Ethics III - Van de Natuur en Oorsprong der Hartstochten.

 Opera Posthuma
Expand
De Nagelate Schriften
Show All
Elwes
Expand
3D1
Ik noem deze oorzaak evenmatig, welker gewrocht klarelijk en onderscheidelijk door de zelfde begrepen kan worden; en die onëvenmatig, of bezonder, welker gewrocht door haar alleen niet verstaan kan worden.
3D2
Ik zeg dat wy dan doen, of werken, als 'er in ons, of buiten ons iets geschied, van 't welk wy d' evenmatige oorzaak zijn: dat is (volgens de voorgaande Bepaling) als uit onze natuur iets in ons, of buiten ons volgt, 't welk door de zelfde alleen klarelijk en onderscheidelijk verstaan kan worden. In tegendeel, ik zeg dat wy lijden, als in ons iets geschied, of dat uit onze natuur iets volgt, van 't welk wy niet, dan ten deel, oorzaak zijn.
3D3
By Hartstocht versta ik d' aandoeningen des lighaams, door de welken des lighaams vermogen van te werken vermeerdert of vermindert, geholpen, of ingetoomt word, en gezamentlijk de denkbeelden dezer aandoeningen. Indien wy dan d' evenmatige oorzaak van enige dezer aandoeningen konnen wezen, zo versta ik by hartstocht doening; andersins lijdingen.
3PSI
Hetmenschelijk lighaam kan op veel wijzen aangedaan worden, door de welken zijn vermogen van te werken vermeerdert, of vermindert word; en ook op andere wijzen, die des zelfs vermogen van te werken noch meerder, noch minder maken. Deze Verëissching, of Kundigheit steunt op d'eerste Verëissching, en op de vijfde en zevende Voorbewijzen, die achter de dartiende Voorstelling van het tweede deel te zien zijn.
3PSII
Het menschelijk lighaam kan veel veränderingen lijden, en echter d'indrukkingen, of speuren der voorwerpen behouden, (bezie hier af de vijfde Vereïssching in het tweede deel) en by gevolg de zelfde beelden der dingen, welker Bepaling in 't Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel te zien is.
3P1
Onze ziel doet sommige dingen, maar sommigen lijd zy: namelijk, voor zo veel zy evenmatige denkbeelden heeft, voor zo veel doet zy nootzakelijk enige dingen; en voor zo veel zy onëvenmatige denkbeelden heeft, voor zo veel lijd zy ook nootzakelijk enige dingen.
Betoging.--Enige denkbeelden van yder menschelijke ziel zijn evenmatig, en enigen verminkt en verwart; volgens het Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel. Doch de denkbeelden, die in iemants ziel evenmatig zijn, zijn evenmatig in God, voor zo veel hy de wezentheit van de zelfde ziel stelt; volgens de Toegift van d' elfde Voorstelling in het tweede deel. Wijders, die denkbeelden, de welken in de ziel onëvenmatig zijn, zijn ook (volgens de zelfde Toegift) evenmatig in God, niet voor zo veel hy alleenlijk de wezentheit van de zelfde ziel, maar ook voor zo veel hy gezamentlijk de ziel der andere dingen in zich begrijpt. Wijders, uit yder gestelt denkbeelt moet nootzakelijk enig gewrocht volgen; (volgens de zevenëndartigste Voorstelling in 't eerste deel) van welk gewrocht God d'evenmatige oorzaak is: (bezie d' eerste Bepaling van dit deel) niet voor zo veel hy onëindig is; maar voor zo veel hy met dat gestelt denkbeelt aangedaan aangemerkt word; bezie de negende Voorstelling in het tweede deel. Maar van dat gewrocht, van 't welk God d' oorzaak is, voor zo veel hy met een denkbeelt, dat in iemants ziel evenmatig is, aangedaan is; van dat gewrocht is de zelfde ziel d'evenmatige oorzaak; volgens de Toegift van d' elfde Voorstelling in het tweede deel. Dieshalven, onze ziel (volgens de tweede Bepaling van dit deel) voor zo veel zy evenmatige denkbeelden heeft, doet nootzakelijk enige dingen; 't welk het eerste was. Wijders, al 't geen, 't welk nootzakelijk uit het denkbeelt volgt, dat in God evenmatig is, niet voor zo veel hy alleenlijk de ziel van een enig mensch, maar voor zo veel hy de zielen van andere dingen, gezamentlijk met de ziel van de zelfde mensch, in zich heeft; daar af (volgens de zelfde Toegift van d' elfde Voorstelling in het tweede deel) is de ziel van die zelfde mensch niet d'evenmatige oorzaak, maar ten deel: en dieshalven (volgens de tweede Bepaling van dit deel) lijd de ziel, voor zo veel zy onëvenmatige denkbeelden heeft, nootzakelijk enige dingen; 't welk het tweede was.

Toegift.--Hier uit volgt dat de ziel zo veel te meer lijdingen onderworpen is, als zy meer onëvenmatige denkbeelden heeft; en in tegendeel, dat zy zo veel te meer dingen werkt, als zy meer evenmatige denkbeelden heeft.

3P2
Het lighaam kan de ziel niet tot denken, noch de ziel het lighaam tot beweging, noch tot rust, noch tot iets anders (zo 'er iets anders is) bepalen.

Betoging.--Alle wijzen van denken hebben God tot oorzaak, voor zo veel hy een denkende zaak is, en niet voor zo veel hy door een andere toeëigening verklaart word; volgens de zeste Voorstelling in het tweede deel. Dit dan, 't welk de ziel tot denken bepaalt, is een wijze van denken, en niet van uitgestrektheit: dat is, (volgens d' eerste Bepaling in het tweede deel) geen lighaam; 't welk het eerste was. Wijders, de beweging en rust des lighaams moet uit enig ander lighaam spruiten, 't welk ook van een ander lighaam tot beweging, of tot rust bepaalt heeft geweest. En zeker, al 't geen, dat in een lighaam ontstaat, moet uit God ontstaan, voor zo veel hy, met enige wijze van uitgestrektheit, en niet voor zo veel hy met enige wijze van denken aangedaan, aangemerkt word: (volgens de zelfde zeste Voorstelling van het tweede deel) dat is, het kan niet uit de ziel voortkomen, die (volgens d' elfde Voorstelling van het tweede deel) een wijze van denken is; 't welk het tweede was.

Byvoegsel.--Deze dingen worden klarelijker uit het geen verstaan, 't welk in het Byvoegsel van de zevende Voorstelling in het tweede deel gezegt is: namelijk, dat de ziel en 't lighaam een en 't zelfde ding is, 't welk nu onder de toeëigening van denking, en dan onder die van uitgestrektheit bevat word. Hier uit spruit het dat d' ordening, of de samenschakeling der dingen een en de zelfde is, 't zy de natuur onder deze, of onder die toeëigening word bevat; en by gevolg dat d' ordening der doeningen en lijdingen van onz lighaam van natuur gelijk is met d' ordening der doeningen en lijdingen van de ziel; 't welk ook uit de wijze blijkt, daar door wy de twaalfde Voorstelling van het tweede deel betoogt hebben. Maar hoewel deze dingen zodanig zijn, dat 'er geen reden van te twijffelen overig is, zo kan ik naauwelijks geloven dat, indien ik de zaak niet door d' ervarentheit bevestig, de menschen bewogen konnen worden tot deze dingen met een rechtmatig gemoed t' overwegen; zo krachtiglijk zijn zy overreed dat het lighaam alleenlijk op de wenk van de ziel nu bewogen word, dan rust, en zeer veel dingen doet, de welken alleenlijk van de wil der ziel, en van de kunst van te denken afhangen. En zeker, niemant heeft tot noch toe bepaalt wat het lighaam vermag: dat is, d' ervarentheit heeft tot noch toe aan niemant geleert, wat het lighaam, uit de wetten der natuur alleen, voor zo veel zy slechs lighamelijk aangemerkt word, kan doen, en wat het niet kan doen, 't en zy het van de ziel bepaalt word. Want niemant kent tot noch toe het gebou des lighaams zo naaukeuriglijk, dat hy alle des zelfs ampten en bedieningen heeft konnen verklaren: ik zwijg noch dat in de stomme beesten veel dingen aangemerkt worden, die de menschelijke schranderheit verre overtreffen, en dat de wandelslapers in hun slaap veel dingen doen, die zy, wakker zijnde, niet zouden darren aanvangen; 't welk klarelijk genoech toont dat het lighaam zelf, uit de wetten van zijn natuur alleen, veel dingen vermag, over de welken zijn ziel zelf verwondert is. Wijders, niemant weet op welke wijze, en door welke middelen de ziel het lighaam beweegt, noch hoe veel trappen van beweging zy aan 't lighaam kan mededelen, en met hoe grote gezwintheit het zelfde bewegen. Hier uit volgt dan dat de menschen, als zy zeggen dat deze, of die doening des lighaams uit de ziel spruit, die heerschappy over 't lighaam heeft, niet weten wat zy zeggen, en niets anders doen, dan met schone woorden belijden, dat zy, zonder verwondering, van de ware oorzaak van die doening onkundig zijn. Maar, zullen zy zeggen, 't zy men weet, of niet weet door welke middelen de ziel het lighaam beweegt, men ondervind echter dat het lighaam onmachtig en onbequaam zou zijn, zo de menschelijke ziel niet bequaam was om te denken, en uit te vinden: wijders, dat men ondervind dat zo wel te spreken, als te zwijgen in de macht van de ziel alleen bestaat, en veel andere dingen, van de welken men dieshalven gelooft dat zy van 't besluit der ziel afhangen. Wat het eerste aangaat, ik vraag hen, of d' ervarentheit ook niet leert, dat, indien in tegendeel het lighaam onmachtig en onbequaam is, de ziel ook niet te gelijk onmachtig en onbequaam is. Want als het lighaam door de slaap rust, zo is de ziel ook daar meê in slaap, en heeft geen macht van te denken gelijk dan, als zy wakker is. Wijders, ik geloof dat alle menschen ondervonden hebben dat de ziel niet altijt even bequaam is om op een zelfde voorwerp te denken, maar dat, gelijk het lighaam bequamer is om het beelt van dit, of dat voorwerp daar in te verwekken, de ziel ook in dier voegen bequamer is om dit, of dat voorwerp t' aanschouwen. Maar, zullen zy zeggen, d' oorzaken der gebouwen, schilderijen, en diergelijke dingen, die door menschelijke kunst alleen worden gemaakt, konnen niet van de wetten der natuur alleen, voor zo veel zy slechs lighamelijk aangemerkt word, afgeleid worden; en het menschelijk lighaam zou niet machtig wezen om enige kerk te bouwen, zo het niet van de ziel bepaalt en geleid word. Maar ik heb alreê getoont dat zy niet weten wat het lighaam vermag, of wat uit de beschouwing van des zelfs natuur alleen afgeleid kan worden, en dat zy zelven bevinden dat zeer veel dingen uit de wetten der natuur alleen geschieden, van de welken zy gelooft zouden hebben dat zy nooit konden geschieden, dan uit de bestiering van de ziel; gelijk die dingen zijn, de welken van de wandelslapers in hun slaap worden gedaan, en daar over zy, wakker geworden, zich verwonderen. Ik voeg hier by het gebou zelf van 't menschelijk lighaam, 't welk alle de gebouwen, die door menschelijke kunst gemaakt zijn, zeer verre in kunst overtreft; ik zwijg noch dat, gelijk ik hier voor getoont heb, uit de natuur, onder welke toeëigening ook aangemerkt, onëindige dingen volgen. Voorts, wat het tweede betreft, zeker, het zou veel beter met de menschelijke zaken gestelt zijn, zo het zo wel in de macht van de mensch stond te zwijgen, als te spreken. Maar d' ervarentheit leert meer dan genoech, dat de menschen niets minder in hun macht hebben, dan de tong, en niets minder vermogen, als hun lusten te matigen. Hier uit spruit het dat de menschen ten meestendeel geloven, dat wy alleenlijk die dingen vrywilliglijk doen, die wy als ter loop begeren, om dat de begeerte der zelfder dingen lichtelijk door de geheugenis van enig ander ding, daar aan wy dikwijls gedenken, ingetrokken kan worden, maar geensins de genen, die wy met grote toegenegentheit begeren, en die niet door de geheugenis van een ander ding gestilt konnen worden. Maar indien wy niet hadden ondervonden dat wy veel dingen doen, van de welken wy namaals berou hebben, en dat wy dikwijls, te weten als wy door strijdige hartstochten bestreden worden, beter dingen zien, en erger volgen, zo zou 'er niets wezen, 't welk ons zou beletten te geloven dat wy alles vrywijlliglijk doen. Dus gelooft een kint dat het de melk vrywilliglijk begeert, een vergramde jongen dat hy wraak wil, en een blode dat hy de vlucht begeert. Wijders, een dronke mensch gelooft dat hy met een vrywillig besluit van de ziel die dingen spreekt, de welken hy, sedert nuchter geworden, wel zou willen dat hy gezwegen had. In dezer voegen geloven de sporelozen, klappers, kinderen, en veel diergelijken, dat zy met een vrywillig besluit spreken, hoewel zy echter de drift van te spreken, die zy hebben, niet konnen intomen: in voegen dat d' ervarentheit zelve met geen minder klaarblijkelijkheit, als de reden, leert dat de menschen zich om deze oorzaken alleen vry achten, om dat zy van hun werken kundig zijn, en d' oorzaken, van de welken zy bepaalt worden, niet weten, en wijders geloven dat de besluiten van de ziel niets anders zijn, dan de lusten zelven, die daarom verscheiden zijn, naar de verscheide geschiktheden des lighaams. Want yder matigt alles naar zijn hartstocht; en daarënboven de genen, die van strijdige hartstochten bestreden worden, weten niet wat zy willen: maar de genen, die van geen hartstocht worden bewogen, worden zeer lichtelijk herwaarts en derwaarts gedreven. Zeker, alle deze dingen tonen klarelijk, dat zo wel het besluit van de ziel, als de lust, en de bepaling des lighaams gelijk van natuur zijn, of liever een en de zelfde zaak, die wy, als zy onder de toeëigening van denking aangemerkt, en daar door verklaart word, besluit noemen, en als men haar onder de toeëigening van uitgestrektheit aanmerkt, en van de wetten der beweging en rust afleid, met de benaming van bepaling aanwijzen; 't welk noch klarelijker uit het geen zal blijken, dat wy nu zullen zeggen. Want iets anders is 't geen, dat ik hier voornamelijk aangemerkt wil hebben, namelijk dat wy niets uit het besluit der ziel konnen doen, 't en zy wy daar aan gedenken. Tot een voorbeelt, wy konnen niet een woort spreken, 't en zy wy daar aan gedenken. Wijders, aan enig ding te gedenken, of het zelfde te vergeten bestaat niet in de vrije macht van de ziel. Dieshalven gelooft men dat dit alleen in de macht van de ziel staat, dat wy de zaak, aan de welke wy gedenken, alleenlijk uit het besluit van de ziel konnen zwijgen, of daar af spreken. Maar als wy dromen dat wy spreken, zo geloven wy dat wy uit een vry besluit der ziel spreken; en echter spreken wy niet, of zo wy spreken, dit geschied uit een gewillige beweging des lighaams. Voorts, wy dromen dat wy voor de menschen enige dingen verbergen, en dit met het zelfde besluit van de ziel, daar door wy, wakker zijnde, die dingen, de welken wy weten, verzwijgen. Eindelijk, wy dromen dat wy, uit een besluit van de ziel, enige dingen doen, die wy, wakker zijnde, niet zouden darren bestaan: en dieshalven zou ik wel gaerne willen weten, of in de ziel tweederhande slach van besluiten plaats hebben, namelijk, 't een ingebeeld, en 't ander vry. Indien wy niet zo verre buiten 't spoor willen hollen, zo moeten wy nootzakelijk toestaan dat dit besluit van de ziel, 't welk men gelooft vry te wezen, niet van d' inbeelding zelve, of van de geheugenis onderscheiden word, en niets anders is, als deze bevestiging, die van 't denkbeelt, voor zo veel het een denkbeelt is, nootzakelijk ingesloten word: (bezie de negenënveertigste Voorstelling van het tweede deel) en dus verre spruiten deze besluiten van de ziel door de zelfde nootzakelijkheit in de ziel, als de denkbeelden der dingen, die warelijk wezentlijk zijn. De genen dan, die geloven dat zy uit een vry besluit van de ziel spreken, of zwijgen, of iets doen, slapen en dromen met ope ogen.

3P3
De doeningen van de ziel spruiten uit d' evenmatige denkbeelden alleen; en de lijdingen hangen van d' onëvenmatige denkbeelden alleen af.

Betoging.--Voorëerst, het geen, 't welk de wezentheit van de ziel maakt, is niets anders, dan het denkbeelt van 't lighaam, 't welk dadelijk wezentlijk is; volgens d' elfde en dartiende Voorstelling van het tweede deel) en dit denkbeelt word, (volgens de vijftiende Voorstelling van het tweede deel) uit veel anderen te zamen gezet, van de welken sommigen (volgens de Toegift van d' achtëndartigste Voorstelling in het tweede deel) evenmatig, en sommigen (volgens de Toegift van de negenëntwintigste Voorstelling in het tweede deel) onëvenmatig zijn. Al 't geen dan, dat uit de natuur van de ziel volgt, en van 't welk de ziel de naaste oorzaak is, door de welke dit verstaan moet worden, moet nootzakelijk uit het evenmatig, of uit het onëvenmatig denkbeelt volgen. Maar voor zo veel de ziel (volgens d' eerste Voorstelling van dit deel) onëvenmatige denkbeelden heeft, voor zo veel lijd zy nootzakelijk; dieshalven, de doeningen van de ziel volgen uit d'evenmatige denkbeelden alleen; en daaröm lijd de ziel alleenlijk, om dat zy onëvenmatige denkbeelden heeft; gelijk wy voorgaven.

Byvoegsel.--Wy zien dan dat de lijdingen niet tot de ziel toegepast worden, dan voor zo veel zy iets heeft, dat ontkenning insluit, of voor zo veel zy voor een deel der natuur aangemerkt word, 't welk door zich zelf, zonder anderen, niet klarelijk en onderscheidelijk bevat kan worden: en door deze middel zou ik konnen tonen, dat de lijdingen op de zelfde wijze tot de bezondere dingen, als tot de ziel, toegepast, en door geen andere middel bevat konnen worden. Maar mijn oogmerk is, van de menschelijke ziel alleen te handelen.

