Ethics IV - Van de Menschelijke Dienstbaarheit. - Aanhangsel

Opera Posthuma
Expand
De Nagelate Schriften
Show All
Elwes
Expand

De dingen, de welken ik in dit deel vertoont heb, namelijk van de rechte middel en maat van te leven, zijn niet in dier voegen geschikt, dat zy met een enige aanschouwing gezien konnen worden. Maar ik heb hen verscheidelijk betoogt; te weten naar dat ik het een gemakkelijker van 't ander heb konnen afleiden: en dieshalven heb ik voorgenomen de zelfden hier weêr op te tellen, en in Hooftdeelen te brengen.

Eerste Hooftdeel.
Alle onze pogingen, of begeerten volgen uit de nootzakelijkheit onzer natuur in dier voegen, dat zy of door de zelfde alleen, als door haar naaste oorzaak, verstaan konnen worden, of voor zo veel wy een deel van de natuur zijn, 't welk door zich, zonder d'andere ondeeligen, niet evenmatiglijk begrepen kan worden.

Tweede Hooftdeel.
De begeerten, die uit onze natuur in dier voegen volgen, dat zy door de zelfde alleen verstaan konnen worden, zijn de zodanigen, die tot de ziel toegepast worden, voor zo veel deze bevat word uit evenmatige denkbeelden te bestaan. Maar d'andere begeerten worden niet tot de ziel betrokken en toegepast, dan voor zo veel zy de dingen onëvenmatiglijk bevat, en welker kracht en aanwas niet door 't menschelijk vermogen, maar door de macht derdingen, die buiten ons zijn, bepaalt moeten worden. En daaröm worden d'eersten met recht doeningen, en de lesten lijdingen genoemt: want d'eersten geven altijt onz vermogen, en de lesten, in tegendeel, onz onvermogen, en gebrekkelijke kennis te kennen.

Darde Hooftdeel.
Onze odoeningen, dat is die begeerten, de welken door 't vermogen van de mensch, of door de reden bepaalt worden, zijn altijt goet: maar d'anderen konnen zo wel goet, als quaat wezen.

Vierde Hooftdeel.
In 't leven dan is voornamelijk nut, het verstant, of de reden, zo veel als ons mogelijk is, volmaakt te maken: en in dit enige bestaat het opperste geluk van de mensch, of de zaligheit; want de zaligheit is niets anders, dan de gerustistheit zelve des gemoeds, de welke uit Gods inzienige kennis spruit. Maar 't verstant volmaakt te maken is ook niets anders, dan God, en Gods toeëigeningen en werkingen, de welken uit de nootzakelijkheit van zijn natuur volgen, te verstaan. Dieshalven, 't uitterste einde van de mensch, die door de reden geleid word, dat is d'opperste begeerte, door de welken hy alle d'anderen poogt te regelen, is het geen, daar door hy bewogen word tot zich zelf, en alle de dingen, die in zijn verstant konnen komen, evenmatiglijk te bevatten.

Vyfde Hooftdeel.
Dat leven, 't welk zonder kennis is, kan geen leven genoemt worden: en de dingen zijn alleenlijk voor zo veel goet, als zy aan de mensch vorderlijk zijn tot het leven der ziel, 't welk door de kennis bepaalt word, te genieten. In tegendeel, de dingen, de welken verhinderen dat de mensch de reden volmaakt kan maken, en een redelijk leven genieten, de zelfden worden alleenlijk quaat van ons genoemt.

Zeste Hooftdeel.
Maar dewijl alle de dingen, van de welken de mensch d'uitwerkende oorzaak is, nootzakelijk goet zijn, zo kan den mensch niets quaat overkomen, dan van d'uitterlijke oorzaken; namelijk voor zo veel hy een deel van de gehele natuur is, welks wetten de menschelijke natuur gedwongen word onderdanig te zijn, en zich, op byna onëindelijke wijzen, naar de zelfde te schikken.

Zevende Hooftdeel.
Het kan ook niet anders wezen, of de mensch moet een deel van de natuur zijn, en der zelfder gemene ordening volgen. Maar indien hy onder zodanige ondeeligen verkeert, die met de natuur van de mensch zelf overëenkomen, zo zal daar door des menschen vermogen van te werken geholpen en gevoed worden. In tegendeel, indien hy onder zodanigen is, die met zijn natuur geensins overëenkomen, zo zal hy zich, zonder zijn grote verändering, naauwelijks naar de zelfden konnen voegen.

