Ethics III - On the Origin and Nature of the Emotions. - Preface

Opera Posthuma
Expand
De Nagelate Schriften
Expand
Elwes
Expand

Plerique qui de affectibus et hominum vivendi ratione scripserunt, videntur non de rebus naturalibus quæ communes naturæ leges sequuntur sed de rebus quæ extra naturam sunt, agere. Imo hominem in natura veluti imperium in imperio concipere videntur. Nam hominem naturæ ordinem magis perturbare quam sequi ipsumque in suas actiones absolutam habere potentiam nec aliunde quam a se ipso determinari credunt. Humanæ deinde impotentiæ et inconstantiæ causam non communi naturæ potentiæ sed nescio cui naturæ humanæ vitio tribuunt quam propterea flent, rident, contemnunt vel quod plerumque fit, detestantur et qui humanæ mentis impotentiam eloquentius vel argutius carpere novit, veluti divinus habetur. Non defuerunt tamen viri præstantissimi (quorum labori et industriæ nos multum debere fatemur) qui de recta vivendi ratione præclara multa scripserint et plena prudentiæ consilia mortalibus dederint; verum affectuum naturam et vires et quid contra mens in iisdem moderandis possit, nemo quod sciam determinavit. Scio equidem celeberrimum Cartesium, licet etiam crediderit mentem in suas actiones absolutam habere potentiam, affectus tamen humanos per primas suas causas explicare simulque viam ostendere studuisse qua mens in affectus absolutum habere possit imperium sed mea quidem sententia nihil præter magni sui ingenii acumen ostendit, ut suo loco demonstrabo. Nam ad illos revertere volo qui hominum affectus et actiones detestari vel ridere malunt quam intelligere. His sine dubio mirum videbitur quod hominum vitia et ineptias more geometrico tractare aggrediar et certa ratione demonstrare velim ea quæ rationi repugnare quæque vana, absurda et horrenda esse clamitant. Sed mea hæc est ratio. Nihil in natura fit quod ipsius vitio possit tribui; est namque natura semper eadem et ubique una eademque ejus virtus et agendi potentia hoc est naturæ leges et regulæ secundum quas omnia fiunt et ex unis formis in alias mutantur, sunt ubique et semper eædem atque adeo una eademque etiam debet esse ratio rerum qualiumcunque naturam intelligendi nempe per leges et regulas naturæ universales. Affectus itaque odii, iræ, invidiæ etc. in se considerati ex eadem naturæ necessitate et virtute consequuntur ac reliqua singularia ac proinde certas causas agnoscunt per quas intelliguntur certasque proprietates habent cognitione nostra æque dignas ac proprietates cujuscunque alterius rei cujus sola contemplatione delectamur. De affectuum itaque natura et viribus ac mentis in eosdem potentia eadem methodo agam qua in præcedentibus de Deo et mente egi et humanas actiones atque appetitus considerabo perinde ac si quæstio de lineis, planis aut de corporibus esset.