3P4
Geen ding kan vernietigt worden, dan van een uitterlijke oorzaak.
Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit zich zelf: want de bepaling van yder ding bevestigt de wezentheit van de zaak, en ontkent haar niet; of stelt de wezentheit van de zaak, en neemt haar niet wech. Terwijl wy dan alleenlijk op de zaak zelve, en niet op d' uitwendige oorzaken merken, zo zullen wy in de zelfde niets konnen vinden, dat haar zou konnen vernietigen; gelijk wy voorgestelt hebben.
3P5
De dingen zijn voor zo veel strijdig van natuur, dat is, konnen voor zo veel niet in een zelfde onderwerp zijn, voor zo veel 't een het ander kan vernietigen.
Betoging.--Want indien zy met malkander konden overëenkomen, of gezamentlijk in een zelfde onderwerp wezen, zo zou in een zelfde onderwerp iets konnen zijn, dat het zelfde zou konnen vernietigen; 't welk (volgens de voorgaande Voorstelling) ongerijmt is.
3P6
Yder ding poogt, voor zo veel als 't in zich is, in zijn wezen te volharden.
Betoging.--Want de bezondere dingen zijn wijzen, door de welken Gods toeëigeningen op een zekere en bepaalde wijze uitgedrukt worden; (volgens de Toegift van de vijfëntwintigste Voorstelling in het eerste deel) dat is, (volgens de vierëndartigste Voorstelling van het eerste deel) de dingen, die Gods macht, daar door God is en werkt, op een zekere en bepaalde wijze uitdrukken; en geen ding heeft in zich iets, daar af het vernietigt kan worden, of 't welk zijn wezentlijkheit wechneemt; volgens de vierde Voorstelling van dit deel: maar in tegendeel stelt zich (volgens de voorgaande Voorstelling) tegen al 't geen, dat des zelfs wezentlijkheit kan wechneemen, en poogt dieshalven zo veel, als het kan, en als 't in zich heeft, in zijn wezen te blijven; gelijk te betogen stond.
3P7
De poging, door de welke yder ding in zijn wezen poogt te volharden, is niets anders, dan de dadelijke wezentheit.
Betoging.--Uit de gestelde wezentheit van yder ding volgen nootzakelijk enige dingen; volgens de zesendartigste Voorstelling van 't eerste deel: en de dingen vermogen niets anders, dan dit, 't welk uit hun bepaalde natuur nootzakelijk volgt; volgens de negenëntwintigste Voorstelling van 't eerste deel. Dieshalven, de macht, of de poging van yder ding, daar door het of alleen, of met anderen iets doet, of poogt te doen, dat is, (volgens deze zeste Voorstelling) de macht, of de poging, daar door het poogt in zijn wezen te blijven, is niets anders, dan de gestelde, of dadelijke wezentheit van het ding zelf; gelijk voorgestelt wierd.
3P8
De poging, door de welke yder ding in zijn wezen poogt te blijven, sluit geen eindige, maar een onbepaalde tijt in.
Betoging.--Want indien zy een bepaalde tijt insloot, die de during van het ding bepaalde, zo zou uit d'enige macht zelve, daar door het ding wezentlijk is, volgen dat het ding, na die bepaalde tijt, niet wezentlijk zou konnen wezen, maar vernietigt moest worden. Doch dit is ongerijmt; volgens de vierde Voorstelling van dit deel. De poging dan, door de welke het ding wezentlijk is, sluit geen bepaalde tijt in: maar in tegendeel, dewijl, (volgens de zelfde vierde Voorstelling van dit deel) zo het van geen uitwendige oorzaak vernietigt word, de zelfde macht, daar door het nu wezentlijk is, altijt voortvaart wezentlijk te zijn, zo sluit deze poging een onbepaalde tijt in; gelijk te betogen stond.
3P9
De ziel, zo wel voor zo veel zy klare en onderscheide, als voor zo veel zy verwarde denkbeelden heeft, poogt door zekere onbepaalde during in haar wezen te blijven, en is van deze haar poging bewust.
Betoging.--De wezentheit van de ziel bestaat uit evenmatige en onevenmatige denkbeelden, gelijk wy in de darde Voorstelling van dit deel getoont hebben; en poogt dieshalven (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) zo wel voor zo veel zy deze, als voor zo veel zy die denkbeelden heeft, in haar wezen te volharden, en dit (volgens d'achtste Voorstelling van dit deel) door zekere onbepaalde during. Maar dewijl de ziel, (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van het tweede deel) door de denkbeelden der aandoeningen van 't lighaam nootzakelijk meêwustig van zich is, zo is dan, (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) de ziel meêwustig van haar pogingen; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze poging, als men haar tot de ziel alleen toepast, word wil genoemt; maar als men haar gelijkelijk tot de ziel, en tot het lighaam toepast, zo voert zy de naam van lust, die dieshalven niets anders is, dan de wezentheit zelve van de mensch, uit welker natuur nootzakelijk die dingen volgen, die tot haar behoudenis dienstig zijn; en zo verre is de mensch bepaalt tot de zelfden te doen. Wijders, tusschen lust en begeerte is geen onderscheit, dan dat de begeerte deurgaans tot de menschen toegepast word, voor zo veel zy meêwustig van hun lust zijn, en kan dieshalven dus bepaalt worden; namelijk, de begeerte is een lust met der zelfder medeweting. Uit alle deze dingen dan blijkt, dat wy niets pogen, willen, begeren noch betrachten, om dat wy dit goet oordeelen te wezen: maar dat wy, in tegendeel, daaröm iets goet oordeelen te zijn, om dat wy het zelfde pogen, willen, begeren en betrachten.

3P10
Het denkbeelt, 't welk de wezentlijkheit van onz lighaam ontkent, kan in onze ziel geen plaats hebben, maar strijd daar tegen.
Betoging.--Al 't geen, dat onz lighaam kan vernietigen, kan in 't zelfde geen plaats hebben, (volgens de vijfde Voorstelling van dit deel) en dieshalven kan het denkbeelt van die zaak in God geen plaats hebben, voor zo veel hy het denkbeelt van onz lighaam heeft; (volgens de Toegift van de negende Voorstelling in het tweede deel) dat is (volgens d' elfde en dartiende Voorstelling van het tweede deel) het denkbeelt van dat ding kan in onze ziel geen plaats hebben: maar in tegendeel, dewijl (volgens d' elfde en dartiende Voorstelling van het tweede deel) het eerste, 't welk de wezentheit van de ziel stelt, het denkbeelt van 't lighaam is, dat warelijk wezentlijk is, zo is 't eerste en voornaamste der poging van onze ziel, (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) de wezentlijkheit van onz lighaam te bevestigen: en dieshalven, het denkbeelt, 't welk de wezentlijkheit van onz lighaam loghent, strijd tegen onze ziel, enz. gelijk voorgestelt wierd.
3P11
Al 't geen, 't welk onze lighaams macht van te doen en te werken vermeerdert, of vermindert, bevordert, of intoomt; het denkbeelt van dat ding vermeerdert, of vermindert, bevordert, of beteugelt de macht van te denken van onze ziel.
Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit de zevende Voorstelling van het tweede deel, of ook uit de veertiende Voorstelling van het zelfde deel.

Byvoegsel.--Wy zien dan dat de ziel grote veränderingen kan lijden, en nu tot meerder, en dat tot minder volmaaktheit overgaan; welke lijdingen aan ons de hartstochten van blijschap en droefheit verklaren. Ik zal dan vervolgens by blijschap die lijding verstaan, door de velke de ziel tot groter volmaaktheit, en by droefheit die lijding, daar door zy tot minder volmaaktheit overgaat. Wijders, de hartstocht van blijschap, gezamentlijk tot de ziel en 't lighaam toegepast, noem ik kitteling, of vrolijkheit, en die van droefheit treurigheit, of naargeestigheit. Doch hier staat aan te merken, dat de kitteling en treurigheit tot de mensch toegepast word, als een van zijn delen meer dan d' anderen aangedaan is; en vrolijkheit en naargeestigheit, als zy alle gezamentlijk aangedaan zijn. Voorts, wat begeerte is, heb ik in 't Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel verhaalt: en behalven deze drie ken ik geen andere voorname hartstocht; want in 't volgende zal ik tonen, dat d' anderen uit deze drie spruiten. Doch eer ik wijder voortga, zo lust het my hier de tiende Voorstelling van dit deel bredelijker te verklaren, op dat men klarelijker zou verstaan, op welke wijze het een denkbeelt tegen 't ander strijd. In 't Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel hebben wy getoont, dat het denkbeelt, 't welk de wezentheit van de ziel stelt, de wezentlijkheit van 't lighaam zo lang influit, als het lighaam zelf wezentlijk is. Wijders, uit de dingen, die wy in de Toegift van d' achtste Voorstelling in het tweede deel, en in der zelfder Byvoegsel getoont hebben, volgt dat de tegenwoordige wezentlijkheit van onze ziel van dit enige afhangt, namentlijk dat de ziel de dadelijke wezentlijkheit des lighaams insluit. Eindelijk, wy hebben getoont, (bezie de zeventiende en achtiende Voorstelling van het tweede deel, met der zelfder Byvoegsel) dat het vermogen van de ziel, daar door zy de zaken inbeeld, en daar aan gedenkt, ook van dit afhangt, dat zy zelve dadelijke wezentlijkheit des lighaams insluit. Uit het welk volgt, dat de tegenwoordige wezentlijkheit van de ziel, en der zelfder vermogen van in te beelden wechgenomen word, zo haast de ziel aflaat van de tegenwoordige wezentlijkheit des lighaams te bevestigen. Maar d' oorzaak, daarom de ziel aflaat deze wezentlijkheit des lighaams te bevestigen, kan niet de ziel zelve zijn, (volgens de vierde Voorstelling van dit deel) noch ook dat het lighaam aflaat te wezen: want (volgens de zeste Voorstelling van het tweede deel) d' oorzaak, om de welke de ziel de wezentlijkheit van 't lighaam bevestigt, is niet om dat het lighaam begonnen heeft wezentlijk te zijn. Dieshalven, volgens de zelfde reden, laat zy niet af van de wezentlijkheit des lighaams zelf te bevestigen, om dat het lighaam aflaat te wezen : maar dit (volgens d' achtste Voorstelling in het tweede deel) spruit uit een ander denkbeelt, 't welk de tegenwoordige wezentlijkheit van onz lighaam, en by gevolg ook van onze ziel, uitsluit, en 't welk zo verre tegen dat denkbeelt strijd, 't welk de wezentheit van onze ziel stelt.

3P12
De ziel poogt, zo veel als haar mogelijk is, die dingen in te beelden, de welken des lighaams vermogen van te doen, of te werken vermeerderen, of bevorderen.

Betoging.--Zo lang het menschelijk lighaam met die wijze is aangedaan, de welke de natuur van enig uitterlijk lighaam insluit, zo lang zal de menschelijke ziel het zelfde lighaam, als tegenwoordig, beschou- wen; (volgens de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) en by gevolg, (volgens de zevende Voorstelling van het tweede deel) zo lang de menschelijke ziel enig uitterlijk lighaam als tegenwoordig aanschout, dat is (volgens het Byvoegsel van de zelfde Voorstelling) inbeeld, zo lang is het menschelijk lighaam met die wijze aangedaan, de welke de natuur van des zelfs uitterlijk lighaam insluit; en dieshalven, zo lang de ziel die dingen inbeeld, de welken onzes lighaams vermogen van te doen, of te werken vermeerderen, of bevorderen, zo lang is het lighaam met die wijzen aangedaan, de welken des zelfs vermogen van te doen, of te werken vermeerderen, of bevorderen; (bezie d' eerste Verëissching van dit deel) en by gevolg (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) zo lang het vermogen van te denken in de ziel vermeerdert, of bevordert word; en dieshalven (volgens de zeste, of negende Voorstelling van dit deel) poogt de ziel, zo veel als zy kan, de zelfde dingen in te beelden; gelijk te betogen stond.

3P13
Terwijl de ziel die dingen inbeeld, de welken des lighaams verrmogen van te doen, of te werken verminderen, of intomen, zo poogt zy, zo veel als zy kan, aan die dingen te gedenken, de welken der zelfder wezentlijkheit uitsluiten.
Betoging.--Zo lang de ziel iets zodanig inbeeld, zo lang word het vermogen der ziel, en des lighaams vermindert, of ingetoomt: (gelijk wy in de voorgaande Voorstelling betoogt hebben) en echter zal dit zo lang ingebeeld worden, tot dat de ziel iets anders inbeeld, 't welk de tegenwoordige wezentlijkheit van dit uitsluit; (volgens de zeventiende Voorstelling van het tweede deel) dat is, gelijk wy alreê getoont hebben, het vermogen van de ziel, en van 't lighaam word zo lang vermindert, of ingetoomt, tot dat de ziel iets anders inbeeld, 't welk de wezentlijkheit van dit uitsluit, en 't welk de ziel (volgens de negende Voorstelling van dit deel) zo veel, als haar mogelijk is, zal pogen in te beelden, of daar aan te gedenken; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt, dat de ziel een afkeer heeft van dingen in te beelden, de welken haar, en des lighaams vermogen verminderen, of intomen.

Byvoegsel.--Hier uit verstaan wy klarelijk wat liefde, en wat haat is. Namentlijk, de liefde is niets anders, dan een blijschap, die van het denkbeelt van een uitterlijke oorzaak verzelt word; en de haat niets anders, dan een droefheit, die van het denkbeelt van een uitterlijke oorzaak verzelt is. Wy zien wijders, dat de geen, die bemint, nootzakelijk poogt het geen, dat hy bemint, tegenwoordig te hebben, en te bewaren, en in tegendeel, dat de geen, die haat, het geen, daar op hy haat heeft, poogt te verdrijven, en te vernietigen. Maar van dit alles zullen wy hier na bredelijker spreken.

3P14
Indien de ziel eens van twee hartstochten te gelijk aangedaan heeft geweest, als zy daar na van een van beiden aangedaan zal worden, zo zal zy ook van d' ander worden aangedaan.
Betoging.--Indien het menschelijke lighaam eenmaal te gelijk van twee lighamen aangedaan heeft geweest, zo zal de ziel namaals, als zy een van hen beide inbeeld, terstont ook aan d' ander gedenken: (volgens d' achtiende Voorstelling van het tweede deel.) Maar d' inbeeldingen der ziel wijzen meer de gesteltheit van onz lighaam aan, dan de natuur der uitterlijke lighamen; volgens de tweede Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel: dieshalven, indien het lighaam, en by gevolg de ziel, (bezie de darde Bepaling van dit deel) eenmaal met twee hartstochten te gelijk aangedaan heeft geweest, als het daar na van een van hen beide aangedaan zal worden, zo zal het ook van 't ander aangedaan worden; 't welk te betogen stond.
3P15
Yder ding kan by toeval oorzaak van blijschap, droefheit, of begeerte wezen.
Betoging.--Laat ons stellen dat een ziel van twee hartstochten te gelijk aangedaan word, namentlijk van een, die haar macht van te doen, of te werken noch vermeerdert, noch vermindert; en van een ander, die de zelfde of vermeerdert, of vermindert: (bezie d' eerste Verëissching van dit deel) uit de voorgaande Voorstelling blijkt, dat, als de ziel namaals van gene, als haar ware oorzaak, die (volgens d'onderstelling) door zich haar macht van te denken noch vermeerdert, noch vermindert, aangedaan zal worden, zy terstont ook van deze andere, die haar macht van te denken vermeerdert, of vermindert, dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) van blijschap, of van droefheit, aangedaan zal worden: en in dezer voegen zal die zaak, niet door zich, maar door toeval, oorzaak van blijschap of droefheit zijn. En door deze middel kan men lichtelijk tonen, dat die zaak by toeval oorzaak van begeerte kan wezen, gelijk wy voorgaven.

Toegift.--Uit dit alleen, dat wy enige zaak met de hartstocht van blijschap, of droefheit, van de welke zy geen werkende oorzaak is, aangeschout hebben, konnen wy de zelfde beminnen, of haten. Want hier uit alleen geschied het (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel) dat de ziel, met deze zaak namaals in te beelden, dpor de hartstocht van blijschap, of van droefheit aangedaan word; dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) dat het vermogen van de ziel, en van 't lighaam, vermeerdert, of vermindert word, enz. en by gevolg (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) dat de ziel de zelfde zaak begeert in te beelden, of (volgens de Toegift van de dartiende Voorstelling in dit deel) een afkeer daar af heeft: dat is (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) dat zy de zelfde bemint, of haat; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hier uit verstaan wy, hoe het kan geschieden dat wy enige dingen beminnen, of haten, zonder enige oorzaak, die aan ons bekent is, maar alleenlijk (gelijk men zegt) door toegenegentheit en afkeerlijkheit. En hier toe moeten ook die voorwerpen, de welken ons met blijschap, of met droefheit aandoen, toegepast worden, alleenlijk hier om, dat zy iets gelijk met de voorwerpen hebben, die ons gemenelijk met de zelfde hartstochten aandoen; gelijk ik in de volgende Voorstelling zal tonen. Ik weet wel dat de Schrijvers, die d' eersten deze namen van toegenegentheit en afkeerlijkheit ingevoert hebben, met de zelfden zekere verborge hoedanigheden der dingen hebben willen aanwijzen: Maar echter geloof ik dat het aan ons vrystaat by de zelfden de bekende, of openbare hoedanigheden te verstaan.

3P16
Hier uit alleen, dat wy ons inbeelden, dat enig ding iets heeft, dat gelijk is met het voorwerp, 't welk de ziel gemenelijk met blijschap, of met droefheit aandoet, hoewel het geen, daar door de zaak met het voorwerp gelijk is, niet d' uitwerkende oorzaak van deze hartstochten is; hier uit alleen, zeg ik, zullen wy echter die zaak of beminnen, of haten.
Betoging.--Wy hebben dit, 't welk gelijk is met het voorwerp, in 't voorwerp zelf (by onderstelling) met de hartstocht van blijschap, of van droefheit aangeschout. En dieshalven, (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel) als de ziel met des zelfs beelt aangedaan zal worden, zo zal zy ook terstont met deze, of die hartstocht aangedaan worden: en by gevolg, de zaak, die wy bevatten dit zelfde te hebben, zal (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) by toeval oorzaak van blijschap, of droef heit wezen: in voegen dat (volgens de voorgaande Toegift) wy de zelfde, schoon dit, daar door het met het voorwerp gelijk is, niet d'uitwerkende oorzaak dezer hartstochten is, echter zullen beminnen, of haten; gelijk te betogen stond.
3P17
Indien wy ons inbeelden dat de zaak, die ons gemenelijk met de hartstocht van droefheit aandoet, iets gelijk heeft met een andere, die ons gemenelijk met een even grote hartstocht van blijschap aandoet, zo zullen wy de zelfde te gelijk haten en beminnen.
Betoging.--Want deze zaak is (volgens d'onderstelling) door zich oorzaak van droefheit: en (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) voor zo veel wy ons de zelfde met deze hartstocht inbeelden, haten wy haar; en voor zo veel wy ons daerënboven inbeelden dat zy iets heeft, 't welk met het ander gelijk is, dat ons gemenelijk met even grote hartstocht van blijschap aandoet, met even grote poging van blijschap zullen wy haar beminnen; (volgens de voorgaande Voorstelling) en dieshalven zullen wy gelijkelijk de zelfde haten en beminnen: 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze gesteltenis van de ziel, namelijk, die uit twee strijdige hartstochten spruit, word vlotheit, of wankelheit van gemoed genoemt, de welke dieshalven op de hartstocht haar opzicht heeft, gelijk de twijffeling op d'inbeelding; bezie het Byvoegsel van de vierenveertigste Voorstelling in het tweede deel: en de vlotheit, of wankelheit des gemoeds, en de twijffeling verschillen niet van malkander, dan in meerder en minder. Maar hier staat aan te merken dat ik (in de voorgaande Voorstelling) deze vlotheden, of wankelheden des gemoeds van oorzaken heb afgeleid, die door zich oorzaak van d'een, en by toeval oorzaak van d'ander hartstocht zijn: 't welk ik daaröm gedaan heb, om dat zy dus gemakkelijker uit de voorgaanden afgeleid konnen worden: en niet om dat ik ontken dat de vlotheden, of wankelheden des gemoeds ten meestendeel uit het voorwerp voortkomen, 't welk d'uitwerkende oorzaak van de beide hartstochten is. Want het menschelijk lighaam (volgens d'eerste Verëissching in het tweede deel) bestaat uit zeer veel ondeeligen van verscheide natuur, en kan dieshalven (volgens d'eerste Kundigheit na het darde Voorbewijs, 't welk achter de dartiende Voorstelling in het tweede deel te zien is) van een en het zelfde lighaam op zeer veel en verscheide wijzen aangedaan worden: en in tegendeel, dewijl een en het zelfde ding op veel wijzen aangedaan kan worden, zo kan ook een en het zelfde deel des lighaams op verscheide wijzen aangedaan worden. Uit het welk wy lichtelijk konnen begrijpen, dat een en het zelfde voorwerp d'oorzaak van veel en strijdige hartstochten kan wezen.

3P18
De menschword van het beelt van de voorgaande, of toekomende zaak met de zelfde hartstocht van blijschap en droefheit aangedaan, als van het beelt van de tegenwoordige zaak.
Betoging.--Zo lang de mensch van het beelt van enige zaak aangedaan word, zo aanschout hy de zaak als tegenwoordig, schoon zy niet wezentlijk is; (volgens de zeventiende Voorstelling in het tweede deel, met der zelfder Toegift) en beeld het zich niet in als alreê voorby, of toekomende, dan voor zo veel des zelfs beelt aan het beelt van de voorgaande, of toekomende tijt gevoegt is. (bezie het Byvoegsel van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) Dieshalven, het beelt van de zaak, in zich alleen aangemerkt, is het zelfde, 't zy zy op de toekomende, of op de verlede, of op de tegenwoordige tijt toegepast word; dat is (volgens de Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel) des lighaams gesteltenis, of hartstocht is de zelfde, 't zy het beelt is van een voorgaande, of toekomende, of tegenwoordige zaak; en dieshalven is de hartstocht van blijschap en droefheit de zelfde, 't zy het beelt is van een voorgaande, of toekomende, of tegenwoordige zaak; gelijk te betogen stond.

Eerste Byvoegsel.--Ik noem een zaak voor zo veel verlede, of toekomende, als wy van de zelfde aangedaan geweest hebben, of aangedaan zullen worden. Tot een voorbeelt, voor zo veel wy de zelfde gezien hebben, of zien zullen, voor zo veel verheugt zy ons, of zal ons verheugen, heeft zy ons beledigt, of zal ons beledigen, enz. Want voor zo veel wy ons de zelfde dus inbeelden, voor zo veel bevestigen wy der zelfder wezentlijkheit: dat is, het lighaam word van geen hartstocht aangedaan, die de wezentlijkheit van de zaak uitsluit en dieshalven (volgens de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) word het lighaam door het beelt van de zelfde zaak op de zelfde wijze aangedaan, als of de zaak zelve tegenwoordig was. Maar dewijl echter dikwijls gebeurt dat de genen, die veel dingen beproeft hebben, vlot en in waggeling zijn, zo lang zy de zaak als toekomende, of verlede aanschouwen, en deurgaans aan d'uitgang van de zaak twijffelen; (bezie het Byvoegsel van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) zo gebeurt het dat de hartstochten, die uit gelijke beelden der dingen spruiten, niet zeer bestandig zijn, maar dat zy dikwijls door de beelden der andere dingen ontroert worden, tot dat de menschen van d' uitgang van de zaak zeker zijn.

