Ethics III - On the Origin and Nature of the Emotions.

 Opera Posthuma
Expand
De Nagelate Schriften
Expand
Elwes
Expand
3D1
Causam adæquatam appello eam cujus effectus potest clare et distincte per eandem percipi. Inadæquatam autem seu partialem illam voco cujus effectus per ipsam solam intelligi nequit.
Ik noem deze oorzaak evenmatig, welker gewrocht klarelijk en onderscheidelijk door de zelfde begrepen kan worden; en die onëvenmatig, of bezonder, welker gewrocht door haar alleen niet verstaan kan worden.

By an adequate cause, I mean a cause through which its effect can be clearly and distinctly perceived. By an inadequate or partial cause, I mean a cause through which, by itself, its effect cannot be understood.

3D2
Nos tum agere dico cum aliquid in nobis aut extra nos fit cujus adæquata sumus causa hoc est (per definitionem præcedentem) cum ex nostra natura aliquid in nobis aut extra nos sequitur quod per eandem solam potest clare et distincte intelligi. At contra nos pati dico cum in nobis aliquid fit vel ex nostra natura aliquid sequitur cujus nos non nisi partialis sumus causa.
Ik zeg dat wy dan doen, of werken, als 'er in ons, of buiten ons iets geschied, van 't welk wy d' evenmatige oorzaak zijn: dat is (volgens de voorgaande Bepaling) als uit onze natuur iets in ons, of buiten ons volgt, 't welk door de zelfde alleen klarelijk en onderscheidelijk verstaan kan worden. In tegendeel, ik zeg dat wy lijden, als in ons iets geschied, of dat uit onze natuur iets volgt, van 't welk wy niet, dan ten deel, oorzaak zijn.

I say that we act when anything takes place, either within us or externally to us, whereof we are the adequate cause; that is (by the foregoing definition) when through our nature something takes place within us or externally to us, which can through our nature alone be clearly and distinctly understood. On the other hand, I say that we are passive as regards something when that something takes place within us, or follows from our nature externally, we being only the partial cause.

3D3
Per affectum intelligo corporis affectiones quibus ipsius corporis agendi potentia augetur vel minuitur, juvatur vel cœrcetur et simul harum affectionum ideas. Si itaque alicujus harum affectionum adæquata possimus esse causa, tum per affectum actionem intelligo, alias passionem.
By Hartstocht versta ik d' aandoeningen des lighaams, door de welken des lighaams vermogen van te werken vermeerdert of vermindert, geholpen, of ingetoomt word, en gezamentlijk de denkbeelden dezer aandoeningen. Indien wy dan d' evenmatige oorzaak van enige dezer aandoeningen konnen wezen, zo versta ik by hartstocht doening; andersins lijdingen.

By emotion I mean the modifications of the body, whereby the active power of the said body is increased or diminished, aided or constrained, and also the ideas of such modifications.

N.B. If we can be the adequate cause of any of these modifications, I then call the emotion an activity, otherwise I call it a passion, or state wherein the mind is passive.


3PSI
Corpus humanum potest multis affici modis quibus ipsius agendi potentia augetur vel minuitur et etiam aliis qui ejusdem agendi potentiam nec majorem nec minorem reddunt. Hoc postulatum seu axioma nititur postulato 1 et lemmatibus 5 et 7, quæ vide post propositionem 13 partis II.
Hetmenschelijk lighaam kan op veel wijzen aangedaan worden, door de welken zijn vermogen van te werken vermeerdert, of vermindert word; en ook op andere wijzen, die des zelfs vermogen van te werken noch meerder, noch minder maken. Deze Verëissching, of Kundigheit steunt op d'eerste Verëissching, en op de vijfde en zevende Voorbewijzen, die achter de dartiende Voorstelling van het tweede deel te zien zijn.

The human body can be affected in many ways, whereby its power of activity is increased or diminished, and also in other ways which do not render its power of activity either greater or less.

N.B. This postulate or axiom rests on Postulate i. and Lemmas v. and vii., which see after II. xiii.


3PSII
Corpus humanum multas pati potest mutationes et nihilominus retinere objectorum impressiones seu vestigia (de quibus vide postulatum 5 partis II) et consequenter easdem rerum imagines; quarum definitionem vide in scholio propositionis 17 partis II.
Het menschelijk lighaam kan veel veränderingen lijden, en echter d'indrukkingen, of speuren der voorwerpen behouden, (bezie hier af de vijfde Vereïssching in het tweede deel) en by gevolg de zelfde beelden der dingen, welker Bepaling in 't Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel te zien is.

The human body can undergo many changes, and, nevertheless, retain the impressions or traces of objects (cf. II. Post. v.), and, consequently, the same images of things (see note II. xvii.).

3P1
Mens nostra quædam agit, quædam vero patitur nempe quatenus adæquatas habet ideas eatenus quædam necessario agit et quatenus ideas habet inadæquatas eatenus necessario quædam patitur.
DEMONSTRATIO: Cujuscunque humanæ mentis ideæ aliæ adæquatæ sunt, aliæ autem mutilatæ et confusæ (per scholia propositionis 40 partis II). Ideæ autem quæ in alicujus mente sunt adæquatæ, sunt in Deo adæquatæ quatenus ejusdem mentis essentiam constituit (per corollarium propositionis 11 partis II) et quæ deinde inadæquatæ sunt in mente, sunt etiam in Deo (per idem corollarium) adæquatæ non quatenus ejusdem solummodo mentis essentiam sed etiam quatenus aliarum rerum mentes in se simul continet. Deinde ex data quacunque idea aliquis effectus sequi necessario debet (per propositionem 36 partis I) cujus effectus Deus causa est adæquata (vide definitionem 1 hujus) non quatenus infinitus est sed quatenus data illa idea affectus consideratur (vide propositionem 9 partis II). At ejus effectus cujus Deus est causa quatenus affectus est idea quæ in alicujus mente est adæquata, illa eadem mens est causa adæquata (per corollarium propositionis 11 partis II). Ergo mens nostra (per definitionem 2 hujus) quatenus ideas habet adæquatas, quædam necessario agit, quod erat primum. Deinde quicquid necessario sequitur ex idea quæ in Deo est adæquata, non quatenus mentem unius hominis tantum sed quatenus aliarum rerum mentes simul cum ejusdem hominis mente in se habet, ejus (per idem corollarium propositionis 11 partis II) illius hominis mens non est causa adæquata sed partialis ac proinde (per definitionem 2 hujus) mens quatenus ideas inadæquatas habet, quædam necessario patitur. Quod erat secundum. Ergo mens nostra etc. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc sequitur mentem eo pluribus passionibus esse obnoxiam quo plures ideas inadæquatas habet et contra eo plura agere quo plures habet adæquatas.

Onze ziel doet sommige dingen, maar sommigen lijd zy: namelijk, voor zo veel zy evenmatige denkbeelden heeft, voor zo veel doet zy nootzakelijk enige dingen; en voor zo veel zy onëvenmatige denkbeelden heeft, voor zo veel lijd zy ook nootzakelijk enige dingen.

Betoging.--Enige denkbeelden van yder menschelijke ziel zijn evenmatig, en enigen verminkt en verwart; volgens het Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel. Doch de denkbeelden, die in iemants ziel evenmatig zijn, zijn evenmatig in God, voor zo veel hy de wezentheit van de zelfde ziel stelt; volgens de Toegift van d' elfde Voorstelling in het tweede deel. Wijders, die denkbeelden, de welken in de ziel onëvenmatig zijn, zijn ook (volgens de zelfde Toegift) evenmatig in God, niet voor zo veel hy alleenlijk de wezentheit van de zelfde ziel, maar ook voor zo veel hy gezamentlijk de ziel der andere dingen in zich begrijpt. Wijders, uit yder gestelt denkbeelt moet nootzakelijk enig gewrocht volgen; (volgens de zevenëndartigste Voorstelling in 't eerste deel) van welk gewrocht God d'evenmatige oorzaak is: (bezie d' eerste Bepaling van dit deel) niet voor zo veel hy onëindig is; maar voor zo veel hy met dat gestelt denkbeelt aangedaan aangemerkt word; bezie de negende Voorstelling in het tweede deel. Maar van dat gewrocht, van 't welk God d' oorzaak is, voor zo veel hy met een denkbeelt, dat in iemants ziel evenmatig is, aangedaan is; van dat gewrocht is de zelfde ziel d'evenmatige oorzaak; volgens de Toegift van d' elfde Voorstelling in het tweede deel. Dieshalven, onze ziel (volgens de tweede Bepaling van dit deel) voor zo veel zy evenmatige denkbeelden heeft, doet nootzakelijk enige dingen; 't welk het eerste was. Wijders, al 't geen, 't welk nootzakelijk uit het denkbeelt volgt, dat in God evenmatig is, niet voor zo veel hy alleenlijk de ziel van een enig mensch, maar voor zo veel hy de zielen van andere dingen, gezamentlijk met de ziel van de zelfde mensch, in zich heeft; daar af (volgens de zelfde Toegift van d' elfde Voorstelling in het tweede deel) is de ziel van die zelfde mensch niet d'evenmatige oorzaak, maar ten deel: en dieshalven (volgens de tweede Bepaling van dit deel) lijd de ziel, voor zo veel zy onëvenmatige denkbeelden heeft, nootzakelijk enige dingen; 't welk het tweede was.

Toegift.--Hier uit volgt dat de ziel zo veel te meer lijdingen onderworpen is, als zy meer onëvenmatige denkbeelden heeft; en in tegendeel, dat zy zo veel te meer dingen werkt, als zy meer evenmatige denkbeelden heeft.

Our mind is in certain cases active, and in certain cases passive. In so far as it has adequate ideas it is necessarily active, and in so far as it has inadequate ideas, it is necessarily passive.

Proof.--In every human mind there are some adequate ideas, and some ideas that are fragmentary and confused (II. xl. note). Those ideas which are adequate in the mind are adequate also in God, inasmuch as he constitutes the essence of the mind (II. xl. Coroll.), and those which are inadequate in the mind are likewise (by the same Coroll.) adequate in God, not inasmuch as he contains in himself the essence of the given mind alone, but as he, at the same time, contains the minds of other things. Again, from any given idea some effect must necessarily follow (I. 36); of this effect God is the adequate cause (III. Def. i.), not inasmuch as he is infinite, but inasmuch as he is conceived as affected by the given idea (II. ix.). But of that effect whereof God is the cause, inasmuch as he is affected by an idea which is adequate in a given mind, of that effect, I repeat, the mind in question is the adequate cause (II. xi. Coroll.). Therefore our mind, in so far as it has adequate ideas (III. Def. ii.), is in certain cases necessarily active; this was our first point. Again, whatsoever necessarily follows from the idea which is adequate in God, not by virtue of his possessing in himself the mind of one man only, but by virtue of his containing, together with the mind of that one man, the minds of other things also, of such an effect (II. xi. Coroll.) the mind of the given man is not an adequate, but only a partial cause; thus (III. Def. ii.) the mind, inasmuch as it has inadequate ideas, is in certain cases necessarily passive; this was our second point. Therefore our mind, &c. Q.E.D.

Corollary.--Hence it follows that the mind is more or less liable to be acted upon, in proportion as it possesses inadequate ideas, and, contrariwise, is more or less active in proportion as it possesses adequate ideas.

3P2
Nec corpus mentem ad cogitandum nec mens corpus ad motum neque ad quietem nec ad aliquid (si quid est) aliud determinare potest.
DEMONSTRATIO: Omnes cogitandi modi Deum quatenus res est cogitans et non quatenus alio attributo explicatur, pro causa habent (per propositionem 6 partis II); id ergo quod mentem ad cogitandum determinat, modus cogitandi est et non extensionis hoc est (per definitionem 1 partis II) non est corpus : quod erat primum. Corporis deinde motus et quies ab alio oriri debet corpore quod etiam ad motum vel quietem determinatum fuit ab alio et absolute quicquid in corpore oritur, id a Deo oriri debuit quatenus aliquo extensionis modo et non quatenus aliquo cogitandi modo affectus consideratur (per eandem propositionem 6 partis II) hoc est a mente quæ (per propositionem 11 partis II) modus cogitandi est, oriri non potest : quod erat secundum. Ergo nec corpus mentem etc. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc clarius intelliguntur ex iis quæ in scholio propositionis 7 partis II dicta sunt quod scilicet mens et corpus una eademque res sit quæ jam sub cogitationis jam sub extensionis attributo concipitur. Unde fit ut ordo sive rerum concatenatio una sit sive natura sub hoc sive sub illo attributo concipiatur, consequenter ut ordo actionum et passionum corporis nostri simul sit natura cum ordine actionum et passionum mentis : quod etiam patet ex modo quo propositionem 12 partis II demonstravimus. At quamvis hæc ita se habeant ut nulla dubitandi ratio supersit, vix tamen credo nisi rem experientia comprobavero, homines induci posse ad hæc æquo animo perpendendum adeo firmiter persuasi sunt corpus ex solo mentis nutu jam moveri jam quiescere plurimaque agere quæ a sola mentis voluntate et excogitandi arte pendent. Etenim quid corpus possit, nemo hucusque determinavit hoc est neminem hucusque experientia docuit quid corpus ex solis legibus naturæ quatenus corporea tantum consideratur, possit agere et quid non possit nisi a mente determinetur. Nam nemo hucusque corporis fabricam tam accurate novit ut omnes ejus functiones potuerit explicare ut jam taceam quod in brutis plura observentur quæ humanam sagacitatem longe superant et quod somnambuli in somnis plurima agant quæ vigilando non auderent; quod satis ostendit ipsum corpus ex solis suæ naturæ legibus multa posse quæ ipsius mens admiratur. Deinde nemo scit qua ratione quibusve mediis mens moveat corpus neque quot motus gradus possit corpori tribuere quantaque cum celeritate idem movere queat. Unde sequitur cum homines dicunt hanc vel illam actionem corporis oriri a mente quæ imperium in corpus habet, eos nescire quid dicant nec aliud agere quam speciosis verbis fateri se veram illius actionis causam absque admiratione ignorare. At dicent sive sciant sive nesciant quibus mediis mens moveat corpus, se tamen experiri quod nisi mens humana apta esset ad excogitandum, corpus iners esset. Deinde se experiri in sola mentis potestate esse tam loqui quam tacere et alia multa quæ proinde a mentis decreto pendere credunt. Sed quod ad primum attinet, ipsos rogo num experientia non etiam doceat quod si contra corpus iners sit, mens simul ad cogitandum sit inepta? Nam cum corpus somno quiescit, mens simul cum ipso sopita manet nec potestatem habet veluti cum vigilat, excogitandi. Deinde omnes expertos esse credo mentem non semper æque aptam esse ad cogitandum de eodem objecto sed prout corpus aptius est ut in eo hujus vel illius objecti imago excitetur, ita mentem aptiorem esse ad hoc vel illud objectum contemplandum. At dicent ex solis legibus naturæ quatenus corporea tantum consideratur, fieri non posse ut causæ ædificiorum, picturarum rerumque hujusmodi quæ sola humana arte fiunt, possint deduci nec corpus humanum nisi a mente determinaretur ducereturque, pote esset ad templum aliquod ædificandum. Verum ego jam ostendi ipsos nescire quid corpus possit quidve ex sola ipsius naturæ contemplatione possit deduci ipsosque plurima experiri ex solis naturæ legibus fieri quæ nunquam credidissent posse fieri nisi ex mentis directione ut sunt ea quæ somnambuli in somnis agunt quæque ipsi, dum vigilant, admirantur. Addo hic ipsam corporis humani fabricam quæ artificio longissime superat omnes quæ humana arte fabricatæ sunt, ut jam taceam, quod supra ostenderim, ex natura sub quovis attributo considerata, infinita sequi. Quod porro ad secundum attinet, sane longe felicius sese res humanæ haberent si æque in hominis potestate esset tam tacere quam loqui. At experientia satis superque docet homines nihil minus in potestate habere quam linguam nec minus posse quam appetitus moderari suos; unde factum ut plerique credant nos ea tantum libere agere quæ leviter petimus quia earum rerum appetitus facile contrahi potest memoria alterius rei cujus frequenter recordamur sed illa minime quæ magno cum affectu petimus et qui alterius rei memoria sedari nequit. Verumenimvero nisi experti essent nos plura agere quorum postea pænitet nosque sæpe, quando scilicet contrariis affectibus conflictamur, meliora videre et deteriora sequi, nihil impediret quominus crederent nos omnia libere agere. Sic infans se lac libere appetere credit, puer autem iratus vindictam velle et timidus fugam. Ebrius deinde credit se ex libero mentis decreto ea loqui quæ postea sobrius vellet tacuisse : sic delirans, garrula, puer et hujus farinæ plurimi ex libero mentis decreto credunt loqui cum tamen loquendi impetum quem habent, continere nequeant, ita ut ipsa experientia non minus clare quam ratio doceat quod homines ea sola de causa liberos se esse credant quia suarum actionum sunt conscii et causarum a quibus determinantur, ignari et præterea quod mentis decreta nihil sint præter ipsos appetitus, quæ propterea varia sunt pro varia corporis dispositione. Nam unusquisque ex suo affectu omnia moderatur et qui præterea contrariis affectibus conflictantur, quid velint nesciunt; qui autem nullo, facili momento huc atque illuc pelluntur. Quæ omnia profecto clare ostendunt mentis tam decretum quam appetitum et corporis determinationem simul esse natura vel potius unam eandemque rem quam quando sub cogitationis attributo consideratur et per ipsum explicatur, decretum appellamus et quando sub extensionis attributo consideratur et ex legibus motus et quietis deducitur, determinationem vocamus; quod adhuc clarius ex jam dicendis patebit. Nam aliud est quod hic apprime notari vellem nempe quod nos nihil ex mentis decreto agere possumus nisi ejus recordemur. Exempli gratia non possumus verbum loqui nisi ejusdem recordemur. Deinde in libera mentis potestate non est rei alicujus recordari vel ejusdem oblivisci. Quare hoc tantum in mentis potestate esse creditur quod rem cujus recordamur vel tacere vel loqui ex solo mentis decreto possumus. Verum cum nos loqui somniamus, credimus nos ex libero mentis decreto loqui nec tamen loquimur vel si loquimur, id ex corporis spontaneo motu fit. Somniamus deinde nos quædam homines celare idque eodem mentis decreto quo dum vigilamus ea quæ scimus, tacemus. Somniamus denique nos ex mentis decreto quædam agere quæ dum vigilamus non audemus atque adeo pervelim scire an in mente duo decretorum genera dentur, phantasticorum unum et liberorum alterum? Quod si eo usque insanire non libet, necessario concedendum est hoc mentis decretum quod liberum esse creditur, ab ipsa imaginatione sive memoria non distingui nec aliud esse præter illam affirmationem quam idea quatenus idea est, necessario involvit (vide propositionem 49 partis II). Atque adeo hæc mentis decreta eadem necessitate in mente oriuntur ac ideæ rerum actu existentium. Qui igitur credunt se ex libero mentis decreto loqui vel tacere vel quicquam agere, oculis apertis somniant.

Het lighaam kan de ziel niet tot denken, noch de ziel het lighaam tot beweging, noch tot rust, noch tot iets anders (zo 'er iets anders is) bepalen.

Betoging.--Alle wijzen van denken hebben God tot oorzaak, voor zo veel hy een denkende zaak is, en niet voor zo veel hy door een andere toeëigening verklaart word; volgens de zeste Voorstelling in het tweede deel. Dit dan, 't welk de ziel tot denken bepaalt, is een wijze van denken, en niet van uitgestrektheit: dat is, (volgens d' eerste Bepaling in het tweede deel) geen lighaam; 't welk het eerste was. Wijders, de beweging en rust des lighaams moet uit enig ander lighaam spruiten, 't welk ook van een ander lighaam tot beweging, of tot rust bepaalt heeft geweest. En zeker, al 't geen, dat in een lighaam ontstaat, moet uit God ontstaan, voor zo veel hy, met enige wijze van uitgestrektheit, en niet voor zo veel hy met enige wijze van denken aangedaan, aangemerkt word: (volgens de zelfde zeste Voorstelling van het tweede deel) dat is, het kan niet uit de ziel voortkomen, die (volgens d' elfde Voorstelling van het tweede deel) een wijze van denken is; 't welk het tweede was.

Byvoegsel.--Deze dingen worden klarelijker uit het geen verstaan, 't welk in het Byvoegsel van de zevende Voorstelling in het tweede deel gezegt is: namelijk, dat de ziel en 't lighaam een en 't zelfde ding is, 't welk nu onder de toeëigening van denking, en dan onder die van uitgestrektheit bevat word. Hier uit spruit het dat d' ordening, of de samenschakeling der dingen een en de zelfde is, 't zy de natuur onder deze, of onder die toeëigening word bevat; en by gevolg dat d' ordening der doeningen en lijdingen van onz lighaam van natuur gelijk is met d' ordening der doeningen en lijdingen van de ziel; 't welk ook uit de wijze blijkt, daar door wy de twaalfde Voorstelling van het tweede deel betoogt hebben. Maar hoewel deze dingen zodanig zijn, dat 'er geen reden van te twijffelen overig is, zo kan ik naauwelijks geloven dat, indien ik de zaak niet door d' ervarentheit bevestig, de menschen bewogen konnen worden tot deze dingen met een rechtmatig gemoed t' overwegen; zo krachtiglijk zijn zy overreed dat het lighaam alleenlijk op de wenk van de ziel nu bewogen word, dan rust, en zeer veel dingen doet, de welken alleenlijk van de wil der ziel, en van de kunst van te denken afhangen. En zeker, niemant heeft tot noch toe bepaalt wat het lighaam vermag: dat is, d' ervarentheit heeft tot noch toe aan niemant geleert, wat het lighaam, uit de wetten der natuur alleen, voor zo veel zy slechs lighamelijk aangemerkt word, kan doen, en wat het niet kan doen, 't en zy het van de ziel bepaalt word. Want niemant kent tot noch toe het gebou des lighaams zo naaukeuriglijk, dat hy alle des zelfs ampten en bedieningen heeft konnen verklaren: ik zwijg noch dat in de stomme beesten veel dingen aangemerkt worden, die de menschelijke schranderheit verre overtreffen, en dat de wandelslapers in hun slaap veel dingen doen, die zy, wakker zijnde, niet zouden darren aanvangen; 't welk klarelijk genoech toont dat het lighaam zelf, uit de wetten van zijn natuur alleen, veel dingen vermag, over de welken zijn ziel zelf verwondert is. Wijders, niemant weet op welke wijze, en door welke middelen de ziel het lighaam beweegt, noch hoe veel trappen van beweging zy aan 't lighaam kan mededelen, en met hoe grote gezwintheit het zelfde bewegen. Hier uit volgt dan dat de menschen, als zy zeggen dat deze, of die doening des lighaams uit de ziel spruit, die heerschappy over 't lighaam heeft, niet weten wat zy zeggen, en niets anders doen, dan met schone woorden belijden, dat zy, zonder verwondering, van de ware oorzaak van die doening onkundig zijn. Maar, zullen zy zeggen, 't zy men weet, of niet weet door welke middelen de ziel het lighaam beweegt, men ondervind echter dat het lighaam onmachtig en onbequaam zou zijn, zo de menschelijke ziel niet bequaam was om te denken, en uit te vinden: wijders, dat men ondervind dat zo wel te spreken, als te zwijgen in de macht van de ziel alleen bestaat, en veel andere dingen, van de welken men dieshalven gelooft dat zy van 't besluit der ziel afhangen. Wat het eerste aangaat, ik vraag hen, of d' ervarentheit ook niet leert, dat, indien in tegendeel het lighaam onmachtig en onbequaam is, de ziel ook niet te gelijk onmachtig en onbequaam is. Want als het lighaam door de slaap rust, zo is de ziel ook daar meê in slaap, en heeft geen macht van te denken gelijk dan, als zy wakker is. Wijders, ik geloof dat alle menschen ondervonden hebben dat de ziel niet altijt even bequaam is om op een zelfde voorwerp te denken, maar dat, gelijk het lighaam bequamer is om het beelt van dit, of dat voorwerp daar in te verwekken, de ziel ook in dier voegen bequamer is om dit, of dat voorwerp t' aanschouwen. Maar, zullen zy zeggen, d' oorzaken der gebouwen, schilderijen, en diergelijke dingen, die door menschelijke kunst alleen worden gemaakt, konnen niet van de wetten der natuur alleen, voor zo veel zy slechs lighamelijk aangemerkt word, afgeleid worden; en het menschelijk lighaam zou niet machtig wezen om enige kerk te bouwen, zo het niet van de ziel bepaalt en geleid word. Maar ik heb alreê getoont dat zy niet weten wat het lighaam vermag, of wat uit de beschouwing van des zelfs natuur alleen afgeleid kan worden, en dat zy zelven bevinden dat zeer veel dingen uit de wetten der natuur alleen geschieden, van de welken zy gelooft zouden hebben dat zy nooit konden geschieden, dan uit de bestiering van de ziel; gelijk die dingen zijn, de welken van de wandelslapers in hun slaap worden gedaan, en daar over zy, wakker geworden, zich verwonderen. Ik voeg hier by het gebou zelf van 't menschelijk lighaam, 't welk alle de gebouwen, die door menschelijke kunst gemaakt zijn, zeer verre in kunst overtreft; ik zwijg noch dat, gelijk ik hier voor getoont heb, uit de natuur, onder welke toeëigening ook aangemerkt, onëindige dingen volgen. Voorts, wat het tweede betreft, zeker, het zou veel beter met de menschelijke zaken gestelt zijn, zo het zo wel in de macht van de mensch stond te zwijgen, als te spreken. Maar d' ervarentheit leert meer dan genoech, dat de menschen niets minder in hun macht hebben, dan de tong, en niets minder vermogen, als hun lusten te matigen. Hier uit spruit het dat de menschen ten meestendeel geloven, dat wy alleenlijk die dingen vrywilliglijk doen, die wy als ter loop begeren, om dat de begeerte der zelfder dingen lichtelijk door de geheugenis van enig ander ding, daar aan wy dikwijls gedenken, ingetrokken kan worden, maar geensins de genen, die wy met grote toegenegentheit begeren, en die niet door de geheugenis van een ander ding gestilt konnen worden. Maar indien wy niet hadden ondervonden dat wy veel dingen doen, van de welken wy namaals berou hebben, en dat wy dikwijls, te weten als wy door strijdige hartstochten bestreden worden, beter dingen zien, en erger volgen, zo zou 'er niets wezen, 't welk ons zou beletten te geloven dat wy alles vrywijlliglijk doen. Dus gelooft een kint dat het de melk vrywilliglijk begeert, een vergramde jongen dat hy wraak wil, en een blode dat hy de vlucht begeert. Wijders, een dronke mensch gelooft dat hy met een vrywillig besluit van de ziel die dingen spreekt, de welken hy, sedert nuchter geworden, wel zou willen dat hy gezwegen had. In dezer voegen geloven de sporelozen, klappers, kinderen, en veel diergelijken, dat zy met een vrywillig besluit spreken, hoewel zy echter de drift van te spreken, die zy hebben, niet konnen intomen: in voegen dat d' ervarentheit zelve met geen minder klaarblijkelijkheit, als de reden, leert dat de menschen zich om deze oorzaken alleen vry achten, om dat zy van hun werken kundig zijn, en d' oorzaken, van de welken zy bepaalt worden, niet weten, en wijders geloven dat de besluiten van de ziel niets anders zijn, dan de lusten zelven, die daarom verscheiden zijn, naar de verscheide geschiktheden des lighaams. Want yder matigt alles naar zijn hartstocht; en daarënboven de genen, die van strijdige hartstochten bestreden worden, weten niet wat zy willen: maar de genen, die van geen hartstocht worden bewogen, worden zeer lichtelijk herwaarts en derwaarts gedreven. Zeker, alle deze dingen tonen klarelijk, dat zo wel het besluit van de ziel, als de lust, en de bepaling des lighaams gelijk van natuur zijn, of liever een en de zelfde zaak, die wy, als zy onder de toeëigening van denking aangemerkt, en daar door verklaart word, besluit noemen, en als men haar onder de toeëigening van uitgestrektheit aanmerkt, en van de wetten der beweging en rust afleid, met de benaming van bepaling aanwijzen; 't welk noch klarelijker uit het geen zal blijken, dat wy nu zullen zeggen. Want iets anders is 't geen, dat ik hier voornamelijk aangemerkt wil hebben, namelijk dat wy niets uit het besluit der ziel konnen doen, 't en zy wy daar aan gedenken. Tot een voorbeelt, wy konnen niet een woort spreken, 't en zy wy daar aan gedenken. Wijders, aan enig ding te gedenken, of het zelfde te vergeten bestaat niet in de vrije macht van de ziel. Dieshalven gelooft men dat dit alleen in de macht van de ziel staat, dat wy de zaak, aan de welke wy gedenken, alleenlijk uit het besluit van de ziel konnen zwijgen, of daar af spreken. Maar als wy dromen dat wy spreken, zo geloven wy dat wy uit een vry besluit der ziel spreken; en echter spreken wy niet, of zo wy spreken, dit geschied uit een gewillige beweging des lighaams. Voorts, wy dromen dat wy voor de menschen enige dingen verbergen, en dit met het zelfde besluit van de ziel, daar door wy, wakker zijnde, die dingen, de welken wy weten, verzwijgen. Eindelijk, wy dromen dat wy, uit een besluit van de ziel, enige dingen doen, die wy, wakker zijnde, niet zouden darren bestaan: en dieshalven zou ik wel gaerne willen weten, of in de ziel tweederhande slach van besluiten plaats hebben, namelijk, 't een ingebeeld, en 't ander vry. Indien wy niet zo verre buiten 't spoor willen hollen, zo moeten wy nootzakelijk toestaan dat dit besluit van de ziel, 't welk men gelooft vry te wezen, niet van d' inbeelding zelve, of van de geheugenis onderscheiden word, en niets anders is, als deze bevestiging, die van 't denkbeelt, voor zo veel het een denkbeelt is, nootzakelijk ingesloten word: (bezie de negenënveertigste Voorstelling van het tweede deel) en dus verre spruiten deze besluiten van de ziel door de zelfde nootzakelijkheit in de ziel, als de denkbeelden der dingen, die warelijk wezentlijk zijn. De genen dan, die geloven dat zy uit een vry besluit van de ziel spreken, of zwijgen, of iets doen, slapen en dromen met ope ogen.

Body cannot determine mind to think, neither can mind determine body to motion or rest or any state different from these, if such there be.