DE genen, die vande de Hartstochten, en van der menschen regel van leven geschreven hebben, schijnen ten meestendeel niet van naturelijke zaken, die de gemene wetten der natuur volgen, maar van zaken, die buiten de natuur zijn, te handelen; ja zy schijnen de menschen in de natuur, gelijk een heerschappy in een heerschappy, te bevatten. Want zy geloven dat de mensch eerder d' ordening der natuur ontroert en verwart, dan volgt, en dat hy volkome macht in zijn werkingen heeft, en dat zy van niemant anders, als van hem zelf, bepaalt worden. Wyders, zy eigenen d' oorzaak van de menschelijke onmacht, en onbestandigheit niet aan de gemene macht der natuur toe, maar ik weet niet aan welk gebrek van de menschelijke natuur, de welke zy dieshalven bewenen, belachen, verächten, of, 't welk ten meestendeel gebeurt, vervloeken; en de geen, die d' onmacht van de menschelijke ziel welspreekentlijker, of scherpzinniglijker kan overhalen en uitmaken, word als goddelijk gehouden. Daar ontbreeken echter geen zeer voortreffelijke mannen, (aan welker arbeit en naerstigheit wy belijden grotelijks verplicht te zijn) die eer veel voortreffelijke dingen van de rechte regel van te leven geschreven, en raden, die vol voorzichtigheit zijn, aan de menschen gegeven hebben: maar niemant, by mijn weten, heeft tot noch toe de ware natuur der Hartstochten, en hun krachten bepaalt, noch wat, in tegendeel, de ziel vermag in de zelfden te bezadigen. Ik weet wel dat de zeer vermaarde Descartes schoon hy ook gelooft heeft dat de ziel in haar doeningen volkome macht heeft, echter heeft gepoogt de menschelijke hartstochten door hun eerste oorzaken te verklaren, en gezamentlijk de middel te tonen, daar door de ziel volkome heerschappy over de hartstochten zou konnen hebben: maar hy doet (immers naar mijn oordeel) niets anders, dan dat hy de scherpzinnigheit van zijn groot vernuft ten toon stelt; gelijk ik op zijn plaats zal tonen. Want ik wil my weêr tot de genen keren, die liever de hartstochten en doeningen der menschen willen vervloeken, of belachen, dan verstaan. Aan dezen zal het, zonder twijffel, wonderlijk schijnen, dat ik my onderneem de zonden der menschen, en hun ongerijmtheden, volgens het gebruik der Meetkundigen, te verhandelen, en naar zekere reden die dingen wil betogen, de welken tegen de reden strijden, en die, gelijk zy uitroepen, ydel, ongerijmt en afschuwelijk zijn. Maar dit is mijn reden en regel: In de natuur geschied niets, dat aan haar tot gebrek toegeëigent kan worden. Want de natuur is altijt de zelfde, en haar kracht en vermogen van te werken overäl een en de zelfde; dat is, de wetten en regelen der natuur, volgens de welken alle dingen geschieden, en van d' een in d' ander vorm veränderen, zijn overäl en altijt de zelfden; en dieshalven moet de reden en regel van de natuur der dingen, hoedanig zy ook zijn, te verstaan, een en de zelfde wezen, namelijk naar de wetten en regelen van d' algemene natuur. De Hartstochten dan van Haat, Gramschap, Nijt, enz. in zich zelven aangemerkt, volgen uit de zelfde nootzakelijkheit en kracht der natuur, als d' andere bezondere dingen, en erkennen dieshalven zekere oorzaken, door de welken zy verstaan worden, en hebben zekere eigenschappen, even waerdig tot onze kennis, als d'eigenschappen van alle andere dingen, door welker aanschouwing alleen wy vermaakt worden. Ik zal dan van de natuur en krachten der Hartstochten, en van 't vermogen der ziel over de zelfden op de zelfde wijze handelen, volgens de welken ik in 't voorgaande van God, en van de ziel heb gehandelt, en de menschelijke doeningen en lusten evenëens aanmerken, als of men van lijnen, platten, of van lighamen handelde.

Most writers on the emotions and on human conduct seem to be treating rather of matters outside nature than of natural phenomena following nature's general laws. They appear to conceive man to be situated in nature as a kingdom within a kingdom: for they believe that he disturbs rather than follows nature's order, that he has absolute control over his actions, and that he is determined solely by himself. They attribute human infirmities and fickleness, not to the power of nature in general, but to some mysterious flaw in the nature of man, which accordingly they bemoan, deride, despise, or, as usually happens, abuse: he, who succeeds in hitting off the weakness of the human mind more eloquently or more acutely than his fellows, is looked upon as a seer. Still there has been no lack of very excellent men (to whose toil and industry I confess myself much indebted), who have written many noteworthy things concerning the right way of life, and have given much sage advice to mankind. But no one, so far as I know, has defined the nature and strength of the emotions, and the power of the mind against them for their restraint.

I do not forget, that the illustrious Descartes, though he believed, that the mind has absolute power over its actions, strove to explain human emotions by their primary causes, and, at the same time, to point out a way, by which the mind might attain to absolute dominion over them. However, in my opinion, he accomplishes nothing beyond a display of the acuteness of his own great intellect, as I will show in the proper place. For the present I wish to revert to those, who would rather abuse or deride human emotions than understand them. Such persons will, doubtless think it strange that I should attempt to treat of human vice and folly geometrically, and should wish to set forth with rigid reasoning those matters which they cry out against as repugnant to reason, frivolous, absurd, and dreadful. However, such is my plan. Nothing comes to pass in nature, which can be set down to a flaw therein; for nature is always the same, and everywhere one and the same in her efficacy and power of action; that is, nature's laws and ordinances, whereby all things come to pass and change from one form to another, are everywhere and always the same; so that there should be one and the same method of understanding the nature of all things whatsoever, namely, through nature's universal laws and rules. Thus the passions of hatred, anger, envy, and so on, considered in themselves, follow from this same necessity and efficacy of nature; they answer to certain definite causes, through which they are understood, and possess certain properties as worthy of being known as the properties of anything else, whereof the contemplation in itself affords us delight. I shall, therefore, treat of the nature and strength of the emotions according to the same method, as I employed heretofore in my investigations concerning God and the mind. I shall consider human actions and desires in exactly the same manner, as though I were concerned with lines, planes, and solids.