheit en wezentlijkheit, uit de goddelijke natuur volgt, en geduriglijk van God afhangt. Ik heb dienstig geächt dit hier aan te tekenen, om door dit voorbeelt te tonen, hoe veel de kennis der bezondere dingen, die ik zienig, of van de darde slach genoemt heb, (bezie het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) vermag, en beter is dan d'algemene kennis, die ik gezegt heb van de tweede slach te wezen. Want hoewel ik in 't eerste deel in 't algemeen getoont heb,--dat alle dingen, en by gevolg ook de menschelijke ziel, volgens hun wezentheit en wezentlijkheit, van God afhangen, zo treft echter die Betoging, schoon wettig, en buiten twijffeling, onze ziel niet in dier voegen, dan als dit zelfde uit de wezentheit zelve van yder bezonder ding, 't welk wy gezegt hebben van God af te hangen, besloten word.

5P37
In de natuur is niets, 't welk tegen deze verstandelijke liefde strijd, of 't welk de zelfde kan wechneemen.
Betoging.--Deze verstandelijke liefde volgt nootzakelijk uit de natuur van de ziel, voor zo veel zy, als een eeuwige waarheit, door Gods natuur aangemerkt word; volgens de drieëndartigste en negenëntwintigste Voorstellingen van dit deel. Indien 'er dan iets was, 't welk tegen deze liefde streed, zo zou dit tegen de waarheit strijden; en by gevolg zou dit, 't welk deze liefde zou konnen wechneemen, te weegbrengen dat het geen, 't welk waar is, valsch zou wezen; 't welk (gelijk uit zich zelf blijkt) ongerijmt is.

Byvoegsel.--De Kundigheit van 't vierde deel heeft haar opzicht op de bezondere dingen, voor zo veel zy met betrekking tot zekere tijt en plaats aangemerkt worden, daar aan, gelijk ik geloof, niemant twijffelt.

5P38
Hoe de ziel meer dingen door de tweede en darde slach van kennis verstaat, hoe zy minder van de hartstochten, die quaat zijn, lijd, en de doot minder vreest.
Betoging.--De wezentheit van de ziel bestaat in kennis; volgens d'elfde Voorstelling van het tweede deel. Hoe de ziel dan meer dingen door de tweede en darde slach van kennis kent, hoe'er groter deel van haar blijft; volgens de negenëntwintigste en drieëntwintigste Voorstellingen van dit deel: en by gevolg word (volgens de voorgaande Voorstelling) zo veel te groter deel van haar niet aangeroert van de hartstochten, die tegen onze natuur, dat is, (volgens de dartigste Voorstelling van't vierde deel) die quaat zijn. Dieshalven, hoe de ziel, door de tweede en darde slach van kennis, meer dingen ver---staat, hoe haar ongequetst deel groter blijft, en by gevolg minder van de hartstochten lijd, enz. gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Wy verstaan hier uit het geen, dat ik, in 't Byvoegsel van de negenëndartigste Voorstelling in 't vierde deel, heb aangeraakt, en belooft in dit deel te verklaren; namelijk, dat de doot zo veel te minder hinderlijk is, hoe de klare en onderscheide kennis van de ziel groter is, en by gevolg hoe de ziel God meer bemint. Wijders, dewijl (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) uit de darde slach van kennis d' opperste gerustheit rijst, die 'er wezen kan, zo volgt hier uit, dat de menschelijke ziel van zodanige natuur kan wezen, dat dit, 't welk daar af, met het lighaam, vergaat, gelijk wy getoont hebben, (bezie d' eenëntwintigste Voorstelling in dit deel) ten opzicht van 't geen, dat van haar blijft, van geen belang is. Maar hier af terstont breder.

