Ethics IV - Van de Menschelijke Dienstbaarheit, of Van de Krachten der hartstochten.

 Opera Posthuma
Expand
De Nagelate Schriften
Show All
Elwes
Expand
4D1
By goet zal ik dit verstaan, 't welk wy zekerlijk weten nut aan ons te wezen.
4D2
Maar by quaat dit, 't welk wy zekerlijk weten hinderlijk te wezen, om 't goede machtig te worden. Bezie van deze beide de voorgaande Voorreeden, naar 't einde.
4D3
Ik noem de bezondere dingen gebeurelijk, voor zo veel wy, terwijl wy op hun wezentheit alleen merken, niets vinden, dat hun wezentlijkheit nootzakelijk stelt, of dat de zelfde nootzakelijk uitsluit.
4D4
Ik noem de zelfde bezondere dingen mogelijk, voor zo veel wy, terwijl wy op d'oorzaken merken, uit de welken zy voortgebracht moeten worden, niet weten of zy bepaalt zijn tot de zelfden voort te brengen.

In 't eerste Byvoegsel van de drieëndartigste voorstelling in het eerste deel heb ik geen onderscheit tusschen het mogelijke en gebeurelijke gemaakt, om dat het daar niet nodig was onder die dingen naaukeuriglijk onderscheit te maken.

4D5
By strijdige hartstochten zal ik voortäan de genen verstaan, die de mensch verscheidelijk trekken, hoewel zy van een zelfde geslacht zijn, gelijk d'overdaat en gierigheit, die soorten, of gedaanten van liefde zijn, en niet van natuur, maar by toeval tegen malkander strijden.
4D6
Wat ik by hartstocht tot de toekomende, tegenwoordige en verlede zaak zal verstaan, heb ik in 't eerste en tweede Byvoegsel van d'achtiende Voorstelling in 't darde deel verklaart, 't welk men na te zien heeft.

Maar hier staat ook aan te merken dat wy zo wel d'afstant van de tijt, als van de plaats niet onderscheidelijk konnen inbeelden, dan tot zekere paal: dat is, gelijk wy gewent zijn alle die voorwerpen, de welken veerder dan tweehondert voeten van ons af zijn, of welker afstant van de plaats, daar in wy zijn, de gene overtreft, die wy ons onderscheidelijk inbeelden, in te beelden even verre van ons af te zijn, en dieshalven als in de zelfde vlakte te wezen; zo beelden wy ons ook in dat alle de voorwerpen, welker tijt van wezentlijk te zijn, wy ons inbeelden veerder van de tegenwoordige tusschentijt af te wezen, dan wy gewent zijn onderscheidelijk in te beelden, even verre van de tegenwoordige af te zijn, en passen hen alle als op een ogenblik tijts toe.

4D7
By 't einde, om 't welk wy iets doen, versta ik de lust.
4D8
By deucht en vermogen versta ik een en 't zelfde: dat is, (volgens de zevende Voorstelling in het darde deel) de deucht, voor zo veel zy tot de mensch toegepast word, is de wezentheit, of natuur zelve van de mensch, voor zo veel hy macht heeft om enige dingen uit te werken, de welken door wetten van zijn natuur alleen verstaan konnen worden.
4A1
In de natuur word geen bezonder ding gestelt, boven 't welk noch niet iets machtiger en sterker is: maar boven al 't geen, dat men aanwijzen kan, word noch een ander gestelt, dat machtiger is, en van 't welk het gestelde vernietigt kan worden.
4P1
Niets, 't welk het valsch denkbeelt stellig heeft, word door de tegenwoordigheit van 't ware, voor zo veel het waar is, wechgenomen.
Betoging.--De valsheit bestaat alleenlijk in de derving van de kennis, die in d'onëvenmatige denkbeelden ingesloten word; volgens de vijf---endartigste Voorstelling van het tweede deel. Zy hebben ook niets stellig, om 't welk zy valsch genoemt worden; volgens de drieëndartigste Voorstelling van het tweede deel. Maar in tegendeel, voor zo veel zy tot God toegepast worden, zijn zy waar; volgens de tweeendartigste Voorstelling in het tweede deel. Indien dan het geen, 't welk in het valsch denkbeelt stellig is, door de tegenwoordigheit van 't ware, voor zo veel het waar is, wechgenomen wierd, zo zou ook het waar denkbeelt van zich zelf wechgenomen worden: 't welk ongerijmt is; volgens de vierde Voorstelling van het darde deel.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling zal klarelijker door de tweede Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel verstaan worden. Want d'inbeelding is een denkbeelt, 't welk meer de tegenwoordige gesteltenis van 't menschelijk lighaam, dan de natuur van 't uitterlijk lighaam aanwijst; wel niet onderscheidelijk, maar verwardelijk: en hier uit spruit het dat de ziel gezegt word te dolen. Tot een voorbeelt, als wy de zon aanschouwen, zo beelden wy ons in dat de zelfde omtrent tweehondert voeten van ons af is: daar in wy zo lang dolen, als wy van der zelfder ware afstant onkundig zijn. Maar als der zelfder afstant bekent is, zo word wel de doling, doch niet d'inbeelding wechgenomen, dat is het denkbeelt der zon, 't welk alleenlijk der zelfder natuur zo verre verklaart, als het lighaam daar af aangedaan word. Dieshalven, hoewel wy der zelfder ware afstant kennen, zo beelden wy ons echter in dat zy naby is. Want (gelijk wy in 't Byvoegsel van de vijfendartigste Voorstelling in het tweede deel gezegt hebben) wy beelden ons in de zon daarom niet zo naby te wezen, om dat wy van der zelfder ware afstant onkundig zijn; maar om dat onze ziel zo verre de grootheit der zon bevat, als het lighaam van de zelfde aangedaan word. In dezer voegen, als de stralen der zon, op de vlakte van 't water vallende, weêr naar onze ogen keren, beelden wy ons de zelfde in, als of zy in 't water was, schoon wy haar ware plaats kennen; en dus met d'ander inbeeldingen, door de welken onze ziel bedrogen word, die, 't zy dat zy de naturelijke gesteltenis des lighaams aanwijzen, of te kennen geven dat des zelfs vermogen van te doen vermeerdert, of vermindert, niet strijdig tegen het ware zijn, noch door des zelfs tegenwoordigheit verdwijnen. Het gebeurt wel dat, als men t'onrecht enig quaat vreest, de vrees verdwijnt, als men de ware tijding hoort. Maar in tegendeel gebeurt ook, dat, als wy met recht enig--quaat vrezen, de vrees weêr wechgenomen word, als men een valsche tijding daar af hoort. In dezer voegen verdwijnen d'inbeeldingen niet door de tegenwoordigheit van 't ware, voor zo veel het waar is; maar om dat 'er anderen voorkomen, die sterker zijn dan de genen, de welken de tegenwoordige wezentlijkheit der ingebeelde dingen uitsluiten; gelijk wy in de zeventiende Voorstelling van het tweede deel getoont hebben.

4P2
Wy lijden voor zo veel als wy een deel van de natuur zijn, 't welk niet door zich, zonder anderen, begrepen kan worden.
Betoging--Men zegt dan dat wy lijden, als 'er in ons iets rijst, van 't welk wy niet, dan ten deel, oorzaak zijn; (volgens de tweede Bepaling van het darde deel) dat is (volgens d' eerste Bepaling van het darde deel) iets, 't welk van de wetten van onze natuur alleen niet afgeleid kan worden. Wy lijden dan voor zo veel wy een deel van de natuur zijn, dat niet door zich, zonder d' anderen, bevat kan worden; 't welk te betogen stond.
4P3
De kracht, door de welke de mensch volhard in wezentlijk te zijn, is bepaalt, en word van 't vermogen der uitwendige oorzaken onëindelijk overtroffen.
Betoging.--Dit blijkt uit de Kundigheit van dit deel. Want als men de mensch als mensch gestelt heeft, zo moet men ook iets anders stellen, dat machtiger is, namentlijk A. En als men A gestelt heeft, zo stelt men iets anders, te weten B, machtiger dan A zelf, en dus tot aan 't onëindige: en dieshalven word het vermogen van de mensch door 't vermogen van een ander ding bepaalt, doch van het vermogen der, uitterlijke oorzaken onëindelijk overtronffen; 't welk te betogen stond.
4P4
't Is hiet mogelijk dat de mensch niet een deel van de natuur zou wezen, en dat hy geen veränderingen zou konnen lijden, dan de genen, de welken door zijn natuur alleen verstaan zou---den konnen worden, en van de welken hy een evenmatige oorzaak is.
Betoging.--Het vermogen, door 't welk de bezondere dingen, en by gevolg de mensch, hun wezen behouden, is het vermogen zelf van God, of van de natuur: (volgens de Toegift van de vierëntwintigste Voorstelling in het tweede deel) niet voor zo veel het zelfde onëindig is; maar zo veel het door de menschelijke dadelijke wezentheit verklaart kan worden; volgens de zevende Voorstelling van het darde deel. Het vermogen van de mensch dan, voor zo veel het door zijn dadelijke wezentheit verklaart word, is een deel van het oneindig vermogen van God, of van de natuur; dat is (volgens de vierëndartigste Voorstelling van 't eerste deel) van zijn wezentheit: 't welk het eerste was. Wijders, indien het geschieden kon dat de mensch geen veranderingen kon lijden, dan die door de natuur van de mensch zelf alleen verstaan zouden konnen worden, zo zou, (volgens, de vierde en zeste Voorstelling van het darde deel) volgen, dat hy niet zou konnen vergaan, maar dat hy altijt nootzakelijk wezentlijk zou wezen. En dit zou moeten volgen uit een oorzaak, welks vermogen eindig, of oneindig is; namelijk of uit het enig vermogen van de mensch, te weten die machtig zou zijn om d' andere veränderingen, die van d' uitterlijke oorzaken zouden konnen voortkomen, van zich af te weren, of van het onëindig vermogen van de natuur, van 't welk alle bezondere dingen in dier voegen gestiert worden, dat de mensch geen andere veränderingen zou konnen lijden, dan die tot zijn behoudenis dienstig zijn. Maar 't eerste (volgens de voorgaande Voorstelling, welker betoging algemeen is, en tot alle bezondere dingen toegepast kan worden) is ongerijmt. Dieshalven, indien 't mogelijk is dat de mensch geen veränderingen zou lijden, dan die door de natuur van de mensch zelf alleen verstaan zouden konnen worden, en by gevolg (gelijk wy alreê getoont hebben) dat hy altijt nootzakelijk wezentlijk zou wezen, zo zou dit moeten volgen uit Gods onëindig vermogen; en by gevolg zou (volgens de zestiende Voorstelling van 't eerste deel) d'ordening van de gehele natuur, voor zo veel zy onder de toeëigeningen van uitgestrektheit en denking bevat word, uit de nootz akelijkheit van de goddelijke natuur, voor zo veel God met het denkbeelt van enig mensch aangemerkt word, afgeleid moeten worder; en dieshalven zou (volgens d' eenëntwintigste Voorstelling van het tweede deel) volgen dat de mensch onëindig zou wezen; 't welk--(volgens 't eerste deel hier af) ongerijmt is. 't Is dan onmogelijk dat de mensch geen veränderingen zou lijden, dan de genen, van de welken hy zelf d'evenmatige oorzaak zou zijn: 't welk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt dat de mensch nootzakelijk altijt de lijdingen onderworpen is, en de gemene ordening der natuur volgt, en de zelfde gehoorzaamt, en zich naar de zelfde voegt, voor zo veel de natuur der dingen verëischt.

4P5
De kracht en aanwas van yder lijding, en van der zelfder volharding wezentlijk te zijn, word niet bepaalt door het verwogen, door 't welk wy pogen te volharden in wezentlijk te zijn, maar door 't vermogen van een uitterlijke oorzaak, met het onze vergeleken.
Betoging.--De Wezentheit van de lijding kan niet door onze wezentheit alleen verklaart worden; (volgens d' eerste en tweède Bepaling van het darde deel) dat is (volgens de zevende Voorstelling van het darde deel) het vermogen van de lijding kan niet bepaalt worden door het vermogen, daar door wy pogen in onz wezen te volharden, maar moet (gelijk in de zestiende Voorstelling van het tweede deel getoontis) nootzakelijk door 't vermogen van een uitwendige oorzaak, methet onze vergeleken, bepaalt worden; gelijk voorgestelt wierd.
4P6
De kracht van enige lijding, of hartstocht kan d' andere doeningen van de mensch, of zijn vermogen overwinnen; in voegen dat de hartstocht hardnekkiglijk den mensch byblijft.
Betoging.--De kracht en aanwas van yder lijding, en der zelfder volharding in wezentlijk te zijn, word door het vermogen van een uitwendige oorzaak, met het onze vergeleken, bepaalt, (volgens de voorgaande Voorstelling) en kan dieshalven (volgens de darde voorstelling van dit deel) het vermogen van de mensch verwinnen, enz. (gelikj voorgestelt wierd.
4P7
Een hartstocht kan niet ingetoomt, noch wechgenomen worden; dan door een strijdige hartstocht, en die sterker is, dan de geen, die ingetoomt moet worden.
Betoging.--De hartstocht, voor zo veel hy tot de ziel toegepast word, is een denkbeelt, door 't welk de ziel meerder of minder kracht haars lighaams van wezentlijk te zijn, dan te voren, bevestigt; volgens d' algemene Bepaling der hartstochten. Als dan de ziel van enige hartstocht word bestreden, zo word te gelijk het lighaam aangedaan door d' aandoening, door de welke des zelfs vermogen van te doen vermeerdert, of vermindert word. Wijders, deze aandoening des lighaams (volgens de vijfde Voorstelling van dit deel) ontfangt van haar oorzaak de kracht van in haar wezen te volharden, de welke dieshalven niet ingetoomt, noch wechgenomen kan worden, dan van een lighamelijke oorzaak, (volgens de zeste Voorstelling van het tweede deel) die 't lighaam met een aendoening, tegen het zelfde strijdig, aandoet, (volgens de vifde Voorstelling van het darde deel) en met een sterker aandoening; volgens de Kundigheit van dit deel. En dieshalven, de ziel zal met het denkbeelt van een sterker aandoening, tegen de voorgaande strijdig, aangedaan worden; dat is, (volgens d' algemene Bepaling der hartstochten) de ziel zal aangedaan worden met een sterker hartstocht, en die tegen de voorgaande strijdig is, te weten, die de wezentlijkheit van de voorgaande uitsluit, of wechneemt: en dieshalven, de hartstocht kan niet wechgenomen, noch ingetoomt worden, dan door een strijdige en sterker hartstocht; 't welk te betogen stond.

Toegift.--De hartstocht, voor zo veel hy tot de ziel toegepast word, kan niet ingetoomt, noch wechgenomen worden, dan door het denkbeelt van een strijdige aandoening des lighaams, en sterker dan d'aandoening, door de welke wy lijden. Want de hartstocht, door de welk wy lijden, kan niet ingetoomt, noch wechgenomen worden, dan door een hartstocht, sterker dan de zelfde, en daar tegen strijdig; (volgens de voorgaande Voorstelling) dat is (volgens d' algemene Bepaling der hartstochten) niet dan door het denkbeelt des lighaams van een sterker aandoening, en strijdig tegen d' aandoening, door de welke wy lijden.

4P8
De kennis van goet en quaat is niets anders, dan de hartstocht van blijschap, of droefheit, voor zo veel wy daar af meêwustig zijn.
Betoging.--Wy noemen dit goet, of quaat, 't welk vorderlijk of schadelijk is om onz wezen te behouden; (volgens d'eerste en tweede Bepaling van dit deel) dat is (volgens de zevende Voorstelling van het darde deel) 't welk onz vermogen van te doen vermeerdert, of vermindert, bevordert, of intoomt. Voor zo veel wy dan (volgens de Bepalingen van blyschap en droefheit, die te zien zijn in het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in het darde deel) bevatten dat enigding ons met blijschap of droefheit aandoet, voor zo veel noemen wy het zelfde goet, of quaat; en dieshalven is de kennis van goet en quaat niets anders, dan het denkbeelt van blijschap of droefheit, 't welk nootzakelijk uit de hartstocht zelf van blijschap of droefheit volgt; volgens de tweeëntwintigste Voorstelling van het tweede deel. Maar dit denkbeelt is op de zelfde wijze met de hartstocht vereenigt, als de ziel met het lighaam verëenigt is; volgens d'eenëntwintigste Voorstelling van het tweede deel) dat is, (gelijk wy in 't Byvoegsel van de zelfde Voorstelling getoont hebben) dit denkbeelt word van de hartstocht zelf, of (volgens d'algemene Bepaling der hartstochten) van het denkbeelt van des lighaams aandoening warelijk niet onderscheiden, dan door de bevatting alleen: dieshalven, deze kennis van 't goet en quaat is niets anders, dan de hartstocht zelf, voor zo veel wy daar af meêwustig zijn; 't welk te betogen stond.
4P9
De hartstocht, welks oorzaak wy ons inbeelden tegenwoordiglijk by ons te zijn, is sterker dan of wy ons inbeelden dat hy noch niet tegenwoordig was.
Betoging.--D'inbeelding is het denkbeelt, door 't welk de ziel de zaak als tegenwoordig beschout, (bezie de Bepaling daar af in het Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) de welke echter meer de gesteltenis van 't menschelijk lighaam, dan de natuur van d'uitwendige zaak aanwijst; volgens de tweede Toegift--van de zestiende Voorstelling in het tweede deel. De hartstochs dan (volgens d'algemene Bepaling der hartstochten) is een inbeelding, voor zo veel hy de gesteltenis des lighaams aanwijst. Maar d'inbeelding (volgens de zeventiende Voorstelling van het tweede deel) is meer ingespannen, zo lang wy ons niets inbeelden, dat de tegenwoordige wezentlijkheit van d' uitterlijke zaak uitsluit: dieshalven, de hartstocht, welker oorzaak wy ons inbeelden tegenwoordiglijk by ons te zijn, is ook meer ingespannen, of krachtiger, dan of wy ons inbeeldden dat de zelfden niet tegenwoordig was; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Als ik hier voor (in d'achtiende Voorstelling van het darde deel) gezegt heb, dat wy door het beelt van de toekomende, of verlede zaak met een zelfde hartstocht aangedaan worden, als of d'ingebeelde zaak tegenwoordig was, zo heb ik wel uitdrukkelijk gezegt, dat dit waar is, voor zo veel wy op het beelt van de zaak zelve alleen merken; want het is van een zelfde natuur, 't zy d'ingebeelde zaak tegenwoordig is, of niet. Doch ik ontken niet dat de zelfde zwakker word, als wy andere zaken, aan ons tegenwoordig, en die de tegenwoordige wezentlijkheit van de toekomende zaak uitsluiten, beschouwen; 't welk ik toen nagelaten heb te vermanen, om dat ik in dit deel voorgenomen had van de krachten der hartstochten te handelen.