Proof.--All modes of thinking have for their cause God, by virtue of his being a thinking thing, and not by virtue of his being displayed under any other attribute (II. vi.). That, therefore, which determines the mind to thought is a mode of thought, and not a mode of extension; that is (II. Def. i.), it is not body. This was our first point. Again, the motion and rest of a body must arise from another body, which has also been determined to a state of motion or rest by a third body, and absolutely everything which takes place in a body must spring from God, in so far as he is regarded as affected by some mode of extension, and not by some mode of thought (II. vi.); that is, it cannot spring from the mind, which is a mode of thought. This was our second point. Therefore body cannot determine mind, &c. Q.E.D.

Note.--This is made more clear by what was said in the note to II. vii., namely, that mind and body are one and the same thing, conceived first under the attribute of thought, secondly, under the attribute of extension. Thus it follows that the order or concatenation of things is identical, whether nature be conceived under the one attribute or the other; consequently the order of states of activity and passivity in our body is simultaneous in nature with the order of states of activity and passivity in the mind. The same conclusion is evident from the manner in which we proved II. xii.

Nevertheless, though such is the case, and though there be no further room for doubt, I can scarcely believe, until the fact is proved by experience, that men can be induced to consider the question calmly and fairly, so firmly are they convinced that it is merely at the bidding of the mind, that the body is set in motion or at rest, or performs a variety of actions depending solely on the mind's will or the exercise of thought. However, no one has hitherto laid down the limits to the powers of the body, that is, no one has as yet been taught by experience what the body can accomplish solely by the laws of nature, in so far as she is regarded as extension. No one hitherto has gained such an accurate knowledge of the bodily mechanism, that he can explain all its functions; nor need I call attention to the fact that many actions are observed in the lower animals, which far transcend human sagacity, and that somnambulists do many things in their sleep, which they would not venture to do when awake: these instances are enough to show, that the body can by the sole laws of its nature do many things which the mind wonders at.

Again, no one knows how or by what means the mind moves the body, nor how many various degrees of motion it can impart to the body, nor how quickly it can move it. Thus, when men say that this or that physical action has its origin in the mind, which latter has dominion over the body, they are using words without meaning, or are confessing in specious phraseology that they are ignorant of the cause of the said action, and do not wonder at it.

But, they will say, whether we know or do not know the means whereby the mind acts on the body, we have, at any rate, experience of the fact that unless the human mind is in a fit state to think, the body remains inert. Moreover, we have experience, that the mind alone can determine whether we speak or are silent, and a variety of similar states which, accordingly, we say depend on the mind's decree. But, as to the first point, I ask such objectors, whether experience does not also teach, that if the body be inactive the mind is simultaneously unfitted for thinking? For when the body is at rest in sleep, the mind simultaneously is in a state of torpor also, and has no power of thinking, such as it possesses when the body is awake. Again, I think everyone's experience will confirm the statement, that the mind is not at all times equally fit for thinking on a given subject, but according as the body is more or less fitted for being stimulated by the image of this or that object, so also is the mind more or less fitted for contemplating the said object.

But, it will be urged, it is impossible that solely from the laws of nature considered as extended substance, we should be able to deduce the causes of buildings, pictures, and things of that kind, which are produced only by human art; nor would the human body, unless it were determined and led by the mind, be capable of building a single temple. However, I have just pointed out that the objectors cannot fix the limits of the body's power, or say what can be concluded from a consideration of its sole nature, whereas they have experience of many things being accomplished solely by the laws of nature, which they would never have believed possible except under the direction of mind: such are the actions performed by somnambulists while asleep, and wondered at by their performers when awake. I would further call attention to the mechanism of the human body, which far surpasses in complexity all that has been put together by human art, not to repeat what I have already shown, namely, that from nature, under whatever attribute she be considered, infinite results follow. As for the second objection, I submit that the world would be much happier, if men were as fully able to keep silence as they are to speak. Experience abundantly shows that men can govern anything more easily than their tongues, and restrain anything more easily than their appetites; when it comes about that many believe, that we are only free in respect to objects which we moderately desire, because our desire for such can easily be controlled by the thought of something else frequently remembered, but that we are by no means free in respect to what we seek with violent emotion, for our desire cannot then be allayed with the remembrance of anything else. However, unless such persons had proved by experience that we do many things which we afterwards repent of, and again that we often, when assailed by contrary emotions, see the better and follow the worse, there would be nothing to prevent their believing that we are free in all things. Thus an infant believes that of its own free will it desires milk, an angry child believes that it freely desires vengeance, a timid child believes that it freely desires to run away; further, a drunken man believes that he utters from the free decision of his mind words which, when he is sober, he would willingly have withheld: thus, too, a delirious man, a garrulous woman, a child, and others of like complexion, believe that they speak from the free decision of their mind, when they are in reality unable to restrain their impulse to talk. Experience teaches us no less clearly than reason, that men believe themselves to be free, simply because they are conscious of their actions, and unconscious of the causes whereby those actions are determined; and, further, it is plain that the dictates of the mind are but another name for the appetites, and therefore vary according to the varying state of the body. Everyone shapes his actions according to his emotion, those who are assailed by conflicting emotions know not what they wish; those who are not attacked by any emotion are readily swayed this way or that. All these considerations clearly show that a mental decision and a bodily appetite, or determined state, are simultaneous, or rather are one and the same thing, which we call decision, when it is regarded under and explained through the attribute of thought, and a conditioned state, when it is regarded under the attribute of extension, and deduced from the laws of motion and rest. This will appear yet more plainly in the sequel. For the present I wish to call attention to another point, namely, that we cannot act by the decision of the mind, unless we have a remembrance of having done so. For instance, we cannot say a word without remembering that we have done so. Again, it is not within the free power of the mind to remember or forget a thing at will. Therefore the freedom of the mind must in any case be limited to the power of uttering or not uttering something which it remembers. But when we dream that we speak, we believe that we speak from a free decision of the mind, yet we do not speak, or, if we do, it is by a spontaneous motion of the body. Again, we dream that we are concealing something, and we seem to act from the same decision of the mind as that, whereby we keep silence when awake concerning something we know. Lastly, we dream that from the free decision of our mind we do something, which we should not dare to do when awake.

Now I should like to know whether there be in the mind two sorts of decisions, one sort illusive, and the other sort free? If our folly does not carry us so far as this, we must necessarily admit, that the decision of the mind, which is believed to be free, is not distinguishable from the imagination or memory, and is nothing more than the affirmation, which an idea, by virtue of being an idea, necessarily involves (II. xlix.). Wherefore these decisions of the mind arise in the mind by the same necessity, as the ideas of things actually existing. Therefore those who believe, that they speak or keep silence or act in any way from the free decision of their mind, do but dream with their eyes open.

3P3
Mentis actiones ex solis ideis adæquatis oriuntur, passiones autem a solis inadæquatis pendent.
DEMONSTRATIO: Primum quod mentis essentiam constituit, nihil aliud est quam idea corporis actu existentis (per propositiones 11 et 13 partis II) quæ (per propositionem 15 partis II) ex multis aliis componitur quarum quædam (per corollarium propositionis 38 partis II) sunt adæquatæ, quædam autem inadæquatæ (per corollarium propositionis 29 partis II). Quicquid ergo ex mentis natura sequitur et cujus mens causa est proxima per quam id debet intelligi, necessario ex idea adæquata vel inadæquata sequi debet. At quatenus mens (per propositionem 1 hujus) ideas habet inadæquatas eatenus necessario patitur; ergo mentis actiones ex solis ideis adæquatis sequuntur et mens propterea tantum patitur quia ideas habet inadæquatas. Q.E.D.

SCHOLIUM: Videmus itaque passiones ad mentem non referri nisi quatenus aliquid habet quod negationem involvit sive quatenus consideratur ut naturæ pars quæ per se absque aliis non potest clare et distincte percipi et hac ratione ostendere possem passiones eodem modo ad res singulares ac ad mentem referri nec alia ratione posse percipi sed meum institutum est de sola mente humana agere.

De doeningen van de ziel spruiten uit d' evenmatige denkbeelden alleen; en de lijdingen hangen van d' onëvenmatige denkbeelden alleen af.

Betoging.--Voorëerst, het geen, 't welk de wezentheit van de ziel maakt, is niets anders, dan het denkbeelt van 't lighaam, 't welk dadelijk wezentlijk is; volgens d' elfde en dartiende Voorstelling van het tweede deel) en dit denkbeelt word, (volgens de vijftiende Voorstelling van het tweede deel) uit veel anderen te zamen gezet, van de welken sommigen (volgens de Toegift van d' achtëndartigste Voorstelling in het tweede deel) evenmatig, en sommigen (volgens de Toegift van de negenëntwintigste Voorstelling in het tweede deel) onëvenmatig zijn. Al 't geen dan, dat uit de natuur van de ziel volgt, en van 't welk de ziel de naaste oorzaak is, door de welke dit verstaan moet worden, moet nootzakelijk uit het evenmatig, of uit het onëvenmatig denkbeelt volgen. Maar voor zo veel de ziel (volgens d' eerste Voorstelling van dit deel) onëvenmatige denkbeelden heeft, voor zo veel lijd zy nootzakelijk; dieshalven, de doeningen van de ziel volgen uit d'evenmatige denkbeelden alleen; en daaröm lijd de ziel alleenlijk, om dat zy onëvenmatige denkbeelden heeft; gelijk wy voorgaven.

Byvoegsel.--Wy zien dan dat de lijdingen niet tot de ziel toegepast worden, dan voor zo veel zy iets heeft, dat ontkenning insluit, of voor zo veel zy voor een deel der natuur aangemerkt word, 't welk door zich zelf, zonder anderen, niet klarelijk en onderscheidelijk bevat kan worden: en door deze middel zou ik konnen tonen, dat de lijdingen op de zelfde wijze tot de bezondere dingen, als tot de ziel, toegepast, en door geen andere middel bevat konnen worden. Maar mijn oogmerk is, van de menschelijke ziel alleen te handelen.

The activities of the mind arise solely from adequate ideas; the passive states of the mind depend solely on inadequate ideas.

Proof.--The first element, which constitutes the essence of the mind, is nothing else but the idea of the actually existent body (II. xi. and xiii.), which (II. xv.) is compounded of many other ideas, whereof some are adequate and some inadequate (II. xxix. Coroll., II. xxxviii. Coroll.). Whatsoever therefore follows from the nature of mind, and has mind for its proximate cause, through which it must be understood, must necessarily follow either from an adequate or from an inadequate idea. But in so far as the mind (III. i.) has inadequate ideas, it is necessarily passive: wherefore the activities of the mind follow solely from adequate ideas, and accordingly the mind is only passive in so far as it has inadequate ideas. Q.E.D.

Note.--Thus we see, that passive states are not attributed to the mind, except in so far as it contains something involving negation, or in so far as it is regarded as a part of nature, which cannot be clearly and distinctly perceived through itself without other parts: I could thus show, that passive states are attributed to individual things in the same way that they are attributed to the mind, and that they cannot otherwise be perceived, but my purpose is solely to treat of the human mind.

3P4
Nulla res nisi a causa externa potest destrui.
DEMONSTRATIO: Hæc propositio per se patet; definitio enim cujuscunque rei ipsius rei essentiam affirmat sed non negat sive rei essentiam ponit sed non tollit. Dum itaque ad rem ipsam tantum, non autem ad causas externas attendimus, nihil in eadem poterimus invenire quod ipsam possit destruere. Q.E.D.
Geen ding kan vernietigt worden, dan van een uitterlijke oorzaak.

Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit zich zelf: want de bepaling van yder ding bevestigt de wezentheit van de zaak, en ontkent haar niet; of stelt de wezentheit van de zaak, en neemt haar niet wech. Terwijl wy dan alleenlijk op de zaak zelve, en niet op d' uitwendige oorzaken merken, zo zullen wy in de zelfde niets konnen vinden, dat haar zou konnen vernietigen; gelijk wy voorgestelt hebben.
Nothing can be destroyed, except by a cause external to itself.

Proof.--This proposition is self--evident, for the definition of anything affirms the essence of that thing, but does not negative it; in other words, it postulates the essence of the thing, but does not take it away. So long therefore as we regard only the thing itself, without taking into account external causes, we shall not be able to find in it anything which could destroy it. Q.E.D.
3P5
Res eatenus contrariæ sunt naturæ hoc est eatenus in eodem subjecto esse nequeunt quatenus una alteram potest destruere.
DEMONSTRATIO: Si enim inter se convenire vel in eodem subjecto simul esse possent, posset ergo in eodem subjecto aliquid dari quod ipsum posset destruere, quod (per propositionem præcedentem) est absurdum. Ergo res etc. Q.E.D.
De dingen zijn voor zo veel strijdig van natuur, dat is, konnen voor zo veel niet in een zelfde onderwerp zijn, voor zo veel 't een het ander kan vernietigen.

Betoging.--Want indien zy met malkander konden overëenkomen, of gezamentlijk in een zelfde onderwerp wezen, zo zou in een zelfde onderwerp iets konnen zijn, dat het zelfde zou konnen vernietigen; 't welk (volgens de voorgaande Voorstelling) ongerijmt is.
Things are naturally contrary, that is, cannot exist in the same object, in so far as one is capable of destroying the other.

Proof.--If they could agree together or co--exist in the same object, there would then be in the said object something which could destroy it; but this, by the foregoing proposition, is absurd, therefore things, &c. Q.E.D.
3P6
Unaquæque res quantum in se est, in suo esse perseverare conatur.
DEMONSTRATIO: Res enim singulares modi sunt quibus Dei attributa certo et determinato modo exprimuntur (per corollarium propositionis 25 partis I) hoc est (per propositionem 34 partis I) res quæ Dei potentiam qua Deus est et agit, certo et determinato modo exprimunt neque ulla res aliquid in se habet a quo possit destrui sive quod ejus existentiam tollat (per propositionem 4 hujus) sed contra ei omni quod ejusdem existentiam potest tollere, opponitur (per propositionem præcedentem) adeoque quantum potest et in se est, in suo esse perseverare conatur. Q.E.D.
Yder ding poogt, voor zo veel als 't in zich is, in zijn wezen te volharden.

Betoging.--Want de bezondere dingen zijn wijzen, door de welken Gods toeëigeningen op een zekere en bepaalde wijze uitgedrukt worden; (volgens de Toegift van de vijfëntwintigste Voorstelling in het eerste deel) dat is, (volgens de vierëndartigste Voorstelling van het eerste deel) de dingen, die Gods macht, daar door God is en werkt, op een zekere en bepaalde wijze uitdrukken; en geen ding heeft in zich iets, daar af het vernietigt kan worden, of 't welk zijn wezentlijkheit wechneemt; volgens de vierde Voorstelling van dit deel: maar in tegendeel stelt zich (volgens de voorgaande Voorstelling) tegen al 't geen, dat des zelfs wezentlijkheit kan wechneemen, en poogt dieshalven zo veel, als het kan, en als 't in zich heeft, in zijn wezen te blijven; gelijk te betogen stond.
Everything, in so far as it is in itself, endeavours to persist in its own being.

Proof.--Individual things are modes whereby the attributes of God are expressed in a given determinate manner (I. xxv. Coroll.); that is, (I. xxxiv.), they are things which express in a given determinate manner the power of God, whereby God is and acts; now no thing contains in itself anything whereby it can be destroyed, or which can take away its existence (III. iv.); but contrariwise it is opposed to all that could take away its existence (III. v.). Therefore, in so far as it can, and in so far as it is in itself, it endeavours to persist in its own being. Q.E.D.
3P7
Conatus quo unaquæque res in suo esse perseverare conatur, nihil est præter ipsius rei actualem essentiam.
DEMONSTRATIO: Ex data cujuscunque rei essentia quædam necessario sequuntur (per propositionem 36 partis I) nec res aliud possunt quam id quod ex determinata earum natura necessario sequitur (per propositionem 29 partis I); quare cujuscunque rei potentia sive conatus quo ipsa vel sola vel cum aliis quidquam agit vel agere conatur hoc est (per propositionem 6 hujus) potentia sive conatus quo in suo esse perseverare conatur, nihil est præter ipsius rei datam sive actualem essentiam. Q.E.D.
De poging, door de welke yder ding in zijn wezen poogt te volharden, is niets anders, dan de dadelijke wezentheit.

Betoging.--Uit de gestelde wezentheit van yder ding volgen nootzakelijk enige dingen; volgens de zesendartigste Voorstelling van 't eerste deel: en de dingen vermogen niets anders, dan dit, 't welk uit hun bepaalde natuur nootzakelijk volgt; volgens de negenëntwintigste Voorstelling van 't eerste deel. Dieshalven, de macht, of de poging van yder ding, daar door het of alleen, of met anderen iets doet, of poogt te doen, dat is, (volgens deze zeste Voorstelling) de macht, of de poging, daar door het poogt in zijn wezen te blijven, is niets anders, dan de gestelde, of dadelijke wezentheit van het ding zelf; gelijk voorgestelt wierd.
The endeavour, wherewith everything endeavours to persist in its own being, is nothing else but the actual essence of the thing in question.

Proof.--From the given essence of any thing certain consequences necessarily follow (I. xxxvi.), nor have things any power save such as necessarily follows from their nature as determined (I. xxix.); wherefore the power of any given thing, or the endeavour whereby, either alone or with other things, it acts, or endeavours to act, that is (III. vi.), the power or endeavour, wherewith it endeavours to persist in its own being, is nothing else but the given or actual essence of the thing in question. Q.E.D.
3P8
Conatus quo unaquæque res in suo esse perseverare conatur, nullum tempus finitum sed indefinitum involvit.
DEMONSTRATIO: Si enim tempus limitatum involveret quod rei durationem determinaret, tum ex sola ipsa potentia qua res existit, sequeretur quod res post limitatum illud tempus non posset existere sed quod deberet destrui; atqui hoc (per propositionem 4 hujus) est absurdum : ergo conatus quo res existit, nullum tempus definitum involvit sed contra quoniam (per eandem propositionem 4 hujus) si a nulla externa causa destruatur, eadem potentia qua jam existit, existere perget semper, ergo hic conatus tempus indefinitum involvit. Q.E.D.
De poging, door de welke yder ding in zijn wezen poogt te blijven, sluit geen eindige, maar een onbepaalde tijt in.

Betoging.--Want indien zy een bepaalde tijt insloot, die de during van het ding bepaalde, zo zou uit d'enige macht zelve, daar door het ding wezentlijk is, volgen dat het ding, na die bepaalde tijt, niet wezentlijk zou konnen wezen, maar vernietigt moest worden. Doch dit is ongerijmt; volgens de vierde Voorstelling van dit deel. De poging dan, door de welke het ding wezentlijk is, sluit geen bepaalde tijt in: maar in tegendeel, dewijl, (volgens de zelfde vierde Voorstelling van dit deel) zo het van geen uitwendige oorzaak vernietigt word, de zelfde macht, daar door het nu wezentlijk is, altijt voortvaart wezentlijk te zijn, zo sluit deze poging een onbepaalde tijt in; gelijk te betogen stond.
The endeavour, whereby a thing endeavours to persist in its own being, involves no finite time, but an indefinite time.

Proof.--If it involved a limited time, which should determine the duration of the thing, it would then follow solely from that power whereby the thing exists, that the thing could not exist beyond the limits of that time, but that it must be destroyed; but this (III. iv.) is absurd. Wherefore the endeavour wherewith a thing exists involves no definite time; but, contrariwise, since (III. iv.) it will by the same power whereby it already exists always continue to exist, unless it be destroyed by some external cause, this endeavour involves an indefinite time.
3P9
Mens tam quatenus claras et distinctas quam quatenus confusas habet ideas, conatur in suo esse perseverare indefinita quadam duratione et hujus sui conatus est conscia.
DEMONSTRATIO: Mentis essentia ex ideis adæquatis et inadæquatis constituitur (ut in propositione 3 hujus ostendimus) adeoque (per propositionem 7 hujus) tam quatenus has quam quatenus illas habet, in suo esse perseverare conatur idque (per propositionem 8 hujus) indefinita quadam duratione. Cum autem mens (per propositionem 23 partis II) per ideas affectionum corporis necessario sui sit conscia, est ergo (per propositionem 7 hujus) mens sui conatus conscia. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hic conatus cum ad mentem solam refertur, voluntas appellatur sed cum ad mentem et corpus simul refertur, vocatur appetitus, qui proinde nihil aliud est quam ipsa hominis essentia ex cujus natura ea quæ ipsius conservationi inserviunt, necessario sequuntur atque adeo homo ad eadem agendum determinatus est. Deinde inter appetitum et cupiditatem nulla est differentia nisi quod cupiditas ad homines plerumque referatur quatenus sui appetitus sunt conscii et propterea sic definiri potest nempe cupiditas est appetitus cum ejusdem conscientia. Constat itaque ex his omnibus nihil nos conari, velle, appetere neque cupere quia id bonum esse judicamus sed contra nos propterea aliquid bonum esse judicare quia id conamur, volumus, appetimus atque cupimus.

De ziel, zo wel voor zo veel zy klare en onderscheide, als voor zo veel zy verwarde denkbeelden heeft, poogt door zekere onbepaalde during in haar wezen te blijven, en is van deze haar poging bewust.

Betoging.--De wezentheit van de ziel bestaat uit evenmatige en onevenmatige denkbeelden, gelijk wy in de darde Voorstelling van dit deel getoont hebben; en poogt dieshalven (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) zo wel voor zo veel zy deze, als voor zo veel zy die denkbeelden heeft, in haar wezen te volharden, en dit (volgens d'achtste Voorstelling van dit deel) door zekere onbepaalde during. Maar dewijl de ziel, (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van het tweede deel) door de denkbeelden der aandoeningen van 't lighaam nootzakelijk meêwustig van zich is, zo is dan, (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) de ziel meêwustig van haar pogingen; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze poging, als men haar tot de ziel alleen toepast, word wil genoemt; maar als men haar gelijkelijk tot de ziel, en tot het lighaam toepast, zo voert zy de naam van lust, die dieshalven niets anders is, dan de wezentheit zelve van de mensch, uit welker natuur nootzakelijk die dingen volgen, die tot haar behoudenis dienstig zijn; en zo verre is de mensch bepaalt tot de zelfden te doen. Wijders, tusschen lust en begeerte is geen onderscheit, dan dat de begeerte deurgaans tot de menschen toegepast word, voor zo veel zy meêwustig van hun lust zijn, en kan dieshalven dus bepaalt worden; namelijk, de begeerte is een lust met der zelfder medeweting. Uit alle deze dingen dan blijkt, dat wy niets pogen, willen, begeren noch betrachten, om dat wy dit goet oordeelen te wezen: maar dat wy, in tegendeel, daaröm iets goet oordeelen te zijn, om dat wy het zelfde pogen, willen, begeren en betrachten.

The mind, both in so far as it has clear and distinct ideas, and also in so far as it has confused ideas, endeavours to persist in its being for an indefinite period, and of this endeavour it is conscious.

Proof.--The essence of the mind is constituted by adequate and inadequate ideas (III. iii.), therefore (III. vii.), both in so far as it possesses the former, and in so far as it possesses the latter, it endeavours to persist in its own being, and that for an indefinite time (III. viii.). Now as the mind (II. xxiii.) is necessarily conscious of itself through the ideas of the modifications of the body, the mind is therefore (III. vii.) conscious of its own endeavour.

Note.--This endeavour, when referred solely to the mind, is called will, when referred to the mind and body in conjunction it is called appetite; it is, in fact, nothing else but man's essence, from the nature of which necessarily follow all those results which tend to its preservation; and which man has thus been determined to perform.

Further, between appetite and desire there is no difference, except that the term desire is generally applied to men, in so far as they are conscious of their appetite, and may accordingly be thus defined: Desire is appetite with consciousness thereof. It is thus plain from what has been said, that in no case do we strive for, wish for, long for, or desire anything, because we deem it to be good, but on the other hand we deem a thing to be good, because we strive for it, wish for it, long for it, or desire it.

3P10
Idea quæ corporis nostri existentiam secludit in nostra mente dari nequit sed eidem est contraria.
DEMONSTRATIO: Quicquid corpus nostrum potest destruere, in eodem dari nequit (per propositionem 5 hujus) adeoque neque ejus rei idea potest in Deo dari quatenus nostri corporis ideam habet (per corollarium propositionis 9 partis II) hoc est (per propositiones 11 et 13 partis II) ejus rei idea in nostra mente dari nequit sed contra quoniam (per propositiones 11 et 13 partis II) primum quod mentis essentiam constituit, est idea corporis actu existentis, primum et præcipuum nostræ mentis conatus est (per propositionem 7 hujus) corporis nostri existentiam affirmare atque adeo idea quæ corporis nostri existentiam negat, nostræ menti est contraria etc. Q.E.D.
Het denkbeelt, 't welk de wezentlijkheit van onz lighaam ontkent, kan in onze ziel geen plaats hebben, maar strijd daar tegen.

Betoging.--Al 't geen, dat onz lighaam kan vernietigen, kan in 't zelfde geen plaats hebben, (volgens de vijfde Voorstelling van dit deel) en dieshalven kan het denkbeelt van die zaak in God geen plaats hebben, voor zo veel hy het denkbeelt van onz lighaam heeft; (volgens de Toegift van de negende Voorstelling in het tweede deel) dat is (volgens d' elfde en dartiende Voorstelling van het tweede deel) het denkbeelt van dat ding kan in onze ziel geen plaats hebben: maar in tegendeel, dewijl (volgens d' elfde en dartiende Voorstelling van het tweede deel) het eerste, 't welk de wezentheit van de ziel stelt, het denkbeelt van 't lighaam is, dat warelijk wezentlijk is, zo is 't eerste en voornaamste der poging van onze ziel, (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) de wezentlijkheit van onz lighaam te bevestigen: en dieshalven, het denkbeelt, 't welk de wezentlijkheit van onz lighaam loghent, strijd tegen onze ziel, enz. gelijk voorgestelt wierd.
An idea, which excludes the existence of our body, cannot be postulated in our mind, but is contrary thereto.

Proof.--Whatsoever can destroy our body, cannot be postulated therein (III. v.). Therefore neither can the idea of such a thing occur in God, in so far as he has the idea of our body (II. ix. Coroll.); that is (II. xi., xiii.), the idea of that thing cannot be postulated as in our mind, but contrariwise, since (II. xi., xiii.) the first element, that constitutes the essence of the mind, is the idea of the human body as actually existing, it follows that the first and chief endeavour of our mind is the endeavour to affirm the existence of our body: thus, an idea, which negatives the existence of our body, is contrary to our mind, &c. Q.E.D.
3P11
Quicquid corporis nostri agendi potentiam auget vel minuit, juvat vel cœrcet, ejusdem rei idea mentis nostræ cogitandi potentiam auget vel minuit, juvat vel cœrcet.
DEMONSTRATIO: Hæc propositio patet ex propositione 7 partis II vel etiam ex propositione 14 partis II.

SCHOLIUM: Videmus itaque mentem magnas posse pati mutationes et jam ad majorem jam autem ad minorem perfectionem transire, quæ quidem passiones nobis explicant affectus lætitiæ et tristitiæ. Per lætitiam itaque in sequentibus intelligam passionem qua mens ad majorem perfectionem transit. Per tristitiam autem passionem qua ipsa ad minorem transit perfectionem. Porro affectum lætitiæ ad mentem et corpus simul relatum titillationem vel hilaritatem voco, tristitiæ autem dolorem vel melancholiam. Sed notandum titillationem et dolorem ad hominem referri quando una ejus pars præ reliquis est affecta; hilaritatem autem et melancholiam quando omnes pariter sunt affectæ. Quid deinde cupiditas sit in scholio propositionis 9 hujus partis explicui et præter hos tres nullum alium agnosco affectum primarium nam reliquos ex his tribus oriri in sequentibus ostendam. Sed antequam ulterius pergam, lubet hic fusius propositionem 10 hujus partis explicare ut clarius intelligatur qua ratione idea ideæ sit contraria. In scholio propositionis 17 partis II ostendimus ideam quæ mentis essentiam constituit, corporis existentiam tamdiu involvere quamdiu ipsum corpus existit. Deinde ex iis quæ in corollario propositionis 8 partis II et in ejusdem scholio ostendimus, sequitur præsentem nostræ mentis existentiam ab hoc solo pendere quod scilicet mens actualem corporis existentiam involvit. Denique mentis potentiam qua ipsa res imaginatur earumque recordatur, ab hoc etiam pendere ostendimus (vide propositiones 17 et 18 partis II cum ejus scholio) quod ipsa actualem corporis existentiam involvit. Ex quibus sequitur mentis præsentem existentiam ejusque imaginandi potentiam tolli simulatque mens præsentem corporis existentiam affirmare desinit. At causa cur mens hanc corporis existentiam affirmare desinit, non potest esse ipsa mens (per propositionem 4 hujus) nec etiam quod corpus esse desinit. Nam (per propositionem 6 partis II) causa cur mens corporis existentiam affirmat, non est quia corpus existere incepit : quare per eandem rationem nec ipsius corporis existentiam affirmare desinit quia corpus esse desinit sed (per propositionem 8 partis II) hoc ab alia idea oritur quæ nostri corporis et consequenter nostræ mentis præsentem existentiam secludit quæque adeo ideæ quæ nostræ mentis essentiam constituit, est contraria.

Al 't geen, 't welk onze lighaams macht van te doen en te werken vermeerdert, of vermindert, bevordert, of intoomt; het denkbeelt van dat ding vermeerdert, of vermindert, bevordert, of beteugelt de macht van te denken van onze ziel.

Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit de zevende Voorstelling van het tweede deel, of ook uit de veertiende Voorstelling van het zelfde deel.