5P39
De geen, die een lighaam heeft, dat tot zeer veel dingen bequaam is, heeft ook een ziel, daar af het grootste deel eeuwig is.
Betoging.--De geen, die een lighaam heeft, dat bequaam is om veel dingen te doen, word minst van de hartstochten, die quaat zijn, bestreden; (volgens d' achtëndartigste Voorstelling van 't vierde deel) dat is, (volgens de dartigste Voorstelling van 't vierde deel) van de hartstochten, die tegen onze natuur strijden; en heeft dieshalven (volgens de tiende Voosteelling van dit deel) macht om d' aandoeningen des lighaams, naar d' ordening van het verstant, te schikken) en te zamen te schakelen, en by gevolg te weeg te brengen, (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel) dat alle d' aandoeningen des lighaams tot Gods denkbeelt betrokken en toegepast worden: daar uit (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) gebeuren zal dat hy tot God met een liefde aangedaan zal worden, de welke (volgens de zestiende Voorstelling van dit deel) het grootste deel van de ziel moet beslaan, of uitmaken: en dieshalven heeft hy (volgens de drieëndartigste Voorstelling in dit deel) een ziel, daar af het grootste deel eeuwig is; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Dewijl de menschelijke lighamen tot zeer veel dingen bequaam--zijn, zo is 'er niet aan te twijffelen, of zy konnen van zodanige natuur wezen, dat zy tot zielen toegepast worden, die grote kennis van zich, en van God hebben, en welker grootste, of voornaamste deel eeuwig is, en dat zy dieshalven de doot naauwelijks vrezen. Maar op dat wy dit klarelijker zouden verstaan, zo staat ons hier aan te merken, dat wy in gedurige verändering leven, en, naar dat wy tot beter, of tot erger veränderen, gelukkig of ongelukkig genoemt worden. Want de geen, die van een kint, of jongen tot een lijk overgaat, word ongelukkig genoemt. In tegendeel, dit word aan 't geluk toegeëigent, dat wy de gehele tijt onzes levens met goed verstant in een gezont lighaam hebben konnen overbrengen. En zeker, de geen, die, gelijk een kint, of jongen, een lighaam heeft, dat tot zeer weinig dingen bequaam is, en ten hoogsten van d'uitterlijke oorzaken af hangt, heeft een ziel, die, in zich alleen aangemerkt, byna niet van zich zelve, van God, noch van de dingen bewust is. In tegendeel, de geen, die een lighaam heeft, dat tot zeer veel dingen bequaam is, heeft een ziel, die, in zich alleen aangemerkt, grotelijks van zich zelve, van God, en van de dingen meêwustig is. Wy pogen dan voornamelijk in dit leven, dat het lighaam der kintsheit in een ander, voor zo veel des zelfs natuur lijd, en voor zo veel het voor 't zelfde dienstig is, zal veränderen, 't welk tot zeer veel dingen bequaam zal wezen, en tot de ziel toegepast worden, de welke van zich zelve, van God, en van zeer veel dingen meêwustig zal zijn; namelijk in dier voegen, dat dit alles, 't welk tot haar geheugenis, of inbeelding betrokken en toegepast word, ten opzicht van het verstant, naauwelijks van enig belang zou wezen; gelijk ik in het Byvoegsel van de voorgaande Voorstelling alreê gezegt heb.

5P40
Hoe yder ding meer volmaaktheit heeft, hoe het ook meer werkt, en minder lijd: in tegendeel, hoe het meer werkt, hoe het volmaakter is.
Betoging.--Hoe yder ding volmaakter is, hoe het meer zakelijkheit heeft, (volgens de zeste Kundigheit van het tweede deel) en by gevolg (volgens de darde Voorstelling van't darde deel, met der zelfder Byvoegsel) hoe het meer werkt, en minder lijd. Deze Betoging gaat met een omgekeerde ordening, op de zelfde wijze voort, uit de welke volgt dat een ding daarëntegen zo veel te volmaakter is, als het meer werkt: gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt dat het deel der ziel, 't welk blijft, hoedanig het ook is, volmaakter is dan 't ander. Want het eeuwig deel van de ziel (volgens de drie- en negenëntwintigste Voorstelling van dit deel) is het verstant, door 't welk alleen wy gezegt worden te werken; volgens de darde Voorstelling van't darde deel. Maar dat deel, 't welk, gelijk wy getoont hebben, vergaat, is d' inbeelding zelve, (volgens d' eenëntwintigste Voorstelling van dit deel) door de welke wy gezegt worden te lijden; volgens de darde Voorstelling van't darde deel, en d' algemene Bepaling der hartstochten: en dieshalven (volgens de voorgaande Voorstelling) is het eerste, hoedanig het ook is, volmaakter dan het leste; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Dit is het geen, 't welk ik voorgenomen had van de zier, voor zo veel zy zonder de betrekking tot de wezentlijkheit van 't lighaam aangemerkt word, te tonen: daar uit, gelijk ook uit d' eenëntwintigste Voorstelling van 't eerste deel, en uit anderen, blijkt, dat onze ziel, voor zo veel zy verstaat, een eeuwige wijze van denken is, die van een andere eeuwige wijze van denken bepaalt word, en deze weêr van een andere, en dus tot aan 't onëindig: in voegen dat alle te gelijk Gods eeuwig en onëindig verstant uitmaken.