Toegift.--Het beelt van de toekomende, of verlede zaak, dat is van die zaak, de welke wy, met betrekking tot de toekomende of verlede tijt, met uitsluiting van de tegenwoordige, aanschouwen, is, als 't overige gelijk is, zwakker dan het beelt van de tegenwoordige zaak; en by gevolg is de hartstocht tot de toekomende, of verlede zaak, als d'andere dingen gelijk zijn, flaauwer dan de hartstocht tot de tegenwoordige zaak.

4P10
Wy worden tot een toekomende zaak, die wy ons inbeelden dat haast zal komen, naerstiglijker aangedaan, dan zo wy ons inbeelden dat der zelfder tijt van wezentlijk te zijn, veerder van de tegenwoordige af is: en wy worden ook door de geheugenis van enig ding, 't welk wy ons inbeelden niet lang--voorby te zijn, naerstiglijker aangedaan, dan zo wy ons inbeelden dat het zelfde al lang voorby is.
Betoging.--Want voor zo veel wy ons inbeelden dat een zaak haast zal komen, of onlangs voorby is gegaan, daar door zelf beelden wy ons iets in, 't welk de tegenwoordigheit van de zaak minder uitsluit, dan als wy ons inbeelden dat der zelfder aanstaande tijt van wezentlijk te zijn veerder van de tegenwoordige af, of al overlang voorby is; (gelijk uit zich bekent is) en dieshalven zullen wy (volgens de voorgaande Voorstelling) zo veel te naerstiglijker tot de zelfde aangedaan worden; 't welk te betogenstond.

Byvoegsel.--Uit de dingen, die wy (op de zeste Bepaling van dit deel) aangemerkt hebben, volgt dat wy tot die voorwerpen, die een langer tusschenwijtte van tijt van de tegenwoordige af zijn, dan wy met inbeelden konnen bepalen, hoewel wy verstaan dat zy onderling een lange tusschenwijtte van tijt van malkander af zijn, echter ever flaauwelijk aangedaan worden.

4P11
De hartstocht tot een zaak, die wy ons als nootzakelijk inbeelden, is, als d'andere dingen gelijk zijn, krachtiger ingespannen, dan tot de mogelijke, of gebeurelijke, of niet nootzakelijke.
Betoging.--Voor zo veel wy ons inbeelden enige zaak nootzakelijk te zijn, voor zo veel bevestigen wy der zelfder wezentlijkheit; en in tegendeel, ontkennen de wezentlijkheit van de zaak, voor zo veel wy ons inbeelden de zelfde niet nootzakelijk te wezen volgens 't eerste Byvoegsel van de drieëndartigste Voorstelling in 't eerste deel: en dieshalven, (volgens de negende Voorstelling in dit deel) de hartstocht tot de nootzakelijke zaak, als d'andere dingen gelijk zijn, is krachtiger ingespannen, dan tot de niet nootzakelijke; gelijk te betogen stond.
4P12
De hartstocht tot een zaak, die wy weten dat tegenwoordiglijk niet wezentlijk is, en die wy ons als mogelijk in---beelden, is, als d'andere dingen gelijk zijn, krachtiger ingespannen, dan tot de gebeurelijke.
Betoging.--Voor zo veel als wy ons een zaak als gebeurelijk inbeelden, worden wy met geen beelt van een andere zaak aangedaan, die de wezentlijkheit van de zaak stelt; volgens de darde Bepaling in dit deel. Maar in tegendeel, (volgens d' onderstelling) wy beelden ons sommige dingen in, die der zelfder tegenwoordige wezentlijkheit uitsluiten. Doch voor zo veel wy ons inbeelden dat de zaak voor 't aanstaande mogelijk is, voor zo veel beelden wy ons enige dingen in, die de wezentlijkheit van de zaak stellen; (volgens de vierde Bepaling in dit deel) dat is (volgens d'achtiende Voorstelling van 't darde deel) die de hoop of vrees voeden; en zo verre is de hartstocht tot de mogelijke zaak geweldiger; 't welk te betogenstond.

Toegift.--De hartstocht tot een zaak, van de welke wy weten dat zy tegenwoordiglijk niet wezentlijk is, en die wy als gebeurelijk inbeelden, is veel flaauwer, dan of wy ons inbeelden dat de zaak tegenwoordiglijk by ons is.

Betoging.--De hartstocht tot een zaak, die wy ons inbeelden tegenwoordig wezentlijk te zijn, is krachtiglijker, ingespannen, dan of wy ons de zelfde als toekomende inbeelden, (volgens de Toegift van de negende Voorstelling in dit deel) en veel geweldiger, zo wy ons inbeelden dat de toekomende tijt verre van de tegenwoordige af is; volgens de tiende Voorstelling in dit deel. De hartstocht dan tot een zaak, welker tijt van wezentlijk te zijn wy ons inbeelden verre van de tegenwoordige af te wezen, is veel flaauwer, dan zo wy ons de zelfde als tegenwoordig inbeelden: en echter is hy (volgens de voorgaande Voorstelling) krachtiglijker, ingespannen, dan of wy de zelfde zaak als gebeurelijk in beelden; en dus verre zal de hartstocht tot een gebeurelijke zaak veel flaauwer wezen, dan of wy ons inbeelden dat de zaak tegenwoordiglijk by ons is; 't welk te betogenstond.

4P13
De hartstocht tot een gebeurelijke zaak, van de welke wy weten dat zy tegenwoordig niet wezentlijk is, is, zo d'andere dingen gelijk zijn, flaauwer dan de hartstocht tot de verlede zaak.
Betoging.--Zo lang wy ons een zaak als gebeurelijk inbeelden, zo worden wy door geen beelt van een andere zaak aangedaan, die de wezentlijkheit van de zaak zal stellen; volgens de darde Bepaling van dit deel: Maar in tegendeel, (volgens d'onderstelling) wy beelden ons enige dingen in, die der zelfder tegenwoordige wezentlijkheit uitsluiten. Doch voor zo veel wy ons de zelfde, met betrekking tot de verlede tijt, inbeelden, voor zo veel onderstellen wy dat wy ons iets inbeelden, 't welk de zelfde voor de geheugenis brengt, of 't welk het beelt van de zaak verwekt, (bezie d'achtiende Voorstelling van het tweede deel, met der zelfder Byvoegsel) en brengt dieshalven zo veel te weeg, dat wy de zelfde, als of zy tegenwoordig was, aanschouwen; (volgens de Toegift van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) en voor zo veel (volgens de negende Voorstelling van dit deel) zal de hartstocht tot de gebeurelijke zaak, van de welke wy weten dat zy tegenwoordig niet wezentlijk is, als d'andere dingen gelijk zijn, flaauwer wezen dan de hartstocht tot een voorgaande zaak; 't welk te betogenstond.
4P14
De ware kennis van 't goet en quaat, voor zo veel als waar, kan geen hartstocht intomen, maar alleenlijk voor zo veel zy als een hartstocht aangemerkt word.
Betoging.--De hartstocht is een denkbeelt, daar door de ziel een meerder of minder kracht haars lighaams van wezentlijk te zijn, dan te voren, bevestigt; (volgens d' algemene Bepaling der hartstochten) en heeft dieshalven (volgens d' eerste Voorstelling in dit deel) niets stellig, 't welk door de tegenwoordigheit van 't ware kan wechgenomen worden; en by gevolg kan de ware kennis van 't goet en quaat, voor zo veel zy waar is, geen hartstocht intomen; maar zo veel zy een hartstocht is, (besie d' achtste Voorstelling in dit deel) kan zy, zo zy krachtiger is dan de hartstocht, die ingetoomt moet worden, alleenlijk (volgens de zevende Voorstelling in dit deel) de hartstocht intomen; gelijk te betogen stond.
4P15
De begeerte, die uit de ware kennis van goet en quaat spruit, kan door veel andere begeerten, die uit de harts---tochten rijzen, de welken ons bestrijden, ingetoomt, of bedwongen woaden.
Betoging.--Uit de ware kennis van 't goet en quaat, voor zo veel de zelfde (volgens d' achtste Voorstelling in dit deel) een hartstocht is, spruit nootzakelijk de begeerte, (volgens d' eerste Bepaling der hartstochten) de welke zo veel te groter is, als de hartstocht, daar zy uit rijst, groter is; volgens de zevenëndartigste Voorstelling van het darde deel. Maar dewijl deze begeerte (volgens onderstelling) hier uit spruit, dat wy warelijk iets verstaan, zo volgt dat zy in ons is, voor zo veel wy doen, of werken; (volgens de darde Voorstelling in het darde deel) en voor zo veel moet zy door onze enige wezentheit verstaan worden; (volgens de tweede Bepaling van het darde deel) en by gevolg (volgens de zevende Voorstelling van het darde deel) moet der zelfder kracht en aanwas door het menschelijk vermogen alleen bepaalt worden. Wijders, de begeerten, die uyt de hartstochten spruiten, van de welken wy bestreden worden, zijn zo veel te groter, als deze hartstochten geweldiger zullen wezen: en dus verre moet hun kracht en aanwas (volgens de vijfde Voorstelling in dit deel) door 't vermogen der uitterlijke oorzaken bepaalt worden, 't welk, zo het met het onze vergeleken word, onz vermogen onëindiglijk overtreft; volgens de darde Bepaling in dit deel: en dus verre konnen de begeerten, die uit gelijke hartstochten spruiten, geweldiger zijn dan die, de welke uit de ware kennis van 't goet en quaat spruit, en konnen dieshalven (volgens de zevende Voorstelling in dit deel) de zelfde intomen, of intrekken: 't welk te betogenstond.
4P16
De begeerte, die uit de kennis van goet en quaat spruit, voor zo veel deze kennis op het toekomende ziet, kan lichtelijker door de begeerte der dingen, die tegenwoordiglijk zoet en aangenaam zijn, ingetoomt en bedwongen worden.
Betoging.--De hartstocht tot een zaak, die wy ons toekomende inbeelden, is flaauwer dan tot een tegenwoordige zaak; (volgens de Toegift van de negende Voorstelling in dit deel. Maar de begeerte, die uit de ware kennis van 't goet en quaat spruit, schoon deze kennis omtrent dingen verkeert, die tegenwoordiglijk goet zijn, kan door enige--roekeloze begeerte (volgens de voorgaande Voorstelling, welker Betoging algemeen is) ingetoomt en bedwongen worden: Dieshalven, de begeerte, die uit de zelfde kennis voortkoomt, voor zo veel deze het toekomende voorziet, zal lichtelijker ingetoomt, of bedwongen konnen worden, enz. gelijk te betogen was.
4P17
De begeerte, die uit de kennis van 't goet en quaat spruit, voor zo veel de zelfde omtrent de gebeurelijke dingen verkeert, kan noch veel lichtelijker door de begeerte der dingen, die tegenwoordig zijn, ingetoomt worden.
Betoging.--Dit word op de zelfde wijze, als de voorgaande Voorstelling, uit de Toegift van de twaalfde Voorstelling in dit deel betoogt.

Byvoegsel.--Ik acht dat ik hier door d' oorzaak heb getoont, om de welke de menschen meer door de waan, dan door de ware reden, bewogen worden, en waaröm de ware kennis van 't goet en quaat ontroerenissen des gemoeds verwekt, en dikwijls voor alderhande onkuisheit en ontucht wijkt; daar uit dit van de Dichter spruit: Ik zie en ken beter dingen, en volg de genen, die erger zijn. Hier op schijnt ook de Prediker gezien te hebben, toen hy gezegt heeft: Die wetenschap vermeerdert, vermeerdert moeite. Ik zeg dit echter niet met dit ooggemerk, dat ik daar uit wil besluiten, dat het beter is onkundig te wezen, dan te weten, of dat 'er, in 't bezadigen van de hartstochten, geen onderscheit tusschen de verstandige en dwaze is: maar alleenlijk hieröm, dat het nootzakelijk is zo wel het onvermogen, als het vermogen van onze natuur te kennen; op dat wy zouden konnen bepalen wat de reden in 't bezadigen van de hartstochten vermag, en niet vermag; en in dit deel heb ik gezegt dat ik alleenlijk van 't menschelijk onvermogen zou handelen: want ik heb voorgenomen bezonderlijk van de macht der reden op de hartstochten te spreken.

4P18
De begeerte, die uit blijschap spruit, is, als d' andere dingen gelijk zijn, krachtiger, dan de begeerte, die uit droefheit spruit.
Betoging.--De begeerte is de wezentheit zelve van de mensch; (volgens d' eerste Bepaling der hartstochten) dat is, (volgens de Zevende Voorstelling van het darde deel) de poging, door de welke de mensch in zijn wezen poogt te volharden. En dieshalven word de begeerte, die uit blijschap spruit, door de hartstocht van blijschap zelf (volgens de Bepaling van de blijschap, die men in 't Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in het darde deel kan zien) geholpen, of vermeerdert. In tegendeel, de begeerte, die uit droefheit spruit, word door de hartstocht van droefheit zelf (volgens het zelfde Byvoegsel) vermindert, of ingetrokken: en dieshalven moet de macht van de begeerte, die uit blijschap spruit, door het menschelijk vermogen, en gezamentlijk door 't vermogen van d' uitterlijke oorzaak, maar de begeerte, die uit de droefheit spruit, alleenlijk door 't menschelijk vermogen, bepaalt worden; 't welk ook oorzaak is van dat deze eerste krachtiger is, dan d' ander; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Ik heb met deze weinige woorden d' oorzaak van 't menschelijk onvermogen, en van de menschelijke onstantvastigheit verklaart, en waaröm de menschen d' onderwijzingen der reden niet gebruiken. Nu is noch overig dat ik toon wat het geen is, 't welk de reden aan ons voorschrijft, en welke hartstochten met de regelen van de menschelijke reden overëenkomen, of welken, in tegendeel, daar tegen strijden. Maar eer ik begin deze dingen in 't brede, volgens onze Meetkundige wijze, te betogen, zo zal ik hier eerst in 't kort de voorspellingen zelven van de reden tonen, op dat yder de dingen, die ik gevoel, te lichtelijker zou konnen bevatten. Dewijl de reden niets verëischt, dat tegen de natuur is, zo verëischt zy dan dat yder zich zelf bemint, zijn nut, 't welk warelijk nut is, zoekt, en naar al 't geen tracht, 't welk de mensch warelijk tot groter volmaaktheit leid, en, om rechtüit te spreken, dat yder, zo veel in hem is, zijn wezen poogt te behouden: 't welk immers zo nootzakelijk waar is, als dat het geheel groter, dan zijn deel is. (Bezie de vierde Voorstelling van het darde deel. Wijders, dewijl de deucht (volgens d'achtste Bepaling van dit deel) niets anders is, dan naar de wetten van zijn eige natuur te doen, en niemant (volgens de zevende Voorstelling van het darde deel) zijn wezen poogt te behouden, dan volgens de wetten van zijn eige natuur; zo volgt hier uit, voorëerst, dat de poging zelve van zijn eige wezen te bewaren de grontvest van de deucht is, en dat de gelukza---ligheit hier in bestaat, dat de mensch zijn wezen kan bewaren. Ten tweeden volgt, dat de deucht om zich zelve te begeren is, en dat 'er niets gevonden word, 't welk beter, of nutter aan ons is, om welks oorzaak zy begeert moet worden. Eindelijk en ten darden volgt, dat de genen, die zich zelven doden, hun gemoed niet machtig zijn, en dat zy gantschelijk van d'uitterlijke oorzaken, tegen hun natuur strijdende, verwonnen worden. Wijders, uit de vierde Verëissching van het tweede deel volgt, dat wy nooit te weech konnen brengen, dat wy niet iets, 't welk buiten ons is, behoeven, om onz wezen te bewaren, en dat wy in dier voegen levèn, dat wy niets met de dingen, die buiten ons zijn, te doen hebben; en dat, zo wy ook onze ziel aanmerken, onz verstant warelijk onvolmaakter zou wezen, indien de ziel alleen was, en niets behalven zich zelve verstond. Daar zijn dan buiten ons veel dingen, die aan ons nut zijn, en die wy dieshalven moeten begeren: en van de zodanigen konnen 'er geen voortreffelijker bedacht worden, als de genen, die gantschelijk met onze natuur overëenkomen. Want indien, tot een voorbeelt, twee ondeeligen, die gantschelijk van een zelfde natuur zijn, te zamen gevoegt worden, zo maken zy een ondeelig, dat tweemaal machtiger is, dan yder in 't bezonder. Daar is dan niets nutter voor de mensch, als der mensch. De menschen, zeg ik, konnen niet voortreffelijker wenschen, om hun wezen te bewaren, als dat zy alle in alles in dier voegen overëenkomen, dat de zielen en lighamen van hen alle als een ziel, en een lighaam maken, en alle te gelijk, zo veel als hen mogelijk is, hun wezen pogen te bewaren, en alle te gelijk het gemeen nut van hen alle voor zich zoeken. Hier uit volgt dan dat de menschen, die door reden bestiert worden, dat is, die, volgens het beleit der reden, hun nut zoeken, niets voor zich betrachten, 't welk zy ook niet voor d'andere menschen zouden begeren, en voor zo verre rechtvaerdig, getrou en eerlijk zijn.--Dit zijn die voorspellingen van de reden, de welken ik voorgenemon had hier met weinig woorden te tonen, eer ik beginnen zou hen in breder ordening te betogen. D'oorzaak, om de welke ik dit gedaan heb, is op dat ik, indien het mogelijk was, d'opmerking der gener zou bekomen, de welken geloven dat dit beginsel, namelijk dat yder gehouden is zijn nut te zoeken, de grontvest van goddeloosheit, en niet van deucht en godvruchtigheit is. Na dat ik dan met korte woorden getoont heb, dat het geheel anders met de zaak is gelegen, zo zal ik voortgaan met zulks door de zelfde middel, die ik tot hier toe gebruikt heb, te betogen.