Achtste Hooftdeel.
Het staat aan ons vry, al 't geen in de natuur, het welk wy oordeelen quaat te wezen, of te konnen beletten dat wy wezentlijk zijn, en een redelijk leven genieten, door die middel, de welk veiligst schijnt, van ons af te weren; en, in tegendeel, al 't geen, dat 'er is, het welk wy oordeelen goet, of nut te wezen tot onz wezen te behouden, en een redelijk leven te genieten, tot onz gebruik aan te tasten, en het zelfde op alderhande wijzen te gebruiken. Eindelijk, yder mag volstrektelijk met het hoogste recht der natuur het geen doen, 't welk hy oordeelt tot zijn nuttigheit dienstig te wezen.

Negende Hooftdeel.
Daar is niets, 't welk meer met de natuur van enig ding kan overëenkomen, als d'andere ondeeligen van de zelfde soort; en dieshalven (volgens het zevende Hooftdeel) is 'er niets nutter voor de mensch, om zijn wezen te behouden, en een redelijk leven te genieten, als de mensch, die door de reden geleid word. Wijders, dewijl wy onder de bezondere dingen niets kennen, dat voortreffelijker is, dan de mensch, die door de reden geleid word, zo kan yder door geen ding meer tonen hoe veel hy door kunst en vernuft vermag, als in de menschen in dier voegen op te voeden, dat zy eindelijk naar 't eige gebied der reden leven.

Tiende hooftdeel.
Voor zo veel de menschen door nijt, of door enige andere hartstocht van haat gedreven worden, voor zo veel zijn zy tegen malkander strijdig, en by gevolg zo veel meer te vrezen, als zy meer vermogen, dan d'andere ondeeligen der natuur.

Elfde Hooftdeel.
De gemoeden worden echter niet door de wapenen, maar door liefde en edelmoedigheit verwonnen.

Twaalfde Hooftdeel.
Dieshalven is voor de menschen ten hoogsten nut zich door gemeenschap te zamen te voegen, en zich zelven met die banden te binden, door de welken zy alle tot een konnen worden, en volstrektelijk die dingen werken, de welken dienstig zijn om vrientschap te bevestigen.

Dartiende Hooftdeel.
Maar hier toc word kunst en wakkerheit verëischt: want de menschen zijn verscheiden, (dewijl'er weinig zijn, die naar 't voorschrift van de reden leven) en echter deurgaans nijdig, en meer tot wraak, dan tot barmhertigheit genegen. Dieshalven word 'er een bezonder vermogen van 't gemoed verëischt om yder naar zijn vernuft te dragen, en zich ondertusschen t'onthouden van hun hartstochten na te volgen. Maar in tegendeel, de genen, die de menschen weten te berispen, en de gebreken beter te verwijten, dan de deuchden t' onderwijzen, en de gemoeden der menschen niet te bevestigen, maar te breken, zijn aan zich zelven, en aan anderen lastig. Hier uit spruit het dat'er veel zijn, die, uit al te grote ongeduldigheit des gemoeds, en door een valsche betrachting van godsdienst, liever onder de beesten, dan onder de menschen zouden willen leven: gelijk de jongens, of jongelingen, die, het gekijf der ouders niet gelijkmoediglijk verdragen konnende, zich in de krijg begeven, en d' ongemakken van d' oorlog, en het gebied van een dwingelant boven de huisselijke gemakken, en de vaderlijke vermaningen verkiezen, en lijden dat hen alle lasten opgelegt worden, zo zy zich slechs aan hun ouders konnen wreken.

Veertiende Hooftdeel.
Hoewel dan de menschen deurgaans alles naar hun lust en believen bestieren, zo volgt echter uit hun gemene gezelligheit veel meer voordeel, dan schade. Dieshalven is 't beter dat wy alle ongelijk gelijkmoediglijk verdragen, en vlijt tot die dingen aanwenden, de welken dienstig zijn tot eendracht en vrientschap te verkrijgen.