Byvoegsel.--Wy zien dan dat de ziel grote veränderingen kan lijden, en nu tot meerder, en dat tot minder volmaaktheit overgaan; welke lijdingen aan ons de hartstochten van blijschap en droefheit verklaren. Ik zal dan vervolgens by blijschap die lijding verstaan, door de velke de ziel tot groter volmaaktheit, en by droefheit die lijding, daar door zy tot minder volmaaktheit overgaat. Wijders, de hartstocht van blijschap, gezamentlijk tot de ziel en 't lighaam toegepast, noem ik kitteling, of vrolijkheit, en die van droefheit treurigheit, of naargeestigheit. Doch hier staat aan te merken, dat de kitteling en treurigheit tot de mensch toegepast word, als een van zijn delen meer dan d' anderen aangedaan is; en vrolijkheit en naargeestigheit, als zy alle gezamentlijk aangedaan zijn. Voorts, wat begeerte is, heb ik in 't Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel verhaalt: en behalven deze drie ken ik geen andere voorname hartstocht; want in 't volgende zal ik tonen, dat d' anderen uit deze drie spruiten. Doch eer ik wijder voortga, zo lust het my hier de tiende Voorstelling van dit deel bredelijker te verklaren, op dat men klarelijker zou verstaan, op welke wijze het een denkbeelt tegen 't ander strijd. In 't Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel hebben wy getoont, dat het denkbeelt, 't welk de wezentheit van de ziel stelt, de wezentlijkheit van 't lighaam zo lang influit, als het lighaam zelf wezentlijk is. Wijders, uit de dingen, die wy in de Toegift van d' achtste Voorstelling in het tweede deel, en in der zelfder Byvoegsel getoont hebben, volgt dat de tegenwoordige wezentlijkheit van onze ziel van dit enige afhangt, namentlijk dat de ziel de dadelijke wezentlijkheit des lighaams insluit. Eindelijk, wy hebben getoont, (bezie de zeventiende en achtiende Voorstelling van het tweede deel, met der zelfder Byvoegsel) dat het vermogen van de ziel, daar door zy de zaken inbeeld, en daar aan gedenkt, ook van dit afhangt, dat zy zelve dadelijke wezentlijkheit des lighaams insluit. Uit het welk volgt, dat de tegenwoordige wezentlijkheit van de ziel, en der zelfder vermogen van in te beelden wechgenomen word, zo haast de ziel aflaat van de tegenwoordige wezentlijkheit des lighaams te bevestigen. Maar d' oorzaak, daarom de ziel aflaat deze wezentlijkheit des lighaams te bevestigen, kan niet de ziel zelve zijn, (volgens de vierde Voorstelling van dit deel) noch ook dat het lighaam aflaat te wezen: want (volgens de zeste Voorstelling van het tweede deel) d' oorzaak, om de welke de ziel de wezentlijkheit van 't lighaam bevestigt, is niet om dat het lighaam begonnen heeft wezentlijk te zijn. Dieshalven, volgens de zelfde reden, laat zy niet af van de wezentlijkheit des lighaams zelf te bevestigen, om dat het lighaam aflaat te wezen : maar dit (volgens d' achtste Voorstelling in het tweede deel) spruit uit een ander denkbeelt, 't welk de tegenwoordige wezentlijkheit van onz lighaam, en by gevolg ook van onze ziel, uitsluit, en 't welk zo verre tegen dat denkbeelt strijd, 't welk de wezentheit van onze ziel stelt.

Whatsoever increases or diminishes, helps or hinders the power of activity in our body, the idea thereof increases or diminishes, helps or hinders the power of thought in our mind.

Proof.--This proposition is evident from II. vii. or from II. xiv.

Note.--Thus we see, that the mind can undergo many changes, and can pass sometimes to a state of greater perfection, sometimes to a state of lesser perfection. These passive states of transition explain to us the emotions of pleasure and pain. By pleasure therefore in the following propositions I shall signify a passive state wherein the mind passes to a greater perfection. By pain I shall signify a passive state wherein the mind passes to a lesser perfection. Further, the emotion of pleasure in reference to the body and mind together I shall call stimulation (titillatio) or merriment (hilaritas), the emotion of pain in the same relation I shall call suffering or melancholy. But we must bear in mind, that stimulation and suffering are attributed to man, when one part of his nature is more affected than the rest, merriment and melancholy, when all parts are alike affected. What I mean by desire I have explained in the note to Prop. ix. of this part; beyond these three I recognize no other primary emotion; I will show as I proceed, that all other emotions arise from these three. But, before I go further, I should like here to explain at greater length Prop. x of this part, in order that we may clearly understand how one idea is contrary to another. In the note to II. xvii. we showed that the idea, which constitutes the essence of mind, involves the existence of body, so long as the body itself exists. Again, it follows from what we pointed out in the Corollary to II. viii., that the present existence of our mind depends solely on the fact, that the mind involves the actual existence of the body. Lastly, we showed (II. xvii., xviii. and note) that the power of the mind, whereby it imagines and remembers things, also depends on the fact, that it involves the actual existence of the body. Whence it follows, that the present existence of the mind and its power of imagining are removed, as soon as the mind ceases to affirm the present existence of the body. Now the cause, why the mind ceases to affirm this existence of the body, cannot be the mind itself (III. iv.), nor again the fact that the body ceases to exist. For (by II. vi.) the cause, why the mind affirms the existence of the body, is not that the body began to exist; therefore, for the same reason, it does not cease to affirm the existence of the body, because the body ceases to exist; but (II. xvii.) this result follows from another idea, which excludes the present existence of our body and, consequently, of our mind, and which is therefore contrary to the idea constituting the essence of our mind.

3P12
Mens quantum potest ea imaginari conatur quæ corporis agendi potentiam augent vel juvant.
DEMONSTRATIO: Quamdiu humanum corpus affectum est modo qui naturam corporis alicujus externi involvit tamdiu mens humana idem corpus ut præsens contemplabitur (per propositionem 17 partis II) et consequenter (per propositionem 7 partis II) quamdiu mens aliquod externum corpus ut præsens contemplatur hoc est (per ejusdem propositionis 17 scholium) imaginatur tamdiu humanum corpus affectum est modo qui naturam ejusdem corporis externi involvit atque adeo quamdiu mens ea imaginatur quæ corporis nostri agendi potentiam augent vel juvant tamdiu corpus affectum est modis qui ejusdem agendi potentiam augent vel juvant (vide postulatum 1 hujus) et consequenter (per propositionem 11 hujus) tamdiu mentis cogitandi potentia augetur vel juvatur ac proinde (per propositionem 6 vel 9 hujus) mens quantum potest eadem imaginari conatur. Q.E.D.
De ziel poogt, zo veel als haar mogelijk is, die dingen in te beelden, de welken des lighaams vermogen van te doen, of te werken vermeerderen, of bevorderen.

Betoging.--Zo lang het menschelijk lighaam met die wijze is aangedaan, de welke de natuur van enig uitterlijk lighaam insluit, zo lang zal de menschelijke ziel het zelfde lighaam, als tegenwoordig, beschou- wen; (volgens de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) en by gevolg, (volgens de zevende Voorstelling van het tweede deel) zo lang de menschelijke ziel enig uitterlijk lighaam als tegenwoordig aanschout, dat is (volgens het Byvoegsel van de zelfde Voorstelling) inbeeld, zo lang is het menschelijk lighaam met die wijze aangedaan, de welke de natuur van des zelfs uitterlijk lighaam insluit; en dieshalven, zo lang de ziel die dingen inbeeld, de welken onzes lighaams vermogen van te doen, of te werken vermeerderen, of bevorderen, zo lang is het lighaam met die wijzen aangedaan, de welken des zelfs vermogen van te doen, of te werken vermeerderen, of bevorderen; (bezie d' eerste Verëissching van dit deel) en by gevolg (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) zo lang het vermogen van te denken in de ziel vermeerdert, of bevordert word; en dieshalven (volgens de zeste, of negende Voorstelling van dit deel) poogt de ziel, zo veel als zy kan, de zelfde dingen in te beelden; gelijk te betogen stond.

The mind, as far as it can, endeavours to conceive those things, which increase or help the power of activity in the body.

Proof.--So long as the human body is affected in a mode, which involves the nature of any external body, the human mind will regard that external body as present (II. xvii.), and consequently (II. vii.), so long as the human mind regards an external body as present, that is (II. xvii. note), conceives it, the human body is affected in a mode, which involves the nature of the said external body; thus so long as the mind conceives things, which increase or help the power of activity in our body, the body is affected in modes which increase or help its power of activity (III. Post. i.); consequently (III. xi.) the mind's power of thinking is for that period increased or helped. Thus (III. vi., ix.) the mind, as far as it can, endeavours to imagine such things. Q.E.D.
3P13
Cum mens ea imaginatur quæ corporis agendi potentiam minuunt vel cœrcent, conatur quantum potest rerum recordari quæ horum existentiam secludunt.
DEMONSTRATIO: Quamdiu mens quicquam tale imaginatur tamdiu mentis et corporis potentia minuitur vel coercetur (ut in præcedenti propositione demonstravimus) et nihilominus id tamdiu imaginabitur donec mens aliud imaginetur quod hujus præsentem existentiam secludat (per propositionem 17 partis II) hoc est (ut modo ostendimus) mentis et corporis potentia tamdiu minuitur vel coercetur donec mens aliud imaginetur quod hujus existentiam secludit quodque adeo mens (per propositionem 9 hujus) quantum potest imaginari vel recordari conabitur. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc sequitur quod mens ea imaginari aversatur quæ ipsius et corporis potentiam minuunt vel coercent.

SCHOLIUM: Ex his clare intelligimus quid amor quidque odium sit. Nempe amor nihil aliud est quam lætitia concomitante idea causæ externæ et odium nihil aliud quam tristitia concomitante idea causæ externæ. Videmus deinde quod ille qui amat necessario conatur rem quam amat præsentem habere et conservare et contra qui odit, rem quam odio habet, amovere et destruere conatur. Sed de his omnibus in sequentibus prolixius.

Terwijl de ziel die dingen inbeeld, de welken des lighaams verrmogen van te doen, of te werken verminderen, of intomen, zo poogt zy, zo veel als zy kan, aan die dingen te gedenken, de welken der zelfder wezentlijkheit uitsluiten.

Betoging.--Zo lang de ziel iets zodanig inbeeld, zo lang word het vermogen der ziel, en des lighaams vermindert, of ingetoomt: (gelijk wy in de voorgaande Voorstelling betoogt hebben) en echter zal dit zo lang ingebeeld worden, tot dat de ziel iets anders inbeeld, 't welk de tegenwoordige wezentlijkheit van dit uitsluit; (volgens de zeventiende Voorstelling van het tweede deel) dat is, gelijk wy alreê getoont hebben, het vermogen van de ziel, en van 't lighaam word zo lang vermindert, of ingetoomt, tot dat de ziel iets anders inbeeld, 't welk de wezentlijkheit van dit uitsluit, en 't welk de ziel (volgens de negende Voorstelling van dit deel) zo veel, als haar mogelijk is, zal pogen in te beelden, of daar aan te gedenken; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt, dat de ziel een afkeer heeft van dingen in te beelden, de welken haar, en des lighaams vermogen verminderen, of intomen.

Byvoegsel.--Hier uit verstaan wy klarelijk wat liefde, en wat haat is. Namentlijk, de liefde is niets anders, dan een blijschap, die van het denkbeelt van een uitterlijke oorzaak verzelt word; en de haat niets anders, dan een droefheit, die van het denkbeelt van een uitterlijke oorzaak verzelt is. Wy zien wijders, dat de geen, die bemint, nootzakelijk poogt het geen, dat hy bemint, tegenwoordig te hebben, en te bewaren, en in tegendeel, dat de geen, die haat, het geen, daar op hy haat heeft, poogt te verdrijven, en te vernietigen. Maar van dit alles zullen wy hier na bredelijker spreken.

When the mind conceives things which diminish or hinder the body's power of activity, it endeavours, as far as possible, to remember things which exclude the existence of the first--named things.

Proof.--So long as the mind conceives anything of the kind alluded to, the power of the mind and body is diminished or constrained (cf. III. xii. Proof); nevertheless it will continue to conceive it, until the mind conceives something else, which excludes the present existence thereof (II. xvii.); that is (as I have just shown), the power of the mind and of the body is diminished, or constrained, until the mind conceives something else, which excludes the existence of the former thing conceived: therefore the mind (III. ix.), as far as it can, will endeavour to conceive or remember the latter. Q.E.D.

Corollary.--Hence it follows that the mind shrinks from conceiving those things, which diminish or constrain the power of itself and of the body.

Note.--From what has been said we may clearly understand the nature of Love and Hate. Love is nothing else but pleasure accompanied by the idea of an external cause: Hate is nothing else but pain accompanied by the idea of an external cause. We further see, that he who loves necessarily endeavours to have, and to keep present to him, the object of his love; while he who hates endeavours to remove and destroy the object of his hatred. But I will treat of these matters at more length hereafter.

3P14
Si mens duobus affectibus simul affecta semel fuit, ubi postea eorum alterutro afficietur, afficietur etiam altero.
DEMONSTRATIO: Si corpus humanum a duobus corporibus simul affectum semel fuit, ubi mens postea eorum alterutrum imaginatur, statim et alterius recordabitur (per propositionem 18 partis II). At mentis imaginationes magis nostri corporis affectus quam corporum externorum naturam indicant (per corollarium II propositionis 16 partis II) : ergo si corpus et consequenter mens (vide definitionem 3 hujus) duobus affectibus semel affecta fuit, ubi postea eorum alterutro afficietur, afficietur etiam altero. Q.E.D.
Indien de ziel eens van twee hartstochten te gelijk aangedaan heeft geweest, als zy daar na van een van beiden aangedaan zal worden, zo zal zy ook van d' ander worden aangedaan.

Betoging.--Indien het menschelijke lighaam eenmaal te gelijk van twee lighamen aangedaan heeft geweest, zo zal de ziel namaals, als zy een van hen beide inbeeld, terstont ook aan d' ander gedenken: (volgens d' achtiende Voorstelling van het tweede deel.) Maar d' inbeeldingen der ziel wijzen meer de gesteltheit van onz lighaam aan, dan de natuur der uitterlijke lighamen; volgens de tweede Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel: dieshalven, indien het lighaam, en by gevolg de ziel, (bezie de darde Bepaling van dit deel) eenmaal met twee hartstochten te gelijk aangedaan heeft geweest, als het daar na van een van hen beide aangedaan zal worden, zo zal het ook van 't ander aangedaan worden; 't welk te betogen stond.
If the mind has once been affected by two emotions at the same time, it will, whenever it is afterwards affected by one of these two, be also affected by the other.

Proof.--If the human body has once been affected by two bodies at once, whenever afterwards the mind conceives one of them, it will straightway remember the other also (II. xviii.). But the mind's conceptions indicate rather the emotions of our body than the nature of external bodies (II. xvi. Coroll. ii.); therefore, if the body, and consequently the mind (III. Def. iii.) has been once affected by two emotions at the same time, it will, whenever it is afterwards affected by one of the two, be also affected by the other.
3P15
Res quæcunque potest esse per accidens causa lætitiæ, tristitiæ vel cupiditatis.
DEMONSTRATIO: Ponatur mens duobus affectibus simul affici, uno scilicet qui ejus agendi potentiam neque auget neque minuit et altero qui eandem vel auget vel minuit (vide postulatum 1 hujus). Ex præcedenti propositione patet quod ubi mens postea illo a sua vera causa quæ (per hypothesin) per se ejus cogitandi potentiam nec auget nec minuit, afficietur, statim et hoc altero qui ipsius cogitandi potentiam auget vel minuit hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) lætitia vel tristitia afficietur atque adeo illa res non per se sed per accidens causa erit lætitiæ vel tristitiæ. Atque hac eadem via facile ostendi potest rem illam posse per accidens causam esse cupiditatis. Q.E.D.

COROLLARIUM: Ex eo solo quod rem aliquam affectu lætitiæ vel tristitiæ cujus ipsa non est causa efficiens, contemplati sumus, eandem amare vel odio habere possumus.

DEMONSTRATIO: Nam ex hoc solo fit (per propositionem 14 hujus) ut mens hanc rem postea imaginando affectu lætitiæ vel tristitiæ afficiatur hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) ut mentis et corporis potentia augeatur vel minuatur etc. Et consequenter (per propositionem 12 hujus) ut mens eandem imaginari cupiat vel (per corollarium propositionis 13 hujus) aversetur hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) ut eandem amet vel odio habeat. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hinc intelligimus qui fieri potest ut quædam amemus vel odio habeamus absque ulla causa nobis cognita sed tantum ex sympathia (ut aiunt) et antipathia. Atque huc referenda etiam ea objecta quæ nos lætitia vel tristitia afficiunt ex eo solo quod aliquid simile habent objectis quæ nos iisdem affectibus afficere solent ut in sequentibus propositionibus ostendam. Scio equidem auctores qui primi hæc nomina sympathiæ et antipathiæ introduxerunt, significare iisdem voluisse rerum occultas quasdam qualitates sed nihilominus credo nobis licere per eadem notas vel manifestas etiam qualitates intelligere.

Yder ding kan by toeval oorzaak van blijschap, droefheit, of begeerte wezen.

Betoging.--Laat ons stellen dat een ziel van twee hartstochten te gelijk aangedaan word, namentlijk van een, die haar macht van te doen, of te werken noch vermeerdert, noch vermindert; en van een ander, die de zelfde of vermeerdert, of vermindert: (bezie d' eerste Verëissching van dit deel) uit de voorgaande Voorstelling blijkt, dat, als de ziel namaals van gene, als haar ware oorzaak, die (volgens d'onderstelling) door zich haar macht van te denken noch vermeerdert, noch vermindert, aangedaan zal worden, zy terstont ook van deze andere, die haar macht van te denken vermeerdert, of vermindert, dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) van blijschap, of van droefheit, aangedaan zal worden: en in dezer voegen zal die zaak, niet door zich, maar door toeval, oorzaak van blijschap of droefheit zijn. En door deze middel kan men lichtelijk tonen, dat die zaak by toeval oorzaak van begeerte kan wezen, gelijk wy voorgaven.

Toegift.--Uit dit alleen, dat wy enige zaak met de hartstocht van blijschap, of droefheit, van de welke zy geen werkende oorzaak is, aangeschout hebben, konnen wy de zelfde beminnen, of haten. Want hier uit alleen geschied het (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel) dat de ziel, met deze zaak namaals in te beelden, dpor de hartstocht van blijschap, of van droefheit aangedaan word; dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) dat het vermogen van de ziel, en van 't lighaam, vermeerdert, of vermindert word, enz. en by gevolg (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) dat de ziel de zelfde zaak begeert in te beelden, of (volgens de Toegift van de dartiende Voorstelling in dit deel) een afkeer daar af heeft: dat is (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) dat zy de zelfde bemint, of haat; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hier uit verstaan wy, hoe het kan geschieden dat wy enige dingen beminnen, of haten, zonder enige oorzaak, die aan ons bekent is, maar alleenlijk (gelijk men zegt) door toegenegentheit en afkeerlijkheit. En hier toe moeten ook die voorwerpen, de welken ons met blijschap, of met droefheit aandoen, toegepast worden, alleenlijk hier om, dat zy iets gelijk met de voorwerpen hebben, die ons gemenelijk met de zelfde hartstochten aandoen; gelijk ik in de volgende Voorstelling zal tonen. Ik weet wel dat de Schrijvers, die d' eersten deze namen van toegenegentheit en afkeerlijkheit ingevoert hebben, met de zelfden zekere verborge hoedanigheden der dingen hebben willen aanwijzen: Maar echter geloof ik dat het aan ons vrystaat by de zelfden de bekende, of openbare hoedanigheden te verstaan.

Anything can, accidentally, be the cause of pleasure, pain, or desire.

Proof.--Let it be granted that the mind is simultaneously affected by two emotions, of which one neither increases nor diminishes its power of activity, and the other does either increase or diminish the said power (III. Post. i.). From the foregoing proposition it is evident that, whenever the mind is afterwards affected by the former, through its true cause, which (by hypothesis) neither increases nor diminishes its power of action, it will be at the same time affected by the latter, which does increase or diminish its power of activity, that is (III. xi. note) it will be affected with pleasure or pain. Thus the former of the two emotions will, not through itself, but accidentally, be the cause of pleasure or pain. In the same way also it can be easily shown, that a thing may be accidentally the cause of desire. Q.E.D.

Corollary.--Simply from the fact that we have regarded a thing with the emotion of pleasure or pain, though that thing be not the efficient cause of the emotion, we can either love or hate it.

Proof.--For from this fact alone it arises (III. xiv.), that the mind afterwards conceiving the said thing is affected with the emotion of pleasure or pain, that is (III. xi. note), according as the power of the mind and body may be increased or diminished, &c.; and consequently (III. xii.), according as the mind may desire or shrink from the conception of it (III. xiii. Coroll.), in other words (III. xiii. note), according as it may love or hate the same. Q.E.D.

Note.--Hence we understand how it may happen, that we love or hate a thing without any cause for our emotion being known to us; merely, as a phrase is, from sympathy or antipathy. We should refer to the same category those objects, which affect us pleasurably or painfully, simply because they resemble other objects which affect us in the same way. This I will show in the next Prop. I am aware that certain authors, who were the first to introduce these terms "sympathy" and "antipathy," wished to signify thereby some occult qualities in things; nevertheless I think we may be permitted to use the same terms to indicate known or manifest qualities.

3P16
Ex eo solo quod rem aliquam aliquid habere imaginamur simile objecto quod mentem lætitia vel tristitia afficere solet, quamvis id in quo res objecto est similis, non sit horum affectuum efficiens causa, eam tamen amabimus vel odio habebimus.
DEMONSTRATIO: Id quod simile est objecto, in ipso objecto (per hypothesin) cum affectu lætitiæ vel tristitiæ contemplati sumus atque adeo (per propositionem 14 hujus) cum mens ejus imagine afficietur, statim etiam hoc vel illo afficietur affectu et consequenter res quam hoc idem habere percipimus, erit (per propositionem 15 hujus) per accidens lætitiæ vel tristitiæ causa adeoque (per præcedens corollarium) quamvis id in quo objecto est similis, non sit horum affectuum causa efficiens, eam tamen amabimus vel odio habebimus. Q.E.D.
Hier uit alleen, dat wy ons inbeelden, dat enig ding iets heeft, dat gelijk is met het voorwerp, 't welk de ziel gemenelijk met blijschap, of met droefheit aandoet, hoewel het geen, daar door de zaak met het voorwerp gelijk is, niet d' uitwerkende oorzaak van deze hartstochten is; hier uit alleen, zeg ik, zullen wy echter die zaak of beminnen, of haten.

Betoging.--Wy hebben dit, 't welk gelijk is met het voorwerp, in 't voorwerp zelf (by onderstelling) met de hartstocht van blijschap, of van droefheit aangeschout. En dieshalven, (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel) als de ziel met des zelfs beelt aangedaan zal worden, zo zal zy ook terstont met deze, of die hartstocht aangedaan worden: en by gevolg, de zaak, die wy bevatten dit zelfde te hebben, zal (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) by toeval oorzaak van blijschap, of droef heit wezen: in voegen dat (volgens de voorgaande Toegift) wy de zelfde, schoon dit, daar door het met het voorwerp gelijk is, niet d'uitwerkende oorzaak dezer hartstochten is, echter zullen beminnen, of haten; gelijk te betogen stond.
Simply from the fact that we conceive, that a given object has some point of resemblance with another object which is wont to affect the mind pleasurably or painfully, although the point of resemblance be not the efficient cause of the said emotions, we shall still regard the first--named object with love or hate.

Proof.--The point of resemblance was in the object (by hypothesis), when we regarded it with pleasure or pain, thus (III. xiv.), when the mind is affected by the image thereof, it will straightway be affected by one or the other emotion, and consequently the thing, which we perceive to have the same point of resemblance, will be accidentally (III. xv.) a cause of pleasure or pain. Thus (by the foregoing Corollary), although the point in which the two objects resemble one another be not the efficient cause of the emotion, we shall still regard the first--named object with love or hate. Q.E.D.
3P17
Si rem quæ nos tristitiæ affectu afficere solet, aliquid habere imaginamur simile alteri quæ nos æque magno lætitiæ affectu solet afficere, eandem odio habebimus et simul amabimus.
DEMONSTRATIO: Est enim (per hypothesin) hæc res per se tristitiæ causa et (per scholium propositionis 13 hujus) quatenus eandem hoc affectu imaginamur, eandem odio habemus et quatenus præterea aliquid habere imaginamur simile alteri quæ nos æque magno lætitiæ affectu afficere solet, æque magno lætitiæ conamine amabimus (per propositionem præcedentem) atque adeo eandem odio habebimus et simul amabimus. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc mentis constitutio quæ scilicet ex duobus contrariis affectibus oritur, animi vocatur fluctuatio, quæ proinde affectum respicit ut dubitatio imaginationem (vide scholium propositionis 44 partis II) nec animi fluctuatio et dubitatio inter se differunt nisi secundum majus et minus. Sed notandum me in propositione præcedenti has animi fluctuationes ex causis deduxisse quæ per se unius et per accidens alterius affectus sunt causa; quod ideo feci quia sic facilius ex præcedentibus deduci poterant; at non quod negem animi fluctuationes plerumque oriri ab objecto quod utriusque affectus sit efficiens causa. Nam corpus humanum (per postulatum 1 partis II) ex plurimis diversæ naturæ individuis componitur atque adeo (per axioma 1 post lemma 3, quod vide post propositionem 13 partis II) ab uno eodemque corpore plurimis diversisque modis potest affici et contra quia una eademque res multis modis potest affici, multis ergo etiam diversisque modis unam eandemque corporis partem afficere poterit. Ex quibus facile concipere possumus unum idemque objectum posse esse causam multorum contrariorumque affectuum.

Indien wy ons inbeelden dat de zaak, die ons gemenelijk met de hartstocht van droefheit aandoet, iets gelijk heeft met een andere, die ons gemenelijk met een even grote hartstocht van blijschap aandoet, zo zullen wy de zelfde te gelijk haten en beminnen.

Betoging.--Want deze zaak is (volgens d'onderstelling) door zich oorzaak van droefheit: en (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) voor zo veel wy ons de zelfde met deze hartstocht inbeelden, haten wy haar; en voor zo veel wy ons daerënboven inbeelden dat zy iets heeft, 't welk met het ander gelijk is, dat ons gemenelijk met even grote hartstocht van blijschap aandoet, met even grote poging van blijschap zullen wy haar beminnen; (volgens de voorgaande Voorstelling) en dieshalven zullen wy gelijkelijk de zelfde haten en beminnen: 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze gesteltenis van de ziel, namelijk, die uit twee strijdige hartstochten spruit, word vlotheit, of wankelheit van gemoed genoemt, de welke dieshalven op de hartstocht haar opzicht heeft, gelijk de twijffeling op d'inbeelding; bezie het Byvoegsel van de vierenveertigste Voorstelling in het tweede deel: en de vlotheit, of wankelheit des gemoeds, en de twijffeling verschillen niet van malkander, dan in meerder en minder. Maar hier staat aan te merken dat ik (in de voorgaande Voorstelling) deze vlotheden, of wankelheden des gemoeds van oorzaken heb afgeleid, die door zich oorzaak van d'een, en by toeval oorzaak van d'ander hartstocht zijn: 't welk ik daaröm gedaan heb, om dat zy dus gemakkelijker uit de voorgaanden afgeleid konnen worden: en niet om dat ik ontken dat de vlotheden, of wankelheden des gemoeds ten meestendeel uit het voorwerp voortkomen, 't welk d'uitwerkende oorzaak van de beide hartstochten is. Want het menschelijk lighaam (volgens d'eerste Verëissching in het tweede deel) bestaat uit zeer veel ondeeligen van verscheide natuur, en kan dieshalven (volgens d'eerste Kundigheit na het darde Voorbewijs, 't welk achter de dartiende Voorstelling in het tweede deel te zien is) van een en het zelfde lighaam op zeer veel en verscheide wijzen aangedaan worden: en in tegendeel, dewijl een en het zelfde ding op veel wijzen aangedaan kan worden, zo kan ook een en het zelfde deel des lighaams op verscheide wijzen aangedaan worden. Uit het welk wy lichtelijk konnen begrijpen, dat een en het zelfde voorwerp d'oorzaak van veel en strijdige hartstochten kan wezen.

If we conceive that a thing, which is wont to affect us painfully, has any point of resemblance with another thing which is wont to affect us with an equally strong emotion of pleasure, we shall hate the first--named thing, and at the same time we shall love it.

Proof.--The given thing is (by hypothesis) in itself a cause of pain, and (III. xiii. note), in so far as we imagine it with this emotion, we shall hate it: further, inasmuch as we conceive that it has some point of resemblance to something else, which is wont to affect us with an equally strong emotion of pleasure, we shall with an equally strong impulse of pleasure love it (III. xvi.); thus we shall both hate and love the same thing. Q.E.D.

Note.--This disposition of the mind, which arises from two contrary emotions, is called vacillation; it stands to the emotions in the same relation as doubt does to the imagination (II. xliv. note); vacillation and doubt do not differ one from the other, except as greater differs from less. But we must bear in mind that I have deduced this vacillation from causes, which give rise through themselves to one of the emotions, and to the other accidentally. I have done this, in order that they might be more easily deduced from what went before; but I do not deny that vacillation of the disposition generally arises from an object, which is the efficient cause of both emotions. The human body is composed (II. Post. i.) of a variety of individual parts of different nature, and may therefore (Ax.i. after Lemma iii. after II. xiii.) be affected in a variety of different ways by one and the same body; and contrariwise, as one and the same thing can be affected in many ways, it can also in many different ways affect one and the same part of the body. Hence we can easily conceive, that one and the same object may be the cause of many and conflicting emotions.

3P18
Homo ex imagine rei præteritæ aut futuræ eodem lætitiæ et tristitiæ affectu afficitur ac ex imagine rei præsentis.
DEMONSTRATIO: Quamdiu homo rei alicujus imagine affectus est, rem ut præsentem tametsi non existat, contemplabitur (per propositionem 17 partis II cum ejusdem corollario) nec ipsam ut præteritam aut futuram imaginatur nisi quatenus ejus imago juncta est imagini temporis præteriti aut futuri (vide scholium propositionis 44 partis II). Quare rei imago in se sola considerata eadem est sive ad tempus futurum vel præteritum sive ad præsens referatur hoc est (per corollarium II propositionis 16 partis II) corporis constitutio seu affectus idem est sive imago sit rei præteritæ vel futuræ sive præsentis atque adeo affectus lætitiæ et tristitiæ idem est sive imago sit rei præteritæ aut futuræ sive præsentis. Q.E.D.

SCHOLIUM I: Rem eatenus præteritam aut futuram hic voco quatenus ab eadem affecti fuimus aut afficiemur exempli gratia quatenus ipsam vidimus aut videbimus, nos refecit aut reficiet, nos læsit aut lædet etc. Quatenus enim eandem sic imaginamur eatenus ejus existentiam affirmamus hoc est corpus nullo affectu afficitur qui rei existentiam secludat atque adeo (per propositionem 17 partis II) corpus ejusdem rei imagine eodem modo afficitur ac si res ipsa præsens adesset. Verumenimvero quia plerumque fit ut ii qui plura sunt experti, fluctuent quamdiu rem ut futuram vel præteritam contemplantur deque rei eventu ut plurimum dubitent (vide scholium propositionis 44 partis II) hinc fit ut affectus qui ex similibus rerum imaginibus oriuntur, non sint adeo constantes sed ut plerumque aliarum rerum imaginibus perturbentur donec homines de rei eventu certiores fiant.