Tweede Byvoegsel.--Uit de dingen, die nu gezegt zijn, verstaan wy wat hoop, vrees, gerustheit, wanhoop, vreucht en knaging van geweten is. Want de hoop is niets anders, dan een onbestandige blijschap, uit het beelt van een toekomende, of verlede zaak gesproten, van welker uitgang wy twijffelen. De vrees, in tegendeel, is een onbestandige droef heit, ook uit het beelt van een twijffelachtige zaak gesproten. Wijders, indien de twijffeling dezer hartstochten wechgenomen word, zo word uit hoop gerustheit, en uit vrees wanhoop; namentlijk blijschap, of droefheit, uit het beeelt van de zaak gesproten, die wy gevreest, of gehoopt hebben. Voorts, de vreucht is een blijschap, uit het beelt van een voorgaande zaak gesproten, van welker uitgang wy getwijffelt hebben. Eindelijk, de knaging van geweten is een droefheit, tegen de vreucht gestelt.

3P19
Degeen, die zich inbeeld dat het geen 't welk hy bemint, vernietigt word, zal zich bedroeven; en zich verblijden, zo het bewaart word.
Betoging.--De ziel poogt zo veel, als zy kan, die dingen in te beelden, de welken des lighaams vermogen van te doen vermeerderen, of bevorren; (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) dat is (volgens het Byvoegsel van der zelfder Voorstelling) de dingen, die zy bemint. Marr d' inbeelding word van die dingen gevordert en geholpen, de welken de wezentlijkheit van de zaak stellen, en, in tegendeel, van die dingen ingetoomt, de welken de wezentlijkheit van de zaak uitsluiten; volgens de zeventiende Voorstelling van het tweede deel: dieshalven, de beelden der dingen, de welken de wezentlijkheit van de beminde zaak stellen, helpen en bevorderen de poging der ziel, door de welke zy de beminde zaak poogt in te beelden; dat is (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) doen de ziel met blijschap aan: in tegendeel, de beelden, die de wezentlijkheit van de beminde zaak uitsluiten, tomen de zelfde poging der ziel in; dat is, (volgens het zelfde Byvoegsel) doen de ziel met droefheit aan. De geen dan, die zich inbeeld dat het geen, 't welk hy bemint, vernietigt word, zal zich bedroeven, enz. gelijk te betogen stond.
3P20
De geen, die zich inbeeld dat het geen, 't welk hy haat, vernietigt word, zal zich verblijden.
Betoging.--De ziel (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) poogt die dingen in te beelden, de welken de wezentlijkheit der zaken, door de welken des lighaams vermogen van te doen vermindert, of ingetoomt word, uitsluiten; dat is (volgens het Byvoegsel van de zelfde Voorstelling) poogt die dingen in te beelden, de welken de wezentlijkheit der zaken, die zy haat, uitsluiten: en dieshalven, het beelt van de zaak, die de wezentlijkheit van 't geen uitsluit, 't welk; van de ziel gehaat word, helpt en bevordert deze poging der ziel; dat is (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) doet de ziel met blijschap aan. De geen dan, die zich inbeeld dat het geen, 't welk hy haat, vernietigt word, zal zich verblijden; gelijk te betogen stond.
3P21
De geen, die zich inbeeld dat het geen, 't welk hy bemint, met blijschap, of met droefheit aangedaan is, zal ook met blijschap, of met droefheit aangedaan worden: en deze beide hartstochten zullen in de minnaar groter, of kleinder wezen, naar dat zy beide groter, of kleinder in de beminde zaak zijn.
Betoging.--De beelden der dingen, (gelijk wy in de negentiende Voorstelling van dit deel betoogt hebben) die de wezentlijkheit van de beminde zaak stellen, helpen en bevorderen de poging van de ziel, daar door zy de beminde zaak zelve poogt in te beelden. Maar de blijschap stelt de wezentlijkheit van de blijde zaak, en zo veel te groter, als de hartstocht van blijschap groter is: (want daar is, volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel, een overgang tot een groter volmaaktheit) dieshalven, het beelt der blyschap van de beminde zaak in de minnaar helpt en bevordert de poging van de ziel zelve; dat is (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) doet de minnaar met blijschap aan, en met zo veel te groter blijschap, als deze hartstocht in de beminde zaak groter heeft geweest; 't welk het eerste was. Wijders, voor zo veel enig ding met droefheit aangedaan word, voor zo veel word het vernietigt, en zo veel te meer, als het met groter droefheit aangedaan word; volgens het zelfde Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel: dieshalven (volgens de negentiende Voorstelling in dit deel) de geen, die zich inbeeld dat het geen, 't welk hy bemint, met droefheit word aangedaan, zal ook met droefheit aangedaan worden, en met zo veel te groter droefheit, als deze hartstocht groter in de beminde zaak geweest zal hebben; gelijk voorgestelt was.
3P22
Indien wy ons inbeelden dat iemant een zaak, die wy beminnen, met blijschap aandoet, zo zullen wy met liefde tot hem aangedaan worden. Indien, in tegendeel, wy ons inbeelden dat de zelfde deze zaak met droefheit aandoet, zo zullen wy ook met haat tegen hem aangedaan worden.
Betoging.--De geen, die de zaak, de welke wy beminnen, met blijschap, of met droefheit aandoet, doet ons ook met blijschap, of met droefheit aan; namelijk, zo wy ons de beminde zaak met blijschap, of met droefheit aangedaan inbeelden; volgens de voorgaande Voorstelling. En deze blijschap, of droefheit word in ons onderstelt met het denkbeelt van een uitterlijke oorzaak verzelt te zijn: dieshalven, (volgens de dartiende Voorstelling in dit deel) indien wy ons inbeelden dat iemant een ding, 't welk wy beminnen, met blijschap, of met droefheit aandoet, zo zullen wy tegen de zelfde met liefde, of met haat aangedaan worden; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--D' eenentwintigste Voorstelling verklaart aan ons, wat medelijden is, die wy konnen bepalen, dat het is een droefheit, uit eens anders schade gesproten. Maar ik weet niet met welke naam de blijschap, die uit eens anders goet spruit, genoemt moet worden. Voorts, de liefde tot de geen, die aan een ander wel gedaan heeft, zullen wy gunst, en, in tegendeel, de haat tegen de geen, die aan iemant quaat gedaan heeft, euvelneeming noemen. Eindelijk staat aan te merken, dat wy niet alleenlijk medelijden met die zaak hebben, de welke wy beminnen; (gelijk wy in de voorgaande eenëntwintigste Voorstelling hebben getoont) maar ook met de gene, die wy te voren met geen genegentheit gevolgt hebben, zo wy de zelfde ons gelijk oordeelen: (gelijk wy hier na zullen tonen) en dat wy dieshalven ook de geen begunstigen, die aan 't gelijke wel gedaan heeft, en, in tegendeel, ons tegen de geen vergrammen, die 't gelijke schade aangedaan heeft.

3P23
De geen, die zich het geen, dat hy haat, met droefheit aangedaan inbeeld, zal zich verblijden: integendeel, indien hy zich het zelfde met blijschap aangedaan te zijn inbeeld, zo zal hy zich bedroeven: en deze beide hartstochten zullen groter of kleinder wezen, naar dat des zelfs strijdige hartstocht groter of kleinder in 't geen is, dat hy haat.
Betoging.--Voor zo veel een hatelijke zaak met droefheit aangedaan word, voor zo veel word zy vernietigt, en zo veel te meer, als zy met groter droefheit word aangedaan; volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel. De geen dan, die (volgens de twintigste Voorstelling van dit deel) zich een zaak, die hy haat, met droefheit aangedaan inbeeld, zal in tegendeel met blijschap aangedaan worden, en met zo veel te groter blijschap, als hy zich inbeeld dat de hatelijke zaak met groter droefheit aangedaan is; 't welk het eerste was. Wijders, de blijschap stelt wezentlijkheit van de blijde zaak, (volgens het zelfde Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) en zo veel te groter, als de blijschap groter word bevat. Indien iemant zich inbeeld dat de geen, die hy haat, met blijschap aangedaan is, zo zal (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) deze inbeelding zijn poging intomen; dat is, (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) de geen, die haat, zal met droefheit aangedaan worden, enz. 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze blijschap kan naauwelijks bestandig, en zonder enige strijt des gemoeds wezen. Want (gelijk ik terstont in de zevenëntwintigste Voorstelling, zal tonen) voor zo veel hy zich inbeeld een zaak, hem gelijk, met de hartstocht van droefheit aangedaan te worden, voor zo veel moet hy zich ook bedroeven; en recht anders, zo hy zich inbeeld dat de zelfde met blijschap aangedaan word. Maar wy merken hier op de haat alleen.

3P24
Indien wy ons inbeelden dat iemant een zaak, die wy haten, met blijschap aandoet, zo worden wy ook met haat tegen hem aangedaan. Maar indien wy, daarëntegen, ons inbeelden dat de zelfde de zelfde zaak met droefheit aandoet, zo worden wy met liefde tot hem aangedaan.
Betoging.--Deze Voorstelling word op de zelfde wijze betoogt, als de tweeëntwintigste Voorstelling van dit deel, die men na te zien heeft.

Byvoegsel.--Deze en diergelijke hartstochten van haat worden op de nijt toegepast, die dieshalven niets anders is, dan de haat zelf voor zo veel de zelfde aangemerkt word dat zy de mensch in dier voegen geschikt maakt, dat hy in eens anders quaat vermaak schept, en, in tegendeel, dat hy zich over des zelfs goet bedroeft.

3P25
Wy pogen dit alles van ons, en van de beminde zaak te bevestigen, 't welk wy ons inbeelden dat ons, of de beminde zaak met blijschap aandoet; en, in tegendeel, dit alles t' ontkennen, 't welk wy ons inbeelden dat ons, of de beminde zaak met droefheit aandoet.
Betoging.--Dit, 't welk wy ons inbeelden dat de beminde zaak met blijschap, of met droefheit aandoet, doet ons ook met blijschap, of met droefheit aan; volgens d' eenëntwintigste Voorstelling van dit deel: maar de ziel poogt, (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) zo veel als haar mogelijk is, die dingen, de welken ons met blijschap aandoen, in te beelden, dat is (volgens de zeventiende Voorstelling van het tweede deel, en des zelfs Toegift) als tegenwoordig t'aanschouwen, en in tegendeel (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) de dingen, die ons met droefheit aandoen, en der zelfder wezentlijkheit uit te sluiten. Dieshalven, wy pogen van ons, en van de beminde zaak dit alles te bevestigen, 't welk wy ons inbeelden dat ons, of de beminde zaak met blischap aandoet; en in tegendeel, gelijk te betogen stond.
3P26
Wy pogen van de zaak, die wy haten, al 't geen te bevestigeu, 't welk wy ons inbeelden dat haar met droefheit aandoet, en in tegendeel dat t' ontkennen, 't welk wy ons inbeelden dat haar met blijschap aandoet.
Betoging.--Deze Voorstelling, volgt uit de drieëntwintigste Voorstelling, gelijk de voorgaande uit d' eenëntwintigste Voorstelling van dit deel.

Byvoegsel.--Wy zien dat hier door lichtelijk gebeurt, dat de mensch van zich, en van de beminde zaak hoger gevoelt, dan billijk is, en in tegendeel, van de zaak, die hy haat, laeger gevoelt. Deze inbeelding, als zy haar opzicht op de mensch heeft, die hoger van zich gevoelt, dan billijk is, word verwaantheit genoemt, en is zeker slach van sporeloosheit, om dat de mensch met ope ogen droomt dat hy alle die dingen vermag, de welken hy door d' inbeelding alleen bekoomt, en die hy dieshalven als zakelijk aanschout, en zich daar over verheugt, zo lang hy die dingen zich niet kan inbeelden, de welken der zelfder wezentlijkheit uitsluiten, en zijn vermogen van te doen bepalen. De verwaantheit dan is een blijschap, hier uit gesproten, dat de mensch hoger, dan billijk is, van zich gevoelt. Wijders, de blijschap, die hier uitspruit, dat de mensch van een ander hoger, dan billijk is, gevoelt, word achting, en eindelijk die blijschap, de welke hier uitspruit, dat hy van een ander laeger gevoelt, dan billijk is, verachting genoemt.

3P27
Hier uit, dat wy ons inbeelden dat een zaak, ons gelijk, en die wy met geen hartstocht vervolgt hebben, met enige hartstocht aangedaan word, worden wy met gelijke hartstocht aangedaan.
Betoging.--De beelden der dingen zijn d'aandoeningen van 't menschelijk lighaam, welker denkbeelden d'uitterlijke lighamen als tegenwoordig aan ons vertonen; (volgens het Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) dat is (volgens de zestiende Voorstelling van het tweede deel) welker denkbeelden de natuur van onz lighaam, en te gelijk de tegenwoordige natuur van 't uitterlijk lighaam insluiten. Indien dan de natuur van 't uitterlijk lighaam met de natuur van onz lighaam gelijk is, zo zal het denkbeelt van 't uitterlijk lighaam, 't welk wy inbeelden, een aandoening onzes lighaams, die met d' aandoening van 't uitterlijk lighaam gelijk is, insluiten; en by gevolg, indien wy ons inbeelden dat iemant, ons gelijk, met enige hartstocht aangedaan is, zo zal deze inbeelding een aandoening, met deze aandoening onzes lighaams gelijk, uitdrukken. Dieshalven, hier uit, dat wy ons inbeelden dat enig ding, ons gelijk, met enige hartstocht aangedaan word, worden wy met een zelfde hartstocht, als dat ding zelf, aangedaan. Maar indien wy een zaak, ons gelijk, haten, zo worden wy dus verre (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van dit deel) met een hartstocht, die daar tegen strijdig is, aangedaan, en niet met een gelijke; gelijk voorgestelt wierd.

Byvoegsel.--Deze navolging van hartstochten, op de droefheit toegepast, word medelijden, (bezie hier af het Byvoegsel van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel) en, op de begeerte toegepast, nayvering genoemt; de welke dieshalven niets anders is, dan de begeerte van enig ding, de welke in ons hier uit geboren word, dat wy ons inbeelden dat anderen, ons gelijk, de zelfde begeerte hebben.

Eerste Toegift.--Indien wy ons inbeelden dat iemant een zaak, ons geljk, en de welke wy met geen hartstocht nagejaagt hebben, met blijschap aandoet, zo zullen wy met liefde tot hem aangedaan worden: in tegendeel, indien wy ons inbeelden dat de zelfde de zelfde zaak met droefheit aandoet, zo zullen wy met haat tot hem aangedaan worden.

Betoging.--Dit word op de zelfde wijze uit de voorgaande Voorstelling betoogt, als de tweeëntwintigste Voorstelling van dit deel uit d'eenentwintigste Voorstelling.

Tweede Toegift.--Wy konnen een zaak, daar wy deernis meê hebben, niet om dat der zelfder elende ons met droefheit aandoet.

Betoging.--Want indien wy daarom de zelfde konden haten, zo zouden wy (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van dit deel) ons uit der zelfder droefheit verblijden; 't welk tegen d'onderstelling is.

Darde Toegift.--Wy zullen, zo veel als ons mogelijk is, pogen de zaak daar over wy deernis hebben, van elende te verlossen.

Betoging.--Het geen, 't welk de zaak, daar over wy deernis hebben, met droefheit aandoet, doet ons ook met gelijke droefheit aan; volgens de voorgaande Voorstelling. En dieshalven zullen wy pogen al het geen, dat de wezentlijkheit van die zaak wechneemt, of dat de zaak vernietigt, te gedenken; (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) dat is (volgens het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) wy zullen trachten dit te vernietigen, of wy zullen bepaalt worden tot dit te vernietigen: en dieshalven zullen wy pogen de zaak, daar over wy deernis hebben, van haar elende te verlossen; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze wil, of deze luft van wel te doen, die hier uit spruit, dat wy deernis over de zaak hebben, aan de welke wy weldaat willen doen, word goetwilligheit genoemt, de welke dieshalven niets anders is, dan een begeerte uit medelijden gesproten. Voorts, wat de liefde en haat tot de geen aangaat, die de zaak, de welke wy ons inbeelden ons gelijk te zijn, goet of quaat aangedaan heeft, bezie hier af het Byvoegsel van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel.

3P28
Wy pogen al 't geen te bevorderen, 't welk wy ons inbeelden tot blijschap dienstig te zijn, en in tegendeel al 't geen af te weren, of te vernietigen, 't welk wy ons inbeelden tot droefheit te konnen strekken.
Betoging.--Wy pogen, zo veel als wy konnen, het geen in te beelden, dat wy ons inbeelden tot blijschap te konnen strekken: (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) dat is, (volgens de zeventiende Voorstelling van het tweede deel) wy zullen pogen, zo veel als ons mogelijk is, het zelfde als tegenwoordig, of als warelijk wezentlijk zijnde, t' aanschouwen. Maar de poging van de ziel, of het vermogen in te denken, en gezamentlijk de natuur is gelijk met des lighaams poging, of macht in te werken; gelijk klarelijk volgt uit de Toegift van de zevende Voorstelling, en uit de Toegift van d' elfde Voorstelling in het tweede deel. Dieshalven pogen wy volstrektelijk dat het zelfde wezentlijk zy, of ('t welk, volgens het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel, het zelfde is) wy hebben 'er trek toe, en doen 'er onze best om, 't welk het eerste was. Voorts, indien wy dit, 't welk wy geloven oorzaak van droefheit te zijn, dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) indien wy ons inbeelden dat dit, 't welk wy haten, vernietigt word, zo zullen wy ons verblijden; volgens de twintigste Voorstelling in dit deel: en dieshalven zullen wy (volgens 't eerste deel van deze Voorstelling) het zelfde pogen te vernietigen, of (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) van ons af te weren, op dat wy het zelfde niet als tegenwoordig zouden aanschouwen; 't welk het tweede was.
3P29
Wy zullen ook pogen al 't geen te doen, 't welk, gelijk wy ons inbeelden, de menschen met blijschap aanschouwen; en, in tegendeel, zy zullen een afkeer hebben van het geen te doen, van 't welk de menschen, gelijk wy ons inbeelden, een afkeer hebben.
Betoging.--Hier uit, dat wy ons inbeelden dat de menschen iets beminnen, of haten, zullen wy het zelfde beminnen, of haten; (volgens de zevenentwintigste Voorstelling in dit deel) dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) daar door zelfs zullen wy ons over de tegenwoordigheit van die zaak of verblijden, of bedroeven: en dieshalven (volgens de voorgaande Voorstelling) zullen wy pogen al 't geen te doen, 't welk, gelijk wy ons inbeelden, de menschen beminnen, of met blijschap aanschouwen, enz. gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze poging van iets te doen, en ook van iets na te laten, alleenlijk daarom, op dat wy aangenaam aan de menschen zouden wezen, word roemzucht genoemt; voornamelijk als wy zo gratiglijk pogen het gemeen volk te behagen, dat wy, met onze, of eens anders schade, enige dingen pogen te doen, of na te laten: andersins heeft zy gemenelijk de naam van heusheit Wijders, ik noem die blijschap lof, met de welke wy ons de doening van een ander inbeelden, daar meê hy gepoogt heeft ons te verheugen, en in tegendeel lafter die droefheit, daar door wy een afkeer van zijn bedrijf hebben.

3P30
Indien iemant iets gedaan heeft, 't welk, gelijk hy zich inbeeld, d' anderen met blischap aandoet, deze, van zijn denkbeelt, als des zelfs oorzaak, verzelt, zal met blijschap aangedaan worden, of zich zelf met blijschap aanschouwen. In tegendeel, indien hy iets doet, 't welk, gelijk hy zich inbeeld, d' anderen met droefheit aandoet, zo zal hy zich zelf met droefheit aanschouwen.
Betoging.--De geen, die zich inbeeld dat hy d' anderen met blijschap, of met droefheit aandoet, zal daar door (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel) met blijschap, of met droefheit aangedaan worden. Maar dewijl de mensch (volgens de negentiende en drieëntwintigste Voorstelling van het tweede deel) van zich zelf meêwustig is door d' aandoeningen, door de welken hy tot doen bepaalt word, zo zal de geen, die iets gedaan heeft, 't welk, gelijk hy zich inbeeld, d' anderen met blijschap aandoet, van blijschap, met bewustheit van zich zelf, als d' oorzaak van zijn blijschap, aangedaan worden, of zich zelf met blijschap aanschouwen: en in tegendeel, gelijk voorgestelt is.