4P19
Yder, volgens de wetten van zijn natuur, begeert nootzakelijk het geen, dat hy goet oordeelt, of heeft nootzakelijk een afkeer van 't geen, dat hy quaat acht.
Betoging.--De kennis van 't goet en quaat is (volgens d'achtste Voorstelling in dit deel) zelve een hartstocht van blijschap, of droefheit, voor zo veel wy daar af bewust zijn. En dieshalven, (volgens d'achtëntwintigste Voorstelling van het darde deel) yder begeert nootzakelijk het geen, dat hy goet acht, en heeft een afkeer van 't geen, dat hy quaat oordeelt. Maar deze lust is niets anders, dan de wezentheit zelve van de mensch, of zijn natuur; volgens de Bepaling der lusten, die in het Byvoegsel van de negende Voorstelling van het darde deel, en in d'eerste Bepaling der hartstochten te zien is. Dieshalven, yder begeert, volgens de wetten van zijn natuur alleen, nootzakelijk dit, of heeft'er een afkeer af, enz. gelijk te betogenstond.
4P20
Hoe meer yder zijn nut, dat is zijn wezen te bewaren, poogt en kan zoeken, hoe hy meer met deucht begaaft is. In tegendeel, voor zo veel iemant zijn nut, dat is zijn wezen te behouden, verwareloost, voor zo veel is hy ook onmachtig.
Betoging.--De deucht is het menschelijk vermogen zelf, door 't welk alleen de wezentheit van de mensch bepaalt word; (volgens d'achtste Bepaling in dit deel) dat is, (volgens de zevende Voorstelling van het darde deel) de welke door d'enige poging bepaalt word, daar door de mensch poogt in zijn wezen te volharden. Hoe meer dan yder poogt en kan zijn wezen behouden, hoe meer hy met deucht begaaft is; en by gevolg, (volgens de vierde en zeste Voorstelling van het darde deel) voor zo veel iemant verwareloost zijn wezen te behouden, voor zo veel is hy ook onmachtig; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Niemant dan verwareloost zijn nut te betrachten, of zijn wezen te behouden, 't en zy hy van uitterlijke oorzaken, en die tegen zijn natuurstrijden, verwonnen is. Niemant heeft, zeg ik, uit noot---zakelijkheit van zijn natuur, maar door uitterlijke oorzaken gedwongen, af keer van 't voedsel, of doot zich zelf; 't welk op veel wijzen kan geschieden: want iemant doot zich zelf, als hy van een ander word gedwongen, die des zelfs rechte hant, met de welk hy by geval het zwaert gevat had, verdraait, en hem dwingt de degen naar zijn hart te wenden, of als hy, volgens het bevel van de dwingelant, gedwongen word, gelijk Seneka, zijn aderen t'openen, dat is, dat hy een meerder quaat door een minder begeert te schuwen; of eindelijk hier om, dat d'uitterlijke verborge oorzaken zijn inbeelding in dier voegen schikken, en zijn lighaam op die wijze aandoen, dat het zelfde een andere natuur, tegen de voorgaande strijdig, aandoet, en van 't welk geen denkbeelt in de ziel gestelt kan worden; volgens de tiende Voorstelling van het darde deel. Maar dat de mensch, uit nootzakelijkheit van zijn natuur, zou pogen niet wezentlijk te zijn, of in een andere vorm te veränderen; dit is zo onmogelijk, als dat uit niets iets zou worden, dat een yder, zelfs met een weinig bedenken, kan zien.

4P21
Niemant kan begeren zalig te zijn, wel te doen, en wel te leven, die gezamentlijk niet begeert te zijn, te doen, en te leven, dat is met'er daat wezentlijk te wezen.
Betoging.--De Betoging, of liever de zaak blijkt uit zich zelve, en ook uit de Bepaling van de begeerte. Want de wezentheit van de mensch zelve, dat is, (volgens de zevende Voorstelling van het darde deel) de poging, door de welke yder poogt zijn wezen te behouden, is (volgens d'eerste Bepaling der hartstochten) een begeerte van zalig, of wel te leven, te doen, enz.
4P22
Geen deucht kan eerder dan deze (namelijk dan de poging van zich zelf te behouden) bevat worden.
Betoging.--De poging van zich zelf te behouden, is de wezentheit zelve van de zaak; volgens de zevende Voorstelling van 't darde deel. Indien dan enige deucht eerder dan deze, namelijk dan deze poging, bevat kon worden, zo zou (volgens d'achtste Bepaling van dit deel) de wezentheit zelve van de zaak eerder dan zich zelve bevat worden; 't welk (gelijk uit zich zelfblijkt) ongerijmt is.

Toegift.--De poging van zich zelf te behouden is d'eerste en enige grontvest des deuchts. Want men kan geen ander beginsel eerder als dit bevatten; (volgens de voorgaande Voorstelling) en zonder het zelfde (volgens d'eenëntwintigste Voorstelling in dit deel) kan geen deucht bevat worden.

4P23
Demensch, voor zo veel hy hier door, dat hy onëvenmatige denkbeelden heeft, bepaalt word tot iets te doen, kan niet volkomentlijk gezegt worden uit deucht te doen; maar alleenlijk voor zo veel hy uit het geen, dat hy verstaat, bepaalt word.
Betoging.--Voor zo veel de mensch hier door, dat hy onëvenmatige denkbeelden heeft, bepaalt word tot te doen, voor zo veel (volgens d'eerste Voorstelling van het darde deel) lijd hy, dat is, (volgens d'eerste en tweede Bepaling van het darde deel) voor zo veel doet hy iets, 't welk door zijn enige wezentheit niet bevat kan worden; dat is, (volgens d'achtste Bepaling in dit deel) 't welk uit zijn deucht niet volgt. Maar voor zo veel hy hier door, dat hy verstaat, bepaalt word tot iets te doen, voor zo veel (volgens de zelfde eerste Voorstelling van het darde deel) werkt hy; dat is (volgens de tweede Bepaling van het darde deel) doet hy iets, 't welk door zijn wezentheit alleen bevat word; of (volgens d'achtste Bepaling van dit deel) 't welk uit zijn deucht evenmatiglijk volgt; 't welk te betogen stond.
4P24
Uit de deucht volkomentlijk te werken is by ons niets anders, dan uit het beleit van de reden te werken, te leven, en zijn wezen te behouden, (deze drie dingen hebben een zelfde betekenis) en dit uit de grontvest van zijn eige nut te zoeken.
Uit de deucht volkomentlijk te werken is niet anders, (volgens d'achtste Bepaling in dit deel) dan uit de wetten van d'eige natuur te werken. Maar wy werken alleenlijk voor zo veel, als wy verstaan;--(volgens de darde Voorstelling in het darde deel) dieshalven, uit deucht te werken is in ons niets anders, dan uit het beleit der reden te werken, leven, en zijn wezen te behouden, en dit (volgens de Toegift van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel) uit de grontvest van zijn nut te zoeken, 't welk te betogen stond.
4P25
Niemant poogt zijn wezen om een andere zaak te behouden.
Betoging.--De poging, door de welke yder ding poogt in zijn wezen te volharden, word door de wezentheit van de zaak zelve alleen bepaalt; volgens de zevende Voorstelling in het darde deel: en als dit alleen gestelt is, zo volgt, doch niet uit de wezentheit van enig andere zaak, nootzakelijk (volgens de zeste Voorstelling van het darde deel) dat yder poogt zijn wezen te behouden. Wijders, deze Voorstelling blijkt uit de Toegift van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel. Want indien de mensch poogde om een andere zaak zijn wezen te behouden, zo zou deze zaak d'eerste grontvest van de deucht zijn; gelijk van zelfs blijkt) 't welk (volgens de voorgedachte Toegift) ongerijmt is.
4P26
Al'tgeen dat wy uit de reden pogen, is niets anders, dan verstaan: en de ziel, voor zo veel zy de reden gebruikt, oordeelt niets anders nut voor zich te wezen, dan dit, 't welk tot verstaan dienstig is.
Betoging.--De poging van zich zelf te behouden is niets, dan de wezentheit van de zaak zelve, (volgens de zevende Voorstelling van het darde deel) de welke, voor zo veel zy zodanig is, bevat word macht te hebben tot te volharden in wezentlijk te zijn, (volgens de zeste Voorstelling van het darde deel) en tot die dingen te doen, de welken uit hun gestelde natuur nootzakelijk volgen. (Bezie hier af de Bepaling van de lust 't Byvoegsel van de negende Voostèlling in het darde deel. Maar de wezentheit der reden is niets anders, dan onze ziel, voor zo veel zy klarelijk en onderscheidelijk verstaat: (bezie der zelfder Bepaling in het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) dieshalven, (volgens de veertigste--Voorstelling in het tweede deel) al 't geen, dat wy uit reden pogen, is niets anders, dan verstaan. Wijders, dewijl deze poging der ziel, daar door de ziel, voor zo veel zy redeneert, haar wezen poogt te behouden, niets anders is, dan verstaan, (volgens 't eerste deel hier af) zo is deze poging van te verstaan (volgens de Toegift van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel) d'eerste en enige grontvest des deuchts; en wy zullen niet om enig einde (volgens de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel) de zaken pogen te verstaan: maar in tegendeel, de ziel, voor zo veel zy redeneert, zal niet konnen bevatten dat iets goet voor haar is, als het geen, dat tot verstaan dienstig is; volgens d' eerste Bepaling in dit deel) 't welk te betogen stond.
4P27
Wy weten niet zekerlijk dat iets goet of quat is, dan 't geen, 't welk warelijk tot verstaan dienstig is, of 't welk beletten kan dat wy verstaan.
Betoging.--De ziel, voor zo veel zy redeneert, betracht niets anders, dan te verstaan. Zy acht ook niets anders nut voor zich, dan 't geen, 't welk tot verstaan dienstig is: volgens de voorgaande Voorfelling. Maar de ziel (volgens d' een- en drieënveertigste Voorstellingen van het tweede deel) daar af men ook het Byvoegsel nazien kan) heeft niet de zekerheit der dingen, dan voor zo veel zy evenmatige denkbeelden heeft, of, 't welk (volgens het Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) het zelfde is, voor zo veel zy redeneert: dieshalven, wy weten niet zekerlijk dat iets goet is, dan dit, 't welk warelijk tot verstaan dienstig is, en in tegendeel, dit quaat, 't welk beletten kan dat wy verstaan; 't welk te betogen was.
4P28
De kennis van God is 't opperste goet der ziel, en God te kennen d' opperste deucht van de ziel.
God is het opperste, 't welk van de ziel verstaan kan worden, dat is, (volgens de zeste Bepaling van 't eerste deel) dat hy een gantschelijk onëindig wezend is, en zonder 't welk (volgens de vijftiende Voorstelling van 't eerste deel) niets kan zijn, noch bevat worden; en dieshalven (volgens de zes- en zevenëntwintigste Voorstellingen--van dit deel)'t opperste nut van de ziel: of (volgens d' eerste Bepaling van dit deel) 't opperste goet van de ziel is Gods kennis. Wijders, de ziel werkt alleenlijk voor zo veel, als zy verstaat; volgens d' eerste en darde Voorstelling van 't darde deel: en voor zo veel (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van dit deel: alleenlijk kan zy volkomentlijk gezegt worden dat zy uit deucht werkt. Het verstaan dan is een volstrekte deucht van de ziel. Maar het opperste, 't welk de ziel verstaan kan, is God, gelijk wy alreê betoogt hebben: dieshalven, d' opperste deucht van de ziel is, God te verstaan, of te kennen; 't welk te betogen stond.
4P29
Yder bezonder ding, welks natuur gantschelijk van d' onze verscheiden is, kan raan onz vermogen van te werken noch behulfsaam, noch nadeelig wezen: ja geen ding, wat het ook is, kan ons goet of quaat zijn, 't en zy het iets met ons gemeen heeft.
Betoging.--Het vermogen van yder bezonder ding, en by gevolg (volgens de Toegift van de tiende Voorstelling in het tweede deel) van de ziel, daar door zy wezentlijk is, en werkt, word niet bepaalt, dan van een ander bezonder ding, (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van 't eerste deel) welks natuur (volgens de zeste Voorstelling van het tweede deel) door de zelfde toeëigening, door de welke de menschelijke natuur word bevat, verstaan moet worden. Onz vermogen dan van te werken, hoe het zelfde ook bevat word, kan door het vermogen van een ander bezonder ding, dat iets met ons gemeen heeft, en niet door het vermogen van een ding, welks natuur gantschelijk van d' onze verscheiden is, bepaalt, en by gevolg geholpen, of ingekort en ingetoomt worden: en dewijl wy dit goet of quaat noemen, 't welk oorzaak van blijschap, of van droef heit is, (volgens d' achtste Voorstelling van dit deel) dat is, (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in het darde deel) 't welk onz vermogen van te werken vermeerdert, of vermindert, bevordert, of intoomt; zo kan een ding, welks natuur gantschelijk van d' onze verscheiden is, aan ons noch goet, noch quaat wezen: 't welk te betogen stond.
4P30
Geen ding kan, volgens het geen, dat het met onze natuur--gemeen heeft quaat wezen: maar voor zo veel het quaat voor ons is, voor zo veel is het strijdig tegen ons.
Betoging.--Wy noemen dit quaat, 't welk oorzaak van droef heit is; (volgens d' achtste Voorstelling van dit deel) dat is, (volgens des zelfs Bepaling, die in 't Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in 't darde deel te zien is) 't welk onz vermogen van te werken vermindert, of intoomt. Indien dan enig ding door dit, 't welk het met ons gemeen heeft, quaat aan ons kon wezen, zo zou het ding, dit zelfde, dat het met ons gemeen heeft, konnen verminderen, of intomen; 't welk (volgens de vierde Voorstelling van 't darde deel) ongerijmt is. Geen ding dan kan door dit, 't welk het met ons gemeen heeft, quaat aan ons wezen: maar, in tegendeel, voor zo veel het quaat is, dat is, (gelijk wy alreê getoont hebben) voor zo veel het onz vermogen van te werken kan verminderen, of intomen, voor zo veel (volgens de vijfde Voorstelling in het darde deel) is het strijdig tegen ons; 't welk te betogen stond.
4P31
Voor zo veel enig ding met onze natuur overëenkoomt, voor zo veel is het nootzakelijk goet.
Betoging.--Want voor zo veel enig ding met onze natuur overëenkoomt, kan het (volgens de voorgaande Voorstelling) niet quaat wezen. Het zal dan nootzakelijk of goet, of middelmatig zijn. Indien men dit leste stelt, te weten, dat het noch goet, noch quaat is, zo zal 'er (volgens de gemene Kundigheit van dit deel) niets uit des zelfs natuur volgen, 't welk tot de behoudenis van onze natuur dient; dat is, (volgens onderstelling) 't welk tot de behoudenis der natuur van het ding zelf dient. Maar dit is ongerijmt; volgens de zeste Voorstelling in 't darde deel. Het zal dan, voor zo veel het met onze natuur overëenkoomt, nootzakelijk goet wezen; 't welk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt dat enig ding zo veel te nutter, of beter aan ons is, als het meer met onze natuur overëenkoomt. In tegendeel, hoe enig ding nutter aan ons is, hoe het ook meer met onze natuur overëenkoomt. Want voor zo veel het met onze natuur niet overëenkoomt, voor zo veel zal het nootzakelijk verscheiden van onze natuur--zijn, of daar tegen strijden. Indien het verscheiden is, zo zal het (volgens de negenëntwintigste Voorstelling in dit deel) noch goet noch quaat konnen wezen. Maar indien het strijdig is, zo zal het ook strijdig tegen 't geen zijn, 't welk met onze natuur overëenkoomt; dat is, (volgens de voorgaande Voorstelling) strijdig teger 't goet; of anders quaat. Dieshalven, niets kan goet zijn, dan voor zo veel het met onze natuur overëenkoomt: en daarom, hoe enig ding meer met onze natuur overëenkoomt, hoe het nutter is; er weêr het tegendeel, gelijk voorgestelt is.

4P32
Voor zo veel de menschen de lijdingen onderworpen zijn, voor zo veel konnen zy niet gezegt worden in natuur overëen te komen.
Betoging.--De dingen, die gezegt worden in natuur overëen te komen, worden verstaan in macht of vermogen overëen te komen; volgens de zevende Voorstelling van het darde deel: maar niet in onvermogen, of in d'ontkenning, en by gevolg (bezie het Byvoegsel van de darde Voorstelling in het darde deel) ook niet in lijding. Dieshalven konnen de menschen, voor zo veel zy de lijdingen onderworpen zijn, niet gezegt worden dat zy in natuur overëenkomen; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze zaak blijkt ook uit zich zelve. Want de geen, die zegt dat het wit en zwart hier in alleenlijk overëenkomen, dat geen van beiden root is, bevestigt volkomentlijk dat het wit en zwart nergens in overëenkomen. Zo ook, indien iemant zegt dat een steen en een mensch alleenlijk hier in overëenkomen, dat zy beide eindig, onvermogende, of uit de nootzakelijkheit van hun natuur niet wezentlijk zijn, of eindelijk dat zy door 't vermogen der uitwendige oorzaken onbepaaldelijk overtroffen worden; deze bevestigt gantschelijk dat een steen, en een mensch nergens in overëenkomen: want de dingen, die in d'enige ontkenning, of in 't geen, dat zy niet hebben, overëenkomen, komen warelijk nergens in overëen.