Vyftiende Hooftdeel.
Die dingen, die tot de gerechtigheit, billijkheit en eerbaarheit betrokken en toegepast worden, brengen eendracht voort. Want de menschen konnen, behalven het geen, dat ongerechtig en onbillijk is, ook zwarelijk dit, dat schandelijk geacht word, verdragen, gelijk ook dat iemant de zeden en gewoonten, in een Staat aangenomen, versmaad. Maar om de liefde te verkrijgen, zijn voornamelijk die dingen nootzakelijk, de welken hun opzicht op de godsdienst en godvruchtigheit hebben. Bezie hier af het eerste en tweede Byvoegsel van de zevenëndartigste Voorstelling, en het Byvoegsel van de zesenveertigste Voorstelling, en het Byvoegsel van de drieënzeventigste Voorstelling in 't vierde deel.

Zestiende Hooftdeel.
D'eendracht koomt ook dikwijls uit vrees voort, maar zonder getrouheit. Voeg hier by dat de vrees uit onvermogen des gemoeds rijst, en dieshalven niet tot redensgebruik behoort; gelijk ook niet het medelijden, hoewel het de schijn van godvruchtigheit schijnt te vertonen.

Zeventiende Hooftdeel.
De menschen worden ook door miltheit verwonnen, voornamelijk de genen, die geen middelen hebben om die dingen, de welken tot onderhouding van 't leven nootzakelijk zijn, te verkrijgen. Doch aan yder behoeftig mensch onderstant en hulp te bewijzen; dit gaat de krachten en middelen van een bezonder man verre te boven: want de rijkdom van een bezonder man is veel te zwak om dit uit te staan. Wijders, de bequaamheit van een enig man is al t' engelijk bepaalt, om alle menschen door vrientschap aan zich te konnen verbinden; en dieshalven behoort de bezorging der armen tot de gehele gemeenschap, en heeft alleenlijk haar opzicht op de gemene middelen.

Achtiende Hooftdeel.
In weldaden t'ontfangen, en dankbaarheit te bewijzen word gantschelijk een andere bezorging verëischt. Bezie hier af het Byvoegsel van de zeventigste Voorstelling, en het Byvoegsel van d' eenënzeventigste Voorstelling in 't vierde deel.

Negentiende Hooftdeel.
Wijders, d' onkuische liefde, dat is de lust van voort tetelen, die uit de gestalte en schoonheit spruit, en volstrektelijk alle liefde, die enige andere oorzaak, als de vryheit des gemoeds, erkent, verändert lichtelijk in haat, 't en zy zy, 't welk erger is, zeker slach van sporeloosheit is; en dan zal zy meer door twist, dan door enigheit gevoed worden. Bezie de aToegift van d' eenëndartigste Voorstelling in het darde deel.

Twintigste Hooftdeel.
Wat het huwelijk aangaat, 't is zeker dat het met de reden overëenkoomt, zo de begeerte van de lighamen te zamente mengen niet alleenlijk uit de gestalte en schoonheit, maar ook uit liefde van kinderen te telen, en hen wijsselijk op te voeden voortkoomt, en wijders zo hun beider liefde, te weten van de man en zijn gemalin, niet alleenlijk de gestalte en schoonheit, maar voornamentlijk de vryheit des gemoeds tot oorzaak heeft.

Eenentwintigste Hooftdeel.
Het gevlei baart ook eendracht, maar door een vuile zonde van dienstbaarheit, of door ongetrouheit. En zeker, geen anderen worden meer door gevlei verstrikt, dan de verwaanden, die d' eersten en voornaamsten willen wezen, en niet zijn.

Tweeentwintigste Hooftdeel.
In de nederslachtigheit is een valsche schijn van godvruchtigheit en godsdienst: en hoewel de nederslachtigheit rechtstrijdig tegen de verwaantheit is, zo is echter de nederslachtige naast aan de verwaande. Bezie het Byvoegsel van de zevenënvijftigste Voorstelling in 't vierde deel.

Drieentwintigste Hooftdeel.
Wijders, de schaamte is ook behulpsaam tot d' eendracht, maar alleenlijk in die dingen, de welken niet konnen bedekt of geheim gehouden worden. Wijders, dewijl de schaamte zelve zeker slach van droefheit is, zo behoort zy niet tot het gebruik der reden.