Byvoegsel.--Dewijl de liefde (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) een blijschap is, die van het denkbeelt van een uitterlijke zaak verzelt is, zo zal dan deze blijschap en droef heit zeker slach van liefde en haat wezen. Maar vermits de liefde en haat tot d' uitterlijke voorwerpen toegepast worden, zo zullen wy deze hartstochten met andere namen aanwijzen: te weten, wy zullen de blijschap, van het denkbeelt van een innerlijke oorzaak verzelt, roem, en de droef heit, hier tegen strijdig, schaamte noemen; ik wil zeggen dat, als de blijschap, of droefheit hier uit spruit, de mensch meent dat hy geprezen, of gelastert word: andersins zal ik de blijschap, van het denkbeelt van een inwendige oorzaak verzelt, met de naam van gerustheit op zich zelf, en de droefheit, daar tegen strijdig, met de naam van berou aanwijzen. Wijders, dewijl het (volgens de Toegift van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) gebeuren kan dat de blijschap, met de welke iemant zich inbeeld d' anderen aan te doen, alleenlijk inbeeldig is, en (volgens de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel) yder poogt alles zich in te beelden, 't welk hy meent dat hem met blijschap aandoet, zo kan lichtelijk gebeuren, dat de roemrijke verwaant is, en zich inbeeld dat hy by alle menschen aangenaam is, als hy aan alle tot een last verstrekt.

3P31
Indien wy ons inbeelden dat iemant iets bemint, begeert, of haat, 't welk wy zelf beminnen, begeren, of haten, zo zullen wy daarom die zaak stantvastiglijker beminnen, enz. Maar indien wy ons inbeelden dat hy een afkeer of tegenheit van 't geen heeft, dat wy beminnen, of in tegendeel, dat hy 't geen bemint, 't welk wy haten, zo zullen wy zekere vlotheit des gemoeds lijden.
Betoging.--Hier om alleen, dat wy ons inbeelden dat iemant iets bemint, zullen wy het beminnen; volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel: maar wy onderstellen dat wy, zonder dit, het zelfde beminnen; zo koomt 'er dan nieuwe oorzaak by de liefde, van de welke zy gequeekt word; en dieshalven zullen wy dit, dat wy beminnen, hier door stantvastelijker beminnen. Wijders, hier uit, dat wy ons inbeelden dat iemant een afkeer van iets heeft, daaröm zullen wy 'er ook een afkeer af hebben; volgens de zelfde Voorstelling. Maar indien wy onderstellen dat wy ter zelfde tijt het zelfde beminnen, zo zullen wy ter zelfde tijt het zelfde beminnen, en te gelijk af keerig daar af wezen, of (volgens het Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in dit deel) vlotheit des gemoeds lijden; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit, en uit d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel volgt dat yder, zo veel als hem mogelijk is, poogt dat yder het geen, 't welk hy zelf bemint, zal beminnen, en dat hy ook het geen, 't welk hy haat, zal haten. Hier uit spruit dit van de Dichter: wy minnaars hopen gezamentlijk, en vrezen gezamentlijk; straf en onbuigsaam is hy, die het geen bemint, 't welk van een ander gelaten word.

Byvoegsel.--Deze poging van uit te werken dat yder het geen, 't welk hy zelf bemint, of haat, zal goet keuren, is, warelijk roemzucht. (Bezie het Byvoegsel van de negenëntwintigste Voorstelling in dit deel) En dieshalven zien wy dat yder van natuur begeert dat d' anderen naar zijn zin en verstant leven. En dewijl zy alle gezamentlijk hier naar trachten, zo zijn zy aan malkander een beletsel; en dewijl zy alle van alle geprezen, of bemint willen zijn, zo haten zy elkänder.

3P32
Indien wy ons inbeelden dat iemant zich over een zaak verheugt, die een alleen kan genieten, zo zullen wy pogen te weeg te brengen dat hy die zaak niet geniet.
Betoging.--Hier uit alleen, dat wy ons inbeelden dat iemant over enige zaak verheugt is, zullen wy (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel, met der zelfder eerste Toegift) die zaak bemminen, en ons daar mede begeren te vermaken: maar (volgens d' onderstelling) wy beelden ons in dat dit aan deze blijschap hinderlijk is, dat hy zich over die zaak verheugt; en dieshalven zullen wy (volgens d'achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen dat hy de zelfde niet geniet; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Wy zien dan dat het met de natuur der menschen deurgaans in dier voegen is gestelt, dat zy medelijden met de genen hebben, die in een quade staat staan, en dat zy de genen benijden, die voorspoedig zijn; en (volgens de voorgaande Voorstelling) met zo veel te groter haat, als zy de zaak, die zy zich inbeelden, dat van een ander genoten word, meer beminnen. Wy zien wijders dat uit de zelfde eigenschap van de menschelijke natuur, uit de welke volgt dat de menschen medelijdig zijn, ook volgt dat zy nijdig en roemzuchtig zijn. Eindelijk, indien wy met d' ervarentheit zelve te raat willen gaan, wy zullen bevinden dat zy dit alles leert, voornamelijk zo wy op d' eerste jaren van onz leven zullen merken. Want wy bevinden dat de kinderen, om dat hun lighaam geduriglijk als in gelijk gewicht is, hier om alleen lachen, of huilen, om dat zy anderen zien lachen of huilen; en voorts, al 't geen, dat zy anderen zien doen, begeren zy terstont na te volgen, en willen eindelijk voor zich al 't geen, met het welk, gelijk zy zich inbeelden, anderen zich verheugen: namelijk, om dat de beelden der dingen, gelijk wy gezegt hebben, d' aandoeningen van 't lighaam zelven zijn, of de wijzen, door de welken het menschelijk lighaam van d' uitwendige oorzaken word aangedaan, en geschikt tot dit, of dat te doen.

3P33
Als wy een zaak, ons gelijk, beminnen, zo pogen wy, zo veel als ons mogelijk is, te maken dat zy ons ook bemint.
Betoging.--Wy pogen ons de zaak, die wy beminnen, zo veel, als ons mogelijk is, boven d' anderen in te beelden; volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) Indien dan de zaak ons gelijk is, zo zullen wy (volgens de negenëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen haar met blijschap boven d' anderen aan te doen; of wy zullen, zo veel als ons mogelijk is, pogen te weeg te brengen dat de beminde zaak, van blijschap, in 't byzijn van onz denkbeelt, aangedaan word; dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) dat zy ons weêr bemint; gelijk te betogen stond.
3P34
Hoe wy ons inbeelden dat de beminde zaak met groter hartstocht tot ons aangedaan is, hoe wy meer daar op zullen roemen.
Betoging.--Wy pogen (volgens de voorgaande Voorstelling) zo veel als ons mogelijk is, dat de beminde zaak ons weêr bemint; dat is (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) dat de beminde zaak van blijschap, in 't by zijn van onz denkbeelt, aangedaan word. Hoe wy ons dan inbeelden dat de beminde zaak om onzent wil met groter blijschap aangedaan is, hoe deze poging ook meer geholpen en bevordert word; dat is (volgens d' elfde Voorstelling in dit deel, met der zelfder Byvoegsel) hoe wy met groter blijschap aangedaan worden. Maar, gelijk wy ons hier over verblijden, dat wy een ander, ons gelijk, met blijschap aandoen, zo aanschouwen wy ons zelven met blijschap; volgens de dartigste Voorstelling van dit deel. Dieshalven, hoe wy ons inbeelden dat de beminde zaak met groter hartstocht tot ons aangedaan is, hoe wy ons zelven met groter blijschap zullen aanschouwen; of (volgens het Byvoegsel van de dartigste Voorstelling in dit deel) hoe wy meer zullen roemen; 't welk te betogen stond.
3P35
Indien iemant zich inbeeld dat de beminde zaak met de zelfde, of een enger bant van vrientschap, daar meê hy de zelfde alleen genoot, een ander aan zich voegt, zo zal hy met haat tot de beminde zaak zelve aangedaan worden, en haar aan die ander benijden.
Betoging.--Hoe iemant zich inbeeld dat de beminde zaak met groter liefde tot hem aangedaan is, hoe hy meer zal roemen; (volgens de voorgaande Voorstelling) dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartigste Voorstelling in dit deel) zich verblijden. En dieshalven zal hy (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling in dit deel) pogen zo veel, als hem mogelijk is, zich in te beelden dat de beminde zaak op het engste aan hem is verbonden; welke poging, of lust noch aan- gequeekt word, zo hy zich inbeeld dat een ander het zelfde voor hem begeert; volgens d' eenëndartigste Voorstelling van dit deel. Maar men onderstelt dat deze poging, of lust door het beelt van de beminde zaak zelve, verzelt van het beelt van de geen, de welk van de beminde zaak word aangehaalt, ingetoomt word. Dieshalven zal hy (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) daar door zelf met droefheit, die met het denkbeelt van de beminde zaak, als der zelfder oorzaak, verzelt is, en te gelijk met het beelt van die ander aangedaan worden; dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) hy zal met haat tot de beminde zaak aangedaan worden, en te gelijk ook tot die ander, (volgens de Toegift van de vijftiende Voorstelling in dit deel) die hy (volgens de drieëntwintigste Voorstelling in dit deel) daaröm zal benijden, om dat hy door de beminde zaak vermaakt word; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze haat tot de beminde zaak, aan de nijt gevoegt, word yverzucht, of jeloersheit genoemt, de welke dieshalven niets anders is, dan een vlotheit des gemoeds, te gelijk uit liefde en haat gesproten, met het denkbeelt van een ander verzelt, die benijd word. Wijders, deze haat tot de beminde zaak zal groter zijn, naar maat van de blijschap, daar meê d' yverzuchtige, uit de weêrkeerige liefde van de beminde zaak, gemenelijk aangedaan word, en ook naar maat van de hartstocht, met de welk hy tot de geen aangedaan was, die, naar zijn inbeelding, van de beminde zaak aangehaalt. Want indien hy hem haat, zo zal hy daar door ook (volgens de vierëntwintigste Voorstelling in dit deel) de beminde zaak haten, om dat hy zich inbeeld dat het geen, 't welk hy haat, haar met blijschap aandoet; en ook (volgens de Toegift van de vijftiende Voorstelling in dit decl) hierom, dat hy gedwongen is het beelt van de beminde zaak by het beelt van de geen, die hy haat, te voegen. Deze zaak zal deurgaans plaats hebben in de liefde tot een vrou: want de geen, die zich inbeeld dat de vrou, die hy bemint, zich aan een ander overgeeft, zal niet alleenlijk, om dat zijn lust ingetoomt word, bedroeft worden, maar ook een afkeer van haar krijgen, om dat hy genootzaakt is het beelt van de beminde zaak aan het schaamtelijke en aan d' uitwerpselen van een ander te voegen: daar noch eindelijk bijkoomt dat d'yverzuchtige niet van de beminde zaak met het zelfde gelaat, 't welk zy gewonelijk aan hem toonde, word ontfangen: om welke oorzaak de minnaar ook bedroeft word, gelijk ik nu zal tonen.

3P36
De geen, die aan de zaak gedenkt, de welke hem eens vreucht aangebracht heeft, begeert de zelfde omstandigheden, met de welken hy zich te voren daar meê verheugt heeft, te genieten.
Betoging.--Al 't geen, dat de mensch gezamentlijk met de zaak, die hem heeft verheugt, gezien heeft, zal (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) by toeval oorzaak van blijschap wezen; en dieshalven zal hy (volgens d'achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) begeren dit alles, gezamentlijk met de zaak, die hem verheugt heeft, te genieten, of hy zal begeren de zaak in alle haar omstandigheden te genieten, gelijk hy te voren zich daar meê verheugt heeft; 't welk te betogen stond.

Toegift.--Indien men dan bevind dat 'er een van deze omstandigheden ontbreekt, zo zal de minnaar droevig worden. Want voor zo veel als hy bevind dat 'er enige omstandigheit ontbreekt, voor zo veel beeld hy zich iets in, dat de wezentlijkheit van die zaak uitsluit. Maar dewijl hy, uit oorzaak van de liefde, (volgens de voorgaande Voorstelling) begerig naar die zaak, of naar die omstandigheit is, zo zal hy (volgens de negentiende Voorstelling van dit deel) bedroeft worden, voor zo veel hy zich inbeeld dat 'er de zelfde ontbreekt; 't welk te betogen was.

Byvoegsel.--Deze droefheit, voor zo veel zy op 't afwezen van 't geen ziet, dat wy beminnen, word verlangen genoemt.

3P37
De begeerte, die uit de droefheit of blijschap, en uit de haat of liefde spruit, is zo veel te groter, als de hartstocht groter is.
Betoging.--De droefheit vermindert, of beteugelt des menschen macht van te doen; (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) dat is, (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) vermindert of beteugelt de poging, door de welke de mensch poogt in zijn wezen te blijven, en is dieshalven (volgens de vijfde Voorstel- ling van dit deel) strijdig tegen deze poging; en al 't geen, dat de mensch poogt, die met droef heit aangedaan word, is droefheit af te weren. Maar (volgens de Bepaling van de droefheit) hoe de droefheit groter is, hoe zy ook nootzakelijk een groter deel van des menschen macht van te doen tegenstaat. Dieshalven, hoe de droefheit groter is, hoe de mensch ook met groter macht van te doen zal pogen de droefheit te verdrijven: dat is (volgens het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) hy zal met te groter begeerte en lust de droefheit pogen te verdrijven. Wijders, dewijl de blijschap (volgens het zelfde Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) des menschen macht van te doen vermeerdert, of bevordert, zo kan door de zelfde middel lichtelijk betoogt worden, dat de mensch, met blijschap aangedaan, niets anders begeert, dan de zelfde te behouden, en dit met zo veel te groter begeerte, als de blijschap groter zal wezen. Eindelijk, dewijl de haat en liefde zelven hartstochten van droefheit en blijschap zijn, zo volgt op gelijke wijze dat de poging, lust, of begeerte, die uit oorzaak van de haat, of liefde te voorschijn koomt, groter zal zijn naar de maat van de haat en liefde; 't welk te betogen stond.
3P38
Indien iemant de beminde zaak in dier voegen heeft beginnen te haten, dat de liefde gantschelijk uitgewischt word, zo zal hy de zelfde met groter haat, uit gelijke oorzaak gesproten, vervolgen, dan of hy haar nooit bemint had, en met zo veel te groter haat, als de liefde te voren groter heeft geweest.
Betoging.--Want indien iemant de zaak, die hy bemint, begint te haten, zo zullen meer van zijn lusten ingetoomt worden, dan of hy de zelfde nooit bemint had. Want de liefde is een blijschap, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) die de mensch, zo veel als hem mogelijk is, (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) poogt te behouden; en dit (volgens het zelfde Byvoegsel) met de beminde zaak als tegenwoordig t'aanschouwen, en de zelfde (volgens d' eenëntwintigste Voorstelling in dit deel) met blijschap, zo veel als hem mogelijk is, aan te doen; welke poging (volgens de voorgaande Voorstelling) zo veel te groter is, als de liefde ook groter is, gelijk ook de poging van te weech te brengen dat de beminde zaak daarëntegen hem ook bemint. (Bezie de drieëndartigste Voorstelling van dit deel.) Maar deze pogingen worden met haat tot de beminde zaak geparst; volgens de Toegift van de drieendartigste Voorstelling in dit deal: dieshalven zal de minnaar (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) ook om deze oorzaak met droefheit aangedaan worden, en met zo veel te groter droefheit, als de liefde groter heeft geweest: dat is, behalven de droefheit, die d' oorzaak van de haat heeft geweest, spruit noch een andere, te weten hier uit, dat hy de zaak bemint heeft; en by gevolg zal hy met groter hartstocht van droefheit de beminde zaak aanschouwen, dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) met groter haat vervolgen, dan of hy haar niet bemint had, en met zo veel te groter haat, als de liefde groter heeft geweest; 't welk te betogen stond.
3P39
De geen, die iemant haat, zal pogen hem quaat aan te doen, 't en zy hy vreest dat daar uit groter quaat voor hem zal voortkomen: in tegendeel, de geen, die iemant bemint, zal, op de zelfde wijze pogen hem wel te doen.
Iemant te haten, is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) zich iemant als d' oorzaak van zijn droefheit in te beelden. Dieshalven, (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) de geen, die iemant haat, zal pogen hem te verdrijven, of te vernietigen. Maar indien hy daar uit iets droeviger, of ('t welk het zelfde is) enig groter quaat voor zich vreest, en gelooft dat hy dit kan ontgaan met den geen, die hy haat, met dat quaat, 't welk hy overwoog, aan te doen, zo zal hy begeten zich t' onthouden van hem quaat aan te doen, (volgens de zelfde achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) en dit (volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) met groter poging dan de gene, daar door hy gehouden was hem quaat aan te doen; welke poging dieshalven, gelijk wy wilden, d' overhant zal verkrijgen. De Betoging van het tweede deel gaat op gelijke wijze voort.

Byvoegsel.--By goet versta ik hier allerhande blijschap; en wijders het geen, dat tot de zelfde dienstig is, en voornamelijk dit, 't welk het verlangen, hoedanig het ook is, voldoet; en by quaat alderhande droefheit, en voornamelijk deze, die ons van onz verlangen berooft. Want hier voor (in het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) hebben wy getoont, dat wy niets begeren om dat wy het goet oordeelen te zijn: maar in tegendeel, wy noemen het goet, om dat wy het begeren, en by gevolg dit quaat, van 't welk wy een afkeer hebben. Dieshalven, yder oordeelt, ofschat naar zijn hartstocht en drift wat goet, wat quaat, wat beter, wat erger, en eindelijk wat best en ergst is. Dus oordeelt een gierigaart, dat d' overvloet van gelt best, en 't gebrek daar af, ergst is. Maar d' eerzuchtige begeert niets zo zeer, als de roem, en in tegendeel ontziet niets zo zeer als de schande. Wijders, den nijdige is niets aangenamer, dan eens anders ongeluk, en niets lastiger, dan eens anders geluk; en dus oordeelt yder, naar zijn hartstocht, dat enig ding goet of quaat, nut of onnut is. Voorts, deze hartstocht, door de welke de mensch dus geschikt word, dat hy dit, 't welk hy wil, niet wil, of dat hy dit wil, 't welk hy niet wil, word schroomte genoemt, die dieshalven niets anders is, dan vrees, voor zo veel de mensch van de zelfde geschikt word tot het quaat, dat hy toekomende oordeelt, door een minder quaat te schouwen. (bezie d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) Maar indien het quaat, 't welk hy schroomt, schaamte is, zo word de schroomte beschaamtheit genoemt. Eindelijk, indien de begeerte van het toekomende quaat te schuwen door de schroom van eens anders quaat in dier voegen ingetoomt word, dat hy niet weet wat hy liever wil, zo word de vrees verbaastheit genoemt, voornamelijk zo de beide quaden, daar voor men schroomt, van de grootsten zijn.

3P40
De geen, die zich inbeeld dat iemant hem haat, en gelooft dat hy geen oorzaak van te haten aan hem heeft gegeven, zal de zelfde ook haten.
Betoging.--De geen, die zich inbeeld dat iemant met haat aangedaan is, zal ook met de zelfde haat aangedaan worden; (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) met droefheit, die met het denkbeelt van d' uitwendige oorzaak verzelt is. Maar hy (by onderstelling) beeld zich geen oorzaak van deze droefheit in, als de geen, die hem haat: dieshalven hieröm, dat hy zich inbeeld dat iemant hem haat, zal hy met droefheit aangedaan worden, die met het denkbeek van de geen, die hem haat, verzelt is; of (volgens het zelfde Byvoegsel) hy zal de zelfde haten; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Maar indien hy zich inbeeld dat hy aan hem gerechtige oorzaak van haat gegeven heeft, zo zal hy (volgens de dartigste Voorstelling van dit deel, en der zelfder Byvoegsel) met schaamte aangedaan worden. Maar dit (volgens de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel) gebeurt zeer zelden. Wijders, deze wederkering van haat kan ook hier uit rijzen, dat de poging om den geen, die men haat, quaat aan te doen, op de haat volgt; volgens de negenëndartigste Voorstelling van dit deel. De geen dan, die zich inbeeld dat iemant hem haat, zal zich ook inbeelden dat de zelfde d' oorzaak van enig quaat, of droefheit is, en dieshalven met droefheit, of met vrees aangedaan worden, terwijl het denkbeelt van de geen, die hem haat, als d' oorzaak, daar by is, dat is, hy zal ook met haat aangedaan worden; gelijk te voren gezegt is.

Eerste Toegift.--De geen, die zich inbeeld dat de geen, die hy bemint, met haat tot hem aangedaan is, zal gezamentlijk van haat en liefde bestreden worden: want voor zo veel hy zich inbeeld dat de zelfde hem haat, zo word hy ook bepaalt (volgens de voorgaande Voorstelling) tot de zelfde te haten: maar (volgens d' Onderstelling) hy bemint hem echter: dieshalven zal hy gelijkelijk van haat en liefde bestreden worden.

Tweede Toegift.--Indien iemant zich inbeeld dat iemant, tot de welk hy te voren met geen hartstocht was ingenomen, hem, uit haat, enig quaat aangedaan heeft, Zo zal hy terstont pogen hem met gelijk quaat te vergelden.

Betoging.--De geen, die zich inbeeld dat iemant met haat tegen hem aangedaan is, zal (volgens de voorgaande Voorstelling) hem ook haten, en (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen dit alles uit te vinden, 't welk de zelfde met droefheit kan aandoen, en trachten dit aan de zelfde (volgens de negenëndartigste Voorstelling van dit deel) toe te brengen: maar (volgens d' onderstelling) 't eerste, 't welk de zodanige zich inbeeld, is het quaat, hem aangedaan: dieshalven zal hy terstont pogen het zelfde den zelfde aan te doen; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--De poging om den geen, die wy haten, quaat aan te doen, word gramschap genoemt: en de poging om het quaat, dat ons aangedaan is, te vergelden, word wraak geheten.