SCHOLIUM II: Ex modo dictis intelligimus quid sit spes, metus, securitas, desperatio, gaudium et conscientiæ morsus. Spes namque nihil aliud est quam inconstans lætitia orta ex imagine rei futuræ vel præteritæ de cujus eventu dubitamus, metus contra inconstans tristitia ex rei dubiæ imagine etiam orta. Porro si horum affectuum dubitatio tollatur, ex spe sit securitas et ex metu desperatio nempe lætitia vel tristitia orta ex imagine rei quam metuimus vel speravimus. Gaudium deinde est lætitia orta ex imagine rei præteritæ de cujus eventu dubitavimus. Conscientiæ denique morsus est tristitia opposita gaudio.

De menschword van het beelt van de voorgaande, of toekomende zaak met de zelfde hartstocht van blijschap en droefheit aangedaan, als van het beelt van de tegenwoordige zaak.

Betoging.--Zo lang de mensch van het beelt van enige zaak aangedaan word, zo aanschout hy de zaak als tegenwoordig, schoon zy niet wezentlijk is; (volgens de zeventiende Voorstelling in het tweede deel, met der zelfder Toegift) en beeld het zich niet in als alreê voorby, of toekomende, dan voor zo veel des zelfs beelt aan het beelt van de voorgaande, of toekomende tijt gevoegt is. (bezie het Byvoegsel van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) Dieshalven, het beelt van de zaak, in zich alleen aangemerkt, is het zelfde, 't zy zy op de toekomende, of op de verlede, of op de tegenwoordige tijt toegepast word; dat is (volgens de Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel) des lighaams gesteltenis, of hartstocht is de zelfde, 't zy het beelt is van een voorgaande, of toekomende, of tegenwoordige zaak; en dieshalven is de hartstocht van blijschap en droefheit de zelfde, 't zy het beelt is van een voorgaande, of toekomende, of tegenwoordige zaak; gelijk te betogen stond.

Eerste Byvoegsel.--Ik noem een zaak voor zo veel verlede, of toekomende, als wy van de zelfde aangedaan geweest hebben, of aangedaan zullen worden. Tot een voorbeelt, voor zo veel wy de zelfde gezien hebben, of zien zullen, voor zo veel verheugt zy ons, of zal ons verheugen, heeft zy ons beledigt, of zal ons beledigen, enz. Want voor zo veel wy ons de zelfde dus inbeelden, voor zo veel bevestigen wy der zelfder wezentlijkheit: dat is, het lighaam word van geen hartstocht aangedaan, die de wezentlijkheit van de zaak uitsluit en dieshalven (volgens de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) word het lighaam door het beelt van de zelfde zaak op de zelfde wijze aangedaan, als of de zaak zelve tegenwoordig was. Maar dewijl echter dikwijls gebeurt dat de genen, die veel dingen beproeft hebben, vlot en in waggeling zijn, zo lang zy de zaak als toekomende, of verlede aanschouwen, en deurgaans aan d'uitgang van de zaak twijffelen; (bezie het Byvoegsel van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) zo gebeurt het dat de hartstochten, die uit gelijke beelden der dingen spruiten, niet zeer bestandig zijn, maar dat zy dikwijls door de beelden der andere dingen ontroert worden, tot dat de menschen van d' uitgang van de zaak zeker zijn.

Tweede Byvoegsel.--Uit de dingen, die nu gezegt zijn, verstaan wy wat hoop, vrees, gerustheit, wanhoop, vreucht en knaging van geweten is. Want de hoop is niets anders, dan een onbestandige blijschap, uit het beelt van een toekomende, of verlede zaak gesproten, van welker uitgang wy twijffelen. De vrees, in tegendeel, is een onbestandige droef heit, ook uit het beelt van een twijffelachtige zaak gesproten. Wijders, indien de twijffeling dezer hartstochten wechgenomen word, zo word uit hoop gerustheit, en uit vrees wanhoop; namentlijk blijschap, of droefheit, uit het beeelt van de zaak gesproten, die wy gevreest, of gehoopt hebben. Voorts, de vreucht is een blijschap, uit het beelt van een voorgaande zaak gesproten, van welker uitgang wy getwijffelt hebben. Eindelijk, de knaging van geweten is een droefheit, tegen de vreucht gestelt.

A man is as much affected pleasurably or painfully by the image of a thing past or future as by the image of a thing present.

Proof.--So long as a man is affected by the image of anything, he will regard that thing as present, even though it be non--existent (II. xvii. and Coroll.), he will not conceive it as past or future, except in so far as its image is joined to the image of time past or future (II. xliv. note). Wherefore the image of a thing, regarded in itself alone, is identical, whether it be referred to time past, time future, or time present; that is (II. xvi. Coroll.), the disposition or emotion of the body is identical, whether the image be of a thing past, future, or present. Thus the emotion of pleasure or pain is the same, whether the image be of a thing past or future. Q.E.D.

Note I.--I call a thing past or future, according as we either have been or shall be affected thereby. For instance, according as we have seen it, or are about to see it, according as it has recreated us, or will recreate us, according as it has harmed us, or will harm us. For, as we thus conceive it, we affirm its existence; that is, the body is affected by no emotion which excludes the existence of the thing, and therefore (II. xvii.) the body is affected by the image of the thing, in the same way as if the thing were actually present. However, as it generally happens that those, who have had many experiences, vacillate, so long as they regard a thing as future or past, and are usually in doubt about its issue (II. xliv. note); it follows that the emotions which arise from similar images of things are not so constant, but are generally disturbed by the images of other things, until men become assured of the issue.

Note II.--From what has just been said, we understand what is meant by the terms Hope, Fear, Confidence, Despair, Joy, and Disappointment. Hope is nothing else but an inconstant pleasure, arising from the image of something future or past, whereof we do not yet know the issue. Fear, on the other hand, is an inconstant pain also arising from the image of something concerning which we are in doubt. If the element of doubt be removed from these emotions, hope becomes Confidence and fear becomes Despair. In other words, Pleasure or Pain arising from the image of something concerning which we have hoped or feared. Again, Joy is Pleasure arising from the image of something past whereof we have doubted the issue. Disappointment is the Pain opposed to Joy.

3P19
Qui id quod amat destrui imaginatur, contristabitur; si contra autem conservari, lætabitur.
DEMONSTRATIO: Mens quantum potest ea imaginari conatur quæ corporis agendi potentiam augent vel juvant (per propositionem 12 hujus) hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) ea quæ amat. At imaginatio ab iis juvatur quæ rei existentiam ponunt et contra coercetur iis quæ rei existentiam secludunt (per propositionem 17 partis II); ergo rerum imagines quæ rei existentiam ponunt, mentis conatum quo rem amatam imaginari conatur, juvant hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) lætitia mentem afficiunt et quæ contra rei amatæ existentiam secludunt, eundem mentis conatum coercent hoc est (per idem scholium) tristitia mentem afficiunt. Qui itaque id quod amat destrui imaginatur, contristabitur, etc. Q.E.D.
Degeen, die zich inbeeld dat het geen 't welk hy bemint, vernietigt word, zal zich bedroeven; en zich verblijden, zo het bewaart word.

Betoging.--De ziel poogt zo veel, als zy kan, die dingen in te beelden, de welken des lighaams vermogen van te doen vermeerderen, of bevorren; (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) dat is (volgens het Byvoegsel van der zelfder Voorstelling) de dingen, die zy bemint. Marr d' inbeelding word van die dingen gevordert en geholpen, de welken de wezentlijkheit van de zaak stellen, en, in tegendeel, van die dingen ingetoomt, de welken de wezentlijkheit van de zaak uitsluiten; volgens de zeventiende Voorstelling van het tweede deel: dieshalven, de beelden der dingen, de welken de wezentlijkheit van de beminde zaak stellen, helpen en bevorderen de poging der ziel, door de welke zy de beminde zaak poogt in te beelden; dat is (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) doen de ziel met blijschap aan: in tegendeel, de beelden, die de wezentlijkheit van de beminde zaak uitsluiten, tomen de zelfde poging der ziel in; dat is, (volgens het zelfde Byvoegsel) doen de ziel met droefheit aan. De geen dan, die zich inbeeld dat het geen, 't welk hy bemint, vernietigt word, zal zich bedroeven, enz. gelijk te betogen stond.
He who conceives that the object of his love is destroyed will feel pain; if he conceives that it is preserved he will feel pleasure.

Proof.--The mind, as far as possible, endeavours to conceive those things which increase or help the body's power of activity (III. xii.); in other words (III. xii. note), those things which it loves. But conception is helped by those things which postulate the existence of a thing, and contrariwise is hindered by those which exclude the existence of a thing (II. xvii.); therefore the images of things, which postulate the existence of an object of love, help the mind's endeavour to conceive the object of love, in other words (III. xi. note), affect the mind pleasurably; contrariwise those things, which exclude the existence of an object of love, hinder the aforesaid mental endeavour; in other words, affect the mind painfully. He, therefore, who conceives that the object of his love is destroyed will feel pain, &c. Q.E.D.
3P20
Qui id quod odio habet, destrui imaginatur, lætabitur.
DEMONSTRATIO: Mens (per 13 propositionem hujus) ea imaginari conatur quæ rerum existentiam quibus corporis agendi potentia minuitur vel coercetur, secludunt hoc est (per scholium ejusdem propositionis) ea imaginari conatur quæ rerum quas odio habet, existentiam secludunt atque adeo rei imago quæ existentiam ejus quod mens odio habet, secludit, hunc mentis conatum juvat hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) mentem lætitia afficit. Qui itaque id quod odio habet, destrui imaginatur, lætabitur. Q.E.D.
De geen, die zich inbeeld dat het geen, 't welk hy haat, vernietigt word, zal zich verblijden.

Betoging.--De ziel (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) poogt die dingen in te beelden, de welken de wezentlijkheit der zaken, door de welken des lighaams vermogen van te doen vermindert, of ingetoomt word, uitsluiten; dat is (volgens het Byvoegsel van de zelfde Voorstelling) poogt die dingen in te beelden, de welken de wezentlijkheit der zaken, die zy haat, uitsluiten: en dieshalven, het beelt van de zaak, die de wezentlijkheit van 't geen uitsluit, 't welk; van de ziel gehaat word, helpt en bevordert deze poging der ziel; dat is (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) doet de ziel met blijschap aan. De geen dan, die zich inbeeld dat het geen, 't welk hy haat, vernietigt word, zal zich verblijden; gelijk te betogen stond.
He who conceives that the object of his hate is destroyed will also feel pleasure.

Proof.--The mind (III. xiii.) endeavours to conceive those things, which exclude the existence of things whereby the body's power of activity is diminished or constrained; that is (III. xiii. note), it endeavours to conceive such things as exclude the existence of what it hates; therefore the image of a thing, which excludes the existence of what the mind hates, helps the aforesaid mental effort, in other words (III. xi. note), affects the mind pleasurably. Thus he who conceives that the object of his hate is destroyed will feel pleasure. Q.E.D.
3P21
Qui id quod amat lætitia vel tristitia affectum imaginatur, lætitia etiam vel tristitia afficietur et uterque hic affectus major aut minor erit in amante prout uterque major aut minor est in re amata.
DEMONSTRATIO: Rerum imagines (ut in propositione 19 hujus demonstravimus) quæ rei amatæ existentiam ponunt, mentis conatum quo ipsam rem amatam imaginari conatur, juvant. Sed lætitia existentiam rei lætæ ponit et eo magis quo lætitiæ affectus major est : est enim (per scholium propositionis 11 hujus) transitio ad majorem perfectionem : ergo imago lætitiæ rei amatæ in amante ipsius mentis conatum juvat hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) amantem lætitia afficit et eo majore quo major hic affectus in re amata fuerit. Quod erat primum. Deinde quatenus res aliqua tristitia afficitur eatenus destruitur et eo magis quo majore afficitur tristitia (per idem scholium propositionis 11 hujus) adeoque (per propositionem 19 hujus) qui id quod amat tristitia affici imaginatur, tristitia etiam afficietur et eo majore quo major hic affectus in re amata fuerit. Q.E.D.
De geen, die zich inbeeld dat het geen, 't welk hy bemint, met blijschap, of met droefheit aangedaan is, zal ook met blijschap, of met droefheit aangedaan worden: en deze beide hartstochten zullen in de minnaar groter, of kleinder wezen, naar dat zy beide groter, of kleinder in de beminde zaak zijn.

Betoging.--De beelden der dingen, (gelijk wy in de negentiende Voorstelling van dit deel betoogt hebben) die de wezentlijkheit van de beminde zaak stellen, helpen en bevorderen de poging van de ziel, daar door zy de beminde zaak zelve poogt in te beelden. Maar de blijschap stelt de wezentlijkheit van de blijde zaak, en zo veel te groter, als de hartstocht van blijschap groter is: (want daar is, volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel, een overgang tot een groter volmaaktheit) dieshalven, het beelt der blyschap van de beminde zaak in de minnaar helpt en bevordert de poging van de ziel zelve; dat is (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) doet de minnaar met blijschap aan, en met zo veel te groter blijschap, als deze hartstocht in de beminde zaak groter heeft geweest; 't welk het eerste was. Wijders, voor zo veel enig ding met droefheit aangedaan word, voor zo veel word het vernietigt, en zo veel te meer, als het met groter droefheit aangedaan word; volgens het zelfde Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel: dieshalven (volgens de negentiende Voorstelling in dit deel) de geen, die zich inbeeld dat het geen, 't welk hy bemint, met droefheit word aangedaan, zal ook met droefheit aangedaan worden, en met zo veel te groter droefheit, als deze hartstocht groter in de beminde zaak geweest zal hebben; gelijk voorgestelt was.
He who conceives, that the object of his love is affected pleasurably or painfully, will himself be affected pleasurably or painfully; and the one or the other emotion will be greater or less in the lover according as it is greater or less in the thing loved.

Proof.--The images of things (as we showed in III. xix.) which postulate the existence of the object of love, help the mind's endeavour to conceive the said object. But pleasure postulates the existence of something feeling pleasure, so much the more in proportion as the emotion of pleasure is greater; for it is (III. xi. note) a transition to a greater perfection; therefore the image of pleasure in the object of love helps the mental endeavour of the lover; that is, it affects the lover pleasurably, and so much the more, in proportion as this emotion may have been greater in the object of love. This was our first point. Further, in so far as a thing is affected with pain, it is to that extent destroyed, the extent being in proportion to the amount of pain (III. xi. note); therefore (III. xix.) he who conceives, that the object of his love is affected painfully, will himself be affected painfully, in proportion as the said emotion is greater or less in the object of love. Q.E.D.
3P22
Si aliquem imaginamur lætitia afficere rem quam amamus, amore erga eum afficiemur. Si contra eundem imaginamur tristitia eandem afficere, contra odio etiam contra ipsum afficiemur.
DEMONSTRATIO: Qui rem quam amamus lætitia vel tristitia afficit, ille nos lætitia vel tristitia etiam afficit si nimirum rem amatam lætitia illa vel tristitia affectam imaginamur (per præcedentem propositionem). At hæc lætitia vel tristitia in nobis supponitur dari concomitante idea causæ externæ; ergo (per scholium propositionis 13 hujus) si aliquem imaginamur lætitia vel tristitia afficere rem quam amamus, erga eundem amore vel odio afficiemur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Propositio 21 nobis explicat quid sit commiseratio quam definire possumus quod sit tristitia orta ex alterius damno. Quo autem nomine appellanda sit lætitia quæ ex alterius bono oritur, nescio. Porro amorem erga illum qui alteri bene fecit, favorem et contra odium erga illum qui alteri male fecit, indignationem appellabimus. Denique notandum nos non tantum misereri rei quam amavimus (ut in propositione 21 ostendimus) sed etiam ejus quam antea nullo affectu prosecuti sumus modo eam nobis similem judicemus (ut infra ostendam) atque adeo ei etiam favere qui simili bene fecit et contra in eum indignari qui simili damnum intulit.

Indien wy ons inbeelden dat iemant een zaak, die wy beminnen, met blijschap aandoet, zo zullen wy met liefde tot hem aangedaan worden. Indien, in tegendeel, wy ons inbeelden dat de zelfde deze zaak met droefheit aandoet, zo zullen wy ook met haat tegen hem aangedaan worden.

Betoging.--De geen, die de zaak, de welke wy beminnen, met blijschap, of met droefheit aandoet, doet ons ook met blijschap, of met droefheit aan; namelijk, zo wy ons de beminde zaak met blijschap, of met droefheit aangedaan inbeelden; volgens de voorgaande Voorstelling. En deze blijschap, of droefheit word in ons onderstelt met het denkbeelt van een uitterlijke oorzaak verzelt te zijn: dieshalven, (volgens de dartiende Voorstelling in dit deel) indien wy ons inbeelden dat iemant een ding, 't welk wy beminnen, met blijschap, of met droefheit aandoet, zo zullen wy tegen de zelfde met liefde, of met haat aangedaan worden; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--D' eenentwintigste Voorstelling verklaart aan ons, wat medelijden is, die wy konnen bepalen, dat het is een droefheit, uit eens anders schade gesproten. Maar ik weet niet met welke naam de blijschap, die uit eens anders goet spruit, genoemt moet worden. Voorts, de liefde tot de geen, die aan een ander wel gedaan heeft, zullen wy gunst, en, in tegendeel, de haat tegen de geen, die aan iemant quaat gedaan heeft, euvelneeming noemen. Eindelijk staat aan te merken, dat wy niet alleenlijk medelijden met die zaak hebben, de welke wy beminnen; (gelijk wy in de voorgaande eenëntwintigste Voorstelling hebben getoont) maar ook met de gene, die wy te voren met geen genegentheit gevolgt hebben, zo wy de zelfde ons gelijk oordeelen: (gelijk wy hier na zullen tonen) en dat wy dieshalven ook de geen begunstigen, die aan 't gelijke wel gedaan heeft, en, in tegendeel, ons tegen de geen vergrammen, die 't gelijke schade aangedaan heeft.

If we conceive that anything pleasurably affects some object of our love, we shall be affected with love towards that thing. Contrariwise, if we conceive that it affects an object of our love painfully, we shall be affected with hatred towards it.

Proof.--He, who affects pleasurably or painfully the object of our love, affects us also pleasurably or painfully--that is, if we conceive the loved object as affected with the said pleasure or pain (III. xxi.). But this pleasure or pain is postulated to come to us accompanied by the idea of an external cause; therefore (III. xiii. note), if we conceive that anyone affects an object of our love pleasurably or painfully, we shall be affected with love or hatred towards him. Q.E.D.

Note.--Prop. xxi. explains to us the nature of Pity, which we may define as pain arising from another's hurt. What term we can use for pleasure arising from another's gain, I know not.

We will call the love towards him who confers a benefit on another, Approval; and the hatred towards him who injures another, we will call Indignation. We must further remark, that we not only feel pity for a thing which we have loved (as shown in III. xxi.), but also for a thing which we have hitherto regarded without emotion, provided that we deem that it resembles ourselves (as I will show presently). Thus, we bestow approval on one who has benefited anything resembling ourselves, and, contrariwise, are indignant with him who has done it an injury.

3P23
Qui id quod odio habet, tristitia affectum imaginatur, lætabitur; si contra idem lætitia affectum esse imaginetur, contristabitur et uterque hic affectus major aut minor erit prout ejus contrarius major aut minor est in eo quod odio habet.
DEMONSTRATIO: Quatenus res odiosa tristitia afficitur eatenus destruitur et eo magis quo majore tristitia afficitur (per scholium propositionis 11 hujus). Qui igitur (per propositionem 20 hujus) rem quam odio habet, tristitia affici imaginatur, lætitia contra afficietur et eo majore quo majore tristitia rem odiosam affectam esse imaginatur; quod erat primum. Deinde lætitia existentiam rei lætæ ponit (per idem scholium propositionis 11 hujus) et eo magis quo major lætitia concipitur. Si quis eum quem odio habet, lætitia affectum imaginatur, hæc imaginatio (per propositionem 13 hujus) ejusdem conatum coercebit hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) is qui odio habet, tristitia afficietur etc. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc lætitia vix solida et absque ullo animi conflictu esse potest. Nam (ut statim in propositione 27 hujus ostendam) quatenus rem sibi similem tristitiæ affectu affici imaginatur eatenus contristari debet et contra si eandem lætitia affici imaginetur. Sed hic ad solum odium attendimus.

De geen, die zich het geen, dat hy haat, met droefheit aangedaan inbeeld, zal zich verblijden: integendeel, indien hy zich het zelfde met blijschap aangedaan te zijn inbeeld, zo zal hy zich bedroeven: en deze beide hartstochten zullen groter of kleinder wezen, naar dat des zelfs strijdige hartstocht groter of kleinder in 't geen is, dat hy haat.

Betoging.--Voor zo veel een hatelijke zaak met droefheit aangedaan word, voor zo veel word zy vernietigt, en zo veel te meer, als zy met groter droefheit word aangedaan; volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel. De geen dan, die (volgens de twintigste Voorstelling van dit deel) zich een zaak, die hy haat, met droefheit aangedaan inbeeld, zal in tegendeel met blijschap aangedaan worden, en met zo veel te groter blijschap, als hy zich inbeeld dat de hatelijke zaak met groter droefheit aangedaan is; 't welk het eerste was. Wijders, de blijschap stelt wezentlijkheit van de blijde zaak, (volgens het zelfde Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) en zo veel te groter, als de blijschap groter word bevat. Indien iemant zich inbeeld dat de geen, die hy haat, met blijschap aangedaan is, zo zal (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) deze inbeelding zijn poging intomen; dat is, (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) de geen, die haat, zal met droefheit aangedaan worden, enz. 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze blijschap kan naauwelijks bestandig, en zonder enige strijt des gemoeds wezen. Want (gelijk ik terstont in de zevenëntwintigste Voorstelling, zal tonen) voor zo veel hy zich inbeeld een zaak, hem gelijk, met de hartstocht van droefheit aangedaan te worden, voor zo veel moet hy zich ook bedroeven; en recht anders, zo hy zich inbeeld dat de zelfde met blijschap aangedaan word. Maar wy merken hier op de haat alleen.

He who conceives, that an object of his hatred is painfully affected, will feel pleasure. Contrariwise, if he thinks that the said object is pleasurably affected, he will feel pain. Each of these emotions will be greater or less, according as its contrary is greater or less in the object of hatred.

Proof.--In so far as an object of hatred is painfully affected, it is destroyed, to an extent proportioned to the strength of the pain (III. xi. note). Therefore, he (III. xx.) who conceives, that some object of his hatred is painfully affected, will feel pleasure, to an extent proportioned to the amount of pain he conceives in the object of his hatred. This was our first point. Again, pleasure postulates the existence of the pleasurably affected thing (III. xi. note), in proportion as the pleasure is greater or less. If anyone imagines that an object of his hatred is pleasurably affected, this conception (III. xiii.) will hinder his own endeavour to persist; in other words (III. xi. note), he who hates will be painfully affected. Q.E.D.

Note.--This pleasure can scarcely be felt unalloyed, and without any mental conflict. For (as I am about to show in Prop. xxvii.), in so far as a man conceives that something similar to himself is affected by pain, he will himself be affected in like manner; and he will have the contrary emotion in contrary circumstances. But here we are regarding hatred only.

3P24
Si aliquem imaginamur lætitia afficere rem quam odio habemus, odio etiam erga eum afficiemur. Si contra eundem imaginamur tristitia eandem rem afficere, amore erga ipsum afficiemur.
DEMONSTRATIO: Demonstratur eodem modo hæc propositio ac propositio 22 hujus, quam vide.

SCHOLIUM: Hi et similes odii affectus ad invidiam referuntur, quæ propterea nihil aliud est quam ipsum odium quatenus id consideratur hominem ita disponere ut malo alterius gaudeat et contra ut ejusdem bono contristetur.

Indien wy ons inbeelden dat iemant een zaak, die wy haten, met blijschap aandoet, zo worden wy ook met haat tegen hem aangedaan. Maar indien wy, daarëntegen, ons inbeelden dat de zelfde de zelfde zaak met droefheit aandoet, zo worden wy met liefde tot hem aangedaan.

Betoging.--Deze Voorstelling word op de zelfde wijze betoogt, als de tweeëntwintigste Voorstelling van dit deel, die men na te zien heeft.

Byvoegsel.--Deze en diergelijke hartstochten van haat worden op de nijt toegepast, die dieshalven niets anders is, dan de haat zelf voor zo veel de zelfde aangemerkt word dat zy de mensch in dier voegen geschikt maakt, dat hy in eens anders quaat vermaak schept, en, in tegendeel, dat hy zich over des zelfs goet bedroeft.

If we conceive that anyone pleasurably affects an object of our hate, we shall feel hatred towards him also. If we conceive that he painfully affects that said object, we shall feel love towards him.

Proof.--This proposition is proved in the same way as III. xxii., which see.

Note.--These and similar emotions of hatred are attributable to envy, which, accordingly, is nothing else but hatred, in so far as it is regarded as disposing a man to rejoice in another's hurt, and to grieve at another's advantage.

3P25
Id omne de nobis deque re amata affirmare conamur quod nos vel rem amatam lætitia afficere imaginamur et contra id omne negare quod nos vel rem amatam tristitia afficere imaginamur.
DEMONSTRATIO: Quod rem amatam lætitia vel tristitia afficere imaginamur, id nos lætitia vel tristitia afficit (per propositionem 21 hujus). At mens (per propositionem 12 hujus) ea quæ nos lætitia afficiunt, quantum potest conatur imaginari hoc est (per propositionem 17 partis II et ejus corollarium) ut præsentia contemplari et contra (per propositionem 13 hujus) quæ nos tristitia afficiunt, eorum existentiam secludere; ergo id omne de nobis deque re amata affirmare conamur quod nos vel rem amatam lætitia afficere imaginamur et contra. Q.E.D.
Wy pogen dit alles van ons, en van de beminde zaak te bevestigen, 't welk wy ons inbeelden dat ons, of de beminde zaak met blijschap aandoet; en, in tegendeel, dit alles t' ontkennen, 't welk wy ons inbeelden dat ons, of de beminde zaak met droefheit aandoet.

Betoging.--Dit, 't welk wy ons inbeelden dat de beminde zaak met blijschap, of met droefheit aandoet, doet ons ook met blijschap, of met droefheit aan; volgens d' eenëntwintigste Voorstelling van dit deel: maar de ziel poogt, (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) zo veel als haar mogelijk is, die dingen, de welken ons met blijschap aandoen, in te beelden, dat is (volgens de zeventiende Voorstelling van het tweede deel, en des zelfs Toegift) als tegenwoordig t'aanschouwen, en in tegendeel (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) de dingen, die ons met droefheit aandoen, en der zelfder wezentlijkheit uit te sluiten. Dieshalven, wy pogen van ons, en van de beminde zaak dit alles te bevestigen, 't welk wy ons inbeelden dat ons, of de beminde zaak met blischap aandoet; en in tegendeel, gelijk te betogen stond.
We endeavour to affirm, concerning ourselves, and concerning what we love, everything that we can conceive to affect pleasurably ourselves, or the loved object. Contrariwise, we endeavour to negative everything, which we conceive to affect painfully ourselves or the loved object.

Proof.--That, which we conceive to affect an object of our love pleasurably or painfully, affects us also pleasurably or painfully (III. xxi.). But the mind (III. xii.) endeavours, as far as possible, to conceive those things which affect us pleasurably; in other words (II. xvii. and Coroll.), it endeavours to regard them as present. And, contrariwise (III. xiii.), it endeavours to exclude the existence of such things as affect us painfully; therefore, we endeavour to affirm concerning ourselves, and concerning the loved object, whatever we conceive to affect ourselves, or the love object pleasurably. Q.E.D.
3P26
Id omne de re quam odio habemus, affirmare conamur quod ipsam tristitia afficere imaginamur et id contra negare quod ipsam lætitia afficere imaginamur.
DEMONSTRATIO: Sequitur hæc propositio ex propositione 23 ut præcedens ex propositione 21 hujus.

SCHOLIUM: His videmus facile contingere ut homo de se deque re amata plus justo et contra de re quam odit, minus justo sentiat, quæ quidem imaginatio quando ipsum hominem respicit qui de se plus justo sentit, superbia vocatur et species delirii est quia homo oculis apertis somniat se omnia illa posse quæ sola imaginatione assequitur quæque propterea veluti realia contemplatur iisque exultat quamdiu ea imaginari non potest quæ horum existentiam secludunt et ipsius agendi potentiam determinant. Est igitur superbia lætitia ex eo orta quod homo de se plus justo sentit. Deinde lætitia quæ ex eo oritur quod homo de alio plus justo sentit, existimatio vocatur et illa denique despectus quæ ex eo oritur quod de alio minus justo sentit.

Wy pogen van de zaak, die wy haten, al 't geen te bevestigeu, 't welk wy ons inbeelden dat haar met droefheit aandoet, en in tegendeel dat t' ontkennen, 't welk wy ons inbeelden dat haar met blijschap aandoet.

Betoging.--Deze Voorstelling, volgt uit de drieëntwintigste Voorstelling, gelijk de voorgaande uit d' eenëntwintigste Voorstelling van dit deel.

Byvoegsel.--Wy zien dat hier door lichtelijk gebeurt, dat de mensch van zich, en van de beminde zaak hoger gevoelt, dan billijk is, en in tegendeel, van de zaak, die hy haat, laeger gevoelt. Deze inbeelding, als zy haar opzicht op de mensch heeft, die hoger van zich gevoelt, dan billijk is, word verwaantheit genoemt, en is zeker slach van sporeloosheit, om dat de mensch met ope ogen droomt dat hy alle die dingen vermag, de welken hy door d' inbeelding alleen bekoomt, en die hy dieshalven als zakelijk aanschout, en zich daar over verheugt, zo lang hy die dingen zich niet kan inbeelden, de welken der zelfder wezentlijkheit uitsluiten, en zijn vermogen van te doen bepalen. De verwaantheit dan is een blijschap, hier uit gesproten, dat de mensch hoger, dan billijk is, van zich gevoelt. Wijders, de blijschap, die hier uitspruit, dat de mensch van een ander hoger, dan billijk is, gevoelt, word achting, en eindelijk die blijschap, de welke hier uitspruit, dat hy van een ander laeger gevoelt, dan billijk is, verachting genoemt.

We endeavour to affirm, concerning that which we hate, everything which we conceive to affect it painfully; and, contrariwise, we endeavour to deny, concerning it, everything which we conceive to affect it pleasurably.