Vierentwintigste Hooftdeel.
D' andere hartstochten van droefheit tegens de menschen worden regelrecht tegen de gerechtigheit, billijkheit, eerbaarheit, godvruchtigheit en godsdienst gestelt. En hoewel d'euvelneming een schijn van billijkheit schijnt te vertonen, zo leeft men echter zonder wet in die plaats, daar aan yder geöorloft is van eens anders werken t' oordeelen, en zijn eige, of eens anders recht te verdedigen.

Vyfentwintigste Hooftdeel.
De zedigheit, dat is de begeerte van den menschen te behagen, de welke door de reden word bepaalt, word tot de godvruchtigheit betrokken en toegepast; gelijk wy in het eerste Byvoegsel van de zevenëndartigste Voorstelling in het vierde deel gezegt hebben. Maar indien zy uit hartstocht voortkoomt, zo is zy Roemzucht, of een begeerte, door de welke de menschen deurgaans, door een valsche vertoning van godvruchtigheit, tweedracht en beroerten verwekken. Want de geen, die d' anderen met raat of daat begeert te helpen, om gezamentlijk het opperste goet te genieten, zal eerder trachten dat zy hem beminnen, dan dat zy zich over hem verwonderen. Hy zal ook niet trachten dat zijn wetenschap naar hem genoemt word, of uit hem haar benaming heeft, noch ook volstrektelijk enige oorzaken tot Nijt geven. Wijders, in de gemene redenen zal hy zich hoeden van de gebreken der menschen te vertonen, en betrachten dat hy niet, dan schaarschelijk, van 't menschelijk onvermogen spreekt; maar bredelijk van de menschelijke deucht, van 't menschelijk vermogen, en door welke middel men kan uitwerken dat de menschen dus niet uit vrees, of uit afkeer, maar, door de hartstocht van blijschap alleen bewogen, naar 't voorschrift van de reden, zo veel als hen mogelijk is, zullen pogen te leven.

Zesentwintigste Hooftdeel.
Behalven de menschen kennen wy niets bezonder in de natuur, met welks geest wy ons konnen verblijden, en dat wy door vrientschap, of door zeker slach van gemeenschap aan ons voegen. Dieshalven, de reden van onze nuttigheit verëischt niet dat wy al 't geen, 't welk, behalven de menschen, in de natuur is, bewaren; maar leert aan ons het zelfde, naar zijn verscheide gebruik, te behouden, te vernietigen, of op alderhande wijzen tot onz gebruik bequaam te maken.

Zevenentwintigste Hooftdeel.
De voornaamste nuttigheit, die wy uit de dingen krijgen, de welken buiten ons zijn, is, behalven d'ervarentheit, en kennis, die wy hier uit verkrijgen, dat wy de zelfden waarneemen, en uit deze in andere vormen veränderen, de behouding van 't lighaam: en om deze oorzaak zijn voornamelijk die dingen nut, de welken het lighaam in dier voegen konnen voeden en onderhouden, dat alle des zelfs delen hun plicht recht en wel konnen waarneemen. Want hoe het lighaam bequamer is om op veelderhande wijzen aangedaan te konnen worden, en d'uitterlijke dingen op veelderhande wijzen aan te doen, hoe de ziel ook bequamer is om te denken. Bezie d'acht- en negenëndartigste Voorstelling van 't vierde deel. Maar van deze slach schijnen 'er zeer weinig dingen in de natuur te wezen. Dieshalven, om het lighaam, gelijk verëischt is, te voeden, is het nootzakelijk veel voedselen van verscheide natuur te gebruiken. Want het menschelijk lighaam is uit veel delen van verscheide natuur te zamen gezet, die gedurig en verscheide voedsel behoeven, op dat het geheel lighaam even bequaam tot alle de dingen zou zijn, die uit zijn natuur konnen volgen, en by gevolg op dat de ziel ook even bequaam zou wezen om veel dingen te bevatten.

Achtentwintigste Hooftdeel.
Maarom deze dingen te verkrijgen, zijn naauwelijks yders krachten genoechsaam, 't en zy de menschen aan malkander behulpsaam zijn. Doch het gelt heeft het gerijf van alle dingen ingebracht; en hier uit is 't gesproten dat des zelfs beeltenis de geest van 't gemeen volk gemenelijk meest inneemt: dewijl men naauwelijks enig slach van blijschap kan inbeelden, 't en zy het denkbeelt van 't gelt, als d'oorzaak, daar by verzelt is.