3P41
Indien iemant zich inbeeld dat iemant hem bemint, en niet gelooft dat hy enige oorzaak daar toe heeft gegeven, ('t welk, volgens de Toegift van de vijftiende Voorstelling, en volgens de zestiende Voorstelling van dit deel, kan geschieden) zo zal de zelfde hem weêr beminnen.
Dit word op de zelfde wijze betoogt, als de voorgaande Voorstelling, daar af men ook het Byvoegsel na te zien heeft.

Byvoegsel.--Maar indien hy gelooft dat hy gerechtige oorzaak van liefde heeft gegeven, zo zal hy zich beroemen; (volgens de dartigste Voorstelling van dit deel, met der zelfder Byvoegsel) 't welk (volgens de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel) dikwijls gebeurt, en dat, gelijk wy gezegt hebben, recht anders voorvalt, als iemant zich inbeeld dat iemant hem haat. Bezie het Byvoegsel van de voorgaande Voorstelling. Voorts, deze wederkerige liefde, en by gevolg (volgens de negenëndartigste Voorstelling van dit deel) de poging van wel te doen aan de geen, die ons bemint, en die (volgens de zelfde enegenendartigste Voorstelling van dit deel) aan ons poogt wel te doen, word dankbewijs, of dankbaarheit genoemt: en dieshalven blijkt dat de menschen veel vaerdiger zijn tot wraak, dan tot weldaat te vergelden.

Toegift.--De geen, die zich inbeeld dat hy van de geen bemint word, die hy haat, word gelijkelijk van haat en liefde bestreden; 't welk op de zelfde wijze getoont word, als d' eerste Toegift van de voorgaande Voorstelling.

Byvoegsel.--Indien de haat d' overhant verkrijgt, zo zal hy pogen den geen, die hem bemint, quaat aan te doen; en deze hartstocht word wreètheit genoemt, voornamelijk zo men gelooft dat de geen, die bemint, geen gemene oorzaak van haat heeft gegeven.

3P42
De geen, die, door liefde, of door hoop van roem bewogen, aan iemant weldaat heeft gedaan, zal bedroeft worden, zo hy ziet dat de weldaat met een ondankbaar gemoed ontfangen word.
Betoging.--De geen, die enig ding, hem gelijk, bemint, poogt, zo veel als hem mogelijk is, dat het zelfde hem weêr bemint; volgens de drieëndartigste Voorstelling van dit deel. De geen dan, die, uit oorzaak van liefde, aan iemant weldaat bewijst, doet zulks uit verlangen 't welk hy heeft van weêr bemint te worden; dat is (volgens de vierëndartigste Voorstelling van dit deel) door hoop van roem, of (volgens het Byvoegsel van de dartigste Voorstelling van dit deel) van blijschap; en dieshalven (volgens de twaalfde Voorstelling in dit deel) zal hy pogen deze oorzaak van roem, zo veel als hy kan, zich in te beelden, of, als dadelijk wezentlijk zijnde, t' aanschouwen: maar (volgens d' onderstelling) hy beeld zich iets anders in; 't welk de wezentlijkheit van de zelfde zaak uitsluit: dieshalven zal hy (volgens de negentiende Voorstelling van dit deel) daaröm bedroeft worden: 't welk te betogen stond.
3P43
De haat word door wederkerige haat vermeerdert, en kan daarëntegen door liefde uitgewischt worden.
Betoging.--De geen, die zich inbeeld dat de geen, die hy haat, weêr met haat tegen hem aangedaan is, zal daar door (volgens de veertigste Voorstelling van dit deel) met nieuwe haat ontsteken worden, terwijl (volgens d' onderstelling) d' eerste noch duurt. Maar indien hy, in tegendeel, zich inbeeld dat de zelfde met liefde tot hem aangedaan is, zo zal hy, voor zo veel hy zich dit inbeeld, zich zelf (volgens de dartigste Voorstelling van dit deel) met blijschap aanschouwen, en ook (volgens de negenëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen hem te behagen; dat is (volgens de veertigste Voorstelling van dit deel) hy poogt zo verre hem niet te haten, en met geen droef heit aan te doen: en deze poging (volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) zal groter of kleinder zijn, naar mate van de hartstocht, daar zy uit spruit. Dieshalven, indien zy groter is dan de gene, die uit haat spruit, en daar door hy de zaak, die hy haat, (volgens de zesentwintigste Voorstelling van dit deel) poogt met droefheit aan te doen, zo zal zy d' overhant daar over verkrijgen, en de haat uit de ziel wisschen; 't welk te betogen stond.
3P44
De haat, die van de liefde gantschelijk word verwonnen, gaat tot liefde over; en dieshalven is de liefde groter, dan of de haat niet voorgegaan was.
Betoging.--De Betoging hier afgaat op de zelfde wijze voort, als de gene van d'achtëndartigste Voorstelling in dit deel. Want de geen, die de zaak, de welk hy haat, of die hy met droefheit plag t' aanschouwen, begint te beminnen, verblijd zich daaröm, dat hy haar bemint; en by deze blijschap, de welke van de liefde ingesloten word, (bezie der zelfder Bepaling in 't Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) komt ook de gene by, die hier uit spruit, dat de poging om de droef heit te verdrijven, die de haat in zich sluit (gelijk wy in de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel vertoont hebben) ganschelijk geholpen word, terwijl het denkbeelt van de geen, die hy haatte, als d' oorzaak, daar by is.

Byvoegsel.--Hoewel het met de zaak dus is gelegen, zo zal echter niemant pogen enig ding te haten, of dat het met droefheit aangedaan word, om deze groter blijschap te genieten: dat is, niemant zal, op hoop van de schade te vergoeden, begeren zich zelf schade aan te doen, noch wenschen ziek te zijn, op hoop van weêr gezont te worden. Want yder zal altijt pogen zijn wezen te behouden, en de droefheit, zo veel als hem mogelijk is, te verdrijven. Doch indien men daarëntegen kan bevatten, dat de mensch kan begeren iemant te haten, om hem daar na met groter liefde te beminnen, zo zal hy altijt begeren de zelfde te haten. Want hoe de haat groter geweest zal hebben, hoe de liefde ook groter zal wezen; en dieshalven zal hy altijt begeren dat de haat groter en groter word: en om de zelfde oorzaak zal de mensch pogen meer en meer ziek te zijn, om namaals uit de gezontheit, die hy weder zal bekomen, groter blijschap te genieten; en dieshalven zal hy pogen altijt ziek te wezen: 't welk (volgens de zeste Voorstelling van dit deel) ongerijmt is.

3P45
Indien iemant zich inbeeld dat iemant, hem gelijk, met haat tot een zaak, hem gelijk, en die hy bemint, aangedaan is, zo zal hy de zelfde haten.
Betoging.--Want de beminde zaak haat weêr de geen, die daar haat; volgens de veertigste Voorstelling van dit deel: in voegen dat de minnaar, die zich inbeeld dat iemant de beminde zaak haat, zich daaröm ook inbeeld dat de beminde zaak met haat, dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) met droefheit aangedaan is, en by gevolg zich bedroeft, en dit terwijl het denkbeelt van de geen, die de beminde zaak haat, als d' oorzaak, daar by is: dat is (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) hy zal hem haten; 't welk betoogt moest worden.
3P46
Indien iemant van een ander van een zelfde stant, of van een volk, van het zijne verscheiden, met blijschap, of droefheit aangedaan heeft geweest, terwijl zijn denkbeelt, onder d'algemene naam van stant, of volk, als d'oorzaak, daar by is, zo zal deze niet alleenlijk hem, maar alle de genen van de zelfde stant, of van het zelfde volk beminnen, of hatën.
Betoging.--De Betoging van deze zaak blijkt uit de zestiende Voorstelling van dit deel.
3P47
De blijschap, die hier uit spruit, namelijk, dat wy ons inbeelden dat de zaak, die wy haten, vernietigt, of met enig ander quaat aangedaan word, koomt niet voort zonder enige droefheit des gemoeds.
Betoging.--De Betoging blijkt uit de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel. Want voor zo veel wy ons inbeelden dat een zaak, ons gelijk, met droef heit aangedaan word, voor zo veel worden wy bedroeft.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling kan ook uit de Toegift van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel betoogt worden. Want zo dikwijls als wy aan een zaak gedenken, hoewel zy niet dadelijk wezentlijk is, zo aanschouwen wy echter de zelfde als tegenwoordig, en het lighaam word op de zelfde wijze aangedaan, als of zy tegenwoordig was. Dieshalven; voor zo veel de geheugenis van de zaak varsch is, voor zo veel word de mensch bepaalt tot de zelfde met droef heit t' aanschouwen. Deze bepaling word, terwijl het beelt van de zaak noch blijft, wel door de geheugenis van die dingen, de welken de wezentlijkheit hier af uitsluiten, ingetoomt, maar niet wechgenomen: en dieshalven verblijd de mensch zich zo verre, als deze bepaling ingetoomt word. En hier uit gebeurt het dat deze blijschap, de welke uit elende van die zaak spruit, de welke wy haten, zo dikwijls herhaalt en vernieut word, als wy aan de zelfde zaak gedenken. Want, gelijk wy gezegt hebben, als het beelt van de zelfde zaak verwekt word, om dat het zelfde de wezentlijkheit van de zaak zelve insluit, zo bepaalt het de mensch tot de zaak met de zelfde droef heit t'aanschouwen, daar meê hy de zelfde plag t'aanschouwen, toen zy wezentlijk was. Maar dewijl hy aan het beelt van de zelfde zaak anderen bygevoegt heeft, die der zelfder wezentlijkheit uitsluiten, zo word deze bepaling tot droefheit terstont ingetoomt; en de mensch verblijd zich van nieus, en dit zo dikwijls, als deze herhaling en vernieuwing geschied. Dit zelfde is ook oorzaak, om 't welk de menschen zich verblijden, zo dikwijls als zy aan enig quaat, dat alreê voorby is, gedenken, en om 't welk zy vermaak scheppen in de gevarelijkheden, van de welken zy verlost zijn, te verhalen. Want als zy zich enig gevaar inbeelden, zo aanschouwen zy het zelfde als noch aanstaande, en worden bepaalt tot het zelfde te vrezen. Deze bepaling word van nieus ingetoomt door het denkbeelt van de verlossing, 't welk de denkbeelden van dit gevaar te zamen hebben gevoegt, toen zy van het zelfde verlost zijn, en maakt hen op nieus verzekert; en dieshalven verblijden zy zich van nieus.

3P48
De liefde en haat (by voorbeelt) tot Pieter zal vernietigt worden, zo de droefheit, die de leste, en de blijschap, die d' eerste insluit, aan d' oorzaak van een ander denkbeelt word gevoegt; en voor zo veel zullen zy beide verslappen, als wy ons inbeelden dat Pieter niet alleen d' oorzaak van een van beide heeft geweest.
Betoging.--De Betoging blijkt uit d' enige Bepaling van liefde en haat, die men in het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel na te zien heeft. Want hieröm alleen word de liefde tot Pieter blijschap, en de haat tot hem droefheit genoemt, namelijk om dat Pieter aangemerkt word d' oorzaak van deze, of die hartstocht te wezen. Indien dit dan geheellijk, of ten deel wechgenomen word, zo zal ook de hartstocht tot Pieter gantschelijk, of ten deel verslappen; gelijk wy voorgaven.
3P49
De liefde en haat tot een zaak, die wy ons inbeelden vry te zijn, moeten uit gelijke oorzaak beide groter wezen, dan tot een, die nootzakelijk is.
Betoging.--De zaak, die wy ons inbeelden vry te zijn, moet (volgens de zevende Bepaling van 't eerste deel) door zich, zonder anderen, bevat worden. Indien wy ons dan inbeelden dat de zelfde d' oorzaak van blijschap, of droefheit is, zo zullen wy daaröm (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling) de zelfde beminnen, of haten; en dit (volgens de voorgaande Voorstelling) met de grootste liefde, of haat, de welk uit een gestelde hartstocht kan voortkomen. Maar indien wy ons de zaak, die oorzaak van de zelfde hartstocht is, als nootzakelijk inbeelden, zo zullen wy (volgens de zevende Bepaling van het eerste deel) ons de zelfde niet alleen, maar met anderen, oorzaak van de zelfde hartstocht inbeelden; en dieshalven zal (volgens de voorgaande Voorstelling) de liefde en haat tot de zelfde minder zijn; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hier uit volgt dat de menschen, om dat zy zich vry achten te wezen, malkander met groter liefde, of haat vervolgen, dan d' andere dingen; daar noch de navolging der hartstochten bykoomt. Bezie hier af de zevenëntwintigste, vierëndartigste, veertigste en drieenveertigste Voorstelling van dit deel.

3P50
Yder zaak kan by toeval oorzaak van hoop of vrees wezen.
Betoging.--Dit word opgelijke wijze betoogt, als de vijftiende Voorstelling van dit deel, die men na te zien heeft, gezamentlijk met het . Byvoegsel van d' achtiende Voorstelling in dit deel.

Byvoegsel.--De dingen, die by toeval oorzaken van hoop of vrees zijn, worden goede of quade voorteekenen genoemt. Wijders, voor zo veel deze zelfde voorteekenen oorzaken van hoop, of van vrees zijn, voor zo veel zijn zy (volgens de bepalingen van hoop en vrees, die men in het tweede Byvoegsel van d'achtiende Voorstelling in dit deel na te zien heeft) oorzaken van bljschap, of van droefheit; en by gevolg (volgens de Toegift van de vijftiende Voorstelling in dit deel) beminnen, of haten wy hen zo verre, en (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen hen als middelen tot het geen, dat wy verhopen, aan te wenden, of als verhindernissen, of oorzaken van vrees te verdrijven. Wijders, uit de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel volgt, dat wy van natuur zo gestelt zijn, dat wy de dingen, die wy verhopen, lichtelijk, en de dingen, die wy vrezen, zwarelijk geloven, en daar af hoger af laeger, dan billijk is, gevoelen. En hier uit zijn de waangelovigheden gesproten, van de welken de menschen aan alle zijden bestreden worden. Voorts, ik acht het niet de moeite waerdig te zijn, hier de vlotheden des gemoeds te vertonen, die uit hoop en vrees voortkomen; dewijl uit de Bepaling dezer hartstochten alleen volgt, dat 'er geen hoop zonder vrees, en geen vrees zonder hoop is; gelijk wy op zijn plaats bredelijker zullen verklaren: en wijders, om dat wy, voor zo veel wy iets hopen of vrezen, het zelfde voor zo veel beminnen, of haten. Dieshalven, al 't geen, dat wy van de liefde en haat gezegt hebben, zal yder lichtelijk tot de hoop en vrees konnen toepassen.

3P51
Verscheide menschen konnen verscheidelijk van een en het zelfde voorwerp aangedaan worden; en een en de zelfde mensch kan in verscheide tijden van een en 't zelfde voorwerp verscheidelijk worden aangedaan.
Betoging.--Het menschelijk lighaam (volgens de darde Verëïssching van het tweede deel) word op zeer veel wijzen van uitterlijke lighamen aangedaan. Twee menschen konnen dieshalven in een zelfde tijt verscheidelijk aangedaan wezen, en in dier voegen (volgens d' eerste Kundigheit, de welke na het darde Voorbewijs volgt, 't welk na de dartiende Voorstelling in het tweede deel te zien is) van een en het zelfde voorwerp verscheidelijk aangedaan worden. Wijders (volgens de zelfde Verëïssching) het menschelijk lighaam kan nu op deze, dan op die wijze aangedaan worden, en by gevolg (volgens de zelfde Kundigheit) van een en 't zelfde voorwerp in verscheide tijden verscheidelijk aangedaan worden; gelijkwy voorgaven.

Byvoegsel.--Wy zien dan dat het gebeuren kan dat het geen, 't welk d' een bemint, van d' ander gehaat word, en dat het geen, 't welk d' een vreest, van d' ander niet word gevreest, en dat een en de zelfde mensch nu het geen bemint, dat hy te voren gehaat heeft, en dat hy nu het geen dart bestaan, daar voor hy te voren heeft gevreest, enz. Wijders, dewijl yder naar zijn hartstocht oordeelt, wat goet, wat quaat, wat beter, en wat erger is; (Bezie het Byvoegsel van de negendartigste Voorstelling in dit deel) zo volgt dat de menschen, zo wel in hun oordeel, als in hun hartstocht, konnen veränderen: en hier uit spruit het dat wy, als wy anderen by anderen vergelijken, hen naar de verscheidenheit der hartstochten alleen onderscheiden, en sommigen onversaagt, anderen blode, en eindelijk anderen met een andere naam noemen. Tot een voorbeelt, ik zal de geen onversaagt noemen, die 't quaat verächt, 't welk ik gewent ben te vrezen: en indien ik daarënboven noch hier op merk, dat zijn begeerte om den geen, die hy haat, quaat aan te doen, en den geen, die hy bemint, goet te doen, niet door de vrees van quaat weêrhouden word, daar door ik gemenelijk word weêrhouden, zo zal ik hem stout noemen. Wijders, de geen zal my blode schijnen, die voor het quaat vreest, 't welk ik gemenelijk verächt: en indien ik daarënboven noch hier op merk, dat zijn begeerte door de vrees van 't quaat, 't welk my niet weêrhouden kan, wederhouden word, zo zal ik hem kleinmoedig noemen; en dus zal yder doen. Eindelijk, uit deze onbestandigheit van de menschelijke natuur, en van 't menschelijk oordeel, gelijk ook hieriut, dat de mensch dikwijls volgens zijn hartstocht alleen van de dingen oordeelt, en dat de dingen, de welken, gelijk hy gelooft, tot blijschap, of tot droef heit dienstig zijn, en die hy dieshalven (volgens d' achtentwintigste Voorstelling van dit deel) poogt te doen komen, of af te weren, dikwijls niets anders, dan inbeeldig zijn; (ik verzwijg noch andere dingen, die wy, in het tweede deel, van d' onzeekerheit der dingen getoont hebben) zo bevatten wy lichtelijk dat de mensch dikwijls d' oorzaak kan wezen, zo van dat hy droevig, als van dat hy blijde word, of van dat hy zo wel van droefheit, als van blijschap, beide in tegenwoordigheit van het denkbeelt van zich, als d' oorzaak daar af, aangedaan word. In dezer voegen verstaan wy lichtelijk wat berou, en wat gerustheit in zich is: te weten Berou is een droefheit, met het denkbeelt van zich verzelt; en gerustheit in zich is een blijfchap, van het denkbeelt van zich verzelt, als d' oorzaak. Deze hartstochten zijn zeer geweldig, om dat de menschen geloven dat zy vry zijn. Bezie de negenënveertigste Voorstelling van dit deel.

3P52
Het voorwerp, 't welk wy te voren gelijk met anderen hebben gezien, of 't welk, gelijk wy ons inbeelden, niets heeft, dan dat met veel gemeen is, zullen wy niet zo lang aanschouwen, als het geen, 't welk, gelijk wy ons inbeelden, iets bezonder heeft.
Betoging.--Zo haast als wy ons het voorwerp, dat wy met anderen gezien hebben, inbeelden, zo gedenken wy ook terstont aan d' anderen. (volgens d' achtiende Voorstelling van het tweede deel, van de welke men ook het Byvoegsel na te zien heeft) en dus vervallen wy uit d' aanschouwing van 't een terstont tot d'aanschouwing van 't ander. En dit is de zelfde reden van 't voorwerp, 't welk, gelijk wy ons inbeelden, niets heeft, dan dat met veel gemeen is. Want daarom onderstellen wy, dat wy daar in niets aanschouwen, 't welk wy niet te voren by anderen hebben gezien. Maar als wy onderstellen dat wy ons in enig voorwerp iets bezonder, dat wy te voren nooit gezien hebben, inbeelden, zo zeggen wy niets anders, dan dat de ziel, terwijl zy dit voorwerp aanschout, geen ander in de geest heeft, tot welke beschouwing zy, uit des zelfs beschouwing, kan vervallen; en dieshalven is zy bepaalt tot dat alleen t' aanschouwen.