Proof.--This proposition follows from III. xxiii., as the foregoing proposition followed from III. xxi.

Note.--Thus we see that it may readily happen, that a man may easily think too highly of himself, or a loved object, and, contrariwise, too meanly of a hated object. This feeling is called pride, in reference to the man who thinks too highly of himself, and is a species of madness, wherein a man dreams with his eyes open, thinking that he can accomplish all things that fall within the scope of his conception, and thereupon accounting them real, and exulting in them, so long as he is unable to conceive anything which excludes their existence, and determines his own power of action. Pride, therefore, is pleasure springing from a man thinking too highly of himself. Again, the pleasure which arises from a man thinking too highly of another is called over--esteem. Whereas the pleasure which arises from thinking too little of a man is called disdain.

3P27
Ex eo quod rem nobis similem et quam nullo affectu prosecuti sumus, aliquo affectu affici imaginamur, eo ipso simili affectu afficimur.
DEMONSTRATIO: Rerum imagines sunt corporis humani affectiones quarum ideæ corpora externa veluti nobis præsentia repræsentant (per scholium propositionis 17 partis II) hoc est (per propositionem 16 partis II) quarum ideæ naturam nostri corporis et simul præsentem externi corporis naturam involvunt. Si igitur corporis externi natura similis sit naturæ nostri corporis, tum idea corporis externi quod imaginamur affectionem nostri corporis involvet similem affectioni corporis externi et consequenter si aliquem nobis similem aliquo affectu affectum imaginamur, hæc imaginatio affectionem nostri corporis huic affectui similem exprimet adeoque ex hoc quod rem aliquam nobis similem aliquo affectu affici imaginamur, simili cum ipsa affectu afficimur. Quod si rem nobis similem odio habeamus, eatenus (per propositionem 23 hujus) contrario affectu cum ipsa afficiemur, non autem simili. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc affectuum imitatio quando ad tristitiam refertur, vocatur commiseratio (de qua vide scholium propositionis 22 hujus) sed ad cupiditatem relata æmulatio, quæ proinde nihil aliud est quam alicujus rei cupiditas quæ in nobis ingeneratur ex eo quod alios nobis similes eandem cupiditatem habere imaginamur.

COROLLARIUM I: Si aliquem quem nullo affectu prosecuti sumus, imaginamur lætitia afficere rem nobis similem, amore erga eundem afficiemur. Si contra eundem imaginamur eandem tristitia afficere, odio erga ipsum afficiemur.

DEMONSTRATIO: Hoc eodem modo ex propositione præcedenti demonstratur ac propositio 22 hujus ex propositione 21.

COROLLARIUM II: Rem cujus nos miseret, odio habere non possumus ex eo quod ipsius miseria nos tristitia afficit.

DEMONSTRATIO: Si enim ex eo nos eandem odio habere possemus, tum (per propositionem 23 hujus) ex ipsius tristitia lætaremur, quod est contra hypothesin.

COROLLARIUM III: Rem cujus nos miseret, a miseria quantum possumus liberare conabimur.

DEMONSTRATIO: Id quod rem cujus nos miseret, tristitia afficit, nos simili etiam tristitia afficit (per propositionem præcedentem) adeoque omne id quod ejus rei existentiam tollit sive quod rem destruit, comminisci conabimur (per propositionem 13 hujus) hoc est (per scholium propositionis 9 hujus) id destruere appetemus sive ad id destruendum determinabimur atque adeo rem cujus miseremur, a sua miseria liberare conabimur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc voluntas sive appetitus benefaciendi qui ex eo oritur quod rei in quam beneficium conferre volumus, nos miseret, benevolentia vocatur, quæ proinde nihil aliud est quam cupiditas ex commiseratione orta. Cæterum de amore et odio erga illum qui rei quam nobis similem esse imaginamur, bene aut male fecit, vide scholium propositionis 22 hujus.

Hier uit, dat wy ons inbeelden dat een zaak, ons gelijk, en die wy met geen hartstocht vervolgt hebben, met enige hartstocht aangedaan word, worden wy met gelijke hartstocht aangedaan.

Betoging.--De beelden der dingen zijn d'aandoeningen van 't menschelijk lighaam, welker denkbeelden d'uitterlijke lighamen als tegenwoordig aan ons vertonen; (volgens het Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) dat is (volgens de zestiende Voorstelling van het tweede deel) welker denkbeelden de natuur van onz lighaam, en te gelijk de tegenwoordige natuur van 't uitterlijk lighaam insluiten. Indien dan de natuur van 't uitterlijk lighaam met de natuur van onz lighaam gelijk is, zo zal het denkbeelt van 't uitterlijk lighaam, 't welk wy inbeelden, een aandoening onzes lighaams, die met d' aandoening van 't uitterlijk lighaam gelijk is, insluiten; en by gevolg, indien wy ons inbeelden dat iemant, ons gelijk, met enige hartstocht aangedaan is, zo zal deze inbeelding een aandoening, met deze aandoening onzes lighaams gelijk, uitdrukken. Dieshalven, hier uit, dat wy ons inbeelden dat enig ding, ons gelijk, met enige hartstocht aangedaan word, worden wy met een zelfde hartstocht, als dat ding zelf, aangedaan. Maar indien wy een zaak, ons gelijk, haten, zo worden wy dus verre (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van dit deel) met een hartstocht, die daar tegen strijdig is, aangedaan, en niet met een gelijke; gelijk voorgestelt wierd.

Byvoegsel.--Deze navolging van hartstochten, op de droefheit toegepast, word medelijden, (bezie hier af het Byvoegsel van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel) en, op de begeerte toegepast, nayvering genoemt; de welke dieshalven niets anders is, dan de begeerte van enig ding, de welke in ons hier uit geboren word, dat wy ons inbeelden dat anderen, ons gelijk, de zelfde begeerte hebben.

Eerste Toegift.--Indien wy ons inbeelden dat iemant een zaak, ons geljk, en de welke wy met geen hartstocht nagejaagt hebben, met blijschap aandoet, zo zullen wy met liefde tot hem aangedaan worden: in tegendeel, indien wy ons inbeelden dat de zelfde de zelfde zaak met droefheit aandoet, zo zullen wy met haat tot hem aangedaan worden.

Betoging.--Dit word op de zelfde wijze uit de voorgaande Voorstelling betoogt, als de tweeëntwintigste Voorstelling van dit deel uit d'eenentwintigste Voorstelling.

Tweede Toegift.--Wy konnen een zaak, daar wy deernis meê hebben, niet om dat der zelfder elende ons met droefheit aandoet.

Betoging.--Want indien wy daarom de zelfde konden haten, zo zouden wy (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van dit deel) ons uit der zelfder droefheit verblijden; 't welk tegen d'onderstelling is.

Darde Toegift.--Wy zullen, zo veel als ons mogelijk is, pogen de zaak daar over wy deernis hebben, van elende te verlossen.

Betoging.--Het geen, 't welk de zaak, daar over wy deernis hebben, met droefheit aandoet, doet ons ook met gelijke droefheit aan; volgens de voorgaande Voorstelling. En dieshalven zullen wy pogen al het geen, dat de wezentlijkheit van die zaak wechneemt, of dat de zaak vernietigt, te gedenken; (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) dat is (volgens het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) wy zullen trachten dit te vernietigen, of wy zullen bepaalt worden tot dit te vernietigen: en dieshalven zullen wy pogen de zaak, daar over wy deernis hebben, van haar elende te verlossen; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze wil, of deze luft van wel te doen, die hier uit spruit, dat wy deernis over de zaak hebben, aan de welke wy weldaat willen doen, word goetwilligheit genoemt, de welke dieshalven niets anders is, dan een begeerte uit medelijden gesproten. Voorts, wat de liefde en haat tot de geen aangaat, die de zaak, de welke wy ons inbeelden ons gelijk te zijn, goet of quaat aangedaan heeft, bezie hier af het Byvoegsel van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel.

By the very fact that we conceive a thing, which is like ourselves, and which we have not regarded with any emotion, to be affected with any emotion, we are ourselves affected with a like emotion (affectus).

Proof.--The images of things are modifications of the human body, whereof the ideas represent external bodies as present to us (II. xvii.); in other words (II. x.), whereof the ideas involve the nature of our body, and, at the same time, the nature of the external bodies as present. If, therefore, the nature of the external body be similar to the nature of our body, then the idea which we form of the external body will involve a modification of our own body similar to the modification of the external body. Consequently, if we conceive anyone similar to ourselves as affected by any emotion, this conception will express a modification of our body similar to that emotion. Thus, from the fact of conceiving a thing like ourselves to be affected with any emotion, we are ourselves affected with a like emotion. If, however, we hate the said thing like ourselves, we shall, to that extent, be affected by a contrary, and not similar, emotion. Q.E.D.

Note I.--This imitation of emotions, when it is referred to pain, is called compassion (cf. III. xxii. note); when it is referred to desire, it is called emulation, which is nothing else but the desire of anything, engendered in us by the fact that we conceive that others have the like desire.

Corollary I.--If we conceive that anyone, whom we have hitherto regarded with no emotion, pleasurably affects something similar to ourselves, we shall be affected with love towards him. If, on the other hand, we conceive that he painfully affects the same, we shall be affected with hatred towards him.

Proof.--This is proved from the last proposition in the same manner as III. xxii. is proved from III. xxi.

Corollary II.--We cannot hate a thing which we pity, because its misery affects us painfully.

Proof.--If we could hate it for this reason, we should rejoice in its pain, which is contrary to the hypothesis.

Corollary III.--We seek to free from misery, as far as we can, a thing which we pity.

Proof.--That, which painfully affects the object of our pity, affects us also with similar pain (by the foregoing proposition); therefore, we shall endeavour to recall everything which removes its existence, or which destroys it (cf. III. xiii.); in other words (III. ix. note), we shall desire to destroy it, or we shall be determined for its destruction; thus, we shall endeavour to free from misery a thing which we pity. Q.E.D.

Note II.--This will or appetite for doing good, which arises from pity of the thing whereon we would confer a benefit, is called benevolence, and is nothing else but desire arising from compassion. Concerning love or hate towards him who has done good or harm to something, which we conceive to be like ourselves, see III. xxii. note.

3P28
Id omne quod ad lætitiam conducere imaginamur, conamur promovere ut fiat; quod vero eidem repugnare sive ad tristitiam conducere imaginamur, amovere vel destruere conamur.
DEMONSTRATIO: Quod ad lætitiam conducere imaginamur, quantum possumus imaginari conamur (per propositionem 12 hujus) hoc est (per propositionem 17 partis II) id quantum possumus conabimur ut præsens sive ut actu existens contemplari. Sed mentis conatus seu potentia in cogitando æqualis et simul natura est cum corporis conatu seu potentia in agendo (ut clare sequitur ex corollario propositionis 7 et corollario propositionis 11 partis II) : ergo ut id existat absolute conamur sive (quod per scholium propositionis 9 hujus idem est) appetimus et intendimus; quod erat primum. Deinde si id quod tristitiæ causam esse credimus hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) si id quod odio habemus, destrui imaginamur, lætabimur (per propositionem 20 hujus) adeoque idem (per primam hujus partem) conabimur destruere sive (per propositionem 13 hujus) a nobis amovere ne ipsum ut præsens contemplemur, quod erat secundum. Ergo id omne quod ad lætitiam etc. Q.E.D.
Wy pogen al 't geen te bevorderen, 't welk wy ons inbeelden tot blijschap dienstig te zijn, en in tegendeel al 't geen af te weren, of te vernietigen, 't welk wy ons inbeelden tot droefheit te konnen strekken.

Betoging.--Wy pogen, zo veel als wy konnen, het geen in te beelden, dat wy ons inbeelden tot blijschap te konnen strekken: (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) dat is, (volgens de zeventiende Voorstelling van het tweede deel) wy zullen pogen, zo veel als ons mogelijk is, het zelfde als tegenwoordig, of als warelijk wezentlijk zijnde, t' aanschouwen. Maar de poging van de ziel, of het vermogen in te denken, en gezamentlijk de natuur is gelijk met des lighaams poging, of macht in te werken; gelijk klarelijk volgt uit de Toegift van de zevende Voorstelling, en uit de Toegift van d' elfde Voorstelling in het tweede deel. Dieshalven pogen wy volstrektelijk dat het zelfde wezentlijk zy, of ('t welk, volgens het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel, het zelfde is) wy hebben 'er trek toe, en doen 'er onze best om, 't welk het eerste was. Voorts, indien wy dit, 't welk wy geloven oorzaak van droefheit te zijn, dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) indien wy ons inbeelden dat dit, 't welk wy haten, vernietigt word, zo zullen wy ons verblijden; volgens de twintigste Voorstelling in dit deel: en dieshalven zullen wy (volgens 't eerste deel van deze Voorstelling) het zelfde pogen te vernietigen, of (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) van ons af te weren, op dat wy het zelfde niet als tegenwoordig zouden aanschouwen; 't welk het tweede was.
We endeavour to bring about whatsoever we conceive to conduce to pleasure; but we endeavour to remove or destroy whatsoever we conceive to be truly repugnant thereto, or to conduce to pain.

Proof.--We endeavour, as far as possible, to conceive that which we imagine to conduce to pleasure (III. xii.); in other words (II. xvii.) we shall endeavour to conceive it as far as possible as present or actually existing. But the endeavour of the mind, or the mind's power of thought, is equal to, and simultaneous with, the endeavour of the body, or the body's power of action. (This is clear from II. vii. Coroll. and II. xi. Coroll.). Therefore we make an absolute endeavour for its existence, in other words (which by III. ix. note, come to the same thing) we desire and strive for it; this was our first point. Again, if we conceive that something, which we believed to be the cause of pain, that is (III. xiii. note), which we hate, is destroyed, we shall rejoice (III. xx.). We shall, therefore (by the first part of this proof), endeavour to destroy the same, or (III. xiii.) to remove it from us, so that we may not regard it as present; this was our second point. Wherefore whatsoever conduces to pleasure, &c. Q.E.D.
3P29
Nos id omne etiam agere conabimur quod homines cum lætitia aspicere imaginamur et contra id agere aversabimur quod homines aversari imaginamur.
DEMONSTRATIO: Ex eo quod imaginamur homines aliquid amare vel odio habere, nos idem amabimus vel odio habebimus (per propositionem 27 hujus) hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) eo ipso ejus rei præsentia lætabimur vel contristabimur adeoque (per præcedentem propositionem) id omne quod homines amare sive cum lætitia aspicere imaginamur, conabimur agere etc. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hic conatus aliquid agendi et etiam omittendi ea sola de causa ut hominibus placeamus, vocatur ambitio præsertim quando adeo impense vulgo placere conamur ut cum nostro aut alterius damno quædam agamus vel omittamus; alias humanitas appellari solet. Deinde lætitiam qua alterius actionem qua nos conatus est delectari, imaginamur, laudem voco; tristitiam vero qua contra ejusdem actionem aversamur, vituperium voco.

Wy zullen ook pogen al 't geen te doen, 't welk, gelijk wy ons inbeelden, de menschen met blijschap aanschouwen; en, in tegendeel, zy zullen een afkeer hebben van het geen te doen, van 't welk de menschen, gelijk wy ons inbeelden, een afkeer hebben.

Betoging.--Hier uit, dat wy ons inbeelden dat de menschen iets beminnen, of haten, zullen wy het zelfde beminnen, of haten; (volgens de zevenentwintigste Voorstelling in dit deel) dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) daar door zelfs zullen wy ons over de tegenwoordigheit van die zaak of verblijden, of bedroeven: en dieshalven (volgens de voorgaande Voorstelling) zullen wy pogen al 't geen te doen, 't welk, gelijk wy ons inbeelden, de menschen beminnen, of met blijschap aanschouwen, enz. gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze poging van iets te doen, en ook van iets na te laten, alleenlijk daarom, op dat wy aangenaam aan de menschen zouden wezen, word roemzucht genoemt; voornamelijk als wy zo gratiglijk pogen het gemeen volk te behagen, dat wy, met onze, of eens anders schade, enige dingen pogen te doen, of na te laten: andersins heeft zy gemenelijk de naam van heusheit Wijders, ik noem die blijschap lof, met de welke wy ons de doening van een ander inbeelden, daar meê hy gepoogt heeft ons te verheugen, en in tegendeel lafter die droefheit, daar door wy een afkeer van zijn bedrijf hebben.

We shall also endeavour to do whatsoever we conceive men to regard with pleasure, and contrariwise we shall shrink from doing that which we conceive men to shrink from.

Proof.--From the fact of imagining, that men love or hate anything, we shall love or hate the same thing (III. xxvii.). That is (III. xiii. note), from this mere fact we shall feel pleasure or pain at the thing's presence. And so we shall endeavour to do whatsoever we conceive men to love or regard with pleasure, etc. Q.E.D.

Note.--This endeavour to do a thing or leave it undone, solely in order to please men, we call ambition, especially when we so eagerly endeavour to please the vulgar, that we do or omit certain things to our own or another's hurt: in other cases it is generally called kindliness. Furthermore I give the name of praise to the pleasure, with which we conceive the action of another, whereby he has endeavoured to please us; but of blame to the pain wherewith we feel aversion to his action.

3P30
Si quis aliquid egit quod reliquos lætitia afficere imaginatur, is lætitia concomitante idea sui tanquam causa afficietur sive se ipsum cum lætitia contemplabitur. Si contra aliquid egit quod reliquos tristitia afficere imaginatur, se ipsum cum tristitia contra contemplabitur.
DEMONSTRATIO: Qui se reliquos lætitia vel tristitia afficere imaginatur, eo ipso (per propositionem 27 hujus) lætitia vel tristitia afficietur. Cum autem homo (per propositiones 19 et 23 partis II) sui sit conscius per affectiones quibus ad agendum determinatur, ergo qui aliquid egit quod ipse imaginatur reliquos lætitia afficere, lætitia cum conscientia sui tanquam causa afficietur sive seipsum cum lætitia contemplabitur et contra. Q.E.D.

SCHOLIUM: Cum amor (per scholium propositionis 13 hujus) sit lætitia concomitante idea causæ externæ et odium tristitia concomitante etiam idea causæ externæ, erit ergo hæc lætitia et tristitia amoris et odii species. Sed quia amor et odium ad objecta externa referuntur, ideo hos affectus aliis nominibus significabimus nempe lætitiam concomitante idea causæ internæ gloriam et tristitiam huic contrariam pudorem appellabimus : intellige quando lætitia vel tristitia ex eo oritur quod homo se laudari vel vituperari credit, alias lætitiam concomitante idea causæ internæ acquiescentiam in se ipso, tristitiam vero eidem contrariam pœnitentiam vocabo. Deinde quia (per corollarium propositionis 17 partis II) fieri potest ut lætitia qua aliquis se reliquos afficere imaginatur, imaginaria tantum sit et (per propositionem 25 hujus) unusquisque de se id omne conatur imaginari quod se lætitia afficere imaginatur, facile ergo fieri potest ut gloriosus superbus sit et se omnibus gratum esse imaginetur quando omnibus molestus est.

Indien iemant iets gedaan heeft, 't welk, gelijk hy zich inbeeld, d' anderen met blischap aandoet, deze, van zijn denkbeelt, als des zelfs oorzaak, verzelt, zal met blijschap aangedaan worden, of zich zelf met blijschap aanschouwen. In tegendeel, indien hy iets doet, 't welk, gelijk hy zich inbeeld, d' anderen met droefheit aandoet, zo zal hy zich zelf met droefheit aanschouwen.

Betoging.--De geen, die zich inbeeld dat hy d' anderen met blijschap, of met droefheit aandoet, zal daar door (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel) met blijschap, of met droefheit aangedaan worden. Maar dewijl de mensch (volgens de negentiende en drieëntwintigste Voorstelling van het tweede deel) van zich zelf meêwustig is door d' aandoeningen, door de welken hy tot doen bepaalt word, zo zal de geen, die iets gedaan heeft, 't welk, gelijk hy zich inbeeld, d' anderen met blijschap aandoet, van blijschap, met bewustheit van zich zelf, als d' oorzaak van zijn blijschap, aangedaan worden, of zich zelf met blijschap aanschouwen: en in tegendeel, gelijk voorgestelt is.

Byvoegsel.--Dewijl de liefde (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) een blijschap is, die van het denkbeelt van een uitterlijke zaak verzelt is, zo zal dan deze blijschap en droef heit zeker slach van liefde en haat wezen. Maar vermits de liefde en haat tot d' uitterlijke voorwerpen toegepast worden, zo zullen wy deze hartstochten met andere namen aanwijzen: te weten, wy zullen de blijschap, van het denkbeelt van een innerlijke oorzaak verzelt, roem, en de droef heit, hier tegen strijdig, schaamte noemen; ik wil zeggen dat, als de blijschap, of droefheit hier uit spruit, de mensch meent dat hy geprezen, of gelastert word: andersins zal ik de blijschap, van het denkbeelt van een inwendige oorzaak verzelt, met de naam van gerustheit op zich zelf, en de droefheit, daar tegen strijdig, met de naam van berou aanwijzen. Wijders, dewijl het (volgens de Toegift van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) gebeuren kan dat de blijschap, met de welke iemant zich inbeeld d' anderen aan te doen, alleenlijk inbeeldig is, en (volgens de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel) yder poogt alles zich in te beelden, 't welk hy meent dat hem met blijschap aandoet, zo kan lichtelijk gebeuren, dat de roemrijke verwaant is, en zich inbeeld dat hy by alle menschen aangenaam is, als hy aan alle tot een last verstrekt.

If anyone has done something which he conceives as affecting other men pleasurably, he will be affected by pleasure, accompanied by the idea of himself as cause; in other words, he will regard himself with pleasure. On the other hand, if he has done anything which he conceives as affecting others painfully, he will regard himself with pain.

Proof.--He who conceives, that he affects others with pleasure or pain, will, by that very fact, himself be affected with pleasure or pain (III. xxvii.), but, as a man (II. xix. and xxiii.) is conscious of himself through the modifications whereby he is determined to action, it follows that he who conceives, that he affects others pleasurably, will be affected with pleasure accompanied by the idea of himself as cause; in other words, he will regard himself with pleasure. And so mutatis mutandis in the case of pain. Q.E.D.

Note.--As love (III. xiii.) is pleasure accompanied by the idea of an external cause, and hatred is pain accompanied by the idea of an external cause; the pleasure and pain in question will be a species of love and hatred. But, as the terms love and hatred are used in reference to external objects, we will employ other names for the emotions now under discussion: pleasure accompanied by the idea of an external cause we will style Honour, and the emotion contrary thereto we will style Shame: I mean in such cases as where pleasure or pain arises from a man's belief, that he is being praised or blamed: otherwise pleasure accompanied by the idea of an external cause is called self--complacency, and its contrary pain is called repentance. Again, as it may happen (II. xvii. Coroll.) that the pleasure, wherewith a man conceives that he affects others, may exist solely in his own imagination, and as (III. xxv.) everyone endeavours to conceive concerning himself that which he conceives will affect him with pleasure, it may easily come to pass that a vain man may be proud and may imagine that he is pleasing to all, when in reality he may be an annoyance to all.

3P31
Si aliquem imaginamur amare vel cupere vel odio habere aliquid quod ipsi amamus, cupimus vel odio habemus, eo ipso rem constantius amabimus, etc. Si autem id quod amamus, eum aversari imaginamur vel contra, tum animi fluctuationem patiemur.
DEMONSTRATIO: Ex eo solo quod aliquem aliquid amare imaginamur, eo ipso idem amabimus (per propositionem 27 hujus). At sine hoc nos idem amare supponimus; accedit ergo amori nova causa a qua fovetur atque adeo id quod amamus hoc ipso constantius amabimus. Deinde ex eo quod aliquem aliquid aversari imaginamur, idem aversabimur (per eandem propositionem). At si supponamus nos eodem tempore id ipsum amare, eodem ergo tempore hoc idem amabimus et aversabimur sive (vide scholium propositionis 17 hujus) animi fluctuationem patiemur. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc et ex propositione 28 hujus sequitur unumquemque quantum potest conari ut unusquisque id quod ipse amat, amet et quod ipse odit, odio etiam habeat; unde illud poetæ: Speremus pariter, pariter metuamus amantes; Ferreus est si quis quod sinit alter, amat.

SCHOLIUM: Hic conatus efficiendi ut unusquisque probet id quod ipse amat vel odio habet, revera est ambitio (vide scholium propositionis 29 hujus) atque adeo videmus unumquemque ex natura appetere ut reliqui ex ipsius ingenio vivant, quod dum omnes pariter appetunt, pariter sibi impedimento et dum omnes ab omnibus laudari seu amari volunt, odio invicem sunt.

Indien wy ons inbeelden dat iemant iets bemint, begeert, of haat, 't welk wy zelf beminnen, begeren, of haten, zo zullen wy daarom die zaak stantvastiglijker beminnen, enz. Maar indien wy ons inbeelden dat hy een afkeer of tegenheit van 't geen heeft, dat wy beminnen, of in tegendeel, dat hy 't geen bemint, 't welk wy haten, zo zullen wy zekere vlotheit des gemoeds lijden.

Betoging.--Hier om alleen, dat wy ons inbeelden dat iemant iets bemint, zullen wy het beminnen; volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel: maar wy onderstellen dat wy, zonder dit, het zelfde beminnen; zo koomt 'er dan nieuwe oorzaak by de liefde, van de welke zy gequeekt word; en dieshalven zullen wy dit, dat wy beminnen, hier door stantvastelijker beminnen. Wijders, hier uit, dat wy ons inbeelden dat iemant een afkeer van iets heeft, daaröm zullen wy 'er ook een afkeer af hebben; volgens de zelfde Voorstelling. Maar indien wy onderstellen dat wy ter zelfde tijt het zelfde beminnen, zo zullen wy ter zelfde tijt het zelfde beminnen, en te gelijk af keerig daar af wezen, of (volgens het Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in dit deel) vlotheit des gemoeds lijden; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit, en uit d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel volgt dat yder, zo veel als hem mogelijk is, poogt dat yder het geen, 't welk hy zelf bemint, zal beminnen, en dat hy ook het geen, 't welk hy haat, zal haten. Hier uit spruit dit van de Dichter: wy minnaars hopen gezamentlijk, en vrezen gezamentlijk; straf en onbuigsaam is hy, die het geen bemint, 't welk van een ander gelaten word.

Byvoegsel.--Deze poging van uit te werken dat yder het geen, 't welk hy zelf bemint, of haat, zal goet keuren, is, warelijk roemzucht. (Bezie het Byvoegsel van de negenëntwintigste Voorstelling in dit deel) En dieshalven zien wy dat yder van natuur begeert dat d' anderen naar zijn zin en verstant leven. En dewijl zy alle gezamentlijk hier naar trachten, zo zijn zy aan malkander een beletsel; en dewijl zy alle van alle geprezen, of bemint willen zijn, zo haten zy elkänder.

If we conceive that anyone loves, desires, or hates anything which we ourselves love, desire, or hate, we shall thereupon regard the thing in question with more steadfast love, &c. On the contrary, if we think that anyone shrinks from something that we love, we shall undergo vacillations of soul.

Proof.--From the mere fact of conceiving that anyone loves anything we shall ourselves love that thing (III. xxvii.): but we are assumed to love it already; there is, therefore, a new cause of love, whereby our former emotion is fostered; hence we shall thereupon love it more steadfastly. Again, from the mere fact of conceiving that anyone shrinks from anything, we shall ourselves shrink from that thing (III. xxvii.). If we assume that we at the same time love it, we shall then simultaneously love it and shrink from it; in other words, we shall be subject to vacillation (III. xvii. note). Q.E.D.

Corollary.--From the foregoing, and also from III. xxviii. it follows that everyone endeavours, as far as possible, to cause others to love what he himself loves, and to hate what he himself hates: as the poet says: "As lovers let us share every hope and every fear: ironhearted were he who should love what the other leaves."

Note.--This endeavour to bring it about, that our own likes and dislikes should meet with universal approval, is really ambition (see III. xxix. note); wherefore we see that everyone by nature desires (appetere), that the rest of mankind should live according to his own individual disposition: when such a desire is equally present in all, everyone stands in everyone else's way, and in wishing to be loved or praised by all, all become mutually hateful.

3P32
Si aliquem re aliqua qua unus solus potiri potest, gaudere imaginamur, conabimur efficere ne ille illa re potiatur.
DEMONSTRATIO: Ex eo solo quod aliquem re aliqua gaudere imaginamur (per propositionem 27 hujus cum ejusdem I corollario) rem illam amabimus eaque gaudere cupiemus. At (per hypothesin) huic lætitiæ obstare imaginamur quod ille eadem hac re gaudeat; ergo (per propositionem 28 hujus) ne ille eadem potiatur, conabimur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Videmus itaque cum hominum natura plerumque ita comparatum esse ut eorum quibus male est, misereantur et quibus bene est, invideant et (per propositionem præcedentem) eo majore odio quo rem qua alium potiri imaginantur, magis amant. Videmus deinde ex eadem naturæ humanæ proprietate ex qua sequitur homines esse misericordes, sequi etiam eosdem esse invidos et ambitiosos. Denique si ipsam experientiam consulere velimus, ipsam hæc omnia docere experiemur præsertim si ad priores nostræ ætatis annos attenderimus. Nam pueros quia eorum corpus continuo veluti in æquilibrio est, ex hoc solo ridere vel flere experimur quod alios ridere vel flere vident et quicquid præterea vident alios facere, id imitari statim cupiunt et omnia denique sibi cupiunt quibus alios delectari imaginantur; nimirum quia rerum imagines uti diximus sunt ipsæ humani corporis affectiones sive modi quibus corpus humanum a causis externis afficitur disponiturque ad hoc vel illud agendum.

Indien wy ons inbeelden dat iemant zich over een zaak verheugt, die een alleen kan genieten, zo zullen wy pogen te weeg te brengen dat hy die zaak niet geniet.