5P41
Schoon wy niet wisten dat onze ziel eeuwig is, zo zou men echter voornamelijk te letten hebben op de godvruchtigheit, en Godsdienst, en volstrektelijk op alle die dingen, de welken, (gelijk wy in 't vierde deel getoont hebben) tot de kloekmoedigheit en edelmoedigheit toegepast worden.
Betoging.--De voornaamste en enige grontvest van de deucht, of van de rechte middel van te leven, (volgens de Toegift van de tweeëntwintigste Voorstelling, en volgens de vierëntwintigste Voorstelling van 't vierde deel) is, zijn eige nut te zoeken. Maar om die dingen te bepalen, de welken de reden voorschrijft nut te zijn, hebben wy geen opzicht op d' eeuwigheit der ziel gehad, die wy eindelijk in dit vijfde deel kennen. Hoewel wy dan in die tijt hier af onkundig--hebben geweest, dat de ziel eeuwig is, zo hebben wy echter die dingen, de welken wy getoont hebben, tot de stoutmoedigheit en edelmoedigheit toegepast te worden, de voornaamsten geacht; en dieshalven, schoon wy noch hier af onkundig waren, zo zouden wy echter de zelfde voorschriften der reden de voornaamsten achten; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--'t Gevoelen van 't gemeen volk schijnt anders te wezen: want zy schijnen ten meestendeel te geloven, dat zy zo verre vry zijn, als zy hun lusten mogen volgen, en zo verre van hun recht afstaan, als zy gehouden zijn naar 't voorschrift van de goddelijke wet te leven. Zy geloven dan dat de godvruchtigheit, en de godsdienst, en volstrektelijk alle de dingen, die tot de vroomheit des gemoeds toegepast worden, een last zijn, die zy verhopen na de doot af te leggen, na de welk zy ook hopen vergelding en loon van de dienstbaarheit, dat is van de godvruchtigheit en godsdienst, t' ontfangen. Zy worden mede, niet alleenlijk door de hoop, maar ook, en voornamelijk, door de vrees, te weten van dat zy, na de doot, met gruwelijke straffen gestraft zullen worden, bewogen om naar het voorschrift van de goddelijke wet, voor zo veel hun armhartigheit en zwakmoedigheit bereiken kan, te leven. En zeker, indien zy deze hoop en vrees niet hadden, en geloofden dat de zielen met de lighamen vergaan, en dat 'er voor deze elendigen, door de last der godvruchtigheit afgemat, geen langer leven overig was, zo zouden zy weêr tot hun eige zinnelijkheit keren, en alles naar hun lust bestieren, en liever onder 't geval, dan onder zich zelven willen staan. Deze dingen schijnen my niet minder ongerijmt, dan of iemant daaröm, dat hy niet gelooft dat hy zijn lighaam voor eeuwig met goede voedselen zal konnen voeden, zich liever met vergiften, en dodelijke spijzen wilde verzaden, of, om dat hy ziet dat de ziel niet eeuwig, of onsterffelijk is, daaröm liever zielloos wil zijn, en zonder reden leven; 't welk zo ongerijmt is, dat het naauwelijks waerdig is bygebracht te worden.

5P42
De zaligheit is niet de vergelding des deuchts, maar de deucht zelve, en wy genieten niet de zelfde, om dat wy de--lusten intomen: maar in tegendeel, wy konnen de lusten intomen, om dat wy de deucht genieten.
Betoging.--De zaligheit bestaat in de liefde tot God, (volgens de zesendartigste Voorstelling van dit deel, en der zelfder Byvoegsel) die uit de darde slach van kennis spruit; volgens de Toegift van de tweeëndartigste Voorstelling: in voegen dat deze liefde (volgens de negenënvijftigste en darde Voorstellingen van het darde deel) tot de ziel, voor zo veel zy werkt, toegepast moet worden; en is dieshalven (volgens d' achtste Bepaling van 't vierde deel) de deucht zelve; 't welk het eerste was. Wijders, hoe de ziel deze goddelijke liefde, of zaligheit meer geniet, hoe zy meer verstaat; volgens de tweeëndartigste Voorstelling van dit deel: dat is, (volgens de Toegift van de darde Voorstelling in dit deel) hoe zy groter vermogen over de hartstochten heeft, en (volgens d' achtendartigste Voorstelling van dit deel) hoe zy minder van de hartstochten, die quaat zijn, lijd: en dieshalven, om dat de ziel deze goddelijke liefde, of zaligheit geniet, zo heeft zy macht om de lusten te bedwingen: en dewijl het menschelijk vermogen om de hartstochten te bedwingen in 't verstant alleen bestaat, zo geniet niemant de zaligheit, om dat hy de hartstochten heeft bedwongen: maar in tegendeel, de macht van de lusten te bedwingen spruit uit de zaligheit zelve; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hier meê heb ik al 't geen afgedaan, 't welk ik van 't vermogen der ziel over de hartstochten, en van de vryheit des gemoeds heb willen tonen: uit het welk blijkt hoe veel de Wijze vermag, en hoe veel beter hy is dan d'onkundige, die door de lust alleen gedreven word. Want behalven dat d'onkundige door d'uitterlijke oorzaken op veelderhande wijzen bewogen word, en nooit de ware gerustheit des gemoeds geniet, zo leeft hy ook byna onkundig van zich zelf, van God, en van de dingen, en houd ook op van te wezen, zo haast als hy ophoud van te lijden. De Wijze in tegendeel, voor zo veel hy als zodanig aangemerkt word, word naauwelijks in zijn gemoed bewogen, maar, door--zekere eeuwige nootzakelijkheit, van zich zelf, van God, en van de dingen bewust, houd nooit op van te wezen, maar geniet altijt de ware gerustheit des gemoeds. Indien de weg, die, gelijk ik getoont heb, hier toe geleid, zeer zwaar schijnt, zo kan zy echter gevonden worden. En zeker, het geen, dat zo zelden gevonden word, moet zwaar wezen. Want hoe zou het konnen zijn dat de zaligheit, zo zy zo naby was, en zonder grote arbeit gevonden kon worden, byna van alle menschen verächt zou worden? Maar alle heerlijke dingen zijn zo zwaar, als ongemeen.

Einde van 't vijfde en Leste Deel.

Finis.