Byvoegsel.--Deze aandoening der ziel, of bezondere inbeelding van de zaak, voor zo veel zy alleen in de ziel verkeert, word verwondering genoemt, de welke, zo zy uit het voorwerp ontstaat, 't welk wy vrezen, verslagentheit word geheten; om dat de verwondering van 't quaat de mensch in dier voegen in d'enige aanschouwing van zich bezich houd, dat hy op geen andere dingen, door de welken hy dit quaat zou konnen mijden, kan denken. Maar indien het geen, daar over wy verwondert zijn, de voorzichtigheit, naerstigheit, of iets diergelijk van de mensch is, om dat wy aanschouwen dat die mensch ons daar door verre overtreft, zo word de verwondering eerbiedigheit genoemt, andersins afschuwelijkheit, zo wy over de gramschap, nijdigheit enz. van die mensch verwondert zijn. Wijders, indien wy over de voorzichtigheit, naerstigheit, enz. van die mensch, de welk wy beminnen, verwondert zijn, zo zal de liefde daar door (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) groter zijn; en deze liefde, aan de verwondering, of eerbiedigheit gevoegt, word verloving, of overgeving genoemt. En op deze wijze konnen wy ook de haat, hoop, gerustheit, en d'andere hartstochten, aan de verwondering gevoegt, bevatten. In dezer voegen zullen wy meer hartstochten konnen afleiden, dan die gemenelijk met d'aangenome bewoordingen aangewezen worden. Daar uit dan blijkt dat de namen der hartstochten meer uit het gemeen gebruik der zelfder, dan uit hun naaukeurige kennis, gevonden zijn. Tegen de verwondering word de versmading gestelt, daar af echter dit deurgaans d'oorzaak is, namelijk dat wy hier door, dat wy iemant over enig ding verwondert zien, en dat hy het bemint, vreest, enz. of dat wy hier door, dat enig ding met d'eerste aanschouwing gelijk blijkt met de dingen, daar over wy verwondert zijn, die wy beminnen, vrezen, enz. dat wy, zeg ik, daar door (volgens de vijftiende Voorstelling, met der zelfder Toegift, en volgens de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel) bepaalt worden tot over dat ding verwondert te zijn, het zelfde te beminnen, te vrezen, enz. Maar indien wy uit de tegenwoordigheit van de zaak zelve, of uit der zelfder naaukeurige beschouwing gedwongen worden van de zelfde zaak dit alles t' ontkennen, dat d'oorzaak van de verwondering, liefde vrees; enz. kan wezen; zo blijft de ziel, door de tegenwoordigheit van de zaak zelve, meer bepaalt tot die dingen te denken, die niet in 't voorwerp zijn, dan die daar in zijn, hoewel zy echter in tegendeel, uit de tegenwoordigheit van 't voorwerp, gewent is dit voornamelijk, dat in 't voorwerp is, te denken. Wijders, gelijk de verloving, of overgeving uit de verwondering van de zaak, die wy beminnen, voortkoomt, zo spruit de bespotting uit de versmading van de zaak, die wy haten, of vrezen, en de verontwaerdiging uit de versmading van de dwaasheit, gelijk d'eerbiedigheit uit de verwondering van de voorzichtigheit. Eindelijk, wy konnen de liefde, hoop, roem, en d'andere hartstochten aan de versmading gevoegt bevatten, en van daar ook andere hartstochten afleiden, die wy niet gewent zijn met enige bezondere bewoordingen van d'anderen t'onderscheiden.

3P53
Als de ziel zich zelve, en haar vermogen van te doen aanschout, zo word zy verblijd, en zo veel te meer, als zy zich zelve, en haar vermogen van te doen onder scheidelijker inbeeld.
Betoging.--De mensch kent zich zelf niet, dan door d'aandoeningen van zijn lighaam, en der zelfder denkbeelden; volgens de negentiende en drieëntwintigste Voorstellingen van het tweede deel. Dewijl dan de ziel zich zelve kan beschouwen, zo onderstelt men dat zy daar door tot groter volmaaktheit overgaat; dat is (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) met blijschap aangedaan word, en met zo veel te groter blijschap, als zy zich zelve, en haar vermogen van te doen onderscheidelijker kan inbeelden; gelijk wy voorgaven.

Toegift.--Deze blijschap word meer en meer gevoed en aangequeekt, naar dat de mensch zich meer inbeeld dat hy van anderen geprezen word. Want hoe hy zich meer inbeeld dat hy van anderen word geprezen, hoe hy zich ook inbeeld dat hy anderen met groter blijschap aandoet, en dit met zijn denkbeelt verzelt; volgens het Byvoegsel van de negenentwintigste Voorstelling in dit deel: en dieshalven (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel) word hy zelf, in 't gezelschap van zijn denkbeelt, met groter blijschap aangedaan; 't welk te betogen stond.

3P54
De ziel word gedwongen, alleenlijk die dingen in te beelden, de welken haar vermogen van te doen stellen.
Betoging.--De poging, of macht der ziel is zelfs de wezentheit der ziel zelve; volgens de zevende Voorstelling van dit deel. Maar de wezentheit der ziel (gelijk uit zich is bekent) bevestigt alleenlijk dit, dat de ziel is, en vermag, en niet dit, dat zy niet is, noch vermag: en dieshalven poogt zy alleenlijk dit in te beelden, dat haar vermogen van te doen bevestigt, of stelt; 't welk te betogen stond.
3P55
Als de ziel zich haar onmacht inbeeld, zo word zy daar over bedroeft.
Betoging.--De wezentheit der ziel bevestigt dit alleenlijk, dat de ziel is, en vermag; dat is, de natuur van de ziel is alleenlijk die dingen in te beelden, die haar vermogen van te doen stellen; volgens de voorgaande Voorstelling. Als wy dan zeggen, dat de ziel, terwijl zy zich zelve beschout, zich haar onmacht inbeeld, zo zeggen wy niets anders, dan dat, als de ziel zich iets poogt in te beelden, 't welk haar macht van te doen stelt, deze haar poging belet of verhindert word, of (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) dat zy bedroeft word; 't welk te betogen stond.

Toegift.--Deze droef heit word meer en meer gevoed en aangequeekt, zo zy zich inbeeld dat zy van anderen gelastert word: 't welk op de zelfde wijze, als de Toegift van de drieënveertigste Voorstelling in dit deel, betoogt word.

Byvoegsel.--Deze droef heit, van het denkbeelt van onze zwakheit verzelt, word nederigheit genoemt; en de blijschap, die uit de beschouwing van ons zelven spruit, heeft de naam van zelfsliefde, of gerustheit op zich zelf. En dewijl de zelfde zo dikwijls vernieut word, als de mensch zijn deuchden, of zijn vermogen van te doen beschout, zo is dit ook d'oorzaak dat yder zijn daden gaerne wil verhalen, en zo wel de krachten van zijn lighaam, als van zijn gemoed tonen, en dat de menschen om deze oorzaak aan malkander lastig zijn. Uit het welk weder volgt, dat de menschen van natuur nijdig zijn, (bezie het Byvoegsel van de vierëntwintigste Voorstelling, en het Byvoegsel van de tweeëndartigste Voorstelling in dit deel) of zich om de zwakheit van huns gelijken verblijden, en in tegendeel om hun deucht zich bedroeven. Want zo dikwijls yder zich zijn doeningen inbeeld, word hy (volgens de drieënvijftigste Voorstel- ling in dit deel) met blijschap aangedaan, en met zo veel te groter blijschap, als hy zich inbeeld dat zijn doeningen meer volmaaktheit uitdrukken, en als hy de zelfden zich onderscheidelijker inbeeld; dat is (volgens het geen, 't welk in 't eerste Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel gezegt is) hoe hy de zelfden meer van d'anderen kan onderscheiden, en als bezondere dingen beschouwen. Dieshalven zal yder zich dan uit d'aanschouwing van zich zelf meest verblijden, als hy in zich iets beschout, 't welk hy in d'anderen ontkent. Maar indien hy dit, dat hy van zich zelf bevestigt, aan 't algemeen denkbeelt van de mensch, of van het dier toepast, zo zal hy zich niet zo zeer verblijden, maar, in tegendeel, zich bedroeven zo hy zich inbeeld dat zijn doeningen, by die van anderen geleken, zwakker zijn. En deze droef heit (volgens d'achtentwintigste Voorstelling van dit deel) zal hy pogen te verdrijven; en dit met de doeningen van zijns gelijken qualijk uit te leggen; of de zijnen, zo veel als hem mogelijk is, op te pronken. Hier uit blijkt dan dat de menschen van natuur tot haat en nijt genegen zijn; daar d'opvoeding zelve noch bijkoomt. Want d'ouders zijn gewent hun kinderen door d'enige prikkel van eer en nijt ter deucht aan te prikkelen. Maar hier zal misschien noch deze zwarigheit overig zijn, dat wy dikwijls over de deuchden der menschen verwondert zullen wezen, en hen eren. Om dan deze zwarigheit wech te nemen, zal ik de volgende Toegift hier by voegen.

Toegift.--Niemant benijd iemants deucht, 't en zy hy hem gelijk is.

Betoging.--Nijt is een haat zelf, (bezie het Byvoegsel van de vierëntwintigste Voorstelling in dit deel) of (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) een droefheit, dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) een aandoening, daar door de macht, of poging van de mensch om te doen, bedwongen, en ingetoomt word. Maar de mensch (volgens het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) poogt, noch begeert niets te doen, dan 't geen, dat uit zijn gestelde natuur kan volgen: dieshalven, de mensch zal niet begeren dat'er enig vermogen, of ('t welk het zelfde is) deucht, die aan eens anders natuur eigen, en aan de zijne vreemt is, aan zijn natuur toegeëigent word: in voegen dat zijn begeerte niet kan bedwongen en ingetoomt, dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) hy zelf niet bedroeft worden, namelijk hieröm, dat in iemant, hem ongelijk, enige deucht word aangeschout; en by gevolg zal hy hem ook niet konnen benijden: maar wel zijns gelijkel, die met hem van een zelfde natuur onderstelt word; gelijk de Voorstelling meêbracht.

Byvoegsel.--Als wy dan hier voor (volgens het Byvoegsel van de tweeënvijftigste Voorstelling in dit deel) gezegt hebben, dat wy een mensch hieröm eren, dat wy over zijn voorzichtigheit, sterkheit, enz. verwondert zijn, zo geschied dit, (gelijk uit de Voorstelling zelve blijkt) om dat wy ons inbeelden dat deze deuchden bezonderlijk in hem zijn, en niet als aan onze natuur gemeen: en dus zullen wy aan hem de zelfden zo weinig benijden, als aan de bomen de hoogte, en aan de leeuwen de sterkheit, enz.

3P56
Daar zijn zo veel soorten, of gedaanten van blijschap, droef heit, en begeerte, en by gevolg van yder hartstocht, die uit dezen bestaat, als van vlotheit des gemoeds, of die van dezen afgeleid worden, namentlijk van liefde, haat, hoop, vrees, enz. als'er soorten, of gedaante van voorwerpen zijn, van de welken wy aangedaan worden.
Betoging.--De blijschap en droef heit, en by gevolg de hartstochten, die uit de zelfden te zamen gezet, of daar van afgeleid worden, zijn lijdingen; volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel. Maar wy (volgens d' eerste Voorstelling van dit deel) lijden nootzakelijk voor zo veel wy onëvenmatige denkbeelden hebben; en voor zo veel wy de zelfden hebben, (volgens de darde Voorstelling in dit deel) voor zo veel lijden wy alleenlijk; dat is, (bezie het Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) voor zo veel lijden wy alleenlijk nootzakelijk, als wy ons inbeelden, of (bezie de zeventiende Voorstelling in het tweede deel, met der zelfder Byvoegsel) voor zo veel worden wy met de hartstocht aangedaan, die de natuur van onz lighaam, en de natuur van een uitterlijk lighaam insluit. De natuur van yder lijding dan moet nootzakelijk zodanig verklaart worden, dat de natuur van het voorwerp, van het welk wy aangedaan worden, uitgedrukt word: te weten, de blijschap, die, om een voorbeelt by te brengen, uit het voorwerp A spruit, sluit de natuur van 't voorwerp A zelf in, en de blijschap, die uit het voorwerp B spruit, de natuur van 't voorwerp B zelf: in voegen dat deze twee hartstochten van blijschap verscheiden van natuur zijn, om dat zy uit oorzaken van een verscheide natuur spruiten. In dezer voegen is ook de hartstocht van droef heit, die uit een voorwerp spruit, verscheiden van de natuur van de droef heit, die uit een andere oorzaak spruit: 't welk ook van de liefde, haat, hoop, vrees, vlotheit des gemoeds, enz. te verstaan is: en dieshalven moeten 'er nootzakelijk zo veel soorten, of gedaanten van blijschap, droef heit, liefde, haat, enz. wezen, als'er soorten of gedaanten van voorwerpen zijn, van de welken wy aangedaan worden. Maar de begeerte is de wezentheit zelve, of de natuur van yder, voor zo veel zy, uit yder gegeve gesteltenis daar af, bepaalt bevat word tot iets te doen; bezie het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel: dieshalven, naar dat yder, door d'uitwendige oorzaken, van deze of die soort, of gedaante van blijschap, droef heit, liefde, haat, enz. aangedaan word, dat is, naar dat zijn natuur op deze of die wijze gestelt is; zo is nootzakelijk dat zijn begeerte anders en anders is, en dat de natuur van de begeerte des eens zo veel van die van d'ander verschilt, als de hartstochten, uit de welken yder spruit, van malkander verschillen. Daar zijn dieshalven zo veel soorten, of gedaanten van begeerte, als 'er soorten, of gedaanten van blijschap, droef heit, liefde, enz. zijn, en by gevolg (volgens het geen, dat alreê getoont is) als men soorten, of gedaanten van voorwerpen vind, van de welken wy aangedaan worden: 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Onder de soorten, of gedaanten van hartstochten, die (volgens de voorgaande Voorstelling) zeer veel moeten wezen, munten uit, d' overdaat, dronkenschap, gailheit, gierigheit, en roemzucht, de welken niets anders zijn, dan kundigheden van liefde, en van begeerte, de welken de natuur van deze beide hartstochten verklaren, te weten door de voorwerpen, op de welken zy toegepast worden. Want by overdaat, dronkenschap, gailheit, gierigheit, en eerzucht verstaan wy niets anders, dan een overmatige liefde, of lust van te gasten, te drinken, by te slapen, der rijkdommen, en eer. Wijders, deze hartstochten, voor zo veel wy hen door 't voorwerp alleen, tot het welk zy toegepast worden, van d' anderen onderscheiden, hebben geen strijdigen. Want de matigheit, die wy tegen d' overdaat, en de nuchterheit, die wy tegen de dronkenschap, en eindelijk de kuisheit, die wy tegen de gailheit gemenelijk stellen, zijn geen hartstochten, of lijdingen, maar wijzen aan het vermogen, 't welk deze hartstocht matigt. Voorts, ik kan d' andere soorten, of gedaanten van hartstochten hier niet verklaren, om dat zy zo groot in getal zijn, als de soorten, of gedaanten der voorwerpen; en schoon ik zulks vermogt, zo zou het niet nootzakelijk zijn. Want tot het geen, daar wy 't op gemunt hebben, namelijk tot de krachten der hartstochten, en het vermogen van de ziel daar in te bepalen, is ons genoech dat wy d' algemene bepaling van yder hartstocht hebben. 't Is ons, zeg ik, genoech de gemene eigenschappen der hartstochten, en der ziel te verstaan, om te konnen bepalen hoedanig en hoe groot het vermogen van de ziel is, om de hartstochten te matigen, en te bedwingen. Hoewel 'er dan groot onderscheit tusschen deze en die hartstocht van liefde, haat, of begeerlijkheit is, tot een voorbeelt, tusschen de liefde tot zijn kinderen, en tusschen de liefde tot zijn gemalin, zo is ons echter niet nodig deze onderscheiden te kennen, en de natuur en oorsprong der hartstochten wijder t' onderzoeken.

3P57
Yder hartstocht van yder ondeelig verschilt zo veel van de hartstocht van een ander ondeelig, als de wezentheit van 't een van de wezentheit van 't ander verschilt.
Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit d'eerste Kundigheit, die na het darde Voorbewijs van het Byvoegsel op de dartiende Voorstelling van het tweede deel te zien is. Maar wy zullen echter de zelfde uit drie Bepalingen der eerste, of oorspronkelijke hartstochten betogen. Alle Hartstochten worden tot de begeerte, blijschap, of droefheit toegepast; gelijk de Bepalingen der hartstochten, die wy gegeven hebben, tonen. Maar deze begeerte is de natuur, of wezentheit zelve van yder; bezie des zelfs Bepaling in 't Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel. Dieshalven, de begeerte van yder ondeelig verschilt zo veel van de begeerte van een ander ondeelig, als de natuur, of de wezentheit van 't een van de wezentheit van 't ander verschilt. Voorts, de blijschap en droefheit zijn lijdingen, door de welken yders macht, of poging van in zijn wezen te blijven, vermeerdert, of vermindert, geholpen, of ingetoomt word; volgens d' elfde Voorstelling in dit deel, en in der zelfder Byvoegsel. Maar by de poging, van in zijn wezen te blijven, verstaan wy de lust en begeerte, voor zo veel zulks te gelijk tot de ziel, en tot het lighaam toegepast word; bezie het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel: Dieshalven,de blijschap en droef heit is de begeerte, of de lust zelve, voor zo veel zy door uitterlijke oorzaken vermeerdert of vermindert, geholpen, of ingetoomt word; dat is, (volgens het zelfde Byvoegsel) zy is de natuur zelve van yder: en dieshalven, yders blijschap, of droefheit verschilt ook zo veel van des anders blijschap, of droef heit, als de natuur, of wezentheit van d' een van de wezentheit des anders verschilt. Dieshalven, yder hartstocht van een ondeelig verschilt zo veel van de hartstocht van een ander ondeelig, enz. gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hier uit volgt dat de hartstochten der dieren, die onreedelijk worden genoemt, (want wy konnen geensins twijsfelen dat de beesten gevoele,n na dat wy d' oorsprong van de ziel kennen) zo veel van de hartstochten der menschen verschillen, als hun natuur van de menschelijke verschilt. De hengst, en de mensch worden wel van lust tot voortteelen gedreven; maar d' eerste door een paertsche, en d' ander door een menschelijke lust. In dezer voegen moeten de lusten en begeerten der bloedeloze beestjes, visschen en vogelen ook anders en anders wezen. Dieshalven, hoewel yder ondeelig met zijn natuur, daar door hy bestaat, vergenoegt leeft, en zich daar in verheugt, zo is echter dit vernoegt leven van yder, en vreucht niets anders, dan het denkbeelt, of de ziel van yder ondeelig: in voegen dat de vreucht van d' een van de vreucht van d' ander zo veel van natuur verschilt, als de wezentheit van 't een van de wezentheit van 't ander verschilt. Eindelijk, uit de voorgaande Voorstelling volgt, dat 'er niet weinig onderscheit is tusschen de vreucht, daar af een dronke mensch (om een voorbeelt by te brengen) geleid word, en tusschen de vreucht, die een Wijsbegerige geniet; 't welk ik hier in 't voorbygaan heb willen vermanen. Dit zy gezegt van de hartstochten, die tot de mensch, voor zo veel als hy lijd, toegepast worden. Nu is noch overig dat ik 'er noch iets van 't geen byvoeg, dat tot de zelfde, voor zo veel hy doet, of werkt, toegepast word.