4P33
De menschen konnen van natuur verschillen, voor zo veel zy van de hartstochten, die lijdingen zijn, bestreden--worden; en voor zo veel is ook een en de zelfde mensch veranderlijk en onstantvastig.
Betoging.--De wezentheit der hartstochten, of der zelfder natuur kan niet door onze wezentheit, of natuur alleen verklaart worden; volgens d'eerste en tweede Bepaling van het darde deel: maar moet door 't vermogen, dat is (volgens de zevende Voorstelling van 't darde deel) door de natuur der uitwendige oorzaken, met d'onze vergeleken, bepaalt worden. Hier uit spruit het dat'er zo veel soorten of gedaanten van yder hartstocht gestelt worden, als'er soorten of gedaanten van voorwerpen zijn, van de welken wy aangedaan worden; (bezie de zesenvijftigste Voorstelling in het darde deel) en dat de menschen van een en 't zelfde voorwerp op verscheide wijzen worden aangedaan, (bezie d' eenënvijftigste Voorstelling van 't darde deel) en dus verre van natuur verschillen; en eindelijk dat een en de zelfde mensch (volgens de zelfde eenënvijftigste Voorstelling van het darde deel) tot het zelfde voorwerp verscheidelijk aangedaan word, en dus verre verscheiden is, enz. gelijk te betogen stond.
4P34
Voor zo veel de menschen van de hartstochten, die lijdingen zijn, bestreden woorden, voor zo veel konnen zy strijdig tegen malkander wezen.
Betoging.--Tot een voorbeelt, de mensch Pieter kan oorzaak zijn van dat Jan bedroeft is, om dat hy iets heeft, 't welk met het geen gelijk is, dat van Jan gehaat word; (volgens de zestiende Voorstelling van 't darde deel) of om dat Pieter alleen enig ding bezit, 't welk ook van Jan zelf word bemint; (bezie de tweeëndartigste Voorstelling van 't darde deel, met der zelfder Byvoegsel) of om andere oorzaken. Bezie de voornaamsten hier af in het Byvoegsel van de vijfënvijftigste Voorstelling in 't darde deel. En dieshalven zal hier uit spruiten, (volgens de zevende Bepaling der hartstochten) dat Jan Pieter haat; en by gevolg zal lichtelijk gebeuren, (volgens de veertigste Voorstelling van 't darde deel, met der zelfder Byvoegsel) dat Pieter in tegendeel ook Jan haat, en dat zy dieshalven (volgens de negenëndartigste Voorstelling van 't darde deel) zullen pogen malkander quaat aan te doen; dat is, (volgens de dartigste Voor---stelling van dit deel) dat zy strijdig tegen malkander zullen wezen. Maar de hartstocht van droefheit is altijt lijding; volgens de negenënvijftigste Voorstelling van 't darde deel: dieshalven, de menschen, voor zo veel zy van hartstochten, die lijdingen zijn, bestreden worden, konnen strijdig tegen malkander wezen; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Ik heb gezegt dat Jan Pieter zal haten, om dat hy zich inbeeld dat de zelfde het geen bezit, 't welk van Jan zelf ook bemint word: daar uit met d'eerste aanschouwing schijnt te volgen-dat deze twee hier uit, dat zy een zelfde ding beminnen, en by gevolg hier uit, dat zy in natuur overëenkomen, aan malkander schadelijk zijn; en dieshalven, indien dit waarächtig is, zo zullen de dartigste en eenendartigste Voorstellingen van dit deel valsch wezen. Maar indien wy de zaak gelijkmatiglijk willen onderzoeken, zo zullen wy bevinden dat alle deze dingen gantschelijk overëenkomen. Want deze twee zijn niet laftig aan malkander voor zo veel zy in natuur overëenkomen, dat is, voor zo veel zy beide een zelfde ding beminnen; maar voor zo veel zy van malkander verschillen. Want voor zo veel zy beide een zelfde ding beminnen, zo word daar door zelf hun beider liefde gevoed; (volgens d' eenëndartigste Voorstelling van 't darde deel) dat is, (volgens de zeste Bepaling der hartstochten) daar door zelf word hun beider blijschap gevoed. 't Is dieshalven verre van daar, dat zy, voor zo veel zy een zelfde ding beminnen, en in natuur overëenkomen, lastig aan malkander zijn. Maar daar is, gelijk ik gezegt heb, geen andere oorzaak van deze zaak, dan om dat men onderstelt dat zy in natuur verschillen. Want wy onderstellen dat Pieter het denkbeelt van een beminde zaak, die alreê bezeten word, heeft, en Jan in tegendeel het denkbeelt van een verlore beminde zaak. Hier uit spruit het dat deze leste met droefheit, en d'ander, in tegendeel, met blischap aangedaan word; en voor zo veel zijn zy tegen malkander strijdig. En op deze wijze konnen wy lichtelijk tonen, dat d'andere oorzaken van haat alleenlijk hier van afhangen, dat de menschen van natuur verschillen, en niet hier in, daar in zy overëenkomen.

4P35
Voor zo veel de menschen naar 't beleit van de reden leven, voor zo veel alleenlijk komen zy altijt nootzakelijk in natuur overëen.
Betoging.--Voor zo veel de menschen van hartstochten, die lijdingen zijn, bestreden worden, voor zo veel konnen zy verscheiden van natuur, (volgens de drieëndartigste Voorstelling van dit deel) en strijdig tegen malkander wezen; volgens de voorgaande Voorstelling. Maar de menschen worden gezegt alleenlijk voor zo veel te werken, als zy naar 't beleit der reden leven; volgens de darde Voorstelling van 't darde deel. En dieshalven, al 't geen, dat uit de menschelijke natuur volgt, voor zo veel zy door de reden bepaalt word, moet (volgens de tweede Bepaling van 't darde deel) door de menschelijke natuur alleen, als door zijn naaste oorzaak, verstaan worden. Maar dewijl yder, volgens de wetten van zijn natuur, het geen betracht, 't welk hy goet oordeelt, en het geen poogt af te weren, dat hy quaat acht te wezen; (volgens de negentiende Voorstelling van dit deel) en dewijl wijders het geen, 't welk wy uit de voorspelling der reden goet of quaat oordeelen te zijn, nootzakelijk goet of quaat is; volgens d' eenënveertigste Voorstelling van het tweede deel: zo werken de menschen, voor zo veel zy naar 't beleit van de reden leven, alleenlijk nootzakelijk die dingen, die voor de menschelijke natuur, en by gevolg voor yder mensch, nootzakelijk goet zijn; dat is, (volgens de Toegift van d' eenëndartigste Voorstelling in dit deel) die met de natuur van yder mensch overëenkomen: en in dezer voegen komen ook de menschen, voor zo veel zy naar 't beleit van de reden leven, nootzakelijk altijt met malkander overëen; 't welk te betogen stond.

Eerste Toegift.--In de natuur der dingen is niets bezonder, 't welk nutter voor de mensch is, als de mensch zelf, die naar 't beleit van de reden leeft. Want dit is het nutste voor de mensch, 't welk meest met zijn natuur overëenkoomt; (volgens de Toegift van d' eenëndartigste Voorstelling in dit deel) dat is, (gelijk uit zich zelf blijkt) de mensch. Maar de mensch werkt volkomentlijk volgens de wetten van zijn natuur, als hy naar 't beleit der reden leeft; (volgens de tweede Bepaling van het darde deel) en dus verre alleenlijk koomt hy nootzakelijk altijt met de natuur van een ander mensch overëen; volgens de voorgaande Voorstelling. Daar is dan, onder de bezondere dingen, niets nutter voor de mensch, dan de mensch zelf, enz. gelijk te betogen stond.

Tweede Toegift.--Dewijl yder mensch voornamelijk zijn nut voor zich zoekt, zo zijn de menschen voornamelijk aan malkander nut. Want hoe meer yder zijn nut zoekt, en zich zelf poogt te behouden, hoe hy meer met deucht begaaft is, volgens de twintigste Voorstelling van dit deel) of, 't welk het zelfde is, (volgens d' achtste Bepaling van dit deel) hoe hy met groter vermogen begaaft is, om volgens de wetten van zijn natuur te werken; dat is, (volgens de darde Voorstelling van 't darde deel) om naar 't beleit der reden te leven. Maar de menschen komen dan meest in natuur overëen, als zy naar 't beleit der reden leven; volgens de voorgaande Voorstelling: dieshalven, volgens de voorgaande Toegift) de menschen zijn dan voornamelijk nut aan malkander, als yder voornamelijk zijn nut voor zich zoekt; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--D'ervarentheit zelve betuigt ook dagelijks het geen, dat wy nu getoont hebben, en dit door zo veel, en zo klaarblijkelijke getuigenissen, dat by na alle menschen in de mont hebben, dat de mensch een god voor de mensch is. Het gebeurt echter zelden dat de menschen naar 't beleit van de reden leven; maar 't is met hen in dier voegen gestelt, dat zy deurgaans nijdig, en aan malkander lastig zijn. Zy konnen nochtans naauwelijks hun leven in eenzaamheit overbrengen; 't welk zo verre loopt, dat deze Bepaling, dat de mensch een gezellig dier is, aan veel zeer wel behaagt heeft. En zeker, 't is in dier voegen gestelt, dat 'er veel meer voordeelen, dan schaden, uit de gemene gezelligheit der menschen rijzen. Dat dieshalven de schimpers en hekelaars de menschelijke zaken zo veel, als zy willen, belachen, en de godgeleerden hen verfoejen, en de naargeestigen een woest en eenzaam leven, zo veel, als hen mogelijk is, prijzen, de menschen verächten, en over de beesten verwondert zijn; zy zullen echter bevinden dat de menschen, door onderlinge behulpsaamheit, veel lichtelijker die dingen, de welken zy behoeven, voor zich verkrijgen, en niet, dan met samengevoegde krachten, de gevarelijkheden, die hen van alle zijden dreigen, konnen vermijden: ik verzwijg noch dat het veel voortreffelijker, en waerdiger voor onze kennis is, de werken der menschen, dan die van de beesten, t' aanschouwen; doch hier af bredelijker in een andere plaats.

4P36
't Opperste goet der gener, die de deucht volgen, is aan alle gemeen; en alle menschen konnen het zelfde gelijkelijk genieten.
Uit deucht te werken is naar 't beleit der reden te werken; volgens de vierëntwintigste Voorstelling van dit deel: en al 't geen, dat wy uit reden pogen te werken, is verstaan; volgens de zesentwintigste Voorstelling van dit deel: en dieshalven (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) 't opperste goet der gener, die de deucht volgen, is, Godt te kennen; dat is, (volgens de zevenënveertigste Voorstelling van het tweede deel, en der zelfder Byvoegsel) een goet, 't welk aan alle menschen gemeen is, en van alle menschen, voor zo veel zy van een zelfde natuur zijn, gelijkelijk bezeten kan worden; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Maar indien iemant vraagt; wat dan, zo 't opperste goet der gener, die de deucht volgen, niet aan alle gemeen was? zou daar uit niet, gelijk hier voor, (bezie de vierëndartigste Voorstelling van dit deel) volgen, dat de menschen, die naar 't beleit der reden leven, dat is, (volgens de vijfëndartigste Voorstelling in dit deel) de menschen, voor zo veel zy in natuur overëenkomen, tegen malkander strijdig zouden wezen? Aan deze zal dit tot antwoort dienen; dat niet uit toeval, maar uit de natuur van de reden voortkoomt, dat het opperste goet van de mensch aan alle menschen gemeen is: namelijk om dat het van de menschelijke wezentheit zelve, voor zo veel het naar de reden is bepaalt, afgeleid word; en om dat de mensch niet kan zijn, noch bevat worden, indien hy niet de macht had van dit opperste goet te genieten: want het behoort (volgens de zevenënveertigste voorstelling van het tweede deel) tot de wezentheit van de menschelijke ziel, een evenmatige kennis van Gods eeuwige en onëindige wezentheit te hebben.

4P37
Yder, die de deucht volgt, zal ook het goet, dat hy voor zich betracht, voor d' andere menschen begeren, en zo veel te meer, als hy groter kennis van God heeft.
Betoging.--De menschen, voor zo veel zy naar 't beleit der reden leven, zijn nutst aan de mensch; volgens d' eerste Toegift van de vijfëndartigste Voorstelling in dit deel). En dieshalven, (volgens de negentiende Voorstelling van dit deet) naar 't beleit der reden zullen wy nootzakelijk pogen te weeg te brengen, dat de menschen naar 't beleit der reden leven. Maar 't goet, 't welk yder, die naar de voorspelling der reden leeft, dat is, (volgens de vierëntwintigste Voorstelling van dit deel) die de deucht volgt, voor zich zelf betracht, is verstaan; volgens de zesentwintigste Voorstelling in dit deel: dieshalven, yder, die de deucht volgt, zal ook 't goet, 't welk hy voor zich betracht, voor d' andere menschen begeren. Wijders, de begeerte, voor zo veeel zy tot de ziel toegepast word, is de wezentheit zelve der ziel; volgens d'eerste Bepaling der Hartstochten: maar de wezentheit der ziel bestaat in de kennis, (volgens d' elfde Voorstelling in het tweede deel) die Gods kennis insluit, (volgens de Zevenenveertigste voorstelling in het tweede deel) en zonder de welke (volgens de vijftiende Voorstelling in 't eerste deel) zy niet kan wezen, noch bevat worden: in voegen dat, hoe de wezentheit der ziel groter kennis van God insluit, hoe de begeerte, door de welke de geen, die de deucht volgt, het goet, 't welk hy voor zich betracht, voor een ander begeert, ook groter zal wezen, 't welk te betogen stond.

Anders:--De mensch zal het goet, 't welk hy voor zich betracht, en dat hy bemint, stantvastiglijker beminnen, zo hy ziet dat anderen het zelfde beminnen; volgens d' eenëndartigste Voorstelling in 't darde deel: en dieshalven zal hy (volgens de Toegift van de zelfde Voorstelling) trachten dat d' anderen het zelfde beminnen. En dewijl dit goet (volgens de voorgaande Voorstelling) aan alle menschen gemeen is, en alle menschen het zelfde gelijkelijk konnen genieten, zo zal hy, (volgens de zelfde reden) pogen dat alle menschen het zelfde genieten, en (volgens de zevenëndartigste Voorstelling van 't darde deel) zo veel te meer, als hy dit goet meer geniet; 't welk te betogen stond.

Eerste Byvoegsel.--De geen, die uit hartstocht alleen poogt te maken dat d' anderen het geen beminnen, 't welk hy zelf bemint, en dat d' anderen naar zijn verstant leven, werkt alleenlijk door drift, en is dieshalven hatelijk, voornamelijk by de genen, die in andere dingen vermaak--scheppen, en de welken dieshalven ook hun vlijt aanwenden, en met een zelfde drift betrachten, dat, in tegendeel, d' anderen naar hun verstant leven. Wijders, dewijl het opperste goet, daar de menschen zo vuriglijk naar trachten, dikwijls zodanig is, dat een alleenlijk de bezitter daar af kan wezen, zo gebeurt dat de genen, die beminnen, geen vaste zinnen hebben, en vrezen dat zy gelooft zullen worden, terwijl zy vermaak scheppen in 't lof van de zaak, die zy beminnen, te verhalen. Doch de geen, die d' anderen door de reden poogt te leiden, werkt niet door drift, maar op een vriendelijke en meêgaande wijze, en koomt meest met zich zelf overëen. Voorts, al 't geen, dat wy begeren en werken, van 't welk wy oorzaak zijn, voor zo veel wy Gods denkbeelt hebben, of voor zo veel wy God kennen, pas ik op de godsdienst toe. Maar de begeerte van wel te doen, die hier uit in ons voortkoomt, dat wy naar 't beleit der reden leven, noem ik godvruchtigheit. Wijders, de begeerte, door de welke de mensch, die naar 't beleit van de reden leeft, verplicht is d' anderen door vrientschap aan zich te vervoegen, noem ik eerlijk, gelijk ook 't geen, 't welk van de menschen, die naar 't beleit der reden leven, geprezen word; en in tegendeel, dat schandelijk, 't welk strijdig is tot vrientschap te verkrijgen. Ik heb ook getoont welke de grontvesten van een Staat zijn. Voorts, het onderscheit tusschen de ware deucht, en 't onvermogen word lichtelijk uit het geen, dat hier voren gezegt is, verstaan; te weten, dat de ware deucht niets anders is, dan alleenlijk naar 't beleit der reden te leven: en dieshalven bestaat het onvermogen alleenlijk hier in, dat de mensch lijd dat hy van de dingen, die buiten hem zijn, geleid, en daar door bepaalt word tot die dingen te doen, tot de welken een gemene gesteltheit der uitterlijke zaken word verëischt, en niet tot die dingen te werken, tot de welken zijn eige natuur, in zich alleen aangemerkt, word gevordert. Dit is 't geen, 't welk ik (in 't Byvoegsel van d' achtiende Voorstelling in dit deel) belooft heb te betogen; uit het welk blijkt dat deze wet, van de beesten niet te slachten, meer op een ydel waangeloof, en wijffelijk meêdogen, dan op de gezonde reden, gegrontvest is. De reden van onz nut te zoeken leert ons wel de nootzakelijkheit van ons met de menschen te vervoegen, maar niet met de beesten, of met die dingen, welker natuur van de menschelijke natuur verscheiden is, en dat wy een zelfde recht over hen, als zy over ons hebben. Ja dewijl yders recht door yders deucht, of vermogen bepaalt word, zo hebben de menschen veel groter recht over de beesten, dan de beesten over de menschen. Ik ontken echter--niet dat de beesten gevoelen: maar ik ontken dat het ons daaröm niet geöorloft zou zijn onze nuttigheit te bevorderen, en hen naar onz believen te gebruiken, en hen te handelen naar dat het meest dienstig voor ons is; dewijl zy van natuur niet met ons overëenkomen, en dewijl hun hartstochten van de menschelijke hartstochten, zo veel hun natuur aangaat, verscheiden zijn, Bezie het Byvoegsel van de zevenenvijftigste Voorstelling in 't darde deel. Nu is noch overig dat ik verklaar wat gerechtig, wat ongerechtig, wat zonde, en eindelijk wat verdienste is. Maar bezie hier af het volgende Byvoegsel.