Betoging.--Hier uit alleen, dat wy ons inbeelden dat iemant over enige zaak verheugt is, zullen wy (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel, met der zelfder eerste Toegift) die zaak bemminen, en ons daar mede begeren te vermaken: maar (volgens d' onderstelling) wy beelden ons in dat dit aan deze blijschap hinderlijk is, dat hy zich over die zaak verheugt; en dieshalven zullen wy (volgens d'achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen dat hy de zelfde niet geniet; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Wy zien dan dat het met de natuur der menschen deurgaans in dier voegen is gestelt, dat zy medelijden met de genen hebben, die in een quade staat staan, en dat zy de genen benijden, die voorspoedig zijn; en (volgens de voorgaande Voorstelling) met zo veel te groter haat, als zy de zaak, die zy zich inbeelden, dat van een ander genoten word, meer beminnen. Wy zien wijders dat uit de zelfde eigenschap van de menschelijke natuur, uit de welke volgt dat de menschen medelijdig zijn, ook volgt dat zy nijdig en roemzuchtig zijn. Eindelijk, indien wy met d' ervarentheit zelve te raat willen gaan, wy zullen bevinden dat zy dit alles leert, voornamelijk zo wy op d' eerste jaren van onz leven zullen merken. Want wy bevinden dat de kinderen, om dat hun lighaam geduriglijk als in gelijk gewicht is, hier om alleen lachen, of huilen, om dat zy anderen zien lachen of huilen; en voorts, al 't geen, dat zy anderen zien doen, begeren zy terstont na te volgen, en willen eindelijk voor zich al 't geen, met het welk, gelijk zy zich inbeelden, anderen zich verheugen: namelijk, om dat de beelden der dingen, gelijk wy gezegt hebben, d' aandoeningen van 't lighaam zelven zijn, of de wijzen, door de welken het menschelijk lighaam van d' uitwendige oorzaken word aangedaan, en geschikt tot dit, of dat te doen.

If we conceive that anyone takes delight in something, which only one person can possess, we shall endeavour to bring it about that the man in question shall not gain possession thereof.

Proof.--From the mere fact of our conceiving that another person takes delight in a thing (III. xxvii. and Coroll.) we shall ourselves love that thing and desire to take delight therein. But we assumed that the pleasure in question would be prevented by another's delight in its object; we shall, therefore, endeavour to prevent his possession thereof (III. xxviii.). Q.E.D.

Note.--We thus see that man's nature is generally so constituted, that he takes pity on those who fare ill, and envies those who fare well with an amount of hatred proportioned to his own love for the goods in their possession. Further, we see that from the same property of human nature, whence it follows that men are merciful, it follows also that they are envious and ambitious. Lastly, if we make appeal to Experience, we shall find that she entirely confirms what we have said; more especially if we turn our attention to the first years of our life. We find that children, whose body is continually, as it were, in equilibrium, laugh or cry simply because they see others laughing or crying; moreover, they desire forthwith to imitate whatever they see others doing, and to possess themselves of whatever they conceive as delighting others: inasmuch as the images of things are, as we have said, modifications of the human body, or modes wherein the human body is affected and disposed by external causes to act in this or that manner.

3P33
Cum rem nobis similem amamus, conamur quantum possumus efficere ut nos contra amet.
DEMONSTRATIO: Rem quam amamus præ reliquis quantum possumus imaginari conamur (per propositionem 12 hujus). Si igitur res nobis sit similis, ipsam præ reliquis lætitia afficere conabimur (per propositionem 29 hujus) sive conabimur quantum possumus efficere ut res amata lætitia afficiatur concomitante idea nostri hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) ut nos contra amet. Q.E.D.
Als wy een zaak, ons gelijk, beminnen, zo pogen wy, zo veel als ons mogelijk is, te maken dat zy ons ook bemint.

Betoging.--Wy pogen ons de zaak, die wy beminnen, zo veel, als ons mogelijk is, boven d' anderen in te beelden; volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) Indien dan de zaak ons gelijk is, zo zullen wy (volgens de negenëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen haar met blijschap boven d' anderen aan te doen; of wy zullen, zo veel als ons mogelijk is, pogen te weeg te brengen dat de beminde zaak, van blijschap, in 't byzijn van onz denkbeelt, aangedaan word; dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) dat zy ons weêr bemint; gelijk te betogen stond.
When we love a thing similar to ourselves we endeavour, as far as we can, to bring about that it should love us in return.

Proof.--That which we love we endeavour, as far as we can, to conceive in preference to anything else (III. xii.). If the thing be similar to ourselves, we shall endeavour to affect it pleasurably in preference to anything else (III. xxix.). In other words, we shall endeavour, as far as we can, to bring it about, that the thing should be affected with pleasure accompanied by the idea of ourselves, that is (III. xiii. note), that it should love us in return. Q.E.D.
3P34
Quo majore affectu rem amatam erga nos affectam esse imaginamur, eo magis gloriabimur.
DEMONSTRATIO: Nos (per propositionem præcedentem) conamur quantum possumus ut res amata nos contra amet hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) ut res amata lætitia afficiatur concomitante idea nostri. Quo itaque rem amatam majore lætitia nostra de causa affectam esse imaginamur, eo magis hic conatus juvatur hoc est (per propositionem 11 hujus cum ejus scholio) eo majore lætitia afficimur. At cum ex eo lætemur quod alium nobis similem lætitia affecimus, tum nosmet cum lætitia contemplamur (per propositionem 30 hujus) : ergo quo majore affectu rem amatam erga nos affectam esse imaginamur, eo majore lætitia nosmet contemplabimur sive (per scholium propositionis 30 hujus) eo magis gloriabimur. Q.E.D.
Hoe wy ons inbeelden dat de beminde zaak met groter hartstocht tot ons aangedaan is, hoe wy meer daar op zullen roemen.

Betoging.--Wy pogen (volgens de voorgaande Voorstelling) zo veel als ons mogelijk is, dat de beminde zaak ons weêr bemint; dat is (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) dat de beminde zaak van blijschap, in 't by zijn van onz denkbeelt, aangedaan word. Hoe wy ons dan inbeelden dat de beminde zaak om onzent wil met groter blijschap aangedaan is, hoe deze poging ook meer geholpen en bevordert word; dat is (volgens d' elfde Voorstelling in dit deel, met der zelfder Byvoegsel) hoe wy met groter blijschap aangedaan worden. Maar, gelijk wy ons hier over verblijden, dat wy een ander, ons gelijk, met blijschap aandoen, zo aanschouwen wy ons zelven met blijschap; volgens de dartigste Voorstelling van dit deel. Dieshalven, hoe wy ons inbeelden dat de beminde zaak met groter hartstocht tot ons aangedaan is, hoe wy ons zelven met groter blijschap zullen aanschouwen; of (volgens het Byvoegsel van de dartigste Voorstelling in dit deel) hoe wy meer zullen roemen; 't welk te betogen stond.
The greater the emotion with which we conceive a loved object to be affected towards us, the greater will be our complacency.

Proof.--We endeavour (III. xxxiii.), as far as we can, to bring about, that what we love should love us in return: in other words, that what we love should be affected with pleasure accompanied by the idea of ourself as cause. Therefore, in proportion as the loved object is more pleasurably affected because of us, our endeavour will be assisted.--that is (III. xi. and note) the greater will be our pleasure. But when we take pleasure in the fact, that we pleasurably affect something similar to ourselves, we regard ourselves with pleasure (III. 30); therefore the greater the emotion with which we conceive a loved object to be affected, &c. Q.E.D.
3P35
Si quis imaginatur rem amatam eodem vel arctiore vinculo amicitiæ quo ipse eadem solus potiebatur, alium sibi jungere, odio erga ipsam rem amatam afficietur et illi alteri invidebit.
DEMONSTRATIO: Quo quis majore amore rem amatam erga se affectam esse imaginatur, eo magis gloriabitur (per præcedentem propositionem) hoc est (per scholium propositionis 30 hujus) lætabitur adeoque (per propositionem 28 hujus) conabitur quantum potest imaginari rem amatam ipsi quam arctissime devinctam, qui quidem conatus sive appetitus fomentatur si alium idem sibi cupere imaginatur (per propositionem 31 hujus). At hic conatus sive appetitus ab ipsius rei amatæ imagine, concomitante imagine illius quem res amata sibi jungit, coerceri supponitur; ergo (per scholium propositionis 11 hujus) eo ipso tristitia afficietur concomitante idea rei amatæ tanquam causa et simul imagine alterius hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) odio erga rem amatam afficietur et simul erga illum alterum (per corollarium propositionis 15 hujus) cui propterea (per propositionem 23 hujus) quod re amata delectatur, invidebit. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hoc odium erga rem amatam invidiæ junctum zelotypia vocatur, quæ proinde nihil aliud est quam animi fluctuatio orta ex amore et odio simul concomitante idea alterius cui invidetur. Præterea hoc odium erga rem amatam majus erit pro ratione lætitiæ qua zelotypus ex reciproco rei amatæ amore solebat affici et etiam pro ratione affectus quo erga illum quem sibi rem amatam jungere imaginatur, affectus erat. Nam si eum oderat, eo ipso rem amatam (per propositionem 24 hujus) odio habebit quia ipsam id quod ipse odio habet, lætitia afficere imaginatur et etiam (per corollarium propositionis 15 hujus) ex eo quod rei amatæ imaginem imagini ejus quem odit, jungere cogitur, quæ ratio plerumque locum habet in amore erga fæminam; qui enim imaginatur mulierem quam amat alteri sese prostituere, non solum ex eo quod ipsius appetitus coercetur, contristabitur sed etiam quia rei amatæ imaginem pudendis et excrementis alterius jungere cogitur, eandem aversatur; ad quod denique accedit quod zelotypus non eodem vultu quem res amata ei præbere solebat, ab eadem excipiatur, qua etiam de causa amans contristatur, ut jam ostendam.

Indien iemant zich inbeeld dat de beminde zaak met de zelfde, of een enger bant van vrientschap, daar meê hy de zelfde alleen genoot, een ander aan zich voegt, zo zal hy met haat tot de beminde zaak zelve aangedaan worden, en haar aan die ander benijden.

Betoging.--Hoe iemant zich inbeeld dat de beminde zaak met groter liefde tot hem aangedaan is, hoe hy meer zal roemen; (volgens de voorgaande Voorstelling) dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartigste Voorstelling in dit deel) zich verblijden. En dieshalven zal hy (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling in dit deel) pogen zo veel, als hem mogelijk is, zich in te beelden dat de beminde zaak op het engste aan hem is verbonden; welke poging, of lust noch aan- gequeekt word, zo hy zich inbeeld dat een ander het zelfde voor hem begeert; volgens d' eenëndartigste Voorstelling van dit deel. Maar men onderstelt dat deze poging, of lust door het beelt van de beminde zaak zelve, verzelt van het beelt van de geen, de welk van de beminde zaak word aangehaalt, ingetoomt word. Dieshalven zal hy (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) daar door zelf met droefheit, die met het denkbeelt van de beminde zaak, als der zelfder oorzaak, verzelt is, en te gelijk met het beelt van die ander aangedaan worden; dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) hy zal met haat tot de beminde zaak aangedaan worden, en te gelijk ook tot die ander, (volgens de Toegift van de vijftiende Voorstelling in dit deel) die hy (volgens de drieëntwintigste Voorstelling in dit deel) daaröm zal benijden, om dat hy door de beminde zaak vermaakt word; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze haat tot de beminde zaak, aan de nijt gevoegt, word yverzucht, of jeloersheit genoemt, de welke dieshalven niets anders is, dan een vlotheit des gemoeds, te gelijk uit liefde en haat gesproten, met het denkbeelt van een ander verzelt, die benijd word. Wijders, deze haat tot de beminde zaak zal groter zijn, naar maat van de blijschap, daar meê d' yverzuchtige, uit de weêrkeerige liefde van de beminde zaak, gemenelijk aangedaan word, en ook naar maat van de hartstocht, met de welk hy tot de geen aangedaan was, die, naar zijn inbeelding, van de beminde zaak aangehaalt. Want indien hy hem haat, zo zal hy daar door ook (volgens de vierëntwintigste Voorstelling in dit deel) de beminde zaak haten, om dat hy zich inbeeld dat het geen, 't welk hy haat, haar met blijschap aandoet; en ook (volgens de Toegift van de vijftiende Voorstelling in dit decl) hierom, dat hy gedwongen is het beelt van de beminde zaak by het beelt van de geen, die hy haat, te voegen. Deze zaak zal deurgaans plaats hebben in de liefde tot een vrou: want de geen, die zich inbeeld dat de vrou, die hy bemint, zich aan een ander overgeeft, zal niet alleenlijk, om dat zijn lust ingetoomt word, bedroeft worden, maar ook een afkeer van haar krijgen, om dat hy genootzaakt is het beelt van de beminde zaak aan het schaamtelijke en aan d' uitwerpselen van een ander te voegen: daar noch eindelijk bijkoomt dat d'yverzuchtige niet van de beminde zaak met het zelfde gelaat, 't welk zy gewonelijk aan hem toonde, word ontfangen: om welke oorzaak de minnaar ook bedroeft word, gelijk ik nu zal tonen.

If anyone conceives, that an object of his love joins itself to another with closer bonds of friendship than he himself has attained to, he will be affected with hatred towards the loved object and with envy towards his rival.

Proof.--In proportion as a man thinks, that a loved object is well affected towards him, will be the strength of his self--approval (by the last Prop.), that is (III. xxx. note), of his pleasure; he will, therefore (III. xxviii.), endeavour, as far as he can, to imagine the loved object as most closely bound to him: this endeavour or desire will be increased, if he thinks that someone else has a similar desire (III. xxxi.). But this endeavour or desire is assumed to be checked by the image of the loved object in conjunction with the image of him whom the loved object has joined to itself; therefore (III. xi. note) he will for that reason be affected with pain, accompanied by the idea of the loved object as a cause in conjunction with the image of his rival; that is, he will be (III. xiii.) affected with hatred towards the loved object and also towards his rival (III. xv. Coroll.), which latter he will envy as enjoying the beloved object. Q.E.D.

Note.--This hatred towards an object of love joined with envy is called Jealousy, which accordingly is nothing else but a wavering of the disposition arising from combined love and hatred, accompanied by the idea of some rival who is envied. Further, this hatred towards the object of love will be greater, in proportion to the pleasure which the jealous man had been wont to derive from the reciprocated love of the said object; and also in proportion to the feelings he had previously entertained towards his rival. If he had hated him, he will forthwith hate the object of his love, because he conceives it is pleasurably affected by one whom he himself hates: and also because he is compelled to associate the image of his loved one with the image of him whom he hates. This condition generally comes into play in the case of love for a woman: for he who thinks, that a woman whom he loves prostitutes herself to another, will feel pain, not only because his own desire is restrained, but also because, being compelled to associate the image of her he loves with the parts of shame and the excreta of another, he therefore shrinks from her.

We must add, that a jealous man is not greeted by his beloved with the same joyful countenance as before, and this also gives him pain as a lover, as I will now show.

3P36
Qui rei qua semel delectatus est, recordatur, cupit eadem cum iisdem potiri circumstantiis ac cum primo ipsa delectatus est.
DEMONSTRATIO: Quicquid homo simul cum re quæ ipsum delectavit, vidit, id omne (per propositionem 15 hujus) erit per accidens lætitiæ causa adeoque (per propositionem 28 hujus) omni eo simul cum re quæ ipsum delectavit, potiri cupiet sive re cum omnibus iisdem circumstantiis potiri cupiet ac cum primo eadem delectatus est. Q.E.D.

COROLLARIUM: Si itaque unam ex iis circumstantiis deficere compererit, amans contristabitur.

DEMONSTRATIO: Nam quatenus aliquam circumstantiam deficere comperit eatenus aliquid imaginatur quod ejus rei existentiam secludit. Cum autem ejus rei sive circumstantiæ (per propositionem præcedentem) sit præ amore cupidus, ergo (per propositionem 19 hujus) quatenus eandem deficere imaginatur, contristabitur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc tristitia quatenus absentiam ejus quod amamus, respicit, desiderium vocatur.

De geen, die aan de zaak gedenkt, de welke hem eens vreucht aangebracht heeft, begeert de zelfde omstandigheden, met de welken hy zich te voren daar meê verheugt heeft, te genieten.

Betoging.--Al 't geen, dat de mensch gezamentlijk met de zaak, die hem heeft verheugt, gezien heeft, zal (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) by toeval oorzaak van blijschap wezen; en dieshalven zal hy (volgens d'achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) begeren dit alles, gezamentlijk met de zaak, die hem verheugt heeft, te genieten, of hy zal begeren de zaak in alle haar omstandigheden te genieten, gelijk hy te voren zich daar meê verheugt heeft; 't welk te betogen stond.

Toegift.--Indien men dan bevind dat 'er een van deze omstandigheden ontbreekt, zo zal de minnaar droevig worden. Want voor zo veel als hy bevind dat 'er enige omstandigheit ontbreekt, voor zo veel beeld hy zich iets in, dat de wezentlijkheit van die zaak uitsluit. Maar dewijl hy, uit oorzaak van de liefde, (volgens de voorgaande Voorstelling) begerig naar die zaak, of naar die omstandigheit is, zo zal hy (volgens de negentiende Voorstelling van dit deel) bedroeft worden, voor zo veel hy zich inbeeld dat 'er de zelfde ontbreekt; 't welk te betogen was.

Byvoegsel.--Deze droefheit, voor zo veel zy op 't afwezen van 't geen ziet, dat wy beminnen, word verlangen genoemt.

He who remembers a thing, in which he has once taken delight, desires to possess it under the same circumstances as when he first took delight therein.

Proof.--Everything, which a man has seen in conjunction with the object of his love, will be to him accidentally a cause of pleasure (III. xv.); he will, therefore, desire to possess it, in conjunction with that wherein he has taken delight; in other words, he will desire to possess the object of his love under the same circumstances as when he first took delight therein. Q.E.D.

Corollary.--A lover will, therefore, feel pain if one of the aforesaid attendant circumstances be missing.

Proof.--For, in so far as he finds some circumstance to be missing, he conceives something which excludes its existence. As he is assumed to be desirous for love's sake of that thing or circumstance (by the last Prop.), he will, in so far as he conceives it to be missing, feel pain (III. xix.). Q.E.D.

Note.--This pain, in so far as it has reference to the absence of the object of love, is called Regret.

3P37
Cupiditas quæ præ tristitia vel lætitia præque odio vel amore oritur, eo est major quo affectus major est.
DEMONSTRATIO: Tristitia hominis agendi potentiam (per scholium propositionis 11 hujus) minuit vel coercet hoc est (per propositionem 7 hujus) conatum quo homo in suo esse perseverare conatur, minuit vel coercet adeoque (per propositionem 5 hujus) huic conatui est contraria et quicquid homo tristitia affectus conatur, est tristitiam amovere. At (per tristitiæ definitionem) quo tristitia major est, eo majori parti hominis agendi potentiæ necesse est opponi; ergo quo major tristitia est, eo majore agendi potentia conabitur homo contra tristitiam amovere hoc est (per scholium propositionis 9 hujus) eo majore cupiditate sive appetitu conabitur tristitiam amovere. Deinde quoniam lætitia (per idem scholium propositionis 11 hujus) hominis agendi potentiam auget vel juvat, facile eadem via demonstratur quod homo lætitia affectus nihil aliud cupit quam eandem conservare idque eo majore cupiditate quo lætitia major erit. Denique quoniam odium et amor sunt ipsi tristitiæ vel lætitiæ affectus, sequitur eodem modo quod conatus, appetitus sive cupiditas quæ præ odio vel amore oritur, major erit pro ratione odii et amoris. Q.E.D.
De begeerte, die uit de droefheit of blijschap, en uit de haat of liefde spruit, is zo veel te groter, als de hartstocht groter is.

Betoging.--De droefheit vermindert, of beteugelt des menschen macht van te doen; (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) dat is, (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) vermindert of beteugelt de poging, door de welke de mensch poogt in zijn wezen te blijven, en is dieshalven (volgens de vijfde Voorstel- ling van dit deel) strijdig tegen deze poging; en al 't geen, dat de mensch poogt, die met droef heit aangedaan word, is droefheit af te weren. Maar (volgens de Bepaling van de droefheit) hoe de droefheit groter is, hoe zy ook nootzakelijk een groter deel van des menschen macht van te doen tegenstaat. Dieshalven, hoe de droefheit groter is, hoe de mensch ook met groter macht van te doen zal pogen de droefheit te verdrijven: dat is (volgens het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) hy zal met te groter begeerte en lust de droefheit pogen te verdrijven. Wijders, dewijl de blijschap (volgens het zelfde Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) des menschen macht van te doen vermeerdert, of bevordert, zo kan door de zelfde middel lichtelijk betoogt worden, dat de mensch, met blijschap aangedaan, niets anders begeert, dan de zelfde te behouden, en dit met zo veel te groter begeerte, als de blijschap groter zal wezen. Eindelijk, dewijl de haat en liefde zelven hartstochten van droefheit en blijschap zijn, zo volgt op gelijke wijze dat de poging, lust, of begeerte, die uit oorzaak van de haat, of liefde te voorschijn koomt, groter zal zijn naar de maat van de haat en liefde; 't welk te betogen stond.
Desire arising through pain or pleasure, hatred or love, is greater in proportion as the emotion is greater.

Proof.--Pain diminishes or constrains a man's power of activity (III. xi. note), in other words (III. vii.), diminishes or constrains the effort, wherewith he endeavours to persist in his own being; therefore (III. v.) it is contrary to the said endeavour: thus all the endeavours of a man affected by pain are directed to removing that pain. But (by the definition of pain), in proportion as the pain is greater, so also is it necessarily opposed to a greater part of man's power of activity; therefore the greater the pain, the greater the power of activity employed to remove it; that is, the greater will be the desire or appetite in endeavouring to remove it. Again, since pleasure (III. xi. note) increases or aids a man's power of activity, it may easily be shown in like manner, that a man affected by pleasure has no desire further than to preserve it, and his desire will be in proportion to the magnitude of the pleasure.

Lastly, since hatred and love are themselves emotions of pain and pleasure, it follows in like manner that the endeavour, appetite, or desire, which arises through hatred or love, will be greater in proportion to the hatred or love. Q.E.D.

3P38
Si quis rem amatam odio habere inceperit ita ut amor plane aboleatur, eandem majore odio ex pari causa prosequetur quam si ipsam nunquam amavisset et eo majore quo amor antea major fuerat.
DEMONSTRATIO: Nam si quis rem quam amat, odio habere incipit, plures ejus appetitus coercentur quam si eandem non amavisset. Amor namque lætitia est (per scholium propositionis 13 hujus) quam homo quantum potest (per propositionem 28 hujus) conservare conatur idque (per idem scholium) rem amatam ut præsentem contemplando eandemque (per propositionem 21 hujus) lætitia quantum potest afficiendo, qui quidem conatus (per propositionem præcedentem) eo est major quo amor major est ut et conatus efficiendi ut res amata ipsum contra amet (vide propositionem 33 hujus). At hi conatus odio erga rem amatam coercentur (per corollarium propositionis 13 et per propositionem 23 hujus); ergo amans (per scholium propositionis 11 hujus) hac etiam de causa tristitia afficietur et eo majore quo amor major fuerat hoc est præter tristitiam quæ odii fuit causa, alia ex eo oritur quod rem amavit et consequenter majore tristitiæ affectu rem amatam contemplabitur hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) majore odio prosequetur quam si eandem non amavisset et eo majore quo amor major fuerat. Q.E.D.
Indien iemant de beminde zaak in dier voegen heeft beginnen te haten, dat de liefde gantschelijk uitgewischt word, zo zal hy de zelfde met groter haat, uit gelijke oorzaak gesproten, vervolgen, dan of hy haar nooit bemint had, en met zo veel te groter haat, als de liefde te voren groter heeft geweest.

Betoging.--Want indien iemant de zaak, die hy bemint, begint te haten, zo zullen meer van zijn lusten ingetoomt worden, dan of hy de zelfde nooit bemint had. Want de liefde is een blijschap, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) die de mensch, zo veel als hem mogelijk is, (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) poogt te behouden; en dit (volgens het zelfde Byvoegsel) met de beminde zaak als tegenwoordig t'aanschouwen, en de zelfde (volgens d' eenëntwintigste Voorstelling in dit deel) met blijschap, zo veel als hem mogelijk is, aan te doen; welke poging (volgens de voorgaande Voorstelling) zo veel te groter is, als de liefde ook groter is, gelijk ook de poging van te weech te brengen dat de beminde zaak daarëntegen hem ook bemint. (Bezie de drieëndartigste Voorstelling van dit deel.) Maar deze pogingen worden met haat tot de beminde zaak geparst; volgens de Toegift van de drieendartigste Voorstelling in dit deal: dieshalven zal de minnaar (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) ook om deze oorzaak met droefheit aangedaan worden, en met zo veel te groter droefheit, als de liefde groter heeft geweest: dat is, behalven de droefheit, die d' oorzaak van de haat heeft geweest, spruit noch een andere, te weten hier uit, dat hy de zaak bemint heeft; en by gevolg zal hy met groter hartstocht van droefheit de beminde zaak aanschouwen, dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) met groter haat vervolgen, dan of hy haar niet bemint had, en met zo veel te groter haat, als de liefde groter heeft geweest; 't welk te betogen stond.
If a man has begun to hate an object of his love, so that love is thoroughly destroyed, he will, causes being equal, regard it with more hatred than if he had never loved it, and his hatred will be in proportion to the strength of his former love.

Proof.--If a man begins to hate that which he had loved, more of his appetites are put under restraint than if he had never loved it. For love is a pleasure (III. xiii. note) which a man endeavours as far as he can to render permanent (III. xxviii.); he does so by regarding the object of his love as present, and by affecting it as far as he can pleasurably; this endeavour is greater in proportion as the love is greater, and so also is the endeavour to bring about that the beloved should return his affection (III. xxxiii.). Now these endeavours are constrained by hatred towards the object of love (III. xiii. Coroll. and III. xxiii.); wherefore the lover (III. xi. note) will for this cause also be affected with pain, the more so in proportion as his love has been greater; that is, in addition to the pain caused by hatred, there is a pain caused by the fact that he has loved the object; wherefore the lover will regard the beloved with greater pain, or in other words, will hate it more than if he had never loved it, and with the more intensity in proportion as his former love was greater. Q.E.D.
3P39
Qui aliquem odio habet, ei malum inferre conabitur nisi ex eo majus sibi malum oriri timeat et contra qui aliquem amat, ei eadem lege benefacere conabitur.
DEMONSTRATIO: Aliquem odio habere est (per scholium propositionis 13 hujus) aliquem ut tristitiæ causam imaginari adeoque (per propositionem 28 hujus) is qui aliquem odio habet, eundem amovere vel destruere conabitur. Sed si inde aliquid tristius sive (quod idem est) majus malum sibi timeat idque se vitare posse credit non inferendo ei quem odit malum quod meditabatur, a malo inferendo (per eandem propositionem 28 hujus) abstinere cupiet idque (per propositionem 37 hujus) majore conatu quam quo tenebatur inferendi malum, qui propterea prævalebit, ut volebamus. Secundæ partis demonstratio eodem modo procedit. Ergo qui aliquem odio habet etc. Q.E.D.

SCHOLIUM: Per bonum hic intelligo omne genus lætitiæ et quicquid porro ad eandem conducit et præcipue id quod desiderio qualecunque illud sit, satisfacit. Per malum autem omne tristitiæ genus et præcipue id quod desiderium frustratur. Supra enim (in scholio propositionis 9 hujus) ostendimus nos nihil cupere quia id bonum esse judicamus sed contra id bonum vocamus quod cupimus et consequenter id quod aversamur malum appellamus; quare unusquisque ex suo affectu judicat seu æstimat quid bonum, quid malum, quid melius, quid pejus et quid denique optimum quidve pessimum sit. Sic avarus argenti copiam optimum, ejus autem inopiam pessimum judicat. Ambitiosus autem nihil æque ac gloriam cupit et contra nihil æque ac pudorem reformidat. Invido deinde nihil jucundius quam alterius infelicitas et nihil molestius quam aliena felicitas ac sic unusquisque ex suo affectu rem aliquam bonam aut malam, utilem aut inutilem esse judicat. Cæterum hic affectus quo homo ita disponitur ut id quod vult nolit vel ut id quod non vult velit, timor vocatur, qui proinde nihil aliud est quam metus quatenus homo ab eodem disponitur ad malum quod futurum judicat, minore vitandum (vide propositionem 28 hujus). Sed si malum quod timet pudor sit, tum timor appellatur verecundia. Denique si cupiditas malum futurum vitandi coercetur timore alterius mali ita ut quid potius velit, nesciat, tum metus vocatur consternatio præcipue si utrumque malum quod timetur ex maximis sit.

De geen, die iemant haat, zal pogen hem quaat aan te doen, 't en zy hy vreest dat daar uit groter quaat voor hem zal voortkomen: in tegendeel, de geen, die iemant bemint, zal, op de zelfde wijze pogen hem wel te doen.

Iemant te haten, is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) zich iemant als d' oorzaak van zijn droefheit in te beelden. Dieshalven, (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) de geen, die iemant haat, zal pogen hem te verdrijven, of te vernietigen. Maar indien hy daar uit iets droeviger, of ('t welk het zelfde is) enig groter quaat voor zich vreest, en gelooft dat hy dit kan ontgaan met den geen, die hy haat, met dat quaat, 't welk hy overwoog, aan te doen, zo zal hy begeten zich t' onthouden van hem quaat aan te doen, (volgens de zelfde achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) en dit (volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) met groter poging dan de gene, daar door hy gehouden was hem quaat aan te doen; welke poging dieshalven, gelijk wy wilden, d' overhant zal verkrijgen. De Betoging van het tweede deel gaat op gelijke wijze voort.

Byvoegsel.--By goet versta ik hier allerhande blijschap; en wijders het geen, dat tot de zelfde dienstig is, en voornamelijk dit, 't welk het verlangen, hoedanig het ook is, voldoet; en by quaat alderhande droefheit, en voornamelijk deze, die ons van onz verlangen berooft. Want hier voor (in het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) hebben wy getoont, dat wy niets begeren om dat wy het goet oordeelen te zijn: maar in tegendeel, wy noemen het goet, om dat wy het begeren, en by gevolg dit quaat, van 't welk wy een afkeer hebben. Dieshalven, yder oordeelt, ofschat naar zijn hartstocht en drift wat goet, wat quaat, wat beter, wat erger, en eindelijk wat best en ergst is. Dus oordeelt een gierigaart, dat d' overvloet van gelt best, en 't gebrek daar af, ergst is. Maar d' eerzuchtige begeert niets zo zeer, als de roem, en in tegendeel ontziet niets zo zeer als de schande. Wijders, den nijdige is niets aangenamer, dan eens anders ongeluk, en niets lastiger, dan eens anders geluk; en dus oordeelt yder, naar zijn hartstocht, dat enig ding goet of quaat, nut of onnut is. Voorts, deze hartstocht, door de welke de mensch dus geschikt word, dat hy dit, 't welk hy wil, niet wil, of dat hy dit wil, 't welk hy niet wil, word schroomte genoemt, die dieshalven niets anders is, dan vrees, voor zo veel de mensch van de zelfde geschikt word tot het quaat, dat hy toekomende oordeelt, door een minder quaat te schouwen. (bezie d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) Maar indien het quaat, 't welk hy schroomt, schaamte is, zo word de schroomte beschaamtheit genoemt. Eindelijk, indien de begeerte van het toekomende quaat te schuwen door de schroom van eens anders quaat in dier voegen ingetoomt word, dat hy niet weet wat hy liever wil, zo word de vrees verbaastheit genoemt, voornamelijk zo de beide quaden, daar voor men schroomt, van de grootsten zijn.