3P58
Behalven de blijschap, en begeerte, die lijdingen zijn, vind men noch andere hartstochten van blijschap en begeerte, die tot ons, voor zo veel wy doen, of werken, toegepast worden.
Betoging.--Dewijl de ziel zich zelve, en haar vermogen van te doen bevat, zo verblijd zy zich; volgens de drieënvijftigste Voorstelling in dit deel: Maar de ziel aanschout nootzakelijk zich zelve, als zy een waar, of evenmatig denkbeelt bevat; volgens de drieënveertigste Voorstelling in het tweede deel: Maar de ziel bevat zekere evenmatige denkbeelden; volgens het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel: Dieshalven, voor zo veel verblijd zy zich ook, voor zo veel zy evenmatige denkbeelden bevat: dat is, (volgens d'eerste Voorstelling in dit deel) voor zo veel zy doet. Wijders, de ziel, zo wel voor zo veel zy klare en onderscheide, als voor zo veel zy verwarde denkbeelden heeft, poogt in haar wezen te blijven; volgens de negende Voorstelling van dit deel. Maar by poging verstaan wy hier begeerte; volgens het Byvoegsel daar af: dieshalven, de begeerte word tot ons toegepast, zelfs voor zo veel wy verstaan, of (volgens d'eerste Voorstelling in dit deel) voor zo veel wy doen, of werken; 't welk te betogen stond.
3P59
Alle de hartstochten, die tot de ziel toegepast worden, voor zo veel zy doet, of werkt, zijn geen anderen, dan die tot de blijschap, of tot de begeerte toegepast worden.
Betoging.--Alle de hartstochten worden tot de begeerte, blijschap, of droef heit toegepast; gelijk de Bepalingen, die wy daar af gegeven hebben, aanwijzen. Maar by droef heit verstaan wy het geen, dat het vermogen van de ziel om te denken vermindert, of intoomt; volgens d' elfde Voorstelling in dit deel, en het Byvoegsel daar op: in voegen dat, voor zo veel de ziel zich bedroeft, ook haar vermogen van te verstaan, dat is haar vermogen van te doen, (volgens d'eerste Voorstelling in dit deel) vermindert en ingetoomt word; en dieshalven konnen geen hartstochten van droef heit tot de ziel toegepast worden, voor zo veel zy doet, dan alleenlijk de hartstochten van blijschap en begeerte, die (volgens de voorgaande Voorstelling) ook dus verre tot de ziel toegepast worden; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Alle doeningen, die uit de hartstochten volgen, de welken tot de ziel toegepast worden, voor zo veel zy verstaat, pas ik op de vroomheit toe, die ik in kloekmoedigheit en edelmoedigheit onderscheid. Want by kloekmoedigheit versta ik de begeerte, door de welke yder poogt zijn wezen, alleenlijk volgens de voorspelling van de reden, te bewaren. Maar by edelmoedigheit versta ik de begeerte, door de welke yder, alleenlijk volgens de voorspelling van de reden, poogt d'andere menschen te helpen, en door vrientschap aan zich te verbinden. Ik pas dan die doeningen, de welken alleenlijk op het nut van de doender zien, op de kloekmoedigheit, en de genen, die ook op eens anders nut zien, op d'edelmoedigheit toe. De matigheit dan, soberheit, onbeteutertheit des gemoeds in de gevarelijkheden, enz. zijn soorten, of gedaanten van kloekmoedigheit. Maar de zedigheit, goedertierentheit, enz. zijn soorten, of gedaanten van edelmoedigheit. Hier mede meen ik de voornaamste hartstochten, en de vlotheden des gemoeds, die uit de samenzetting der drie eerste en oorspronkelijke hartstochten (namelijk van begeerte, blijschap en liefde) spruiten, verklaart, en door hun eerste oorzaken getoont te hebben; uit de welken blijkt dat wy door d'uitterlijke oorzaken op veelderhande wijzen gedreven en bewogen worden, en dat wy dieshalven, gelijk de golven der zee, van strijdige winden bewogen, en omgefolt worden, zonder dat wy kennis van onze uitgang en lot hebben. Ik heb gezegt dat ik alleenlijk de voornaamste hartstochten, niet alle de strijden des gemoeds, die gelevert konnen worden, getoont heb. Want wy, op de zelfde wijze, als te voren, voortgaande, konnen lichtelijk tonen dat de liefde aan berou, veröntwaerdiging, schaamte enz. gevoegt is. Ja ik geloof dat uit het geen, 't welk nu gezegt is, klarelijk blijkt dat deze hartstochten op zo veelderhande wijzen met anderen te zamen gezet konnen worden, en dat daar uit zo veel veränderingen spruiten, dat zy in geen getal bepaalt konnen worden. Maar tot mijn ooggemerk is genoech dat ik alleenlijk de voornaamsten opgetelt heb. Want d'anderen, die ik voorby gegaan ben, hebben meer keurlijkheit, dan nuttigheit. Doch van de liefde is noch dit overig t'aanmerken; namelijk dat het zeer dikwils gebeurt dat, terwijl wy de zaak, die wy begeren, genieten, het lighaam uit deze genieting een nieuwe gesteltheit verkrijgt, door de welke het anders bepaalt word, en andere beelden der dingen daar in verwekt worden, en dat de ziel te gelijk andere dingen begint in te beelden, en anderen te begeren. Tot een voorbeelt, als wy ons iets, dat gemenelijk aangenaam aan onze smaak is, inbeelden, zo begeren wy het zelfde te nuttigen, dat is t' eten. Maar terwijl wy het zelfde dus nuttigen, zo word de maag vol, en het lighaam anders gestelt. Indien dan, terwijl het lighaam anders gestelt is, het beelt van de zelfde spijs, om dat zy tegenwoordig is, gevoed en aangequeekt word, en by gevolg ook de poging, of de lust van de zelfde t' eten, zo zal deze nieuwe gesteltheit tegen deze poging, of begeerte strijden; en by gevolg zal de tegenwoordigheit der spijs, die wy begeerden, lastig zijn; en dit is het geen, dat wy walging en zadheit noemen. Wat voorts d'uitterlijke aandoeningen des lighaams aangaan, die in de hartstochten bespeurt worden, te weten de siddering, verbleeking, hik, gelach enz. ik heb hen overgeslagen, om dat zy tot het lighaam alleen, zonder enige betrekking tot de ziel, toegepast worden. Eindelijk, van de bepalingen der hartstochten staan enige dingen aan te merken, die ik dieshalven hier weêr in ordening zal optellen, en het geen, dat in yder waar te nemen is, daar tusschen voegen.