Tweede Byvoegsel.--Ik heb (in 't Aanhangsel van 't eerste deel) belooft te verklaren, wat lof en laster, verdienste en zonde, rechtvaerdig en onrechtvaerdig is. Wat lof en laster aangaat, ik heb hen (in 't Byvoegsel van de negenëntwintigste Voorstelling in 't darde deel) verklaart. Doch wat d'overigen aangaan, wy zullen, hier nu daar af spreken. Maar eerst staat ons iets van de naturelijke en burgerlijke stant van de mensch te zeggen.--Yder bestaat door 't opperste recht der natuur, en by gevolg yder doet door 't opperste recht der natuur die dingen, de welken uit de nootzakelijkheit van zijn natuur volgen; en dieshalven, yder oordeelt, door 't opperste recht der natuur, wat goet, en wat quaat is, en zorgt voor zijn nuttigheit volgens zijn verstant, (bezie de negentiende en twintigste Voorstelling van dit deel) en verdedigt zich zelf, (bezie de tweede Toegift van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) en poogt het geen, dat hy bemint, te behouden, en het geen, dat hy haat, te vernietigen. Bezie d'achtëntwintigste Voorstelling in 't darde deel. Voorts, indien de menschen naar 't beleit der reden leefden, zo zou yder (volgens d'eerste Toegift van de vijfendartigste, Voorstelling in dit deel) dit zijn recht, zonder eens anders schade, genieten. Maar dewijl zy de hartstochten onderworpen zijn, (volgens de Toegift van de vierde Voorstelling in dit deel) die het menschelijk vermogen, of de menschelijke macht verre overtreffen; volgens de zeste Voorstelling van dit deel: zo worden zy dikwijls verscheidelijk getrokken, (volgens de drieëndartigste Voorstelling van dit deel) en zijn strijdig tegen malkander, (volgens de vierëndartigste Voorstelling in dit deel) terwijl zy malkanders hulp behoeven; volgens het Byvoegsel van de vijfëndartigste Voorstelling in dit deel. Op dat dan de menschen eendrachtiglijk--zouden konnen leven, en aan malkander tot hulp verstrekken, zo is nootzakelijk dat zy van hun naturelijk recht afgaan, en aan malkander verzekeren dat zy niets zullen doen, 't welk tot des anders schade en nadeel kan gedijen. Doch door welke middel dit zou konnen geschieden, namelijk dat de menschen, die nootzakelijk de hartstochten onderworpen, (volgens de Toegift van de vierde Voorstelling in dit deel) en aan zich zelven onstantvastig en verscheiden zijn, malkander zouden konnen zeker maken, en getrou aan elkänder wezen; dit blijkt uit de zevende Voorstelling van dit, en uit de negenëndartigste Voorstelling van 't darde deel; te weten, dat geen hartstocht ingetoomt kan worden, dan met de zelfde door een sterker hartstocht, tegen d'ander strijdig, te dwingen, en dat yder zich, door vrees van groter schade, onthoud van schade aan te doen. Op deze voorwaarde dan zal de gemeenschap bevestigt konnen worden, indien zy zelve het recht, dat yder heeft, van zich te wreken, en van 't goet en quaat t'oordeelen, aan zich trekt, en indien zy in dezer voegen macht heeft om een gemene regel van te leven voor te schrijven, en wetten te maken, en de zelfden niet door de reden, de welken de hartstochten niet kan intomen, (volgens het Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in dit deel) maar door dreigingen te bevestigen. Deze gemeenschap, door wetten en macht, van zich zelve te behoeden, bevestigt, word Staat, en de genen, die door haar recht verdedigt worden, burgers genoemt. Wy konnen hier uit lichtelijk verstaan dat 'er in de naturelijke stant niets is, 't welk volgens aller toestemming goet of quaat is; vermits yder, die in de naturelijke stant staat, alleenlijk voor zijn eige nuttigheit zorgt, en volgens zijn verstant, en alleenlijk voor zo veel hy inzicht op zijn nuttigheit heeft, oordeelt wat goet, of wat quaat is, en door geen wet verbonden is voor iemant anders, als voor zich zelf alleen, te zorgen: in voegen dat in de naturelijke stant geen zonde bevat kan worden; maar wel in de burgerlijke stant, daar met gemene toestemming geöordeelt word wat goet, en wat quaat is, en daar in yder gehouden is de Staat onderdanig te wezen. De zonde dan is niets anders, dan een ongehoorzaamheit, die dieshalven alleenlijk naar 't recht van de Staat gestraft word. In tegendeel, de gehoorzaamheit word met recht in een burgerhoog geächt, om dat hy daar door waerdig geöordeelt word tot de voordeelen van de Staat te genieten. Wijders, in de naturelijke stant is niemant met gemene toestemming Heer van enig ding; en in de natuur is niets, 't welk gezegt mag worden aan deze, en niet aan die--mensch te behoren; maar alles behoort aan alle: en dieshalven, in de naturelijke stant kan geen wil van aan yder het zijne te geven, of van iemant het geen, dat het zijne is, af te nemen bevat worden: dat is, in de naturelijke stant word niets gedaan, 't welk gerechtig, of ongerechtig genoemt kan worden: maar wel in de burgerlijke stant, daar met gemene stemming onderscheiden word wat aan deze, of wat aan die behoort. Uit deze dingen blijkt dan, dat gerechtig en ongerechtig, zonde en verdienste uitterlijke Kundigheden zijn, en geen toeëigeningen, die de natuur van de ziel verklaren. Maar hier af genoech gesproken.

4P38
Het geen, 't welk het menschelijk lighaam in dier voegen schikt, dat het op veel wijzen aangedaan kan worden, of 't welk het zelfde bequaam maakt om d'uitterlijke lighamen op veel wijzen aan te doen, is aan de mensch nut, en zo veel te nutter, als het lighaam daar door bequamer gemaakt word om op veelderhande wijzen aangedaan te worden, en andere lighamen aan te doen. In tegendeel, dit is schadelijk, 't welk het lighaam hier toe minder bequaam maakt.
Betoging.--Hoe het lighaam hier toe bequamer word gemaakt, hoe de ziel ook bequamer tot bevatten gemaakt word; volgens de veertiende Voorstelling in het tweede deel. Dieshalven, 't geen, 't welk het lighaam door deze middel schikt, en hier toe bequaam maakt, is nootzakelijk goet, of nut, (volgens de zes- en zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel) en zo veel te nutter, als 't het lighaam hier toe bequamer kan maken; en in tegendeel (volgens de zelfde veertiende Voorstelling van het tweede deel, omgekeert zijnde, en volgens de zes- en zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) schadelijk, indien 't het lighaam hier toe minder bequaam maakt; 't welk te betogen stond.
4P39
De dingen, die maken dat de reden van beweging en rust, de welken de delen van 't menschelijk lighaam op hun beurt hebben, behouden word, zijn goet, en in tegendeel de genen quaat, de welken maken dat de delen van 't menschelijk lig---haam op hun beurt een andere reden van beweging en rust hebben.
Betoging.--Het menschelijk lighaam behoeft, om bewaart en behouden te worden, zeer veel andere lighamen; volgens de vierde Verëissching van het tweede deel. Maar dit, 't welk de vorm van 't menschelijk lighaam stelt, bestaat hier in, dat des zelfs delen hun bewegingen, naar zekere maat en regel, aan malkander mededelen; volgens de Bepaling voor het vierde Voorbewijs, 't welk achter de dartiende Voorstelling van het tweede deel te zien is. Dieshalven, de zelfde dingen, de welken maken dat de reden van beweging en rust, de welken de delen van 't menschelijk lighaam onderling hebben, behouden en bewaart worden, bewaren en behouden ook de vorm van 't menschelijk lighaam, en maken by gevolg (volgens de darde en zeste Verëisschingen van het tweede deel) dat het menschelijk lighaam op veel wijzen aangedaan kan worden, en dat het zelfde d'uitterlijke lighamen op veel wijzen kan aandoen; en zijn dieshalven goet; volgens de voorgaande Voorstelling. Wijders, de zelfde dingen, de welken maken dat de delen van 't menschelijk lighaam een andere reden van beweging en rust verkrijgen, maken ook (volgens de zelfde Bepaling van het tweede deel) dat het menschelijk lighaam een andere vorm aanneemt; dat is, (gelijk uit zich zelf blijkt, en gelijk wy in 't einde der voorreeden van dit deel vermaant hebben) dat het menschelijk lighaam vernietigt, gesloopt, en by gevolg gantschelijk onbequaam gemaakt word, om op veel wijzen aangedaan te worden: en dieshalven (volgens de voorgaande Voorstelling) zijn zy quaat; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hoe zeer deze dingen schadelijk, of vorderlijk aan de ziel konnen zijn, zal in 't vijfde deel verklaart worden. Maar hier staat aan te merken, dat ik versta dat het lighaam dan sterft, als des zelfs delen in dier voegen geschikt worden, dat zy onderling een andere reden van beweging en rust verkrijgen: want ik dar niet loghenen dat het menschelijk lighaam, met behouding van d'omloop des bloets, en d'andere dingen, om de welken men acht dat het lighaam leeft, echter in een andere natuur, die gantschelijk van de zijne verscheiden is, verändert word: dewijl'er geen reden is, die my dwingt te stellen dat het lighaam niet sterft, 't en zy het in een lijk verändert; te meer vermits d' ervarentheit zelve anders schijnt t' overreden.--Want het gebeurt somtijts dat de mensch zodanige veränderingen lijd, dat ik niet gaerne zou zeggen, dat hy de zelfde was: gelijk ik van zeker Spaansch Dichter heb horen verhalen, die van een ziekte aangetast had geweest; en hoewel hy weêr gezont wierd, zo bleef hy echter zo onkundig van zijn voorgaande leven, dat hy niet geloofde dat de fabelen en treurspeelen, die hy gemaakt had, de zijnen waren, en warelijk voor een volwasse kint gehouden had mogen worden, zo hy ook zijn moederlijke taal vergeten had gehad. En indien dit ongelooffelijk schijnt, wat zullen wy van de kinderen zeggen? welker natuur een mensch, tot hoge jaren gekomen, gelooft zo verre van de zijne verscheiden te wezen, dat men hem niet zou konnen overreden dat hy ooit een kint had geweest, zo hy niet, naar 't voorbeelt van d'anderen, gissing van zich zelf maakte. Maar op dat ik aan de waangelovigen geen stoffe, van nieuwe geschillen op te brengen, zou geven, zo wil ik dit liever daar laten.

4P40
De dingen, de welken tot de gemeenschap der menschen dienstig zijn, of de welken maken dat de menschen eendrachtiglijk leven, zijn nut: in tegendeel, de dingen, die tweedracht in een Staat invoeren, zijn quaat.
Betoging.--Want de dingen, de welken maken dat de menschen in eendracht leven, maken ook dat zy naar 't beleit der reden leven; (volgens de vijfëndartigste Voorstelling in dit deel) en zijn dieshalven goet; (volgens de zes- en zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel) en (volgens de zelfde reden) de genen, die tweedracht en onëenigheit verwekken, zijn daarëntegen quaat.
4P41
De blijschap is regelrecht niet quaat, maar goet: maar de droefheit in tegendeel is regelrecht quaat.
Betoging.--De blijschap (volgens d'elfde Voorstelling van het darde deel, en der zelfder Byvoegsel) is een hartstocht, door 't welk des lighaams vermogen van te werken vergroot, of geholpen word: maar de droefheit in tegendeel is een hartstocht, door de welk des lighaams vermogen van te werken vermindert, of ingetoomt word.--Dieshalven (volgens d' achtëndartigste Voorstelling van dit deel) de blijschap is regelrecht goet, enz. gelijk te betogen stond.
4P42
De Vrolijkheit kan geen overmaat hebben, maar is altijt goet, en, in tegendeel, de Naargeestigheit altijt quaat.
Betoging.--De vrolijkheit (bezie der zelfder Bepaling in het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in het darde deel) is een blijschap, die, voor zo veel zy tot het lighaam toegepast word, hier in bestaat, dat alle de delen van 't lighaam gelijkelijk aangedaan zijn; dat is, (volgens d' elfde Voorstelling in 't darde deel) dat des lighaams vermogen van te werken, in dier voegen vermeerdert, of geholpen word, dat alle des zelfs delen onderling een zelfde reden van beweging en rust verkrijgen: en dieshalven (volgens de negenëndartigste Voorstelling in dit deel) is de vrolijkheit altijt goet, en kan geen overmaat hebben. Maar de naargeestigheit (bezie der zelfder Bepaling ook in het zelfde Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in 't darde deel) is een droefheit, die, voor zo veel zy tot het lighaam toegepast word, hier in bestaat, dat zy des lighaams vermogen van te werken gantschelijk vermindert, of intoomt, en dieshalven (volgens d' achtendartigste Voorstelling van dit deel) altijt quaat; 't welk te betogen stond.
4P43
De Kitteling kan overmaat hebben, en quaat wezen. Maar de Treurigheit kan voor zo veel goet zijn, als de kitteling, of blijschap quaat is.
Betoging.--De kitteling is een blijschap, die, voor zo veel zy tot het lighaam toegepast word, hier in bestaat, dat een, of enigen van des zelfs delen, meer dan d' anderen, aangedaan worden; bezie der zelfder Bepaling in 't Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in 't darde deel: en het vermogen van deze hartstocht kan zo groot wezen, dat het d' andere werken des lighaams overtreft, (volgens de zeste voorstelling in dit deel) en hardnekkiglijk daar aan kleeft, en dieshalven maakt dat het lighaam niet bequaam is om op veel andere wijzen aangedaan te worden, en dus verre (volgens d' achtëndartigste Voorstelling in dit deel) quaat kan wezen. In tegendeel, de Treurigheit,--die de droefheit is, in zich alleenlijk aangemerkt, kan niet goet zijn; volgens d'eenënveertigste Voorstelling van dit deel. Maar dewijl der zelfder kracht en aanwas door 't vermogen van een uitwendige oorzaak, met d' onze vergeleken, bepaalt word; volgens de vijfde Voorstelling van dit deel: zo konnen wy onëindige trappen en wijzen der krachten van deze hartstocht begrijpen, (volgens de darde Voorstelling in dit deel) en ook zodanig een bevatten, die de Kitteling zou konnen intomen, en die geen overmaat heeft, en dus verre (volgens 't eerste deel van deze Voorstelling) te weeg brengen, dat het lighaam niet minder bequaam word; en dieshalven zal zy dus verre goet wezen; 't welk te betogen stond.
4P44
De Liefde en Begeerte konnen overmaat hebben.
Betoging.--De Liefde (volgens de zeste Bepaling der Hartstochten) is een blijschap, door het denkbeelt van een uitwendige oorzaak verzelt. De kitteling dan, (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in 't darde deel) van het denkbeelt van een uitterlijke oorzaak verzelt, is liefde; en dieshalven kan de liefde (volgens de voorgaande Voorstelling) overmaat hebben. Wijders, de begeerte is zo veel te groter, als de hartstocht, daar zy uit rijst, groter is; volgens de zevenëndartigste Voorstelling van 't darde deel. Dieshalven, gelijk de hartstocht (volgens de zeste Voorstelling van dit deel) d' andere nwerkingen van de mensch kan overtreffen, zo kan ook de begeerte, die uit de zelfde hartstocht spruit, d' andere begeerten overtreffen, en dieshalven de zelfde overmaat hebben, die, gelijk wy in de voorgaande Voorstelling hebben getoont, de kitteling heeft; gelijk voorgestelt wierd.

Byvoegsel.--De vrolijkheit, die ik goet genoemt heb, kan lichtelijker bevat, dan waargenomen worden. Want de hartstochten, de welken ons dagelijks bestrijden, worden gemenelijk tot enig deel van 't lighaam toegepast, dat meer dan d' anderen aangedaan word. En dieshalven hebben de hartstochten ten meestendeel overmaat, en houden de ziel in dier voegen in een enige beschouwing van een enig voorwerp, dat zy op geen anderen kan denken: en hoewel de menschen veel hartstochten onderworpen zijn, en dat 'er dieshalven--weinig gevonden worden, die altijt van een en de zelfde hartstocht worden bestreden, zo zijn 'er echter geen gebreck van zodanigen, den welken een en de zelfde hartstocht hardnekkiglijk aankleeft. Want wy zien dat de menschen somtijts van een voorwerp in dier voegen aangedaan worden, dat zy, schoon het niet tegenwoordig is, echter geloven dat zy 't voor hen hebben; en als dit een mensch, die niet slaapt, overkoomt, zo zeggen wy dat de zelfde sporeloos, en buiten westen is. Men gelooft ook dat de genen niet minder sporeloos zijn, die van liefde branden, en die gehele dagen en nachten nergens anders, dan op hun vrijster, of boelin denken, om dat zy zich in 't gemeen belachelijk maken. Doch als een gierigaart nergens anders, dan op winst, en op zijn gelt denkt, en een eerzuchtige op roem, enz. zo gelooft men niet dat de zodanigen buiten 't spoor hollen, om dat zy gemenelijk lastig zijn, en hatenswaerdig geächt worden. Maar warelijk, de gierigheit, eerzucht, onkuisheit, enz. zijn soorten, of gedaanten van sporeloosheit, hoewel zy niet onder de ziekten getelt worden.

4P45
De Haat kan nooit goet wezen.
Betoging.--Wy pogen de mensch, die wy haten, te dempen; volgens de negenendartigste Voorstelling in 't darde deel) dat is, (volgens de zevendartigste Voorstelling van dit deel) wy pogen naar iets, dat quaat is.

Byvoegsel.--Men heeft aan te merken dat ik hier, en in 't volgende, by haat alleenlijk de gene versta, die tegen de menschen is.

Eerste Toegift.--De nijt, bespotting, versmading, gramschap, wraak, en d' andere hartstochten, die tot de haat toegepast worden, of daar uit spruiten, zijn quaat; 't welk ook uit de negenëndartigste Voorstelling van 't darde deel, en uit de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel blijkt.

Tweede Toegift.--Al 't geen, 't welk wy hier uit, dat wy met haat aangedaan zijn, betrachten, is schandelijk, en in een Staat ongerechtig; 't welk ook uit de negenëndartigste Voorstelling van 't darde deel, en uit de Bepalingen van het schandelijke en ongerechtige blijkt, die men--in 't Byvoegsel van de zevenëndartigste Voorstelling in dit deel nazien kan.