He who hates anyone will endeavour to do him an injury, unless he fears that a greater injury will thereby accrue to himself; on the other hand, he who loves anyone will, by the same law, seek to benefit him.

Proof.--To hate a man is (III. xiii. note) to conceive him as a cause of pain; therefore he who hates a man will endeavour to remove or destroy him. But if anything more painful, or, in other words, a greater evil, should accrue to the hater thereby--and if the hater thinks he can avoid such evil by not carrying out the injury, which he planned against the object of his hate--he will desire to abstain from inflicting that injury (III. xxviii.), and the strength of his endeavour (III. xxxvii.) will be greater than his former endeavour to do injury, and will therefore prevail over it, as we asserted. The second part of this proof proceeds in the same manner. Wherefore he who hates another, etc. Q.E.D.

Note.--By good I here mean every kind of pleasure, and all that conduces thereto, especially that which satisfies our longings, whatsoever they may be. By evil, I mean every kind of pain, especially that which frustrates our longings. For I have shown (III. ix. note) that we in no case desire a thing because we deem it good, but, contrariwise, we deem a thing good because we desire it: consequently we deem evil that which we shrink from; everyone, therefore, according to his particular emotions, judges or estimates what is good, what is bad, what is better, what is worse, lastly, what is best, and what is worst. Thus a miser thinks that abundance of money is the best, and want of money the worst; an ambitious man desires nothing so much as glory, and fears nothing so much as shame. To an envious man nothing is more delightful than another's misfortune, and nothing more painful than another's success. So every man, according to his emotions, judges a thing to be good or bad, useful or useless. The emotion, which induces a man to turn from that which he wishes, or to wish for that which he turns from, is called timidity, which may accordingly be defined as the fear whereby a man is induced to avoid an evil which he regards as future by encountering a lesser evil (III. xxviii.). But if the evil which he fears be shame, timidity becomes bashfulness. Lastly, if the desire to avoid a future evil be checked by the fear of another evil, so that the man knows not which to choose, fear becomes consternation, especially if both the evils feared be very great.

3P40
Qui se odio haberi ab aliquo imaginatur nec se ullam odii causam illi dedisse credit, eundem odio contra habebit.
DEMONSTRATIO: Qui aliquem odio affectum imaginatur, eo ipso etiam odio afficietur (per propositionem 27 hujus) hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) tristitia concomitante idea causæ externæ. At ipse (per hypothesin) nullam hujus tristitiæ causam imaginatur præter illum qui ipsum odio habet; ergo ex hoc quod se odio haberi ab aliquo imaginatur, tristitia afficietur concomitante idea ejus qui ipsum odio habet sive (per idem scholium) eundem odio habebit. Q.E.D.

SCHOLIUM: Quod si se justam odii causam præbuisse imaginatur, tum (per propositionem 30 hujus et ejusdem scholium) pudore afficietur. Sed hoc (per propositionem 25 hujus) raro contingit. Præterea hæc odii reciprocatio oriri etiam potest ex eo quod odium sequatur conatus malum inferendi ei qui odio habetur (per propositionem 39 hujus). Qui igitur se odio haberi ab aliquo imaginatur, eundem alicujus mali sive tristitiæ causam imaginabitur atque adeo tristitia afficietur seu metu concomitante idea ejus qui ipsum odio habet tanquam causa hoc est odio contra afficietur ut supra.

COROLLARIUM I: Qui quem amat odio erga se affectum imaginatur, odio et amore simul conflictabitur. Nam quatenus imaginatur ab eodem se odio haberi, determinatur (per propositionem præcedentem) ad eundem contra odio habendum. At (per hypothesin) ipsum nihilominus amat : ergo odio et amore simul conflictabitur.

COROLLARIUM II: Si aliquis imaginatur ab aliquo quem antea nullo affectu prosecutus est, malum aliquod præ odio sibi illatum esse, statim idem malum eidem referre conabitur.

DEMONSTRATIO: Qui aliquem odio erga se affectum esse imaginatur, eum contra (per præcedentem propositionem) odio habebit et (per propositionem 26 hujus) id omne comminisci conabitur quod eundem possit tristitia afficere atque id eidem (per propositionem 39 hujus) inferre studebit. At (per hypothesin) primum quod hujusmodi imaginatur, est malum sibi illatum; ergo idem statim eidem inferre conabitur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Conatus malum inferendi ei quem odimus ira vocatur; conatus autem malum nobis illatum referendi vindicta appellatur.

De geen, die zich inbeeld dat iemant hem haat, en gelooft dat hy geen oorzaak van te haten aan hem heeft gegeven, zal de zelfde ook haten.

Betoging.--De geen, die zich inbeeld dat iemant met haat aangedaan is, zal ook met de zelfde haat aangedaan worden; (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) met droefheit, die met het denkbeelt van d' uitwendige oorzaak verzelt is. Maar hy (by onderstelling) beeld zich geen oorzaak van deze droefheit in, als de geen, die hem haat: dieshalven hieröm, dat hy zich inbeeld dat iemant hem haat, zal hy met droefheit aangedaan worden, die met het denkbeek van de geen, die hem haat, verzelt is; of (volgens het zelfde Byvoegsel) hy zal de zelfde haten; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Maar indien hy zich inbeeld dat hy aan hem gerechtige oorzaak van haat gegeven heeft, zo zal hy (volgens de dartigste Voorstelling van dit deel, en der zelfder Byvoegsel) met schaamte aangedaan worden. Maar dit (volgens de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel) gebeurt zeer zelden. Wijders, deze wederkering van haat kan ook hier uit rijzen, dat de poging om den geen, die men haat, quaat aan te doen, op de haat volgt; volgens de negenëndartigste Voorstelling van dit deel. De geen dan, die zich inbeeld dat iemant hem haat, zal zich ook inbeelden dat de zelfde d' oorzaak van enig quaat, of droefheit is, en dieshalven met droefheit, of met vrees aangedaan worden, terwijl het denkbeelt van de geen, die hem haat, als d' oorzaak, daar by is, dat is, hy zal ook met haat aangedaan worden; gelijk te voren gezegt is.

Eerste Toegift.--De geen, die zich inbeeld dat de geen, die hy bemint, met haat tot hem aangedaan is, zal gezamentlijk van haat en liefde bestreden worden: want voor zo veel hy zich inbeeld dat de zelfde hem haat, zo word hy ook bepaalt (volgens de voorgaande Voorstelling) tot de zelfde te haten: maar (volgens d' Onderstelling) hy bemint hem echter: dieshalven zal hy gelijkelijk van haat en liefde bestreden worden.

Tweede Toegift.--Indien iemant zich inbeeld dat iemant, tot de welk hy te voren met geen hartstocht was ingenomen, hem, uit haat, enig quaat aangedaan heeft, Zo zal hy terstont pogen hem met gelijk quaat te vergelden.

Betoging.--De geen, die zich inbeeld dat iemant met haat tegen hem aangedaan is, zal (volgens de voorgaande Voorstelling) hem ook haten, en (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen dit alles uit te vinden, 't welk de zelfde met droefheit kan aandoen, en trachten dit aan de zelfde (volgens de negenëndartigste Voorstelling van dit deel) toe te brengen: maar (volgens d' onderstelling) 't eerste, 't welk de zodanige zich inbeeld, is het quaat, hem aangedaan: dieshalven zal hy terstont pogen het zelfde den zelfde aan te doen; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--De poging om den geen, die wy haten, quaat aan te doen, word gramschap genoemt: en de poging om het quaat, dat ons aangedaan is, te vergelden, word wraak geheten.

He, who conceives himself to be hated by another, and believes that he has given him no cause for hatred, will hate that other in return.

Proof.--He who conceives another as affected with hatred, will thereupon be affected himself with hatred (III. xxvii.), that is, with pain, accompanied by the idea of an external cause. But, by the hypothesis, he conceives no cause for this pain except him who is his enemy; therefore, from conceiving that he is hated by some one, he will be affected with pain, accompanied by the idea of his enemy; in other words, he will hate his enemy in return. Q.E.D.

Note.--He who thinks that he has given just cause for hatred will (III. xxx. and note) be affected with shame; but this case (III. xxv.) rarely happens. This reciprocation of hatred may also arise from the hatred, which follows an endeavour to injure the object of our hate (III. xxxix.). He therefore who conceives that he is hated by another will conceive his enemy as the cause of some evil or pain; thus he will be affected with pain or fear, accompanied by the idea of his enemy as cause; in other words, he will be affected with hatred towards his enemy, as I said above.

Corollary I.--He who conceives, that one whom he loves hates him, will be a prey to conflicting hatred and love. For, in so far as he conceives that he is an object of hatred, he is determined to hate his enemy in return. But, by the hypothesis, he nevertheless loves him: wherefore he will be a prey to conflicting hatred and love.

Corollary II.--If a man conceives that one, whom he has hitherto regarded without emotion, has done him any injury from motives of hatred, he will forthwith seek to repay the injury in kind.

Proof.--He who conceives, that another hates him, will (by the last proposition) hate his enemy in return, and (III. xxvi.) will endeavour to recall everything which can affect him painfully; he will moreover endeavour to do him an injury (III. xxxix.). Now the first thing of this sort which he conceives is the injury done to himself; he will, therefore, forthwith endeavour to repay it in kind. Q.E.D.

Note.--The endeavour to injure one whom we hate is called Anger; the endeavour to repay in kind injury done to ourselves is called Revenge.

3P41
Si quis ab aliquo se amari imaginatur nec se ullam ad id causam dedisse credit (quod per corollarium propositionis 15 et per propositionem 16 hujus fieri potest) eundem contra amabit.
DEMONSTRATIO: Hæc propositio eadem via demonstratur ac præcedens. Cujus etiam scholium vide.

SCHOLIUM: Quod si se justam amoris causam præbuisse crediderit, gloriabitur (per propositionem 30 hujus cum ejusdem scholio) quod quidem (per propositionem 25 hujus) frequentius contingit et cujus contrarium evenire diximus quando aliquis ab aliquo se odio haberi imaginatur (vide scholium propositionis præcedentis). Porro hic reciprocus amor et consequenter (per propositionem 39 hujus) conatus benefaciendi ei qui nos amat quique (per eandem propositionem 39 hujus) nobis benefacere conatur, gratia seu gratitudo vocatur atque adeo apparet homines longe paratiores esse ad vindictam quam ad referendum beneficium.

COROLLARIUM: Qui ab eo quem odio habet, se amari imaginatur, odio et amore simul conflictabitur. Quod eadem via qua primum propositionis præcedentis corollarium demonstratur.

SCHOLIUM: Quod si odium prævaluerit, ei a quo amatur malum inferre conabitur, qui quidem affectus crudelitas appellatur præcipue si illum qui amat nullam odii communem causam præbuisse creditur.

Indien iemant zich inbeeld dat iemant hem bemint, en niet gelooft dat hy enige oorzaak daar toe heeft gegeven, ('t welk, volgens de Toegift van de vijftiende Voorstelling, en volgens de zestiende Voorstelling van dit deel, kan geschieden) zo zal de zelfde hem weêr beminnen.

Dit word op de zelfde wijze betoogt, als de voorgaande Voorstelling, daar af men ook het Byvoegsel na te zien heeft.

Byvoegsel.--Maar indien hy gelooft dat hy gerechtige oorzaak van liefde heeft gegeven, zo zal hy zich beroemen; (volgens de dartigste Voorstelling van dit deel, met der zelfder Byvoegsel) 't welk (volgens de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel) dikwijls gebeurt, en dat, gelijk wy gezegt hebben, recht anders voorvalt, als iemant zich inbeeld dat iemant hem haat. Bezie het Byvoegsel van de voorgaande Voorstelling. Voorts, deze wederkerige liefde, en by gevolg (volgens de negenëndartigste Voorstelling van dit deel) de poging van wel te doen aan de geen, die ons bemint, en die (volgens de zelfde enegenendartigste Voorstelling van dit deel) aan ons poogt wel te doen, word dankbewijs, of dankbaarheit genoemt: en dieshalven blijkt dat de menschen veel vaerdiger zijn tot wraak, dan tot weldaat te vergelden.

Toegift.--De geen, die zich inbeeld dat hy van de geen bemint word, die hy haat, word gelijkelijk van haat en liefde bestreden; 't welk op de zelfde wijze getoont word, als d' eerste Toegift van de voorgaande Voorstelling.

Byvoegsel.--Indien de haat d' overhant verkrijgt, zo zal hy pogen den geen, die hem bemint, quaat aan te doen; en deze hartstocht word wreètheit genoemt, voornamelijk zo men gelooft dat de geen, die bemint, geen gemene oorzaak van haat heeft gegeven.

If anyone conceives that he is loved by another, and believes that he has given no cause for such love, he will love that other in return. (Cf. III. xv. Coroll., and III. xvi.)

Proof.--This proposition is proved in the same way as the preceding one. See also the note appended thereto.

Note.--If he believes that he has given just cause for the love, he will take pride therein (III. xxx. and note); this is what most often happens (III. xxv.), and we said that its contrary took place whenever a man conceives himself to be hated by another. (See note to preceding proposition.) This reciprocal love, and consequently the desire of benefiting him who loves us (III. xxxix.), and who endeavours to benefit us, is called gratitude or thankfulness. It thus appears that men are much more prone to take vengeance than to return benefits.

Corollary.--He who imagines that he is loved by one whom he hates, will be a prey to conflicting hatred and love. This is proved in the same way as the first corollary of the preceding proposition.

Note.--If hatred be the prevailing emotion, he will endeavour to injure him who loves him; this emotion is called cruelty, especially if the victim be believed to have given no ordinary cause for hatred.

3P42
Qui in aliquem amore aut spe gloriæ motus beneficium contulit, contristabitur si viderit beneficium ingrato animo accipi.
DEMONSTRATIO: Qui rem aliquam sibi similem amat, conatur quantum potest efficere ut ab ipsa contra ametur (per propositionem 33 hujus). Qui igitur præ amore in aliquem beneficium contulit, id facit desiderio quo tenetur ut contra ametur hoc est (per propositionem 34 hujus) spe gloriæ sive (per scholium propositionis 30 hujus) lætitiæ adeoque (per propositionem 12 hujus) hanc gloriæ causam quantum potest imaginari sive ut actu existentem contemplari conabitur. At (per hypothesin) aliud imaginatur quod ejusdem causæ existentiam secludit : ergo (per propositionem 19 hujus) eo ipso contristabitur. Q.E.D.
De geen, die, door liefde, of door hoop van roem bewogen, aan iemant weldaat heeft gedaan, zal bedroeft worden, zo hy ziet dat de weldaat met een ondankbaar gemoed ontfangen word.

Betoging.--De geen, die enig ding, hem gelijk, bemint, poogt, zo veel als hem mogelijk is, dat het zelfde hem weêr bemint; volgens de drieëndartigste Voorstelling van dit deel. De geen dan, die, uit oorzaak van liefde, aan iemant weldaat bewijst, doet zulks uit verlangen 't welk hy heeft van weêr bemint te worden; dat is (volgens de vierëndartigste Voorstelling van dit deel) door hoop van roem, of (volgens het Byvoegsel van de dartigste Voorstelling van dit deel) van blijschap; en dieshalven (volgens de twaalfde Voorstelling in dit deel) zal hy pogen deze oorzaak van roem, zo veel als hy kan, zich in te beelden, of, als dadelijk wezentlijk zijnde, t' aanschouwen: maar (volgens d' onderstelling) hy beeld zich iets anders in; 't welk de wezentlijkheit van de zelfde zaak uitsluit: dieshalven zal hy (volgens de negentiende Voorstelling van dit deel) daaröm bedroeft worden: 't welk te betogen stond.
He who has conferred a benefit on anyone from motives of love or honour will feel pain, if he sees that the benefit is received without gratitude.

Proof.--When a man loves something similar to himself, he endeavours, as far as he can, to bring it about that he should be loved thereby in return (III. xxxiii.). Therefore he who has conferred a benefit confers it in obedience to the desire, which he feels of being loved in return; that is (III. xxxiv.) from the hope of honour or (III. xxx. note) pleasure; hence he will endeavour, as far as he can, to conceive this cause of honour, or to regard it as actually existing. But, by the hypothesis, he conceives something else, which excludes the existence of the said cause of honour: wherefore he will thereat feel pain (III. xix.). Q.E.D.
3P43
Odium reciproco odio augetur et amore contra deleri potest.
DEMONSTRATIO: Qui eum quem odit, odio contra erga se affectum esse imaginatur, eo ipso (per propositionem 40 hujus) novum odium oritur durante (per hypothesin) adhuc primo. Sed si contra eundem amore erga se affectum esse imaginetur, quatenus hoc imaginatur eatenus (per propositionem 30 hujus) se ipsum cum lætitia contemplatur et eatenus (per propositionem 29 hujus) eidem placere conabitur hoc est (per propositionem 41 hujus) eatenus conatur ipsum odio non habere nullaque tristitia afficere; qui quidem conatus (per propositionem 37 hujus) major vel minor erit pro ratione affectus ex quo oritur atque adeo si major fuerit illo qui ex odio oritur et quo rem quam odit (per propositionem 26 hujus) tristitia afficere conatur, ei prævalebit et odium ex animo delebit. Q.E.D.
De haat word door wederkerige haat vermeerdert, en kan daarëntegen door liefde uitgewischt worden.

Betoging.--De geen, die zich inbeeld dat de geen, die hy haat, weêr met haat tegen hem aangedaan is, zal daar door (volgens de veertigste Voorstelling van dit deel) met nieuwe haat ontsteken worden, terwijl (volgens d' onderstelling) d' eerste noch duurt. Maar indien hy, in tegendeel, zich inbeeld dat de zelfde met liefde tot hem aangedaan is, zo zal hy, voor zo veel hy zich dit inbeeld, zich zelf (volgens de dartigste Voorstelling van dit deel) met blijschap aanschouwen, en ook (volgens de negenëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen hem te behagen; dat is (volgens de veertigste Voorstelling van dit deel) hy poogt zo verre hem niet te haten, en met geen droef heit aan te doen: en deze poging (volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) zal groter of kleinder zijn, naar mate van de hartstocht, daar zy uit spruit. Dieshalven, indien zy groter is dan de gene, die uit haat spruit, en daar door hy de zaak, die hy haat, (volgens de zesentwintigste Voorstelling van dit deel) poogt met droefheit aan te doen, zo zal zy d' overhant daar over verkrijgen, en de haat uit de ziel wisschen; 't welk te betogen stond.
Hatred is increased by being reciprocated, and can on the other hand be destroyed by love.

Proof.--He who conceives, that an object of his hatred hates him in return, will thereupon feel a new hatred, while the former hatred (by hypothesis) still remains (III. xl.). But if, on the other hand, he conceives that the object of hate loves him, he will to this extent (III. xxxviii.) regard himself with pleasure, and (III. xxix.) will endeavour to please the cause of his emotion. In other words, he will endeavour not to hate him (III. xli.), and not to affect him painfully; this endeavour (III. xxxvii.) will be greater or less in proportion to the emotion from which it arises. Therefore, if it be greater than that which arises from hatred, and through which the man endeavours to affect painfully the thing which he hates, it will get the better of it and banish the hatred from his mind. Q.E.D.
3P44
Odium quod amore plane vincitur in amorem transit et amor propterea major est quam si odium non præcessisset.
DEMONSTRATIO: Eodem modo procedit ac propositionis 38 hujus. Nam qui rem quam odit sive quam cum tristitia contemplari solebat, amare incipit, eo ipso quod amat, lætatur et huic lætitiæ quam amor involvit (vide ejus definitionem in scholio propositionis 13 hujus) illa etiam accedit quæ ex eo oritur quod conatus amovendi tristitiam quam odium involvit (ut in propositione 37 hujus ostendimus) prorsus juvatur concomitante idea ejus quem odio habuit tanquam causa.

SCHOLIUM: Quamvis res ita se habeat, nemo tamen conabitur rem aliquam odio habere vel tristitia affici ut majore hac lætitia fruatur hoc est nemo spe damnum recuperandi damnum sibi inferri cupiet nec ægrotare desiderabit spe convalescendi. Nam unusquisque suum esse conservare et tristitiam quantum potest amovere semper conabitur. Quod si contra concipi posset hominem posse cupere aliquem odio habere ut eum postea majore amore prosequatur, tum eundem odio habere semper desiderabit. Nam quo odium majus fuerit, eo amor erit major atque adeo desiderabit semper ut odium magis magisque augeatur et eadem de causa homo magis ac magis ægrotare conabitur ut majore lætitia ex restauranda valetudine postea fruatur atque adeo semper ægrotare conabitur, quod (per propositionem 6 hujus) est absurdum.

De haat, die van de liefde gantschelijk word verwonnen, gaat tot liefde over; en dieshalven is de liefde groter, dan of de haat niet voorgegaan was.

Betoging.--De Betoging hier afgaat op de zelfde wijze voort, als de gene van d'achtëndartigste Voorstelling in dit deel. Want de geen, die de zaak, de welk hy haat, of die hy met droefheit plag t' aanschouwen, begint te beminnen, verblijd zich daaröm, dat hy haar bemint; en by deze blijschap, de welke van de liefde ingesloten word, (bezie der zelfder Bepaling in 't Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) komt ook de gene by, die hier uit spruit, dat de poging om de droef heit te verdrijven, die de haat in zich sluit (gelijk wy in de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel vertoont hebben) ganschelijk geholpen word, terwijl het denkbeelt van de geen, die hy haatte, als d' oorzaak, daar by is.

Byvoegsel.--Hoewel het met de zaak dus is gelegen, zo zal echter niemant pogen enig ding te haten, of dat het met droefheit aangedaan word, om deze groter blijschap te genieten: dat is, niemant zal, op hoop van de schade te vergoeden, begeren zich zelf schade aan te doen, noch wenschen ziek te zijn, op hoop van weêr gezont te worden. Want yder zal altijt pogen zijn wezen te behouden, en de droefheit, zo veel als hem mogelijk is, te verdrijven. Doch indien men daarëntegen kan bevatten, dat de mensch kan begeren iemant te haten, om hem daar na met groter liefde te beminnen, zo zal hy altijt begeren de zelfde te haten. Want hoe de haat groter geweest zal hebben, hoe de liefde ook groter zal wezen; en dieshalven zal hy altijt begeren dat de haat groter en groter word: en om de zelfde oorzaak zal de mensch pogen meer en meer ziek te zijn, om namaals uit de gezontheit, die hy weder zal bekomen, groter blijschap te genieten; en dieshalven zal hy pogen altijt ziek te wezen: 't welk (volgens de zeste Voorstelling van dit deel) ongerijmt is.

Hatred which is completely vanquished by love passes into love: and love is thereupon greater than if hatred had not preceded it.

Proof.--The proof proceeds in the same way as Prop. xxxviii. of this Part: for he who begins to love a thing, which he was wont to hate or regard with pain, from the very fact of loving feels pleasure. To this pleasure involved in love is added the pleasure arising from aid given to the endeavour to remove the pain involved in hatred (III. xxxvii.), accompanied by the idea of the former object of hatred as cause.

Note.--Though this be so, no one will endeavour to hate anything, or to be affected with pain, for the sake of enjoying this greater pleasure; that is, no one will desire that he should be injured, in the hope of recovering from the injury, nor long to be ill for the sake of getting well. For everyone will always endeavour to persist in his being, and to ward off pain as far as he can. If the contrary is conceivable, namely, that a man should desire to hate someone, in order that he might love him the more thereafter, he will always desire to hate him. For the strength of love is in proportion to the strength of the hatred, wherefore the man would desire, that the hatred be continually increased more and more, and, for a similar reason, he would desire to become more and more ill, in order that he might take a greater pleasure in being restored to health: in such a case he would always endeavour to be ill, which (III. vi.) is absurd.

3P45
Si quis aliquem sibi similem odio in rem sibi similem quam amat, affectum esse imaginatur, eum odio habebit.
DEMONSTRATIO: Nam res amata eum qui ipsam odit, odio contra habet (per propositionem 40 hujus) adeoque amans qui aliquem imaginatur rem amatam odio habere, eo ipso rem amatam odio hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) tristitia affectam esse imaginatur et consequenter (per propositionem 21 hujus) contristatur idque concomitante idea ejus qui rem amatam odit tanquam causa hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) ipsum odio habebit. Q.E.D.
Indien iemant zich inbeeld dat iemant, hem gelijk, met haat tot een zaak, hem gelijk, en die hy bemint, aangedaan is, zo zal hy de zelfde haten.

Betoging.--Want de beminde zaak haat weêr de geen, die daar haat; volgens de veertigste Voorstelling van dit deel: in voegen dat de minnaar, die zich inbeeld dat iemant de beminde zaak haat, zich daaröm ook inbeeld dat de beminde zaak met haat, dat is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) met droefheit aangedaan is, en by gevolg zich bedroeft, en dit terwijl het denkbeelt van de geen, die de beminde zaak haat, als d' oorzaak, daar by is: dat is (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) hy zal hem haten; 't welk betoogt moest worden.
If a man conceives, that anyone similar to himself hates anything also similar to himself, which he loves, he will hate that person.

Proof.--The beloved object feels reciprocal hatred towards him who hates it (III. xl.); therefore the lover, in conceiving that anyone hates the beloved object, conceives the beloved thing as affected by hatred, in other words (III. xiii.), by pain; consequently he is himself affected by pain accompanied by the idea of the hater of the beloved thing as cause; that is, he will hate him who hates anything which he himself loves (III. xiii. note). Q.E.D.
3P46
Si quis ab aliquo cujusdam classis sive nationis a sua diversæ lætitia vel tristitia affectus fuerit concomitante ejus idea sub nomine universali classis vel nationis tanquam causa, is non tantum illum sed omnes ejusdem classis vel nationis amabit vel odio habebit.
DEMONSTRATIO: Hujus rei demonstratio patet ex propositione 16 hujus partis.
Indien iemant van een ander van een zelfde stant, of van een volk, van het zijne verscheiden, met blijschap, of droefheit aangedaan heeft geweest, terwijl zijn denkbeelt, onder d'algemene naam van stant, of volk, als d'oorzaak, daar by is, zo zal deze niet alleenlijk hem, maar alle de genen van de zelfde stant, of van het zelfde volk beminnen, of hatën.

Betoging.--De Betoging van deze zaak blijkt uit de zestiende Voorstelling van dit deel.
If a man has been affected pleasurably or painfully by anyone, of a class or nation different from his own, and if the pleasure or pain has been accompanied by the idea of the said stranger as cause, under the general category of the class or nation: the man will feel love or hatred, not only to the individual stranger, but also to the whole class or nation whereto he belongs.

Proof.--This is evident from III. xvi.
3P47
Lætitia quæ ex eo oritur quod scilicet rem quam odimus destrui aut alio malo affici imaginamur, non oritur absque ulla animi tristitia.
DEMONSTRATIO: Patet ex propositione 27 hujus. Nam quatenus rem nobis similem tristitia affici imaginamur eatenus contristamur.

SCHOLIUM: Potest hæc propositio etiam demonstrari ex corollario propositionis 17 partis II. Quoties enim rei recordamur, quamvis ipsa actu non existat, eandem tamen ut præsentem contemplamur corpusque eodem modo afficitur; quare quatenus rei memoria viget eatenus homo determinatur ad eandem cum tristitia contemplandum; quæ determinatio manente adhuc rei imagine coercetur quidem memoria illarum rerum quæ hujus existentiam secludunt sed non tollitur atque adeo homo eatenus tantum lætatur quatenus hæc determinatio coercetur et hinc fit ut hæc lætitia quæ ex rei quam odimus malo oritur, toties repetatur quoties ejusdem rei recordamur. Nam uti diximus quando ejusdem rei imago excitatur, quia hæc ipsius rei existentiam involvit, hominem determinat ad rem cum eadem tristitia contemplandum qua eandem contemplari solebat cum ipsa existeret. Sed quia ejusdem rei imagini alias junxit quæ ejusdem existentiam secludunt, ideo hæc ad tristitiam determinatio statim coercetur et homo de novo lætatur et hoc toties quoties hæc repetitio fit. Atque hæc eadem est causa cur homines lætantur quoties alicujus jam præteriti mali recordantur et cur pericula a quibus liberati sunt, narrare gaudeant. Nam ubi aliquod periculum imaginantur, idem veluti adhuc futurum contemplantur et ad id metuendum determinantur, quæ determinatio de novo coercetur idea libertatis quam hujus periculi ideæ junxerunt cum ab eodem liberati sunt quæque eos de novo securos reddit atque adeo de novo lætantur.

De blijschap, die hier uit spruit, namelijk, dat wy ons inbeelden dat de zaak, die wy haten, vernietigt, of met enig ander quaat aangedaan word, koomt niet voort zonder enige droefheit des gemoeds.

Betoging.--De Betoging blijkt uit de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel. Want voor zo veel wy ons inbeelden dat een zaak, ons gelijk, met droef heit aangedaan word, voor zo veel worden wy bedroeft.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling kan ook uit de Toegift van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel betoogt worden. Want zo dikwijls als wy aan een zaak gedenken, hoewel zy niet dadelijk wezentlijk is, zo aanschouwen wy echter de zelfde als tegenwoordig, en het lighaam word op de zelfde wijze aangedaan, als of zy tegenwoordig was. Dieshalven; voor zo veel de geheugenis van de zaak varsch is, voor zo veel word de mensch bepaalt tot de zelfde met droef heit t' aanschouwen. Deze bepaling word, terwijl het beelt van de zaak noch blijft, wel door de geheugenis van die dingen, de welken de wezentlijkheit hier af uitsluiten, ingetoomt, maar niet wechgenomen: en dieshalven verblijd de mensch zich zo verre, als deze bepaling ingetoomt word. En hier uit gebeurt het dat deze blijschap, de welke uit elende van die zaak spruit, de welke wy haten, zo dikwijls herhaalt en vernieut word, als wy aan de zelfde zaak gedenken. Want, gelijk wy gezegt hebben, als het beelt van de zelfde zaak verwekt word, om dat het zelfde de wezentlijkheit van de zaak zelve insluit, zo bepaalt het de mensch tot de zaak met de zelfde droef heit t'aanschouwen, daar meê hy de zelfde plag t'aanschouwen, toen zy wezentlijk was. Maar dewijl hy aan het beelt van de zelfde zaak anderen bygevoegt heeft, die der zelfder wezentlijkheit uitsluiten, zo word deze bepaling tot droefheit terstont ingetoomt; en de mensch verblijd zich van nieus, en dit zo dikwijls, als deze herhaling en vernieuwing geschied. Dit zelfde is ook oorzaak, om 't welk de menschen zich verblijden, zo dikwijls als zy aan enig quaat, dat alreê voorby is, gedenken, en om 't welk zy vermaak scheppen in de gevarelijkheden, van de welken zy verlost zijn, te verhalen. Want als zy zich enig gevaar inbeelden, zo aanschouwen zy het zelfde als noch aanstaande, en worden bepaalt tot het zelfde te vrezen. Deze bepaling word van nieus ingetoomt door het denkbeelt van de verlossing, 't welk de denkbeelden van dit gevaar te zamen hebben gevoegt, toen zy van het zelfde verlost zijn, en maakt hen op nieus verzekert; en dieshalven verblijden zy zich van nieus.