Negenentwintigste Hooftdeel.
Doch dit is alleenlijk een zonde van de genen, die niet uit behoefte, noch uit nootzakelijkheit, maar om dat zy de gewinkunsten geleert hebben, door de welken zy zich heerlijk vertonen, naar gelt trachten. Voorts, zy voeden het lighaam volgens de gewoonte, maar schaarschelijk, om dat zy menen dat zy zo veel van hun goederen verliezen, als zy tot behoudenis van hun lighaam besteden. Maar de genen, die 't waar gebruik van 't gelt kennen, en de maat der rijkdommen alleenlijk naar de behoefte meten, leven met weinig vernoegt.

Dartigste Hooftdeel.
Dewijl dan die dingen, de welken tot dienst van de delen des lighaams strekken, op dat zy hun ampt zouden uitvoeren, goet zijn, en de blijschap hier in bestaat, dat het vermogen van de mensch, voor zo veel hy uit ziel en lighaam te zamen gezet is, geholpen, of vermeerdert word; zo zijn alle die dingen goet, de welken blijschap aanbrengen. Doch dewijl de dingen, in tegendeel, niet met dit ooggemerk werken, op dat zy ons met blijschap zouden aandoen, en ook niet op dat der zelfder vermogen van te werken naar onze nuttigheit gematigt zou worden, en eindelijk, dewijl de blijschap deurgaans voornamelijk op een enig gedeelte des lighaams betrokken en toegepast word, zo hebben deurgaans ('t en zy 'er de reden en wakkerheit bykomen) de hartstochten van blijschap overmaat, gelijk ook by gevolg de begeerten, die daar uit voortkomen: daar noch bykoomt, dat wy volgens onze hartstocht, dat voornamentlijk achten, 't welk tegenwoordiglijk zoet is, en d'aanstaande dingen niet met gelijke hartstocht konnen schatten. Bezie het Byvoegsel van de vierënveertigste, en het Byvoegsel van de zestigste Voorstellingen in 't vierde deel.

Eenendartigste Hooftdeel.
Het waangeloof, in tegendeel, schijnt het geen, dat droefheit aanbrengt, voor goet te stellen, en dat voor quaat, 't welk blijschap meêbrengt. Maar, gelijk wy alreê gezegt hebben, (bezie het Byvoegsel van de vijfënveertigste Voorstelling in 't vierde deel) niemant, dan de nijdige, verheugt zich over mijn onvermogen, en ongemak. Want hoe wy van grooter blijschap aangedaan worden, hoe wy tot groter volmaaktheit overgaan, en by gevolg zo veel te meer aan de goddelijke natuur deelachtig zijn. De blijschap, die door de ware reden van onze nuttigheit gematigt word, kan ook nooit quaat wezen. In tegendeel, de geen, die door vrees geleid word, en het goede doet, om het quade te schuwen, word niet door reden geleid.

Tweeendartigste Hooftdeel.
Maar het menschelijk vermogen is zeer engelijk bepaalt, en word van 't vermogen der uitwendige oorzaken onëindiglijk overtroffen: en dieshalven hebben wy geen volstrekte macht om de dingen, die buiten ons zijn, tot onz gebruik te schikken. En echter zullen wy de dingen, die ons tegen 't geen overkomen, 't welk de reden van onze nuttigheit verëischt, gelijkmoediglijk verdragen, zo wy meêwustig zijn dat wy onze plicht hebben voltrokken, en dat het vermogen, 't welk wy hebben, zich niet zo wijt heeft konnen uitstrekken, dat wy hen konden schuwen, en eindelijk dat wy een deel van de gehele natnur zijn, welker ordening wy volgen. Indien wy dit klarelijk en onderscheidelijk verstaan, zo zal dat deel van ons, 't welk door 't verstant bepaalt word, dat is het beste deel van ons, gantschelijk daar in gerust wezen, en in deze gerustheit pogen te blijven. Want voor zo veel als wy verstaan niets te begeren dan 't geen, dat nootzakelijk is, en ook niet volstrektelijk, dan in 't ware, gerust konnen zijn, en dieshalven, voor zo veel als wy deze dingen recht verstaan, voor zo veel koomt de poging van onz beste deel met d' ordening van de gehele natuur overëen.

Einde van 't vierde Deel.