Byvoegsel.--Ik maak groot onderscheit tusschen bespotting, die ik (in d'eerste Toegift) quaat heb genoemt, en gelach. Want het gelach, gelijk ook het jok, of de boertery is een zuivere blijschap, en, indien het geen overmaat heeft, voor zo verre goet door zich; volgens d'eenënveertigste Voorstelling in dit deel. En zeker, daar is niets, dan het stuursch en droevig waangeloof, 't welk verbied vermaak te scheppen: want waaröm past het beter de honger en dorst te blusschen, dan de naargeestigheit te verdrijven? Dit is mijn reden, en regel; en dus heb ik mijn gemoed aangestelt. Geen godheit, noch iemant anders, dan de nijdige, schept vermaak in mijn onvermogen, en ongemak, noch acht de tranen, zuchten, vrees, en andere diergelijke dingen, die tekenen van een gemoed zijn, 't welk geen heer van zich zelf is, voor deucht in ons. Maar in tegendeel, hoe wy met groter blijschap aangedaan worden, hoe wy tot groter volmaaktheit overgaan; dat is, hoe wy nootzakelijk meer van de goddelijke natuur deelächtig moeten wezen. Dieshalven, 't ampt van een wijs man is, de dingen te gebruiken, en zich zo veel, als 't mogelijk is, daar meê te vermaken: doch niet tot walgens toe; want dit is geen vermaak scheppen. 't Ampt van een wijs man, zeg ik, is zich met matige en aangename spijs en drank te verheugen; gelijk ook met reuken, aangename groente, verçiering, zang en speelkunst, oeffenspeelen, schouspeelen, en met andere diergelijke dingen, die van yder, zonder eens anders schade, gebruikt konnen worden: want het menschelijk lighaam bestaat uit zeer veel delen van verscheide natuur, die geduriglijk nieu en verscheide voedsel behoeven; op dat het geheel lighaam tot alles, dat uit zijn natuur kan volgen, even bequaam zou wezen, en by gevolg op dat ook de ziel even bequaam zou zijn om veel dingen te gelijk te verstaan. Deze gewoonte van leven dan koomt best met onze beginselen, en met de gemene oeffening overëen. Dieshalven, deze wijze van leven is de beste, die'er gevonden word, en moet op alle wijzen aangeprezen worden: en 't is niet nootzakelijk hier af klarelijker en bredelijker te handelen.

4P46
De geen, die naar 't beleit van de reden leeft, poogt, zo veel als hem mogelijk is, eens anders haat, gramschap,--versmading, enz. tot hem, met liefde, of edelmoedigheit daarentegen te vergelden.
Betoging.--Alle haat is een quade hartstocht; volgens d'eerste Toegift van de voorgaande Voorstelling. Dieshalven, de geen, die naar 't beleit der reden leeft, zal, zo veel als hem mogelijk is, pogen te weeg te brengen dat hy niet van de hartstochten van haat bestreden word; volgens de negentiende Voorstelling van dit deel: en by gevolg (volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) zal pogen dat een ander ook niet de zelfde hartstochten lijd. Maar de haat word door onderlinge haat vergroot, en kan, in tegendeel, door liefde uitgebluscht worden; volgens de drieënveertigste Voorstelling van 't darde deel: in voegen dat de haat tot liefde overgaat; volgens de vierënveertigste Voorstelling van 't darde deel: dieshalven, de geen, die naar 't beleit der reden leeft, zal pogen eens anders haat, enz. daarentegen door liefde te vergelden, dat is door edelmoedigheit; (bezie de Bepaling hier af in 't Byvoegsel van de negenënvijftigste Voorstelling in 't darde deel) 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--De geen, die 't ongelijk met onderlinge haat wil wreken, leeft warelijk in elende. Maar in tegendeel, de geen, die poogt de haat door liefde te verwinnen, strijd met vrolijkheit en veiligheit, wederstaat zo lichtelijk een enig mensch, als veel, en heeft d'onderstant van 't geval zeer weinig van noden; en de genen, die hy verwint, wijken blijdelijk, niet uit gebrek, maar door vermeerdering van krachten. Alle welke dingen zo klarelijk uit de Bepalingen van liefde en verstant alleen volgen, dat het niet nodig is de zelfden bezonderlijk te betogen.

4P47
De hartstochten van hoop en vrees konnen uit zich zelven niet goet wezen.
Betoging.--De hartstochten van hoop en vrees zijn niet zonder droefheit: want de vrees (volgens de dartiende Bepaling der hartstochten) is een droefheit; en de hoop (bezie de verklaring van de twaalfde en dartiende der Bepalingen van de hartstochten) is niet zonder vrees: en dieshalven, (volgens d'eenënveertigste Voorstelling in dit deel) deze hartstochten konnen uit zich zelven niet goet zijn; maar alleen---lijk voor zo veel zy d'overmaat van blijschap konnen intomen; (volgens de drieënveertigste Voorstelling in dit deel) 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hier koomt noch by, dat deze hartstochten gebrek van kennis, en onvermogen van de ziel aanwijzen: en om deze oorzaak zijn de gerustheit, wanhoop, vreucht, en knaging van 't geweten tekenen van een onvermogend en zwak gemoed. Want hoewel de gerustheit en vreucht hartstochten van blijschap zijn, zo onderstellen zy echter dat'er droefheit voorgegaan is, te weten hoop en vrees. Hoe wy dan meer pogen naar 't beleit der reden te leven, hoe wy meer pogen weinig van hoop af te hangen, ons zelven van vrees t'ontslaan, en zo veel, als wy konnen, over 't geval te heerschen, en onze werking naar zekere berading der reden te stieren.

4P48
De hartstochten van Achting en Verächting zijn altijt quaat.
Betoging.--Want deze hartstochten (volgens d' een- en tweeëntwintigste Bepalingen der hartstochten) strijden tegen de reden, en zijn (volgens de zes- en zevenëntwintigste Voorstellingen in dit deel) dieshalven quaat; 't welk te betogen stond.
4P49
D' Achting maakt de mensch, die geächt word, lichtelijk verwaant.
Betoging.--Indien iemant ziet dat een ander door liefde hoger, dan billijk is, van hem gevoelt, zo zal hy zich lichtelijk verhovaerdigen, (volgens het Byvoegsel van d'eenënveertigste Voorstelling in 't darde deel) of met blijschap aangedaan worden, (volgens de negenëntwintigste Bepaling der hartstochten) en dit goede, dat hy van zich hoort verkondigen, lichtelijk geloven, (volgens de vijfëntwintigste Voorstelling van 't darde deel) en dus, van wegen eige liefde, hoger, dan billijk is, van zich gevoelen: dat is, (volgens de zevenëntwintigste Bepaling der hartstochten) lichtelijk verwaant en hovaerdig worden; 't welk te betogen stond.
4P50
Het Medelijden in een mensch, die naar 't beleit der reden leeft, is uit zich zelve quaat, en onnut.
Betoging.--Want het medelijden (volgens d' achtiende Bepaling der hartstochten) is een droefheit, en dieshalven (volgens d' eenënveertigste Voorstelling van dit deel) uit zich zelve quaat. Wat het goet aangaat, 't welk daar uit volgt, namelijk dat wy de mensch, met de welk wy medelijden hebben, van d'elende pogen te verlossen, (volgens de darde Toegift van de zevenëntwintigste Voorstelling in 't darde deel) wy begeren het zelfde alleenlijk uit de voorspelling der reden te doen, (volgens de zevenëndartigste Voorstelling in dit deel) en konnen niet iets doen, 't welk wy zekerlijk weten goet te wezen, dan volgens d'enige voorspelling van de reden; volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel: en dieshalven, het medelijden in een mensch, die naar 't beleit der reden leeft, is uit zich zelve quaat, en onnut; 't welk te betogen was.

Toegift.--Hier uit volgt, dat de mensch, die naar de voorspelling der reden leeft, poogt, zo veel als hem mogelijk is, te weech te brengen, dat hy niet van medelijden geraakt zal worden.

Byvoegsel.--De geen, die wel en recht weet, dat alle dingen uit nootzakelijkheit van de goddelijke natuur volgen, en volgens eeuwige wetten en regelen der natuur geschieden, zal warelijk niets vinden, dat haat, gelach, of versmading waerdig is, noch met iemant medelijden hebben; maar, zo veel de menschelijke deucht meêbrengt, pogen wel te doen, (gelijk men zegt) en vrolijk te wezen. Hier koomt noch by, dat de geen, die lichtelijk van de hartstocht van medelijden geraakt, en door eens anders elende, of tranen bewogen word, dikwijls iets doet, daar af hy namaals berou heeft: zo om dat wy niets uit hartstocht doen, 't welk wy zekerlijk weten goet te wezen, als om dat wy door valsche tranen lichtelijk bedrogen worden. Ik spreek hier uitdrukkelijk van die mensch, de welk naar 't beleit van de reden leeft: want de geen, die noch door reden, noch door medelijden bewogen word om aan anderen behulpsaam te zijn, word met recht onmenschelijk, of ontmenscht genoemt; dewijl hy (vol---gens de zevenëntwintigste Voorstelling in het darde deel) den mensch ongelijk schijnt te wezen, of alle menschelijkheit uitgetrokken te hebben.

4P51
De Gunst strijd niet tegen de reden, maar kan met de zelfde overëenkomen, en daar uit spruiten.
Betoging.--Want de gunst is een liefde tot de geen, die aan een ander welgedaan heeft, (volgens de negentiende Bepaling der Hartstochten) en kan dieshalven tot de ziel toegepast worden, voor zo veel zy gezegt word te werken; (volgens de negenënvijftigste Voorstelling in het darde deel) dat is, (volgens de darde Voorstelling van 't darde deel) voor zo veel zy verstaat; en koomt dieshalven met de reden overëen, enz. gelijk te betogen stond.

Anders.--De geen, die naar 't beleit van de reden leeft, begeert het goet, 't welk hy voor zich zelf betracht, ook voor een ander; volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel: dieshalven, om dat hy ziet dat iemant aan een ander weldoet, zo word daar door zelfs zijn poging van wel te doen geholpen, dat is, (volgens d' elfde Voorstelling van 't darde deel) verblijd, en dit (volgens d' onderstelling) met verzelling van 't denkbeelt des geens, die aan een ander weldoet, en dieshalven (volgens de negentiende Bepaling der hartstochten) hem begunstigt.

Byvoegsel.--D'Euvelneeming, gelijk zy van ons bepaalt word, (bezie de twintigste Bepaling der hartstochten) is nootzakelijk quaat; volgens de vijfënveertigste Voorstelling van dit deel. Maar hier staat aan te merken dat, als d' opperste macht, uit begeerte van de rust en vrede te verdedigen, een burger straft, die een ander ongelijk aangedaan heeft, ik niet zeg dat de zelfde met euvel tegen deze burger ingenomen is, om dat deze macht niet door haat, om deze burger te verdelgen, aangeprikkelt is, maar door godvruchtigheit, tot hem te straffen, word bewogen.

4P52
Gerustheit in zich zelf kan uit reden spruiten; en deze gerustheit alleen, die uit reden spruit, is d' opperste, die 'er kan wezen.
Betoging.--Gerustheit in zich zelf is een blijschap, die hier uit spruit, dat de mensch zich zelf, en zijn vermogen van te werken aanschout; volgens de vijfëntwintigste Bepaling der hartstochten. Maar des menschen waar vermogen van te werken, of zijn deucht is de reden zelve, (volgens de darde Voorstelling van 't darde deel) die van de mensch klarelijk en onderscheidelijk aangeschout word; volgens de veertigste en drieënveertigste Voorstelling van het tweede deel: dieshalven, de gerustheit in zich zelf spruit uit de reden. Wijders, de mensch, terwijl hy zich zelf beschout, bevat niets klarelijk en onderscheidelijk, of evenmatiglijk, dan die dingen, de welken uit zijn vermogen van te werken volgen; (volgens de tweede Bepaling van 't darde deel) dat is, (volgens de darde Voorstelling van 't darde deel) die uit zijn vermogen van te verstaan volgen: en dieshalven, uit deze enige beschouwing spruit d'opperste gerustheit, die 'er wezen kan; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Warelijk, de gerustheit in zich zelf is het opperste, dat wy verhopen konnen. Want, (gelijk wy in de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel getoont hebben) niemant poogt zijn wezen om enig einde te behouden. En dewijl deze gerustheit door lof meer en meer gevoed en versterkt word, (volgens de Toegift van de drieënvijftigste Voorstelling in 't darde deel en in tegendeel (volgens de Toegift van de vijfënvijftigste Voorstelling van het darde deel) door laster meer en meer ontroert word, zo worden wy meest door roem geleid, en konnen naauwelijks een leven, dat met schand vermengt is, verdragen.

4P53
De Nederigheit is geen deucht, en spruit niet uit reden.
Betoging.--De Nederigheit is een droefheit, die hier uit volgt, dat de mensch zijn onvermogen aanschout; volgens de zesentwintigste Bepaling der hartstochten. Maar voor zo veel de mensch zich zelf--door ware reden kent, voor zo veel word hy onderstelt zijn wezentheit, dat is, (volgens de zevende Voorstelling van 't darde deel) zijn vermogen, te verstaan. Dieshalven, indien de mensch, terwijl hy zich zelf aanschout, zijn onvermogen bevat, dit spruit niet hier uit, dat hy zich zelf verstaat; maar (gelijk wy in de vijfënvijftigste Voorstelling van 't darde deel getoont hebben) hier uit, dat zijn vermogen van te werken ingetoomt word. Doch indien wy onderstellen, dat de mensch zijn onvermogen hier uit bevat, dat hy verstaat dat 'er iets machtiger is, dan hy, door welks kennis hy zijn vermogen van te werken bepaalt, zo bevatten wy niets anders, dan dat de mensch zich zelf onderscheidelijk verstaat, of (volgens de zesentwintigste Voorstelling van dit deel) dat zijn vermogen van te werken geholpen word. Dieshalven, de nederigheit, of droefheit, die hier uit spruit, dat de mensch zijn onvermogen aanschout, rijst niet uit ware beschouwing, of uit de reden; en is ook geen deucht, maar een lijding; 't welk te betogen stond.
4P54
Berou is geen deucht; en spruit niet uit reden: maar de geen, die berou van zijn bedrijf heeft, is dubbelt elendig, of onvermogende.
Betoging.--Het eerste deel hier af word gelijk de voorgaande Voorstelling betoogt; en het tweede blijkt alleenlijk uit de Bepaling van deze hartstocht; bezie de zevenëntwintigste Bepaling der hartstochten. Want voorëerst lijd hy dat hy door een bedorve begeerte, en daar na door droefheit verwonnen word.

Byvoegsel.--Dewijl de menschen zelden naar 't Voorschrift der reden leven, zo brengen deze twee hartstochten, namentlijk nederigheit en berou, en, behalven dezen, de hoop en vrees, meer nuttigheit, dan schade aan; en dieshalven heeft men, als men doch zondigen moet, liever over deze zijde te zondigen. Want indien de menschen, onmachtig om hun gemoed te bedwingen, alle even verwaant waren, zich niets schaamden, en niets vreesden; met welke banden zouden zy dan te zamen gevoegt, en bedwongen konnen worden? De menigte is verschrikkelijk; zo zy niet vreest. 't Is dieshalven geen wonder dat de Profeten, die niet voor de welstant van weinigen, maar voor 't gemeen nut gezorgt hebben, de nederigheit, het berou,--en d' eerbiedigheit zo hoog aanbevolen hebben. En zeker, de genen, die deze hartstochten onderworpen zijn, konnen veel lichtelijker, dan anderen, bewogen worden om eindelijk naar 't beleit der reden te leven, dat is, om vry te zijn, en 't leven der zaligen te genieten.

4P55
De grootste Verwaantheit, of Nederslachtigheit is de grootste onkunde van zich.
Betoging.--De Betoging blijkt uit d' acht- en negenëntwintigste Bepaling der hartstochten.
4P56
De grootste Verwaantheit, of aNederslachtigheit, wijst de grootste onmacht des gemoeds aan.
Betoging.--D' eerste grontvest van de deucht is, zijn wezen te behouden; (volgens de Toegift van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel) en dit naar 't beleit der reden; volgens de vierëntwintigste Voorstelling van dit deel. De geen dan, die van zich zelf onkundig is, is onkundig van de grontvest aller deuchden, en by gevolg van alle deuchden zelven. Wijders, uit deucht te werken is niets anders, dan naar 't beleit der reden te werken; volgens de vierëntwintigste Voorstelling van dit deel: en de geen, die naar 't beleit der reden werkt, moet nootzakelijk weten dat hy naar 't beleit der reden werkt; volgens de drieënveertigste Voorstelling van het tweede deel. De geen dan, die van zich zelf, en by gevolg (gelijk wy alreê getoont hebben) van alle deuchden meest onkundig is, werkt geensins uit deucht; dat is, gelijk uit d' achtste Bepaling van dit deel blijkt) is meest onmachtig van gemoed: en dieshalven, (volgens de voorgaande Voorstelling) de grootste verwaantheit, of nederslachtigheit wijst de grootste onmacht van 't gemoed aan; 't welk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt zeer klaarblijkelijk, dat de verwaanden en nederslachtigen de hartstochten meest onderworpen zijn.

Byvoegsel.--De nederslachtigheit kan echter lichtelijker verbetert, en te--recht gebracht worden, dan de verwaantheit; dewijl deze leste een hartstocht van blijschap, en d' ander van droefheit, en dieshalven (volgens d' achtiende Voorstelling van dit deel) deze leste sterker dan d' eerste is.