3DAI
De begeerte is de wezentheit zelve van de mensch, voor zo veel zy uit alle gestelde aandoening bepaalt bevat word, tot iets te doen of te werken.
Verklaring.--Wy hebben hier voor (in 't Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) gezegt dat de begeerte een lust met der zelfde medeweting is; maar dat de lust de wezentheit zelve van de mensch is, voor zo veel hy bepaalt is tot die dingen te doen, de welken tot zijn behoudenis dienen. Maar in het zelfde Byvoegsel heb ik ook vermaant, dat ik geen onderscheit kende tusschen de menschelijke lust en begeerte. Want het zy de mensch meêwustig is van zijn lust, of niet, de lust blijft echter een en de zelfde, en dieshalven, op dat ik herhaling van woorden zou mijden, heb ik de begeerte niet door lust willen verklaren; maar de zelfde gepoogt in dier voegen te bepalen, dat ik alle pogingen van de menschelijke natuur, die wy met de naam van lust, wil, begeerte, of drift aanwijzen, gezamentlijk zou begrijpen. Want ik had konnen zeggen, dat de begeerte de wezentheit zelve van de mensch is, voor zo veel zy bepaalt bevat word tot iets te doen. Maar uit deze Bepaling (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van het tweede deel) volgt niet, dat de ziel meêwustig van zijn begeerte, of lust kan wezen. Dieshalven, om d'oorzaak van deze meêwustigheit in te sluiten, zo was 't nootzakelijk (volgens de zelfde Voorstelling) daar by te voegen, voor zo veel uit yder gegeve Aandoening daar af bepaalt, enz. Want by aandoening van de menschelijke wezentheit verstaan wy alle gesteltheit van des zelfs wezentheit, 't zy de zelfde ingeboren, of van buiten aangekomen, of dat zy alleenlijk door de toeëigening van de denking, of van d'uitgestrektheit bevat word, of eindelijk dat men de zelfde gelijkelijk tot beide toepast. By de naam van begeerte dan versta ik hier alle pogingen, driften, lustenen willingen van de mensch, de welken, naar de verscheide gesteltheit van de zelfde mensch, verscheiden, en dikwijls zo strijdig tegen malkander zijn, dat de mensch verscheidelijk word getrokken, en niet weet werwaarts hy zich zal keren.
3DAII
De Blijschap is een overganing van de mensch van een minder tot een meerder volmaaktheit.
3DAIII
De Droefheit is een overganing van de mensch van een meerder tot een minder volmaaktheit.
Verklaring.--Ik zeg een overganing: want de blijschap zelve is geen volmaaktheit; dewijl de mensch, indien hy met de volmaaktheit, tot de welke hy overgaat, geboren wierd, de zelfde, zonder hartstocht van blijschap, machtig zou wezen; 't welk klarelijker blijkt uit de hartstocht van droef heit, de welk rechtstrijdigh tegen deze is. Want niemant kan loghenen dat de droef heit in een overganing tot een minder volmaaktheit, en niet in de minder volmaaktheit zelve, bestaat; dewijl de mensch niet voor zo veel droevig kan worden, als hy enige volmaaktheit deelächtig is. Wy konnen ook niet zeggen dat de droefheit in de derving van een groter volmaaktheit beltaat: want de derving is niets; en de hartstocht van droef heit is een daat, die dieshalven geen andere kan zijn, dan de daat van tot minder volmaaktheit over te gaan, dat is een daat, daar door des menschen macht van te doen vermindert, of ingetoomt word; Bezie het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel. Voorts, ik ga de Bepalingen van vrolijkheit, kitteling, naargeestigheit en treurigheit voorby, die meest tot het lighaam toegepast worden, en alleenlijk geslachten van blijschap en droef heit zijn.
3DAIV
Verwondering is d'inbeelding van enig ding, op het welk de ziel daaröm gehecht blijft, om dat deze bezondere inbeelding geen samenknoping met d' anderen heeft: bezie de tweeënvijftigste Voorstelling in dit deel, met der zelfder Byvoegsel.
Verklaring.--In 't Byvoegsel van d' achtiende Voorstelling in het tweede deel hebben wy getoont, wat d' oorzaak is om de welke de ziel terstont van de beschouwing van een ding op de denking van een ander valt; namelijk, om dat de beelden dezer dingen te zamen geschakelt, en in dier voegen geschikt zijn, dat het een het ander volgt; 't welk niet bevat kan worden, als het beelt van het ding nieu is: maar de ziel zal in de beschouwing van de zelfde zaak gehouden worden, tot dat zy van anderen oorzaken bepaalt word tot andere dingen te denken. D' inbeelding van een nieu ding dan, in zich aangemerkt, is van een zelfde natuur, als d' anderen; en om deze oorzaak tel ik de verwondering niet onder de hartstochten. Ik zie ook niet waarom ik dit zou doen; dewijl deze aftrekking der ziel niet spruit uit enige stellige oorzaak, die de ziel van d' anderen aftrekt; maar alleenlijk hier uit, dat 'er oorzaak ontbreekt, om de welke de ziel uit de beschouwing van een enig ding tot anderen te denken bepaalt word. Ik ken dan (gelijk ik in het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deelverhaalt heb) alleenlijk die oorspronkelijke, of voorname hartstochten; namelijk, die van blijschap, droef heit en begeerte. Ik heb ook, om geen andere oorzaak, van de verwondering gewach gemaakt, dan om dat het door de gewoonte zo verre is gekomen, dat sommigen de hartstochten, die van de drie oorspronkelijken afgeleid worden, gemenelijk met andere namen aanwijzen, als zy tot de voorwerpen, daar over wy verwondert zijn, toegepast worden. En deze reden beweegt my ook met recht om hier de Bepaling van de Versmading neffens te voegen.
3DAV
De. Versmading is d' inbeelding van enige zaak, de welke de ziel zo weinig treft, dat de ziel zelve door de tegenwoordigheit van de zaak meer bewogen word tot die dingen in te beelden, die in de zaak zelve niet zijn, dan die daar in zijn. Bezie het Byvoegsel van de tweenvijftigste Voorstelling in dit deel.
Verklaring.--Ik ga hier de Bepalingen van Eerbiedigheit een Veröntwaer-diging voorby, om dat, by mijn weten, geen hartstochten naam uit hen te trekken.
3DAVI
De Liefde is een blijschap, van het denkbeelt van een uitterlijke oorzaak verzelt.
Verklaring.--Deze Bepaling drukt klarelijk genoech de wezentheit van de Liefde uit. De Bepaling der Schrijvers, die de Liefde bepalen te zijn, de wil van de minnaar om zich met de beminde zaak te verënigen, drukt niet de wezentheit van de Liefde, maar der zelfder eigenschap uit. En dewijl de Schrijvers geen volkome deurzicht van de wezentheit der Liefde hebben gehad, zo hebben zy daaröm geen klare bevatting van haar eigenschap konnen hebben. Hier uit is gesproten dat men alle geöordeelt heeft dat hun Bepalingen zeer duister geweest hebben. Maar hier staat aan te merken dat ik, als ik zeg dat het een eigenschap in de minnaar is, zich door de wil met de beminde zaak te verënigen, by wil niet versta een toestemming, of berading des gemoeds, of een vry besluit; want wy hebben (in d' achtënveertigste Voorstelling van het tweede deel) getoont, dat dit verziert en verdicht is: noch ook de begeerte van zich met de beminde zaak te verënigen, als zy afweezig is, of van in haar tegenwoordigheit te volharden, als zy tegenwoordig is; want de liefde kan zonder deze, of die begeerte bevat worden: maar dat ik by wil versta een, gerustheit, die in de minnaar is, uit oorzaak der tegenwoordigheit van de beminde zaak, daar door de blijschap van de Minnaar versterkt, of ten minsten gevoed word.
3DAVII
De Haat is een droef heit, met het denkbeelt van d' uitterlijke oorzaak verzelt.
Verklaring.--De dingen, die hier t' aanmerken zijn, worden uit het geen, dat in de voorgaande Bepaling gezegt is, lichtelijk begrepen. Bezie dieshalven het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel.
3DAVIII
De Toegenegentheit is een blijschap, verzelt van het denkbeelt van enig ding, dat by toeval oorzaak van blijschap is.
3DAIX
D' Afkeer is een droefheit, verzelt van het denkbeelt van enig ding, dat by toeval oorzaak van droefheit is. Bezie hier af het Byvoegsel van de vijftiende Voorstelling in dit deel.
3DAX
D' Overgeving of Verloving is een liefde tot de geen, over de welk wy verwondert zijn.
Verklaring.--Wy hebben (in de tweeënvijftigste Voorstelling van dit deel) getoont dat de Verwondering uit de nieuwigheit van de zaak voortkoomt. Indien dan gebeurt dat wy het geen, daar over wy verwondert zijn, ons dikwijls inbeelden, zo zullen wy ophouden daar over verwondert te wezen; en dus zien wy dat de hartstocht van Overgeving of Verloving lichtelijk in enkelde liefde verändert.
3DAXI
De Bespotting is een blijschap, hier uitgesproten, dat wy ons inbeelden dat 'er iets, 't welk wy verächten, in een zaak is, die wy haten.
Verklaring.--Voor zo veel wy de zaak, die wy haten, verächten, voor zo veel ontkennen wy de wezentlijkheit daar af; bezie het Byvoegsel van de tweeënvijftigste Voorstelling in dit deel) en voor zo veel (volgens de twintigste Voorstelling van dit deel) verblijden wy ons. Maar dewijl wy onderstellen dat de mensch het geen haat, 't welk hy bespot, zo volgt dat deze blijschap niet vast en bestandig is: bezie het Byvoegsel van de zevenënveertigste Voorstelling in dit deel.
3DAXII
De Hoop is een onbestandige blijschap, gesproten uit het: denkbeelt van een toekomende, of verlede zaak, van welks uitgang wy noch enigsins twijffelen.
3DAXIII
De Vrees is een onbestandige droefheit, gesproten uit het denkbeelt van een toekomende, of verlede zaak, van welks uitgang wy noch enigsins twijffelen. Bezie van deze beiden het tweede Byvoegsel van d' achtiende Voorstelling in dit deel.
Verklaring.--Uit deze Bepalingen blijkt dat 'er geen hoop is zonder vrees, en geen vrees zonder hoop is. Want men onderstelt dat de geen, die van hoop af hangt, en van d' uitgang van een zaak twijffelt, zich iets inbeeld, 't welk de wezentlijkheit van d' aanstaande zaak uitsluit, en dieshalven zich dus verre bedroeft; (volgens de negentiende Voorstelling van dit deel) en by gevolg, terwijl hy van hoop afhangt, vreest dat de zaak zal gebeuren. Maar in tegendeel, de geen, die vreest, dat is dat hy van d' uitgang van een zaak, die hy haat, twijffelt, beeld zich ook iets in, 't welk de wezentlijkheit van de zelfde zaak uitsluit, en is dieshalven (volgens de twintigste Voorstelling van dit deel) verblijd, en hoopt by gevolg dat de zaak niet zal komen.
3DAXIV
De Gerustheit is een blijschap, gesproten uit het denkbeelt van een toekomende, of verlede zaak, van de welke dt oorzaak van te twijffelen wechgenomen is.
3DAXV
De Wanhoop is een droef heit, gesproten uit het denkbeelt van een toekomende, of verlede zaak, van de welke d' oorzaak van te twijffelen wechgenomen is.
Verklaring.--Uit de hoop dan volgt gerustheit, en uit de vrees wanhoop, als d' oorzaak, om van d' uitgang van de zaak te twijffelen, wechgenomen word: 't welk geschied om dat de mensch zich inbeeld dat de verlede, of toekomende zaak tegenwoordig is, en haar als tegenwoordig aanschout, of om dat hy zich andere dingen inbeeld, die de wezentlijkheit van die dingen, de welken hem deden twijffelen, uitsluiten. Want hoewel wy (volgens de Toegift van d' eenëndartigste Voorstelling in het tweede deel) van d' uitgang der bezondere dingen nooit zeker konnen zijn, zo kan echter gebeuren dat wy van der zelfder uitgang niet twijffelen. Want wy liebben getoont (bezie het Byvoegsel van de negenënveertigste Voorstelling in het tweede deel) dat het iets anders is, van een zaak niet te twijffelen, en iets anders, zekerheit van een zaak te hebben: en dieshalven kan gebeuren dat wy door het beelt van een verlede, of toekomende zaak met de zelfde hartstocht van blijschap, of van droef heit aangedaan worden, als door het beelt van de tegenwoordige zaak, gelijk wy in d' achtiende Voorstelling van dit deel betoogt hebben, de welke men, met der zelfder Byvoegsel, na te zien heeft.
3DAXVI
De Vreucht is een blijschap, verzelt met het denkbeelt van een verlede zaak, die buiten hoop gebeurt is.
3DAXVII
De Knaging van 't geweten is een droefheit, verzelt met het denkbeelt van een verlede zaak, die buiten hoop gebeurt is.
3DAXVIII
Medelijden is een droefheit, verzelt met het denkbeelt van een quaat, 't welk aan een ander toevalt, die wy ons inbeelden ons gelijk te zijn. Bezie het Byvoegsel van de tweeëntwintigste Voorstelling, en het Byvoegsel van de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel.
Verklaring.--Tusschen Medelijden en Barmhartigheit schijnt geen onderscheit en verschil te wezen, dan dat misschien medelijden op de bezondere hartstocht ziet, en de barmhartigheit op des zelfs hebbelijkheit.
3DAXIX
De Gunst is een liefde tot iemant, die aan een ander welgedaan heeft.
3DAXX
D'Euvelneeming is een haat tot iemant, die aan een ander quaat gedaan heeft.
Verklaring.--Ik weet wel dat deze namen, volgens het gemeen gebruik, iets anders betekenen. Doch mijn voorneemen is niet de betekenissen der woorden, maar der zaken te verklaren, en hen met die benamingen aantewijzen, welker betekenis, die zy door de gewoonte hebben, naast aan die betekenis komen, met de welken ik de zelfden wil gebruiken: en ik acht het genoech dit zelfde eenmaal gezegt te hebben. Bezie d'oorzaak van deze hartstochten in d' eerste Toegift van de zevenëntwintigste, Voorstelling, en in het Byvoegsel van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel.
3DAXXI
D'Achting is, van iemant, liefdeshalven, ecn groter gevoelen te hebben, dan billijk is.
3DAXXII
D'Ongeachtheit is, van iemant, haatshalven, een kleinder gevoelen te hebben, dan billijk is.
Verklaring.--D'Achting dan is een gewrocht, of eigenschap van de liefde, en d'ongeächtheit van de haat. En dieshalven kan men d'achting ook bepalen, dat zy een liefde is, voor zo veel zy de mensch in dier voegen aandoet, dat hy hoger, dan billijk is, van de beminde zaak gevoelt: en in tegendeel, dat de d'ongeächtheit een haat is, voor zo veel zy de mensch in dier voegen aandoet, dat hy van de geen, die hy haat, laeger gevoelt, dan billijk is: bezie hier af het Byvoegsel van de zesentwintigste Voorstelling in dit deel.
3DAXXIII
De Nijt is een haat, voor zo veel zy de mensch in dier voegen aandoet, dat hy om eens anders voorspoet zich bedroeft, en in tegendeel, om eens anders quaat zich verblijd.
Verklaring.--De barmhartigheit word gemenelijk tegen de nijt gestelt, de welke dieshalven, met een onëige betekenis van de benaming, dus bepaalt kan worden.
3DAXXIV
De Barmhartigheit is een liefde, voor zo veel zy de mensch in dier voegen aandoet, dat hy zich om eens anders goet verblijd, en in tegendeel om eens anders quaat bedroeft word.
Verklaring.--Wat de Nijt aangaat, bezie daar af het Byvoegsel van de vierentwintigste Voorstelling, en het Byvoegsel van de tweeëndartigste Voorstelling in dit deel. En dit zijn hartstochten van blijschap, of van droefheit, die van het denkbeelt van d'uitterlijke zaak, als oorzaak door zich, of by toeval, verzelt zijn. Van hier ga ik tot d'anderen over, de welken van het denkbeelt van d'innerlijke zaak, als d'oorzaak, verzelt worden.
3DAXXV
De Gerustheit in zich zelf is een blijschap, hier uit gesproten, dat de mensch zich zelf, en zijn vermogen van te doen aanschout.
3DAXXVI
De Nederigheit is een droefheit, hier uit gesproten, dat de mensch zijn onmacht, of zwakheit beschout.
Verklaring.--De Gerustheit in zich zelf word tegen de Nederigheit gestelt, voor zo veel wy door de zelfde een blijschap verstaan, die hier uit spruit, dat wy onze macht van te doen beschouwen. Maar voor zo veel wy daar door ook een blijschap verstaan, van het denkbeelt van enig bedrijf verzelt, 't welk wy geloven uit een vrijwillig besluit van de ziel gedaan te hebben, zo word zy tegen 't berou gestelt 't welk wy dus bepalen.
3DAXXVII
Het Berou is een droef heit, van het denkbeelt van enig bedrijf verzelt, 't welk wy geloven uit een vrijwillig besluit van de ziel gedaan te hebben.
Verklaring.--In het Byvoegsel van d'eenënvijftigste Voorstelling, en in de drieënvijftigste, vierënvijftigste en vijfënvijftigste Voorstelling, en in der zelfder Byvoegsel in dit deel hebben wy d'oorzaken dezer hartstochten getoont. Voorts, wat het vrijwillig besluit der ziel aangaat, bezie daar af het Byvoegsel van de vijfëndartigste Voorstelling in het tweede deel. Maar hier staat wijder t'aanmerken, dat het geen wonder is dat gantschelijk op alle werken, die uitgewoonte quaat genoemt worden, droefheit, en op de genen, die men goed en oprecht noemt, blijschap volgt: want wy konnen uit het voorgaande lichtelijk verstaan, dat dit voornamelijk van d' opvoeding af hangt; dewijl onze ouders, met d'eersten te verwijten, en hun kinderen dikwijls daar over te bekijven, en in tegendeel met de lesten aan te raden, en aan te prijzen, te weeg gebracht hebben, dat d' ontroerenissen van droef heit zich by d' eersten, en die van blijschap zich by de lesten hebben gevoegt. Dit zelfde word ook door d'ervarentheit bevestigt: want de menschen hebben niet alle een zelfde gewoonte en godsdienst. In tegendeel, de dingen, die by sommigen heilig zijn, worden by anderen onheilig, en de genen, die by sommigen eerlijk zijn, by anderen voor schandelijk gehouden. Dieshalven, naar dat yder opgevoed is, daar naar heeft hy berou van enig bedrijf, of roemt daar op.
3DAXXVIII
Verwaantheit is, van zich, wegens liefde tot zich zelf, een hoger gevoelen te hebben, dan billijk is.
Verklaring.--De Verwaantheit verschilt dan van d'achting, om dat deze leste tot het uitterlijk voorwerp, maar de verwaantheit tot de mensch zelf, hoger van zich gevoelende, dan billijk is, toegepast word. Voorts, gelijk d'achting een gewrocht, of eigenschap van de liefde is, zo is de verwaantheit een gewrocht, of eigenschap van zelfsliefde, de welke dieshalven ook dus bepaalt kan worden, dat zy een liefde tot zich zelf, of een gerustheit op zich zelf is, voor zo veel zy de mensch in dier voegen aandoet, dat hy hoger dan bil- lijk is, van zich zelf gevoelt. (Bezie het Byvoegsel van de zesentwintigste Voorstelling in dit deel) Tegen deze hartstocht is geen strijdige: want niemant, wegens haat tot zich zelf, gevoelt laeger van zich, dan billijk is; ja niemant gevoelt minder van zich zelf, dan billijk is, voor zo veel hy zich inbeeld dat hy dit, of dat niet vermag. Want al 't geen, 't welk de mensch zich inbeeld niet te vermogen, beeld hy zich nootzakelijk in; en door deze inbeelding word hy in dier voegen geschikt, dat hy warelijk dit niet kan doen, 't welk hy zich inbeeld niet te vermogen: dewijl hy zo lang, als hy zich inbeeld dat hy dit, of dat niet vermag, niet bepaalt is tot het zelfde te doen; en by gevolg is 't hem zo lang onmogelijk dat hy dit doet. Maar indien wy op die dingen merken, de welken van de waan alleen af hangen, zo zullen wy konnen begrijpen, dat het mogelijk is, dat de mensch minder, dan billijk is, van zich gevoelt. Want het kan gebeuren dat iemant, terwijl hy, bedroeft zijnde, zijn zwakheit beschout, zich inbeeld dat hy van alle menschen versmaad word; en dit terwijl d'anderen nergens minder op denken, dan op hem te verachten. De mensch kan ook minder, dan billijk is, van zich gevoelen, zo hy iets van zich tegenwoordiglijk ontkent, met betrekking tot de toekomende tijt, van de welk hy onzeker is; gelijk dus, dat hy zegt, dat hy niets zeker kan begrijpen, en dat hy niets, dan dat quaat en schandelijk is, kan begeren, of doen, enz. Wy konnen wijders zeggen dat iemant minder, dan billijk is, van zich gevoelt, als wy zien dat hy, uit al te grote vrees van schaamte, die dingen niet dart bestaan, die van anderen, hem gelijk, aangevangen worden. Wy konnen dan deze hartstocht tegen de verwaantheit stellen, de welk ik nederslachtigheit zal noemen: want gelijk uit de gerustheit in zich zelf verwaantheit spruit, zo rijst uit de nederigheit nederslachtigheit, die dieshalven dus van ons bepaalt word.
3DAXXIX
De Nederslachtigheit is, van zich zelf, wegens droefheit, minder, dan billijk is, te gevoelen.
Verklaring.--Wy zijn echter dikwijls gewent de nederigheit tegen de verwaantheit te stellen: maar wy merken dan meerder op de gewrochten, dan op de natuur van beide: want wy zijn gewent de geen verwaant te noemen, die al te hoog roemt; bezie het Byvoegsel van de dartigste Voorstelling in dit deel: die niets verhaalt, dan zijn deuchden, en van anderen niets, dan hun gebreken, vertelt; die boven alle gestelt wil wezen, en eindelijk, die met zulk een stemmigheit er verçiering heentreed, als gemenelijk anderen doen, die hem verre overtreffen. In tegendeel, wy noemen de geen nederig, die dikwijls schaamroot word, die zijn zonden belijd, en de deuchden van anderen verhaalt, die voor alle wijkt, en eindelijk, die met een nederhangend hooft gaat, en zich verwareloost op te pronken. Voorts, deze hartstochten, namelijk de nederigheit en nederslachtigheit, worden zeer zelden gevonden. Want de menschelijke natuur, in zich zelve aangemerkt, strijd tegen de zelfden zo veel, als 't mogelijk is; bezie de vijftiende en vierënvijftigste Voorstelling van dit deel: en dieshalven, de genen, die meest nederslachtig en nederig geacht worden, zijn deurgaans meest eerzuchtig en nijdig.
3DAXXX
De Roem is een blijschap, van het denkbeelt van enige van onze daden verzelt, die, gelijk wy ons inbeelden, van anderen geprezen word.
3DAXXXI
De Schaamte is een droefheit, van het denkbeelt van enige van onze daden verzelt, die, gelijk wy ons inbeelden, van anderen gelastert word.
Verklaring.--Bezie hier af het Byvoegsel van de dartigste Voorstelling in dit deel. Maar hier staat op het onderscheit, dat tusschen de Schaamte en Schaamächtigheit is, te merken. Want de schaamte is een droefheit, de welk op de daat volgt, daar over men beschaamt is: maar de schaamächtigheit is een vrees, of schroomte van schaamte, door de welke de mensch gedwongen word om niets schandelijk te bedrijven. Tegen de schaamächtigheit word gemenelijk d' onbeschaamtheit gestelt, de welke warelijk geen hartstocht is, gelijk ik op zijn plaats zal tonen: maar de namen van hartstochten, gelijk ik alreê gezegt heb, zien meer op hun gebruik, dan op hun natuur. En hier meê heb ik de hartstochten van blijschap en droefheit, die ik voorgenomen had te verklaren, afgedaan. Ik ga dan tot de genen voort, die ik tot de begeerte toepas.
3DAXXXII
't Verlangen is een begeerte, of lust van enig ding te genieten, de welke door de geheugenis van de zelfde zaak gevoed, en te gelijk door de geheugenis van anderen dingen, dewelken de wezentlijkheit van de zelfde begeerde zaak uitsluiten, ingetoomt word.
Als wy aan enig ding gedenken, gelijk wy alreê meermaals gezegt hebben, zo worden wy daar door geschikt tot het zelfde met de zelfde hartstocht te beschouwen, als of de zaak tegenwoordig was. Maar deze schikking, of poging word, terwijl wy waken, deurgaans belet en verhindert door de beelden der dingen, die de wezentlijkheit van 't geen, daar aan wy gedenken, uitsluiten. Als wy dan aan een zaak gedenken, die ons met enig slach van blijschap aandoet, zo pogen wy daar door de zelfde met de zelfde hartstocht van blijschap als tegenwoordig te beschouwen; welke poging terstont belet en verhindert word door de geheugenis der dingen, die des zelfs wezentlijkheit uitsluiten. Het verlangen is dieshalven warelijk een droef heit, de welke tegen die blijschap word gestelt, die uit de tegenwoordigheit van de zaak rijst, de welke wy haten: bezie hier af het Byvoegsel van de zevenënveertigste Voorstelling in dit deel: Maar dewijl de naam van Verlangen op begeerte schijnt te zien, zo pas ik deze hartstocht tot de hartstocht van begeerte toe.
3DAXXXIII
De Nayvering, of Krijgelheit is een begeerte van enig ding, de welke hier uit ons ingeboren word, dat wy ons inbeelden dat anderen de zelfde begeerte hebben.
Verklaring.--De geen, die vlucht, om dat hy anderen ziet vluchten, of vreest, om dat hy anderen ziet vrezen, of ook de geen, die hieröm de hant naar zich trekt, om dat iemants hant verbrand is, en zijn lighaam beweegt, als of zijn eige hant verbrant zou worden; van de zelfde zullen wy zeggen, dat hy wel de hartstocht van een ander navolgt, maar niet de zelfde nayvert, of nakrijgelt: niet om dat wy een andere oorzaak van nayvering of krijgelheit, en een ander van navolging kennen; maar om dat het door de gewoonte zo verre is gekomen, dat wy de geen alleen nayverig of krijgelig noemen, die het geen navolgt, 't welk wy eerlijk, nut, of aangenaam oordeelen te wezen. Wat d' oorzaak van nayvering of krijgelheit aangaat, bezie hier af de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel, met der zelfder Byvoegsel. Maar waaröm de Nijt deurgaans aan deze hartstocht gevoegt is, bezie hier af de tweeëndartigste Voorstelling in dit deel, met der zelfder Byvoegsel.
3DAXXXIV
Dank, of dankbaarheit is een begeerte, of een betrachting van liefde, daar door wy aan de geen trachten wel te doen, die uit gelijke hartstocht van liefde weldaat gedaan heeft. Bezie de negenëndartigste Voorstelling, met het Byvoegsel van d' eenënveertigste Voorstelling in dit deel.
3DAXXXV
De Goetwilligheit is een begeerte van wel te doen aan de geen, met de welk wy deernis hebben. Bezie het Byvoegsel van de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel.
3DAXXXVI
De Gramschap is een begeerte, daar door wy uit haat aangeprikkelt worden tot de geen, die wy haten, quaat aan te doen. Bezie de negenëndartigste Voorstelling in dit deel.
3DAXXXVII
De Wraak is een begeerte, door de welke wy uit wederkerige haat aangeprikkelt worden tot de geen quaat aan te doen, die met gelijke hartstocht ons schade aangedaan heeft. Bezie de tweede Toegift van de veertigste Voorstelling in dit deel, met der zelfder Byvoegsel.
3DAXXXVIII
De Wreetheit, of Straf heit is een begeerte, door de welke iemant aangeprikkelt word tot de geen quaat aan te doen, die wy beminnen, of over de welk wy deernis hebben.
Verklaring.--Tegen de Wreetheit stelt men de Goedertierentheit, die geen lijding ts, maar een vermogen van 't gemoed, daar door de mensch de gramschap en wraak matigt.
3DAXXXIX
De Schroomte is een begeerte van een meerder quaat, daar voor wy vrezen, door een minder te vermijden. Bezie het Byvoegsel van de negenëndartigste Voorstelling in dit deel.
3DAXL
De Stoutheit is een begeerte, daar door iemant aangeprikkelt word tot iets, 't welk zijns gelijken vrezen aan te gaan, met gevaar te doen.
3DAXLI
De Kleinmoedigheit word den geen toegeëigent, welks begeerte ingetoomt word doorde schroom van 't gevaar, 't welk zijns gelijken darren aangaan.
Verklaring.--De Kleinmoedigheit is dieshalven niets anders, dan de vrees van enig quaat, 't welk de meeste menschen niet gewent zijn te vrezen. Ik pas haar daaröm tot de hartstocht van begeerte niet toe. Ik heb echter goet geächt de zelfde hier te verklaren, om dat zy, voor zo veel wy op de begeerte merken, warelijk tegen de hartstocht van Stoutheit gestelt word.
3DAXLII
De Verslagentheit word den geen toegeëigent, diens begeerte van 't quaat te mijden door de verwondering van 't quaat, dat hy vreest, ingetoomt word.
Verklaring.--De Verslagentheit is dan zeker soort, of gedaante van kleinmoedigheit. Maar dewijl de verslagentheit ook uit een tweevoudige schroom voortkoomt, zo kan zy bequamelijker dus bepaalt worden; dat zy een vrees is, die de verbaasde, of vlottende mensch in dier voegen houd, dat hy het quaat niet kan afweeren. Ik zeg verbaasde mensch, voor zo veel wy verstaan dat zijn begeerte van het quaat af te weren door de verwondering ingetoomt word; en ik zeg vlottende, voor zo veel wy bevatten dat de zelfde begeerte door de schroom van een tweede quaat, 't welk hem even zeer pijnigt, ingetoomt en bedwongen word; daar uit voortkoomt dat hy niet weet welk van beide hy afweeren zal; bezie hier af de Byvoegsels van de negenëndartigste en tweeënvijftigste Voorstelling in dit deel. Wat de Kleinmoedigheit en Stoutheit aangaan, bezie hier af het Byvoegsel van d' eenënvijftigste Voorstelling in dit deel.
3DAXLIII
De Heusheit, of Zedigheit is een begeerte van die dingen te doen, de welken aan de menschen behagen, en van die na te laten, de welken aan hen mishagen.
3DAXLIV
De Roemzucht is een onmatige begeerte van eer en roem.
Verklaring.--De Roemzucht is een begeerte, daar door alle de hartstochten (volgens de zevenëntwintigste en eenëndartigste Voorstelling in dit deel) gevoed, aangequeekt, en versterkt worden: en dieshalven kan deze hartstocht naauwelijks overwonnen worden: want zo lang de mensch van enige begeerte bezeten word, zo word hy nootzakelijk ook van deze bezeten. De vroomsten zelven, zegt Cicero, worden meest door roem geleid. De Philosophen, of Wijsbegerigen schrijven zelfs hun naam voor die boeken, de welken zy van de Verächting des roems maken.
3DAXLV
De Brassery is een overmatige begeerte, of ook liefde van te gasten.
3DAXLVI
De Dronkenschap is een overmatige begeerte, en liefde van te drinken.
3DAXLVII
De Gierigheit is een overmatige begeerte en liefde van rijkdom.
3DAXLVIII
D' Onkuisheit, of Gailheit is ook een begeerte en liefde in de lighamen te zamen te mengen.
Verklaring.--'t Zy deze begeerte van te zamen te komen matig is, of niet, zy word gemenelijk Onkuisheit, of gailheit genoemt. Voorts, deze vijf hartstochten, (gelijk ik in 't Byvoegsel van de zesenvijftigste Voorstelling vermaant heb) hebben geen strijdigen. Want de zedigheit is een soort, of gedaante van roemzucht; bezie hier af het Byvoegsel van de negenëntwintigste Voorstelling in dit deel. Ik heb ook alreê gezegt, dat de matigheit, soberheit, en kuisheit het vermogen van de ziel, en geen lijding aanwijzen. En hoewel het gebeuren kan dat een gierig, roemzuchtig, of vreesachtig mensch zich van al te veel spijs, drank en bijslapen onthoud, zo zijn echter de gierigheit, eerzucht en vrees niet strijdig tegen de brassery, dronkenschap, of kuisheit: want de gierige wenscht deurgaans dat hy eens anders spijs en drank mag inzwelgen. D' eerzuchtige zal zich nergens in matigen, zo hy slechs hoopt dat het verborgen zal blijven; en indien hy onder de dronkaarts en onkuischen leeft, zo zal hy tot deze zonden meer genegen zijn, om dat hy roemzuchtig is. Eindelijk, de vreesachtige doet het geen, dat hy niet wil: want hoewel hy, om de doot t'ontgaan, zijn rijkdom in zee werpt, zo blijft hy echter gierig; en indien d'onkuische droevig is, om dat hy zijn lust niet kan voldoen, zo laat hy echter daaröm niet onkuisch te wezen. Deze hartstochten zien volstrektelijk niet zo zeer op de daden van te zuipen en te brassen, enz. als wel op de lust en liefde daar toe. Daar kan dieshalven niets tegen deze hartstochten gestelt worden, als d'edelmoedigheit en kloekmoedigheit, van de welken wy hier na zullen spreken. Ik ga de bepalingen van de nay vering, en der andere vlotheden des gemoeds met stilzwijgen voorby, zo om dat zy uit de samenzetting der hartstochten, die wy alreê beschreven hebben, spruiten, als om dat veel van hen geen benamingen hebben; 't welk aanwijst dat het tot gebruik van 't leven genoech is, de zelfden alleenlijk in 't algemeen te kennen. Voorts, uit de bepalingen der hartstochten, die wy verklaart hebben, blijkt dat zy alle uit begeerte, uit blijschap, of uit droef heit spruiten; of eerder, dat'er geen anderen, dan deze drie zijn, van de welken yder gemenelijk met verscheide namen genoemt word, uit oorzaak van hun verscheide betrekkingen, en uitwendige afnoemingen. Indien wy nu op dcze eerste en oorspronkelijke hartstochten, en op de dingen, die wy hier voor van de natuur der ziel gezegt hebben, willen merken, zo konnen wy, voor zo veel zy tot de ziel alleen toegepast worden, hen dus bepalen.
3GDA
De Hartstocht, die een lijding des gemoeds word genoemt, is een verward denkbeelt, door 't welk de ziel een meerder of minder macht, dan te voren, van haar lighaam, of van enig gedeelte daar af van wezentlijk te zijn, bevestigt, en door 't welk, gestelt zijnde, de ziel zelve bepaalt word eerder op dit, dan op dat te denken.
Verklaring.--Ik zeg voorëerst, dat de hartstocht, of de lijding des gemoeds een verwart denkpeelt is. Want wy hebben (bezie hier af de darde Voorstelling in dit deel) getoont dat de ziel alleenlijk zo verre lijd, als zy onëvenmatige, of verwarde denkbeelden heeft. Ik zeg wijders, door 't welk de ziel een meerder of minder macht, dan te voren, van haar lighaam, of van enig gedeelte daar af van wezentlijk te zijn bevestigt: want alle de denkbeelden der lighamen, die wy hebben, wijzen meer aan de dadelijke gesteltenis van onz lig- haam, (volgens de tweede Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel) dan de natuur van 't uitterlijk lighaam. Maar dat, 't welk de vorm van de hartstocht stelt, moet de gesteltenis van 't lighaam, of van enig deel daar af, 't welk het lighaam zelfs, of enig deel daar af heeft, aanwijzen, of uitdrukken; namelijk hieröm, dat des zelfs vermogen van te doen, of macht van wezentlijk te zijn vermeerdert of vermindert, geholpen of ingetoomt word. Maar hier staat aan te merken dat ik, als ik zeg een meerder of minder macht van wezentlijk te zijn, dan te voren, niet versta dat de ziel de tegenwoordige gesteltenis van 't lighaam met de voorgaande gelijkt; maar dat het denkbeelt, 't welk de vorm van de hartstocht stelt, iets van 't lighaam bevestigt, dat warelijk meerder, of minder zakelijkheit insluit, dan te voren. En dewijl de wezentheit van de ziel hier in bestaat, (volgens d'elfde en dartiende Voorstelling in het tweede deel) dat zy de dadelijke wezentlijkheit van haar lighaam bevestigt, en wy, by volmaaktheit, de wezentheit zelve van de zaak verstaan, zo volgt dat de ziel tot meerder, of minder volmaaktheit overgaat, als 't haar toevalt iets, dat meerder of minder zakelijkheit insluit, dan te voren, van haar lighaam, of van enig deel daar af te bevestigen. Als ik dieshalven hier voor gezegt heb, dat de macht van te denken van de ziel vermeerdert of vermindert word, dan heb ik daar by niets anders verstaan willen hebben, dan dat de ziel een denkbeelt van haar lighaam, of van enig gedeelte daar af gevormt heeft, 't welk meerder of minder zakelijkheit uitdrukt, dan zy van haar lighaam bevestigt had; want de voortreffelijkheit der denkbeelden, en het dadelijk vermogen van te denken word naar de voortreffelijkheit van 't voorwerp geschat. Eindelijk heb ik 'er by gevoegt, en door 't welk, gestelt zijnde, de ziel zelve bepaalt word eerder op dit, dan op dat te denken; op dat ik, boven de natuur van de blijschap en droef heit, de welke in 't eerste deel van de Bepaling verklaart word, ook de natuur van de begeerte zou uitdrukken.

Einde van 't darde Deel.