4P57
De verwaande bemint de tegenwoordigheit der vleiders en pluimstrijkers, en haat d'edelmoedigen.
Betoging.--De verwaantheit is een blijschap, hier uit gesproten, dat de mensch hoger, dan billijk is, van zich gevoelt; volgens d'achtentwintigste en zeste Bepaling der hartstochten: en een verwaant mensch zal pogen, zo veel als hem mogelijk is, deze waan te voeden; bezie het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel. De verwaanden dan zullen de tegenwoordigheit der vleiders en pluimstrijkers (welker Bepaling ik nagelaten heb, om dat zy al te wel bekent zijn) beminnen, en die van d'edelmoedigen, de welken van zich zelven gevoelen naar dat het billijk is, vlieden.

Byvoegsel.--Alle de quaden van de verwaantheit hier op te tellen zou al te langwijlig wezen: dewijl de verwaanden alle de hartstochten onderworpen zijn; doch geen minder, dan de hartstochten van liefde en barmhartigheit. Maar hier staat geensins te verzwijgen, dat deze ook verwaant word genoemt, die van anderen laeger, dan billijk is, gevoelt. En dieshalven moet de verwaantheit dus bepaalt worden, dat zy een blijschap is, uit een valsche waan gesproten van dat de mensch zich hoger, dan anderen, acht. De nederslachtigheit, rechtstrijdig tegen deze verwaantheit, zou dus bepaalt konnen worden, dat zy een droefheit is, uit een valsche waan gesproten, van dat de mensch zich laeger, dan anderen, acht. Uit deze stelling konnen wy lichtelijk bevatten, dat de verwaande nootzakelijk nijdig moet wezen, (bezie het Byvoegsel van de vijfënvijftigste Voorstelling in 't darde deel) en voornamentlijk de genen haten, die, om hun deuchden, hoogst geprezen zijn, en dat hun haat niet lichtelijk door liefde, of weldaat verwonnen kan worden, (bezie het Byvoegsel van d'eenënveertigste Voorstelling in 't darde deel) en dat zy alleenlijk door de tegenwoordigheit der gener, die hen in hun onmachtig gemoed volgen, vermaak scheppen, en hen van zotten tot ontzinnigen maken.--Wat de nederslachtigheit aangaat, hoewel zy rechtstrijdig tegen de verwaantheit is, zo is echter de nederslachtige naast aan de verwaande. Want dewijl zijn droefheit hier uit spruit, dat hy zijn onmacht naar eens anders vermogen, of deucht oordeelt, zo zal zijn droefheit verlicht worden; dat is, hy zal zich verblijden, zo zijn inbeelding zich bezich houd in de gebreken van anderen t'aanschouwen. En hier uit spruit dit spreekwoort: Medegezellen in 't quaat te hebben is een vertroosting voor d'elendigen. In tegendeel, hy zal zich zo veel te meer bedroeven, als hy zich minder dan d'anderen acht. Hier uit spruit het, dat'er geen meerder tot nijt zijn genegen, dan de nederslachtigen, en dat de zodanigen meest pogen de werken der menschen waar te nemen, meer om hen te berispen, dan om hen te verbeteren, en eindelijk, dat zy de nederslachtigheit alleen prijzen, en daar op roemen; maar in dier voegen, dat zy echter nederslachtig schijnen. Deze dingen volgen uit deze hartstocht zo nootzakelijk, als uit de natuur van de driehoek, dat zijn driehoeken even groot zijn als twee rechten. Ik heb alreê gezegt, dat ik deze en diergelijke hartstochten quaat noem, voor zo veel ik op de menschelijke nuttigheit alleen merk: maar dat de wetten der natuur hun opzicht op de gemene ordening der natuur hebben, van de welke de mensch een deel is: 't welk ik hier, als in 't voorbygaan, heb willen vermanen, op dat niemant zou achten, dat ik hier de gebreken der menschen, en hun ongerijmde werken heb willen verhalen, en niet de natuur en eigenschappen der dingen betogen. Want, gelijk ik in de Voorreeden van 't darde deel gezegt heb, ik aanmerk de menschelijke hartstochten, en hun eigenschappen even als d'andere naturelijke dingen. En zeker, de menschelijke hartstochten wijzen, is 't niet het menschelijk vermogen, ten minsten dat van de natuur, en de kunst, niet minder aan, dan veel andere dingen, over de welken wy verwondert zijn, en door welker beschouwing wy verheugt worden. Maar ik ga voort met die dingen van de hartstochten aan te merken, de welken den menschen nuttigheit toebrengen, of hen schade aandoen.

4P58
De roem strijd niet tegen de reden, maar kan daar uit voortkomen.
Betoging.--De Betoging blijkt uit de dartigste Bepaling der hartstoch---ten, en uit de Bepaling van 't eerlijke, de welke men in 't eerste Byvoegsel van de zevenëndartigste Voorstelling in dit deel kan zien.

Byvoegsel.--De roem, die ydel gezegt word, is een gerustheit in zich zelf, die alleenlijk door de waan van 't gemeen volk gevoed word; en als deze waan ophoud, zo houd ook de gerustheit zelve op; dat is (volgens het Byvoegsel van de tweeënvijftigste Voorstelling in dit deel) het opperste goet, 't welk van yder bemint word. Hier uit spruit het dat de geen, die zich op de waan van 't gemeen verheft, door de dagelijkse bekommering aangetast, het gerucht poogt en tracht te behouden: want het gemeen volk is veränderlijk en onbestandig; en dieshalven verdwijnt het gerucht wel haast, zo het niet waargenomen word. Ja dewijl alle menschen naar de toejuighing van 't gemeen trachten, zo verdrukt yder gaerne d'achting van een ander; daar uit (dewijl men om dat goet strijd, 't welk het opperste geächt word) een grote begeerte van malkander op alle wijzen te verdrukken spruit; en de geen, die eindelijk verwinner word, roemt meer hier op, dat hy aan een ander schadelijk, dan dat hy aan zich zelf vorderlijk geweest heeft. Deze roem dan, of gerustheit is warelijk ydel, om dat hy niets is.--De dingen, die van de Schaamte aan te merken zijn, worden lichtelijk uit het geen verstaan, 't welk wy van de barmhartigheit, en van 't berou gezegt hebben. Ik zal 'er alleenlijk dit byvoegen, dat de schaamte, hoewel zy geen deucht is, echter zo wel, als het medelijden, goet is, voor zo veel zy aanwijst dat in de mensch, die van schaamte overstort word, een begeerte van eerlijk te leven is; gelijk de pijn, die voor zo veel goet gezegt word, als zy aanwijst dat het gequetste deel noch niet bedorven en verrot is. Dieshalven, hoewel de mensch, de welk berou over enig bedrijf heeft, warelijk droevig is, zo is hy echter beter en volmaakter dan d'onbeschaamde, die geen begeerte van eerlijk te leven heeft. Dit is 't geen, 't welk ik aangenomen had van de hartstochten van blijschap en droefheit aan te tekenen. Maar wat de begeerten aangaat, dezen zijn warelijk goet of quaat, voor zo veel zy uit goede, of quade hartstochten spruiten. Doch zy alle, voor zo veel zy uit de hartstochten, die lijdingen zijn, in ons voortgebracht worden, zijn warelijk blint, (gelijk men lichtelijk uit het geen kan verstaan, 't welk wy, in 't Byvoegsel van de vierënveertigste Voorstelling in dit deel gezegt hebben) en zouden zonder gebruik zijn,--zo de menschen lichtelijk bewogen konden worden om naar d'enige voorspelling van de deucht te leven, gelijk ik nu met weinig woorden zal tonen.

4P59
Wy konnen tot alle de doeningen, tot de welken wy door enig hartstocht, die een lijding is, worden bepaalt, zonder deze hartstocht, door de reden bepaalt worden.
Betoging.--Uit de reden te werken is niets anders, (volgens de darde Voorstelling, en de tweede Bepaling van 't darde deel) dan die dingen te doen, de welken uit de nootzakelijkheit van onze natuur, in zich alleen aangemerkt, volgen: Maar de droefheit is voor zo veel quaat, als zy dit vermogen van te werken vermindert, of intoomt; (volgens d' eenënveertigste Voorstelling van dit deel: dieshalven, wy konnen door deze hartstocht tot geen werking bepaalt worden, die wy niet zouden doen, zo wy door reden geleid wierden. Wijders, de blijschap is alleenlijk voor zo veel quaat, als zy maakt dat de mensch minder tot werken bequaam is; volgens d'een- en drieënveertigste Voorstellingen in dit deel: en dieshalven konnen wy dus verre ook tot geen doening bepaalt worden, die wy niet zouden konnen doen, zo wy door reden geleid wierden. Eindelijk, voor zo veel de blijschap goet is, voor zo veel koomt zy met de reden overëen: want zy bestaat hier in, dat zy des menschen vermogen van te werken vermeerdert, of bevordert. Zy is ook geen lijding, dan voor zo veel zy des menschen vermogen van te werken niet zo verre vermeerdert, dat hy zich zelf, en zijn doeningen evenmatiglijk bevat; volgens de darde Voorstelling van 't darde deel, met der zelfder Byvoegsel. Dieshalven, indien de mensch, van blijschap aangedaan, tot zulk een grote volmaaktheit geleid wierd, dat hy zich zelf, en zijn doeningen evenmatiglijk begreep, zo zou hy tot de zelfde doeningen, tot de welken hy nu door de hartstochten, die lijdingen zijn, bepaalt word, bequaam, ja bequamer wezen. Maar alle hartstochten worden tot blijschap, droefheit, of begeerte toegepast: (bezie de Verklaring van de vierde Bepaling der hartstochten) en de begeerte (volgens d'eerste Bepaling der hartstochten) is niets anders, dan de poging zelve van te werken: dieshalven, wy konnen tot alle doeningen, tot de welken wy door enige hartstocht, die een lijding is, worden bepaalt, zonder deze hartstocht, door de reden alleen, bepaalt worden; 't welk te betogen stond.

Anders.--Alle werking word voor zo veel quaat gezegt, als daar uit spruit, dat wy met haat, of met enige quade hartstocht aangedaan zijn; bezie d'eerste Toegift van de vijfënveertigste Voorstelling in dit deel: Geen werking, in zich zelve aangemerkt, is goet, of quaat; gelijk wy in de voorreeden van dit deel getoont hebben) maar een, en de zelfde werking is nu goet, dan quaat: dieshalven, wy konnen tot de zelfde werking, die nu quaat is, of die uit enige quade hartstocht spruit, door de reden geleid worden; volgens de negentiende Voorstelling van dit deel: 't welk het voorgestelde was.

Byvoegsel.--Deze dingen worden klarelijker door een voorbeelt verklaart. De doening van te slaan, voor zo veel zy naturelijk aangemerkt word, en voor zo veel wy alleenlijk hier op merken, dat de mensch zijn arm opheft, de hant sluit, en de gehele arm met kracht nederwaarts drijft, is een deucht, die uit het gebou van 't menschelijk lighaam bevat word. Indien dan de mensch, door gramschap, of haat bewogen, bepaalt word tot de hant te sluiten, of d' arm te bewegen, zo geschied dit (gelijk wy in het tweede deel getoont hebben) om dat een en de zelfde doening by alle beelden der dingen gevoegt kan worden; en dieshalven konnen wy, zo wel door die beelden der dingen, de welken wy verwardelijk, als uit de genen, die wy klarelijk en onderscheidelijk bevatten, tot een en de zelfde doening bepaalt worden. Het blijkt dan dat alle begeerte, die uit een hartstocht spruit, de welk een lijding is, van geen gebruik zou zijn, zo de menschen door reden geleid konden worden. Laat ons nu bezien waaröm de begeerte, die uit een hartstocht spruit, de welk een lijding is, van ons blint genoemt word.

4P60
De Begeerte, die uit blijschap of droefheit spruit, de welke tot een, of tot enige, en niet tot alle de delen des lighaams toegepast word, heeft geen opzicht tot nuttigheit van de ehelemensch.
Betoging.--Men stel, tot een voorbeelt, dat het deel des lighaams A door de kracht van enige uitwendige oorzaak in dier voegen versterkt word, dat het d' anderen in kracht overtreft; volgens de zeste Voor---stelling van dit deel. Dit deel zal echter niet pogen zijn krachten daarom te verliezen, op dat d' andere delen des lighaams hun dienst zouden bedienen: want het zou kracht, of vermogen van zijn krachten te verliezen moeten hebben; 't welk (volgens de zeste Voorstelling van 't darde deel) ongerijmt is. Dit deel dan, en by gevolg (volgens de zevende en twaalfde Voorstelling van't darde deel) ook de ziel, zal pogen die staat te behouden: dieshalven, de begeerte, die uit zodanige hartstocht van blijschap spruit, heeft geen opzicht tot het geheel. Maar indien men, in tegendeel, onderstelt dat het deel A in dier voegen ingetoomt en geprangt word, dat d' anderen d' overhant hebben, zo word op de zelfde wijze betoogt, dat ook de begeerte, die uit droefheit spruit, geen opzicht tot het geheel heeft; gelijk voorgestelt is.

Byvoegsel.--Dewijl dan de blijschap deurgaans (volgens het Byvoegsel van de vierënveertigste Voorstelling in dit deel) tot een enig gedeelte des lighaams toegepast word, zo begeren wy deurgaans onz wezen te behouden, zonder enige opzicht op onze gehele gezontheit te hebben; daar noch bykoomt dat de begeerten, daar wy meest aan gebonden zijn, (volgens de Toegift van de negende Voorstelling in dit deel) alleenlijk op de tegenwoordige, en niet op de toekomende tijt opzicht hebben.

4P61
De Begeerte, die uit reden spruit, kan geen overmaat hebben.
Betoging.--De begeerte, (volgens d' eerste Bepaling der Hartstochten) volstrektelijk aangemerkt, is de wezentheit zelve van de mensch, voor zo veel zy op alderhande wijzen bepaalt bevat word tot iets te werken: dieshalven, de begeerte, die uit reden spruit, dat is, (volgens de darde Voorstelling van't darde deel) die in ons voortgebracht word, voor zo veel als wy werken, is de wezentheit zelve van de mensch, of zijn natuur, voor zo veel zy bepaalt bevat word tot die dingen te werken, de welken alleenlijk door de wezentheit van de mensch evenmatiglijk bevat worden; volgens de tweede Bepaling van't darde deel. Indien dan deze begeerte overmaat kon hebben, zo zou de menschelijke natuur, in zich alleen aangemerkt, zich zelve konnen overtreffen, of meer vermogen, dan zy vermag;--'t welk een klaarblijkelijke tegenzeggelijkheit is; en dieshalven deze begeerte kan geen overmaat hebben; 't welk te betogen stond.
4P62
Voor zo veel de ziel naar het voorschrift van de reden de zaken bevat, zo word zy ook op de zelfde wijze aangedaan, 't zy het een denkbeelt van een toekomende, of verlede, of tegenwoordige zaak is.
Betoging.--Al 't geen, 't welk de ziel, door 't beleit van de reden, bevat, bevat zy onder een zelfde gedaante van eeuwigheit, of van nootzakelijkheit, (volgens de tweede Toegift van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) en word met de zelfde zekerheit aangedaan; volgens de drieënveertigste Voorstelling van het tweede deel, en der zelfder Byvoegsel: dieshalven, 't zy het denkbeelt van een toekomende, of verlede, of tegenwoordige zaak is, de ziel bevat de zaak met de zelfde nootzakelijkheit, en word met de zelfde zekerheit aangedaan; en 't zy het denkbeelt van een toekomende, verlede, of tegenwoordige zaak is, zy zal echter even waar zijn; (volgen d' eenënveertigste Voorstelling van het tweede deel) dat is, (volgens de vierde Bepaling in het tweede deel) zy zal echter altijt de zelfde eigenschappen van 't evenmatig denkbeelt hebben; en word dieshalven, voor zo veel de ziel de zaken naar het voorschrift van de reden bevat, op de zelfde wijze aangedaan, 't zy het denkbeelt van een toekomende, verlede, of tegenwoordige zaak is; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Indien wy een evenmatige kennis van de during der dingen konden hebben, en hun tijden van wezentlijk te zijn naar de reden bepalen, zo zouden wy de toekomende en tegenwoordige dingen met een zelfde hartstocht aanschouwen, en het goede, 't welk de ziel als toekomende bevat, even als tegenwoordig, betrachten, en by gevolg het tegenwoordig minder goet om een groter toekomend goet nootzakelijk verwarelozen, en geensins het geen, dat tegenwoordiglijk wel goet is, maar echter d' oorzaak van enig toekomend quaat, begeren; gelijk wy terstont hier na zullen betogen. Maar wy konnen van de during der dingen (volgens d' eenëndartigste Voorstelling van het tweede deel) geen, dan een zeer onëvenmatige, kennis hebben; en wy bepalen de tijden der dingen van we---zentlijk te zijn (volgens het Byvoegsel van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) alleenlijk door d' inbeelding, die niet even zeer door het beelt van een tegenwoordige, als van een toekomende zaak aangedaan word. Hier uit spruit het dat de ware kennis van 't goet en quaat, welke wy hebben, niets anders, dan afgetrokken, of algemeen is, en dat het oordeel, 't welk wy van d' ordening der dingen, en van de samenknoping der oorzaken doen, op dat wy zouden konnen bepalen wat tegenwoordiglijk goet of quaat voor ons is, eerder inbeeldig, dan zakelijk is. 't Is dieshalven geen wonder, zo de begeerte, die uit de kennis van 't goet en quaat spruit, voor zo veel de zelfde op het toekomende ziet, lichtelijker door de begeerte der dingen, die tegenwoordiglijk zoet en lieffelijk zijn, ingetoomt kan worden. Bezie hier af d' achtiende Voorstelling van dit deel.

4P63
De geen, die door vrees geleid word, en het goet doet, om het quaat te mijden, word niet door reden geleid.
Betoging.--Daar zijn geen andere hartstochten, die tot de ziel, voor zo veel zy werkt, dat is, (volgens de darde Voorstelling van 't darde deel) die tot de reden toegepast worden, dan de hartstochten van blijschap en begeerte; volgens de negenënvijftigste Voorstelling van 't darde deel: en dieshalven (volgens de dartiende Bepaling der hartstochten) de geen, die door vrees geleid word, en goet doet, uit vrees van quaat, word niet door reden geleid; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--De waangelovigen, die meerder de zonden konnen verwijten, dan de deuchden onderwijzen, en die de menschen niet door reden pogen te leiden, maar door vrees in toom te houden, eerder om het quaat te vlieden, dan de deuchden te beminnen, trachten nergens anders naar, dan om d' anderen, even als zich zelven, elendig te maken: en dieshalven is 't geen wonder dat zy deurgaans aan de menschen lastig en hatelijk zijn.

Toegift.--Door de begeerte, die uit de reden spruit, volgen wy regelrecht het goet, en vlieden het quaat niet regelrecht.

Betoging.--Want de begeerte, die uit reden spruit, kan alleenlijk uit de hartstocht van blijschap, die geen lijding is, spruiten; (volgens de negenënvijftigste Voorstelling van 't darde deel) dat is, uit de blijschap, die geen overmaat kan hebben; volgens d' eenenzestigste Voorstelling van dit deel: maar niet uit de droefheit. Dieshalven, deze begeerte (volgens d'achtste Voorstelling van dit deel) spruit uit de kennis van 't goet, maar niet uit die van 't quaat: en in dezer voegen betrachten wy, uit het beleit der reden, regelrecht het goet; en dus verre schuwen wy alleenlijk het quaat; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze Toegift word door het voorbeelt van de zieke en gezonde verklaart. De zieke eet, uit vrees van de doot, het geen, dat hem tegen is: maar de gezonde heeft vermaak in de spijs, en geniet dus beter het leven, dan of hy de doot vreesde, en hem dus regelrecht begeerde te schuwen. In dezer voegen word de rechter, die niet door haat, gramschap, enz. maar alleenlijk door liefde tot de gemene welstant, de schuldige ter doot verwijst, door de reden alleen geleid.

4P64
De kennis van 't quaat is een onëvenmatige kennis.
Betoging.--De kennis van 't quaat (volgens d' achtste Voorstelling in dit deel) is de droefheit zelve, voor zo veel wy daar af meêwustig zijn: maar de droefheit is een overganing tot een minder volmaaktheit, (volgens de darde Bepaling der hartstochten) de welke dieshalven niet door de wezentheit zelve van de mensch verstaan kan worden; volgens de zeste en zevende Voorstellingen van't darde deel: en dieshalven is zy (volgens de tweede Bepaling van 't darde deel) een lijding, de welke (volgens de darde Voorstelling van't darde deel) van onëvenmatige denkbeelden af hangt; en by gevolg (volgens de negenëntwintigste Voorstelling van het tweede deel) is der zelfder kennis, namelijk de kennis van 't quaat, onëvenmatig; 't welk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt dat de menschelijke ziel, zo zy geen anderen dan evenmatigedenkbeelden had, geen kennis van 't quaat zou vormen.

4P65
Volgens het beleit van de reden zullen wy van twee goeden het meeste, en van twee quaden het minste volgen.
Betoging.--Het goet, 't welk belet dat wy een groter goet genieten, is warelijk quaat: want goet en quaat (gelijk wy in de voorreeden van dit deel getoont hebben) word van de dingen gezegt, voor zo veel wy de zelfden met malkander vergelijken; en volgens de zelfde reden is een minder quaat warelijk goet. Dieshalven (volgens de Toegift van de voorgaande Voorstelling) zullen wy, door 't beleit der reden, alleenlijk een meerder goet, en een minder quaat betrachten, of volgen; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Wy zullen, door 't beleit der reden, een minder quaat als een meerder goet volgen, en een minder goet, 't welk oorzaak van een groter quaat is, verwarelozen. Want het quaat, 't welk hier minder gezegt word, is warelijk goet, en het goet in tegendeel quaat. Dieshalven (volgens de Toegift van de voorgaande Voorstelling) betrachten wy 't eerste, en verwarelozen het ander; gelijk voorgestelt wierd.

4P66
Wy begeren, uit beleit van de reden, een groter toekomend, boven een minder tegenwoordig goet, en betrachten een minder tegenwoordig quaat, 't welk oorzaak is van enig toekomend groter goet.
Betoging.--Indien de ziel een evenmatige kennis van de toekomende zaak kon hebben, zo zou zy met een zelfde hartstocht tot de toekomende, als tot de tegenwoordige zaak aangedaan worden; volgens de tweeënzestigste Voorstelling in dit deel. Dieshalven, voor zo veel wy op de reden zelve merken, gelijk wy onderstellen dat wy in deze Voorstelling doen, zo is 't een zelfde zaak, 't zy men een groter goet, of quaat toekomend, of tegenwoordig onderstelt: en daaröm (volgens de vijfënzestigste Voorstelling in dit deel) zullen wy een groter toekomend goet boven een minder tegenwoordig enz. begeren; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Wy begeren, door 't beleit van de reden, een minder tegenwoordig quaat, 't welk oorzaak van een meerder toekomend goet is, en verwarelozen een minder tegenwoordig goet, dat oorzaak van een meerder toekomend quaat is. Deze Toegift heeft zich tot de voorgaande Voorstelling, gelijk de Toegift van de vijfënzestigste Voorstelling tot de vijfënzestigste Voorstelling zelve.

Byvoegsel.--Indien wy dan deze dingen met de genen, die wy in dit deel, tot aan d'achtiende Voorstelling, van de krachten der hartstochten getoont hebben, vergelijken, zo zullen wy lichtelijk zien wat onderscheit dat'er tusschen een mensch is, die alleenlijk van hartstocht, of waan geleid word, en een ander, die de reden tot zijn geleide heeft. Want d'eerste, 't zy hy wil of niet, doet het geen, daar af hy meest onkundig is: maar de leste is niemant, dan zich zelf, onderworpen, en doet alleenlijk die dingen, de welken hy de voornaamsten in 't leven kent te wezen, en die hy dieshalven meest begeert; om 't welk ik ook d'eerste een slaaf, en de leste vry noem; van welks vernuft en regel van leven ik noch iets zal aantekenen.

4P67
Een vry mensch denkt nergens minder of, dan op de doot; en zijn wijsheit is geen overdenking des doots, maar des levens.
Betoging.--Een vry mensch, dat is, die alleenlijk naar het voorschrift van de reden leeft, word niet door de vrees bewogen; (volgens de drieënzestigste Voorstelling in dit deel) maar begeert regelrecht het goet; (volgens de Toegift van de zelfde Voorstelling) dat is te werken, te leven, en zijn wezen te behouden, volgens de grontvest van zijn eige nut te zoeken; en denkt dieshalven nergens minder op, dan op de doot: maar d'overdenking des levens is zijn wijsheit; 't welk te betogen stond.
4P68
Indien de menschen vry geboren wierden, zo zouden zy geen bevatting van goet en quaat vormen, zo lang zy vry waren.
Betoging.--Ik noem de geen vry te wezen, die van de reden alleen geleid word. De geen dan, die vry geboren word, en vry blijft, heeft geen anderen, dan evenmatige denkbeelden, en dieshalven geen bevatting van 't quaat; (volgens de Toegift van de vierënzestigste Vorstelling in deel) en by gevolg ook niet van't goet; want goet en quaat zijn niet dan betrekkingen, die op malkanderen zien: 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Uit de vierde Voorstelling van dit deel blijkt dat d'onderstelling van deze Voorstelling valsch is, en niet bevat kan worden, dan voor zo veel wy alleenlijk op de menschelijke natuur, of liever op God merken, niet voor zo veel hy onëindig, maar alleenlijk voor zo veel hy oorzaak is van dat de mensch wezentlijk is. Dit, en andere dingen, die wy alreê betoogt hebben, schijnen van Moses, in de historie van d'eerste mensch, aangewezen te worden. Want daar in word geen ander vermogen van God begrepen, dan dit, door 't welk hy de mensch heeft geschapen; dat is een vermogen, door 't welk hy alleenlijk voor de nuttigheit en welstant van de mensch zorgt: en voor zo veel word verhaalt, dat God aan de vrije mensch verboden heeft van de boom der kennis des goets en quaats t' eten, en dat, zo haast als hy daar af geëten zou hebben, hy meer vrees voor de doot, dan begeerte om te leven zou hebben: wijders, dat de mensch, een gemalin gevonden hebbende, die gantschelijk met zijn natuur overëenquam, bekende dat'er in de natuur niets kon zijn, dat nutter, als zy, voor hem kon wezen; maar dat hy, na dat hy geloofde dat de beesten hem gelijk waren, terstont hun hartstochten begon na te volgen, (bezie de zevenëntwintigste Voorstelling van 't darde deel) en zijn vrijheit te verliezen, de welke sedert van d' Aartsvaders weder bekomen is, die door Christus geest geleid wierden, dat is door Gods denkbeelt, van 't welk alleen afhangt dat de mensch vry is, en dat hy het goet, 't welk hy voor zich begeert, ook voor d'andere menschen begeert; gelijk wy hier voor (in de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) betoogt hebben.

4P69
De deucht van een vry mensch word even groot in de gevarelijkheden te mijden, als in hen te verwinnen, gezien.
Betoging--De hartstocht kan niet bedwongen, noch wechgenomen worden, dan met hem door een strijdige en sterker hartstocht te bedwingen; volgens de negende Voorstelling van dit deel: maar een blinde stoutheit en vrees zijn hartstochten, die even groot bevat konnen worden; volgens de vijfde en darde Voorstelling van dit deel: dieshalven, een even grote deucht des gemoeds, of kloekmoedigheit (bezie de Bepaling hier af in 't Byvoegsel van de negenënvijftigste Voorstelling in 't darde deel) word verëischt zo wel om de stoutheit, als om de vrees te bedwingen: dat is, (volgens de veertigste en eenenveertigste Bepalingen der Hartstochten) een vry mensch ontwijkt met een zelfde deucht des gemoeds de gevarelijkheden, daar meê hy de zelfde poogt t' overwinnen; 't welk te betogen stond.

Toegift.--In een vry mensch dan word een tijdige vlucht, zo wel, als de strijt, grote stoutmoedigheit toegeëigent, dat is, de vrije mensch verkiest deze vlucht met de zelsde stoutmoedigheit, of stantvastigheit, als de strijt.

Byvoegsel.--Wat de kloekmoedigheit is, of wat ik daar by versta, heb ik in het Byvoegsel van de negenenvijftigste voorstelling in 't darde deel verklaart. By gevarelijkheit versta ik dit alleen, 't welk oorzaak van enig quaat, namelijkj van droefheit, haat, tweedracht, enz. kan

4P70
Een vry mensch, die onder de bloden leeft, tracht, zo veel als hem mogelijk is, hun weldaden te schuwen.
Betoging.--Yder oordeelt naar zijn verstant wat goet is; bezie het Byvoegsel van de negenëndartigste Voorstelling in 't darde deel. De blode dan, die aan iemant goet gedaan heeft, zal het zelfde naar zijn verstant schatten, en, zo hy ziet dat het van de geen, aan de welk het gegeven is, minder gëacht word, zich bedroeven; volgens de tweeënveertigste Voorstelling van 't darde deel. Maar een vry mensch poogt d' andere menschen door vrientschap aan zich te voegen, (volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) en de menschen niet, naar hun hartstocht, met gelijke weldaden te vergelden, maar zich--zelf, en d' anderen door een vry oordeel der reden te geleiden, en alleenlijk zodanige dingen te doen, die hy weet de voornaamsten te wezen: dieshalven, een vry mensch zal pogen, zo veel als hem mogelijk is, de weldaden der bloden te mijden, om niet van hen gehaat te worden, en niet hun lust, maar de reden alleen te volgen.

Byvoegsel.--Ik zeg zo veel als hem mogelijk is. Want schoon de menschen bloden waren, zo zijn zy echter menschen, die in de noden menschelijke hulp, de welke de beste van allen is, konnen toebrengen. Dieshalven gebeurt het dikwijls dat het nootzakelijk is weldaat van hen t' ontfangen, en by gevolg aan hen, naar hun verstant en oordeel, dank te bewijzen. Hier koomt noch by dat men, in hun weldaden te mijden, wel toezien moet, dat men niet schijnt hen te verachten, of uit gierigheit de vergelding te vrezen, en dat men dus, terwijl men hun haat ontvlucht, niet in hun gramschap valt. Men moet dan, in de weldaden te mijden, op 't nut en eerlijk acht nemen.

4P71
De vrije menschen alleen zijn dankbaar tegen malkander.
Betoging.--De vrije menschen alleen zijn nutst aan malkander, en worden door de grootste nootzakelijkheit van vrientschap te zamen verbonden, (volgens de vijfëndartigste Voorstelling van dit delt, en der zelfder eerste Toegift) en pogen door gelijke poging van liefde aan malkander wel te doen; volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel: dieshalven, de vrije menschen alleen (volgens de vierëndartigste Bepaling der hartstochten) zijn de dankbaarsten aan malkander; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--De dank, die de menschen, de welken van een blinde begeerte geleid worden, aan malkander bewijzen, is deurgaans koopmanschap, of eerder een aanloksel, dan dank. Voorts, d' ondankbaarheit is geen hartstocht. En echter is zy schandelijk, om dat zy deurgaans aanwijst dat de mensch met al te grote haat, gramschap, verwaantheit, of gierigheit, enz. aangedaan is. Want de geen, die niet weet te vergelden, uit oorzaak van zijn dwaasheit, is niet ondankbaar, en noch veel minder de geen, die niet door hoerengiften bewogen word--om aan de lust en wulpsheit der ontuchtigen behulpsaam te wezen, noch die door giften zo verre gebracht kan worden, dat hy de dieverijen van zodanig een, of van andere diergelijken verbergt. Want deze, in tegendeel, toont dat hy een bestandig gemoed heeft, 't welk zich niet, tot zijn schade, of tot die van 't gemeen, laat omkopen en verrukken.

4P72
Een vry mensch handelt nooit door bedroch, maar getrouwelijk.
Betoging.--Indien een vry mensch, voor zo veel als hy vry is, iets door bedroch deê, zo zou hy dit naar het voorschrift van de reden doen, (want voor zo veel word hy alleenlijk van ons vry genoemt) en zo zou door bedroch te werken deucht wezen, (volgens de vierëntwintigste Voorstelling van dit deel) en by gevolg (volgens de zelfde Voorstelling) zou voor yder, om zijn wezen te behouden, dienstiger zijn door bedroch te werken: dat is, (gelijk uit zich zelf blijkt) het zou voor de menschen dienstiger zijn alleenlijk met de woorden overëen te komen, en in de zaak strijdig tegen malkander te wezen: 't welk (volgens de Toegift van d' eenëndartigste Voorstelling in dit deel) ongerijmt is.

Byvoegsel.--Indien men vraagt, of, indien een mensch zich door meinëedigheit van het tegenwoordig gevaar des doots kan verlossen, de regel van zijn wezen te behouden hem niet gantschelijk zou raden meineedig te wezen? Men zal op de zelfde wijze hier op antwoorden, dat, zo de reden dit raad, zy dit aan alle menschen raad, en dat dieshalven de reden gantschelijk aan alle menschen raad, niet, dan met bedroch, verbonden te maken, de krachten te zamen te voegen, en gemene rechten te hebben, dat is, om warelijk geen gemene rechten te hebben; 't welk ongerijmt is.

4P73
Een mensch, die door reden geleid word, is meer vry in een Staat, daar in men naar 't gemeen besluit leeft, dan in d' eensaamheit, daar hy zich zelf alleen gehoorzaamt.
Betoging.--De mensch, die de reden volgt, word niet door vrees tot gehoorzamen geleid; (volgens de drieënzestigste Voorstelling van dit--deel) maar voor zo veel hy, volgens het voorschrift van de reden, zijn wezen poogt te behouden; dat is, (volgens het Byvoegsel van de ze sënzestigste Voorstelling in dit deel) voor zo veel hy vry poogt te leven, de reden en regel van 't gemeen leven, en de gemene nuttigheit begeert te behouden, (volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) en by gevolg (gelijk wy in het tweede Byvoegsel van de zevenëndartigste Voorstelling in dit deel getoont hebben) naar 't gemeen besluit van de Staat te leven. De mensch dan, die door reden geleid word, begeert de gemene rechten van de Staat, t' onderhouden, om vrijer te leven; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze en diergelijke dingen, die wy van de ware vrijheit van de mensch getoont hebben, worden tot de vroomheit, dat is, (volgens het Byvoegsel van de negenënvijstigste Voorstelling in 't darde deel) tot de kloekmoedigheit en edelmoedigheit toegepast. Ik acht het ook niet nodig hier alle d'eigenschappen der vroomheit bezonderlijk te betogen, en veel minder dat een vroom man niemant haat, op niemant vergramt word, niemant benijd, zich tegen niemant kant, niemant versmaad, en geensins verwaant word. Want deze, en alle dingen, die hun opzicht op het ware leven, en de ware Godsdienst hebben, worden lichtelijk uit de zevenëndartigste en zesënveertigste Voorstelling van dit deel bewezen: namelijk, dat de haat door liefde word verwonnen, en dat yder, die door de reden geleid word, het goet, 't welk hy voor zich zelf betracht, ook voor d' anderen begeert. Daar noch dit bykoomt, 't welk wy in 't Byvoegsel van de vijftigste Voorstelling in dit deel, en in andere plaatsen aangemerkt hebben; te weten dat een vroom man dit voornamelijk aanmerkt, te weten dat alle dingen uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur volgen, en dieshalven, dat al 't geen, 't welk hy acht lastig en quaat te zijn, en wijders dat alles, 't welk boos, schrikkelijk, onrechtvaerdig en schandelijk schijnt, hier uit voortkoomt, dat hy de dingen zelven onördentlijk, verminktelijk en verwardelijk bevat; en dat hy om deze oorzaak voornamelijk poogt de dingen, gelijk zy in zich zijn, te bevatten, en de beletselen van de ware kennis te verdrijven; gelijk daar zijn de haat, gramschap, nijt, bespotting, verwaantheit, en andere diergelijken, die wy in 't voorgaande aangemerkt hebben: hy poogt dan, zo veel als hem mogelijk is, gelijk wy gezegt hebben, wel te doen, en vrolijk te wezen. Maar hoe verre de menschelijke deucht zich uitstrekt om deze dingen te verkrijgen, en wat zy vermag, zal ik in 't volgende deel betogen.