Joy arising from the fact, that anything we hate is destroyed, or suffers other injury, is never unaccompanied by a certain pain in us.

Proof.--This is evident from III. xxvii. For in so far as we conceive a thing similar to ourselves to be affected with pain, we ourselves feel pain.

Note.--This proposition can also be proved from the Corollary to II. xvii. Whenever we remember anything, even if it does not actually exist, we regard it only as present, and the body is affected in the same manner; wherefore, in so far as the remembrance of the thing is strong, a man is determined to regard it with pain; this determination, while the image of the thing in question lasts, is indeed checked by the remembrance of other things excluding the existence of the aforesaid thing, but is not destroyed: hence, a man only feels pleasure in so far as the said determination is checked: for this reason the joy arising from the injury done to what we hate is repeated, every time we remember that object of hatred. For, as we have said, when the image of the thing in question, is aroused, inasmuch as it involves the thing's existence, it determines the man to regard the thing with the same pain as he was wont to do, when it actually did exist. However, since he has joined to the image of the thing other images, which exclude its existence, this determination to pain is forthwith checked, and the man rejoices afresh as often as the repetition takes place. This is the cause of men's pleasure in recalling past evils, and delight in narrating dangers from which they have escaped. For when men conceive a danger, they conceive it as still future, and are determined to fear it; this determination is checked afresh by the idea of freedom, which became associated with the idea of the danger when they escaped therefrom: this renders them secure afresh: therefore they rejoice afresh.

3P48
Amor et odium exempli gratia erga Petrum destruitur si tristitia quam hoc et lætitia quam ille involvit, ideæ alterius causæ jungatur et eatenus uterque diminuitur quatenus imaginamur Petrum non solum fuisse alterutrius causam.
DEMONSTRATIO: Patet ex sola amoris et odii definitione, quam vide in scholio propositionis 13 hujus. Nam propter hoc solum lætitia vocatur amor et tristitia odium erga Petrum quia scilicet Petrus hujus vel illius affectus causa esse consideratur. Hoc itaque prorsus vel ex parte sublato affectus quoque erga Petrum prorsus vel ex parte diminuitur. Q.E.D.
De liefde en haat (by voorbeelt) tot Pieter zal vernietigt worden, zo de droefheit, die de leste, en de blijschap, die d' eerste insluit, aan d' oorzaak van een ander denkbeelt word gevoegt; en voor zo veel zullen zy beide verslappen, als wy ons inbeelden dat Pieter niet alleen d' oorzaak van een van beide heeft geweest.

Betoging.--De Betoging blijkt uit d' enige Bepaling van liefde en haat, die men in het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel na te zien heeft. Want hieröm alleen word de liefde tot Pieter blijschap, en de haat tot hem droefheit genoemt, namelijk om dat Pieter aangemerkt word d' oorzaak van deze, of die hartstocht te wezen. Indien dit dan geheellijk, of ten deel wechgenomen word, zo zal ook de hartstocht tot Pieter gantschelijk, of ten deel verslappen; gelijk wy voorgaven.
Love or hatred towards, for instance, Peter is destroyed, if the pleasure involved in the former, or the pain involved in the latter emotion, be associated with the idea of another cause: and will be diminished in proportion as we conceive Peter not to have been the sole cause of either emotion.

Proof.--This Prop. is evident from the mere definition of love and hatred (III. xiii. note). For pleasure is called love towards Peter, and pain is called hatred towards Peter, simply in so far as Peter is regarded as the cause of one emotion or the other. When this condition of causality is either wholly or partly removed, the emotion towards Peter also wholly or in part vanishes. Q.E.D.
3P49
Amor et odium erga rem quam liberam esse imaginamur, major ex pari causa uterque debet esse quam erga necessariam.
DEMONSTRATIO: Res quam liberam esse imaginamur, debet (per definitionem 7 partis I) per se absque aliis percipi. Si igitur eandem lætitiæ vel tristitiæ causam esse imaginemur, eo ipso (per scholium propositionis 13 hujus) eandem amabimus vel odio habebimus idque (per propositionem præcedentem) summo amore vel odio qui ex dato affectu oriri potest. Sed si rem quæ ejusdem affectus est causa ut necessariam imaginemur, tum (per eandem definitionem 7 partis I) ipsam non solam sed cum aliis ejusdem affectus causam esse imaginabimur atque adeo (per propositionem præcedentem) amor et odium erga ipsam minor erit. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hinc sequitur homines, quia se liberos esse existimant, majore amore vel odio se invicem prosequi quam alia; ad quod accedit affectuum imitatio, de qua vide propositiones 27, 34, 40 et 43 hujus.

De liefde en haat tot een zaak, die wy ons inbeelden vry te zijn, moeten uit gelijke oorzaak beide groter wezen, dan tot een, die nootzakelijk is.

Betoging.--De zaak, die wy ons inbeelden vry te zijn, moet (volgens de zevende Bepaling van 't eerste deel) door zich, zonder anderen, bevat worden. Indien wy ons dan inbeelden dat de zelfde d' oorzaak van blijschap, of droefheit is, zo zullen wy daaröm (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling) de zelfde beminnen, of haten; en dit (volgens de voorgaande Voorstelling) met de grootste liefde, of haat, de welk uit een gestelde hartstocht kan voortkomen. Maar indien wy ons de zaak, die oorzaak van de zelfde hartstocht is, als nootzakelijk inbeelden, zo zullen wy (volgens de zevende Bepaling van het eerste deel) ons de zelfde niet alleen, maar met anderen, oorzaak van de zelfde hartstocht inbeelden; en dieshalven zal (volgens de voorgaande Voorstelling) de liefde en haat tot de zelfde minder zijn; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hier uit volgt dat de menschen, om dat zy zich vry achten te wezen, malkander met groter liefde, of haat vervolgen, dan d' andere dingen; daar noch de navolging der hartstochten bykoomt. Bezie hier af de zevenëntwintigste, vierëndartigste, veertigste en drieenveertigste Voorstelling van dit deel.

Love or hatred towards a thing, which we conceive to be free, must, other conditions being similar, be greater than if it were felt towards a thing acting by necessity.

Proof.--A thing which we conceive as free must (I. Def. vii.) be perceived through itself without anything else. If, therefore, we conceive it as the cause of pleasure or pain, we shall therefore (III. xiii. note) love it or hate it, and shall do so with the utmost love or hatred that can arise from the given emotion. But if the thing which causes the emotion be conceived as acting by necessity, we shall then (by the same Def. vii. Part I.) conceive it not as the sole cause, but as one of the causes of the emotion, and therefore our love or hatred towards it will be less. Q.E.D.

Note.--Hence it follows, that men, thinking themselves to be free, feel more love or hatred towards one another than towards anything else: to this consideration we must add the imitation of emotions treated of in III. xxvii., xxxiv., xl. and xliii.

3P50
Res quæcunque potest esse per accidens spei aut metus causa.
DEMONSTRATIO: Hæc propositio eadem via demonstratur qua propositio 15 hujus, quam vide una cum scholio II propositionis 18 hujus.

SCHOLIUM: Res quæ per accidens spei aut metus sunt causæ, bona aut mala omina vocantur. Deinde quatenus hæc eadem omina sunt spei aut metus causa eatenus (per definitionem spei et metus, quam vide in scholio II propositionis 18 hujus) lætitiæ aut tristitiæ sunt causa et consequenter (per corollarium propositionis 15 hujus) eatenus eadem amamus vel odio habemus et (per propositionem 28 hujus) tanquam media ad ea quæ speramus, adhibere vel tanquam obstacula aut metus causas amovere conamur. Præterea ex propositione 25 hujus sequitur nos natura ita esse constitutos ut ea quæ speramus, facile, quæ autem timemus, difficile credamus et ut de iis plus minusve justo sentiamus. Atque ex his ortæ sunt superstitiones quibus homines ubique conflictantur. Cæterum non puto operæ esse pretium animi hic ostendere fluctuationes quæ ex spe et metu oriuntur quandoquidem ex sola horum affectuum definitione sequitur non dari spem sine metu neque metum sine spe (ut fusius suo loco explicabimus) et præterea quandoquidem quatenus aliquid speramus aut metuimus eatenus idem amamus vel odio habemus atque adeo quicquid de amore et odio diximus, facile unusquisque spei et metui applicare poterit.

Yder zaak kan by toeval oorzaak van hoop of vrees wezen.

Betoging.--Dit word opgelijke wijze betoogt, als de vijftiende Voorstelling van dit deel, die men na te zien heeft, gezamentlijk met het . Byvoegsel van d' achtiende Voorstelling in dit deel.

Byvoegsel.--De dingen, die by toeval oorzaken van hoop of vrees zijn, worden goede of quade voorteekenen genoemt. Wijders, voor zo veel deze zelfde voorteekenen oorzaken van hoop, of van vrees zijn, voor zo veel zijn zy (volgens de bepalingen van hoop en vrees, die men in het tweede Byvoegsel van d'achtiende Voorstelling in dit deel na te zien heeft) oorzaken van bljschap, of van droefheit; en by gevolg (volgens de Toegift van de vijftiende Voorstelling in dit deel) beminnen, of haten wy hen zo verre, en (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen hen als middelen tot het geen, dat wy verhopen, aan te wenden, of als verhindernissen, of oorzaken van vrees te verdrijven. Wijders, uit de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel volgt, dat wy van natuur zo gestelt zijn, dat wy de dingen, die wy verhopen, lichtelijk, en de dingen, die wy vrezen, zwarelijk geloven, en daar af hoger af laeger, dan billijk is, gevoelen. En hier uit zijn de waangelovigheden gesproten, van de welken de menschen aan alle zijden bestreden worden. Voorts, ik acht het niet de moeite waerdig te zijn, hier de vlotheden des gemoeds te vertonen, die uit hoop en vrees voortkomen; dewijl uit de Bepaling dezer hartstochten alleen volgt, dat 'er geen hoop zonder vrees, en geen vrees zonder hoop is; gelijk wy op zijn plaats bredelijker zullen verklaren: en wijders, om dat wy, voor zo veel wy iets hopen of vrezen, het zelfde voor zo veel beminnen, of haten. Dieshalven, al 't geen, dat wy van de liefde en haat gezegt hebben, zal yder lichtelijk tot de hoop en vrees konnen toepassen.

Anything whatever can be, accidentally, a cause of hope or fear.

Proof.--This proposition is proved in the same way as III. xv., which see, together with the note to III. xviii.

Note.--Things which are accidentally the causes of hope or fear are called good or evil omens. Now, in so far as such omens are the cause of hope or fear, they are (by the definitions of hope and fear given in III. xviii. note) the causes also of pleasure and pain; consequently we, to this extent, regard them with love or hatred, and endeavour either to invoke them as means towards that which we hope for, or to remove them as obstacles, or causes of that which we fear. It follows, further, from III. xxv., that we are naturally so constituted as to believe readily in that which we hope for, and with difficulty in that which we fear; moreover, we are apt to estimate such objects above or below their true value. Hence there have arisen superstitions, whereby men are everywhere assailed. However, I do not think it worth while to point out here the vacillations springing from hope and fear; it follows from the definition of these emotions, that there can be no hope without fear, and no fear without hope, as I will duly explain in the proper place. Further, in so far as we hope for or fear anything, we regard it with love or hatred; thus everyone can apply by himself to hope and fear what we have said concerning love and hatred.

3P51
Diversi homines ab uno eodemque objecto diversimode affici possunt et unus idemque homo ab uno eodemque objecto potest diversis temporibus diversimode affici.
DEMONSTRATIO: Corpus humanum (per postulatum 3 partis II) a corporibus externis plurimis modis afficitur. Possunt igitur eodem tempore duo homines diversimode esse affecti atque adeo (per axioma 1 quod est post lemma 3, quod vide post propositionem 13 partis II) ab uno eodemque objecto possunt diversimode affici. Deinde (per idem postulatum) corpus humanum potest jam hoc jam alio modo esse affectum et consequenter (per idem axioma) ab uno eodemque objecto diversis temporibus diversimode affici. Q.E.D.

SCHOLIUM: Videmus itaque fieri posse ut quod hic amat, alter odio habeat et quod hic metuit, alter non metuat et ut unus idemque homo jam amet quod antea oderit et ut jam audeat quod antea timuit etc. Deinde quia unusquisque ex suo affectu judicat quid bonum, quid malum, quid melius et quid pejus sit (vide scholium propositionis 39 hujus) sequitur homines tam judicio quam affectu variare posse et hinc fit ut cum alios aliis comparamus, ex sola affectuum differentia a nobis distinguantur et ut alios intrepidos, alios timidos, alios denique alio nomine appellemus. Exempli gratia illum ego intrepidum vocabo qui malum contemnit quod ego timere soleo et si præterea ad hoc attendam quod ejus cupiditas malum inferendi ei quem odit et benefaciendi ei quem amat, non coercetur timore mali a quo ego contineri soleo, ipsum audacem appellabo. Deinde ille mihi timidus videbitur qui malum timet quod ego contemnere soleo et si insuper ad hoc attendam quod ejus cupiditas coercetur timore mali quod me continere nequit, ipsum pusillanimem esse dicam et sic unusquisque judicabit. Denique ex hac hominis natura et judicii inconstantia ut et quod homo sæpe ex solo affectu de rebus judicat et quod res quas ad lætitiam vel tristitiam facere credit quasque propterea (per propositionem 28 hujus) ut fiant promovere vel amovere conatur, sæpe non nisi imaginariæ sint ut jam taceam alia quæ in II parte ostendimus de rerum incertitudine, facile concipimus hominem posse sæpe in causa esse tam ut contristetur quam ut lætetur sive ut tam tristitia quam lætitia afficiatur concomitante idea sui tanquam causa atque adeo facile intelligimus quid pœnitentia et quid acquiescentia in se ipso sit. Nempe pœnitentia est tristitia concomitante idea sui et acquiescentia in se ipso est lætitia concomitante idea sui tanquam causa et hi affectus vehementissimi sunt quia homines se liberos esse credunt (vide propositionem 49 hujus).

Verscheide menschen konnen verscheidelijk van een en het zelfde voorwerp aangedaan worden; en een en de zelfde mensch kan in verscheide tijden van een en 't zelfde voorwerp verscheidelijk worden aangedaan.

Betoging.--Het menschelijk lighaam (volgens de darde Verëïssching van het tweede deel) word op zeer veel wijzen van uitterlijke lighamen aangedaan. Twee menschen konnen dieshalven in een zelfde tijt verscheidelijk aangedaan wezen, en in dier voegen (volgens d' eerste Kundigheit, de welke na het darde Voorbewijs volgt, 't welk na de dartiende Voorstelling in het tweede deel te zien is) van een en het zelfde voorwerp verscheidelijk aangedaan worden. Wijders (volgens de zelfde Verëïssching) het menschelijk lighaam kan nu op deze, dan op die wijze aangedaan worden, en by gevolg (volgens de zelfde Kundigheit) van een en 't zelfde voorwerp in verscheide tijden verscheidelijk aangedaan worden; gelijkwy voorgaven.

Byvoegsel.--Wy zien dan dat het gebeuren kan dat het geen, 't welk d' een bemint, van d' ander gehaat word, en dat het geen, 't welk d' een vreest, van d' ander niet word gevreest, en dat een en de zelfde mensch nu het geen bemint, dat hy te voren gehaat heeft, en dat hy nu het geen dart bestaan, daar voor hy te voren heeft gevreest, enz. Wijders, dewijl yder naar zijn hartstocht oordeelt, wat goet, wat quaat, wat beter, en wat erger is; (Bezie het Byvoegsel van de negendartigste Voorstelling in dit deel) zo volgt dat de menschen, zo wel in hun oordeel, als in hun hartstocht, konnen veränderen: en hier uit spruit het dat wy, als wy anderen by anderen vergelijken, hen naar de verscheidenheit der hartstochten alleen onderscheiden, en sommigen onversaagt, anderen blode, en eindelijk anderen met een andere naam noemen. Tot een voorbeelt, ik zal de geen onversaagt noemen, die 't quaat verächt, 't welk ik gewent ben te vrezen: en indien ik daarënboven noch hier op merk, dat zijn begeerte om den geen, die hy haat, quaat aan te doen, en den geen, die hy bemint, goet te doen, niet door de vrees van quaat weêrhouden word, daar door ik gemenelijk word weêrhouden, zo zal ik hem stout noemen. Wijders, de geen zal my blode schijnen, die voor het quaat vreest, 't welk ik gemenelijk verächt: en indien ik daarënboven noch hier op merk, dat zijn begeerte door de vrees van 't quaat, 't welk my niet weêrhouden kan, wederhouden word, zo zal ik hem kleinmoedig noemen; en dus zal yder doen. Eindelijk, uit deze onbestandigheit van de menschelijke natuur, en van 't menschelijk oordeel, gelijk ook hieriut, dat de mensch dikwijls volgens zijn hartstocht alleen van de dingen oordeelt, en dat de dingen, de welken, gelijk hy gelooft, tot blijschap, of tot droef heit dienstig zijn, en die hy dieshalven (volgens d' achtentwintigste Voorstelling van dit deel) poogt te doen komen, of af te weren, dikwijls niets anders, dan inbeeldig zijn; (ik verzwijg noch andere dingen, die wy, in het tweede deel, van d' onzeekerheit der dingen getoont hebben) zo bevatten wy lichtelijk dat de mensch dikwijls d' oorzaak kan wezen, zo van dat hy droevig, als van dat hy blijde word, of van dat hy zo wel van droefheit, als van blijschap, beide in tegenwoordigheit van het denkbeelt van zich, als d' oorzaak daar af, aangedaan word. In dezer voegen verstaan wy lichtelijk wat berou, en wat gerustheit in zich is: te weten Berou is een droefheit, met het denkbeelt van zich verzelt; en gerustheit in zich is een blijfchap, van het denkbeelt van zich verzelt, als d' oorzaak. Deze hartstochten zijn zeer geweldig, om dat de menschen geloven dat zy vry zijn. Bezie de negenënveertigste Voorstelling van dit deel.

Different men may be differently affected by the same object, and the same man may be differently affected at different times by the same object.

Proof.--The human body is affected by external bodies in a variety of ways (II. Post. iii.). Two men may therefore be differently affected at the same time, and therefore (by Ax. i. after Lemma iii. after II. xiii.) may be differently affected by one and the same object. Further (by the same Post.) the human body can be affected sometimes in one way, sometimes in another; consequently (by the same Axiom) it may be differently affected at different times by one and the same object. Q.E.D.

Note.--We thus see that it is possible, that what one man loves another may hate, and that what one man fears another may not fear; or, again, that one and the same man may love what he once hated, or may be bold where he once was timid, and so on. Again, as everyone judges according to his emotions what is good, what bad, what better, and what worse (III. xxxix. note), it follows that men's judgments may vary no less than their emotions, hence when we compare some with others, we distinguish them solely by the diversity of their emotions, and style some intrepid, others timid, others by some other epithet. For instance, I shall call a man intrepid, if he despises an evil which I am accustomed to fear; if I further take into consideration, that, in his desire to injure his enemies and to benefit those whom he loves, he is not restrained by the fear of an evil which is sufficient to restrain me, I shall call him daring. Again, a man will appear timid to me, if he fears an evil which I am accustomed to despise; and if I further take into consideration that his desire is restrained by the fear of an evil, which is not sufficient to restrain me, I shall say that he is cowardly; and in like manner will everyone pass judgment.

Lastly, from this inconstancy in the nature of human judgment, inasmuch as a man often judges things solely by his emotions, and inasmuch as the things which he believes cause pleasure or pain, and therefore endeavours to promote or prevent, are often purely imaginary, not to speak of the uncertainty of things alluded to in III. xxviii.; we may readily conceive that a man may be at one time affected with pleasure, and at another with pain, accompanied by the idea of himself as cause. Thus we can easily understand what are Repentance and Self--complacency. Repentance is pain, accompanied by the idea of one's self as cause; Self--complacency is pleasure, accompanied by the idea of one's self as cause, and these emotions are most intense because men believe themselves to be free (III. xlix.).

3P52
Objectum quod simul cum aliis antea vidimus vel quod nihil habere imaginamur nisi quod commune est pluribus, non tamdiu contemplabimur ac illud quod aliquid singulare habere imaginamur.
DEMONSTRATIO: Simulatque objectum quod cum aliis vidimus, imaginamur, statim et aliorum recordamur (per propositionem 18 partis II, cujus etiam scholium vide) et sic ex unius contemplatione statim in contemplationem alterius incidimus. Atque eadem est ratio objecti quod nihil habere imaginamur nisi quod commune est pluribus. Nam eo ipso supponimus nos nihil in eo contemplari quod antea cum aliis non viderimus. Verum cum supponimus nos in objecto aliquo aliquid singulare quod antea nunquam vidimus, imaginari, nihil aliud dicimus quam quod mens dum illud objectum contemplatur, nullum aliud in se habeat in cujus contemplationem ex contemplatione illius incidere potest atque adeo ad illud solum contemplandum determinata est. Ergo objectum etc. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc mentis affectio sive rei singularis imaginatio quatenus sola in mente versatur, vocatur admiratio, quæ si ab objecto quod timemus moveatur, consternatio dicitur quia mali admiratio hominem suspensum in sola sui contemplatione ita tenet ut de aliis cogitare non valeat quibus illud malum vitare posset. Sed si id quod admiramur sit hominis alicujus prudentia, industria vel aliquid hujusmodi, quia eo ipso hominem nobis longe antecellere contemplamur, tum admiratio vocatur veneratio; alias horror si hominis iram, invidiam etc. admiramur. Deinde si hominis quem amamus prudentiam, industriam etc. admiramur, amor eo ipso (per propositionem 12 hujus) major erit et hunc amorem admirationi sive venerationi junctum devotionem vocamus. Et ad hunc modum concipere etiam possumus odium, spem, securitatem et alios affectus admirationi junctos atque adeo plures affectus deducere poterimus quam qui receptis vocabulis indicari solent. Unde apparet affectuum nomina inventa esse magis ex eorum vulgari usu quam ex eorundem accurata cognitione. Admirationi opponitur contemptus cujus tamen causa hæc plerumque est quod scilicet ex eo quod aliquem rem aliquam admirari, amare, metuere etc. videmus vel ex eo quod res aliqua primo aspectu apparet similis rebus quas admiramur, amamus, metuimus etc. (per propositionem 15 cum ejus corollario et propositionem 27 hujus) determinamur ad eandem rem admirandum, amandum, metuendum etc. Sed si ex ipsius rei præsentia vel accuratiore contemplatione, id omne de eadem negare cogamur quod causa admirationis, amoris, metus etc. esse potest, tum mens ex ipsa rei præsentia magis ad ea cogitandum quæ in objecto non sunt quam quæ in ipso sunt, determinata manet cum tamen contra ex objecti præsentia id præcipue cogitare soleat quod in objecto est. Porro sicut devotio ex rei quam amamus admiratione sic irrisio ex rei quam odimus vel metuimus contemptu oritur et dedignatio ex stultitiæ contemptu sicuti veneratio ex admiratione prudentiæ. Possumus denique amorem, spem, gloriam et alios affectus junctos contemptui concipere atque inde alios præterea affectus deducere quos etiam nullo singulari vocabulo ab aliis distinguere solemus.

Het voorwerp, 't welk wy te voren gelijk met anderen hebben gezien, of 't welk, gelijk wy ons inbeelden, niets heeft, dan dat met veel gemeen is, zullen wy niet zo lang aanschouwen, als het geen, 't welk, gelijk wy ons inbeelden, iets bezonder heeft.

Betoging.--Zo haast als wy ons het voorwerp, dat wy met anderen gezien hebben, inbeelden, zo gedenken wy ook terstont aan d' anderen. (volgens d' achtiende Voorstelling van het tweede deel, van de welke men ook het Byvoegsel na te zien heeft) en dus vervallen wy uit d' aanschouwing van 't een terstont tot d'aanschouwing van 't ander. En dit is de zelfde reden van 't voorwerp, 't welk, gelijk wy ons inbeelden, niets heeft, dan dat met veel gemeen is. Want daarom onderstellen wy, dat wy daar in niets aanschouwen, 't welk wy niet te voren by anderen hebben gezien. Maar als wy onderstellen dat wy ons in enig voorwerp iets bezonder, dat wy te voren nooit gezien hebben, inbeelden, zo zeggen wy niets anders, dan dat de ziel, terwijl zy dit voorwerp aanschout, geen ander in de geest heeft, tot welke beschouwing zy, uit des zelfs beschouwing, kan vervallen; en dieshalven is zy bepaalt tot dat alleen t' aanschouwen.

Byvoegsel.--Deze aandoening der ziel, of bezondere inbeelding van de zaak, voor zo veel zy alleen in de ziel verkeert, word verwondering genoemt, de welke, zo zy uit het voorwerp ontstaat, 't welk wy vrezen, verslagentheit word geheten; om dat de verwondering van 't quaat de mensch in dier voegen in d'enige aanschouwing van zich bezich houd, dat hy op geen andere dingen, door de welken hy dit quaat zou konnen mijden, kan denken. Maar indien het geen, daar over wy verwondert zijn, de voorzichtigheit, naerstigheit, of iets diergelijk van de mensch is, om dat wy aanschouwen dat die mensch ons daar door verre overtreft, zo word de verwondering eerbiedigheit genoemt, andersins afschuwelijkheit, zo wy over de gramschap, nijdigheit enz. van die mensch verwondert zijn. Wijders, indien wy over de voorzichtigheit, naerstigheit, enz. van die mensch, de welk wy beminnen, verwondert zijn, zo zal de liefde daar door (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) groter zijn; en deze liefde, aan de verwondering, of eerbiedigheit gevoegt, word verloving, of overgeving genoemt. En op deze wijze konnen wy ook de haat, hoop, gerustheit, en d'andere hartstochten, aan de verwondering gevoegt, bevatten. In dezer voegen zullen wy meer hartstochten konnen afleiden, dan die gemenelijk met d'aangenome bewoordingen aangewezen worden. Daar uit dan blijkt dat de namen der hartstochten meer uit het gemeen gebruik der zelfder, dan uit hun naaukeurige kennis, gevonden zijn. Tegen de verwondering word de versmading gestelt, daar af echter dit deurgaans d'oorzaak is, namelijk dat wy hier door, dat wy iemant over enig ding verwondert zien, en dat hy het bemint, vreest, enz. of dat wy hier door, dat enig ding met d'eerste aanschouwing gelijk blijkt met de dingen, daar over wy verwondert zijn, die wy beminnen, vrezen, enz. dat wy, zeg ik, daar door (volgens de vijftiende Voorstelling, met der zelfder Toegift, en volgens de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel) bepaalt worden tot over dat ding verwondert te zijn, het zelfde te beminnen, te vrezen, enz. Maar indien wy uit de tegenwoordigheit van de zaak zelve, of uit der zelfder naaukeurige beschouwing gedwongen worden van de zelfde zaak dit alles t' ontkennen, dat d'oorzaak van de verwondering, liefde vrees; enz. kan wezen; zo blijft de ziel, door de tegenwoordigheit van de zaak zelve, meer bepaalt tot die dingen te denken, die niet in 't voorwerp zijn, dan die daar in zijn, hoewel zy echter in tegendeel, uit de tegenwoordigheit van 't voorwerp, gewent is dit voornamelijk, dat in 't voorwerp is, te denken. Wijders, gelijk de verloving, of overgeving uit de verwondering van de zaak, die wy beminnen, voortkoomt, zo spruit de bespotting uit de versmading van de zaak, die wy haten, of vrezen, en de verontwaerdiging uit de versmading van de dwaasheit, gelijk d'eerbiedigheit uit de verwondering van de voorzichtigheit. Eindelijk, wy konnen de liefde, hoop, roem, en d'andere hartstochten aan de versmading gevoegt bevatten, en van daar ook andere hartstochten afleiden, die wy niet gewent zijn met enige bezondere bewoordingen van d'anderen t'onderscheiden.

An object which we have formerly seen in conjunction with others, and which we do not conceive to have any property that is not common to many, will not be regarded by us for so long, as an object which we conceive to have some property peculiar to itself.

Proof.--As soon as we conceive an object which we have seen in conjunction with others, we at once remember those others (II. xviii. and note), and thus we pass forthwith from the contemplation of one object to the contemplation of another object. And this is the case with the object, which we conceive to have no property that is not common to many. For we thereupon assume that we are regarding therein nothing, which we have not before seen in conjunction with other objects. But when we suppose that we conceive an object something special, which we have never seen before, we must needs say that the mind, while regarding that object, has in itself nothing which it can fall to regarding instead thereof; therefore it is determined to the contemplation of that object only. Therefore an object, &c. Q.E.D.

Note.--This mental modification, or imagination of a particular thing, in so far as it is alone in the mind, is called Wonder; but if it be excited by an object of fear, it is called Consternation, because wonder at an evil keeps a man so engrossed in the simple contemplation thereof, that he has no power to think of anything else whereby he might avoid the evil. If, however, the object of wonder be a man's prudence, industry, or anything of that sort, inasmuch as the said man, is thereby regarded as far surpassing ourselves, wonder is called Veneration; otherwise, if a man's anger, envy, &c., be what we wonder at, the emotion is called Horror. Again, if it be the prudence, industry, or what not, of a man we love, that we wonder at, our love will on this account be the greater (III. xii.), and when joined to wonder or veneration is called Devotion. We may in like manner conceive hatred, hope, confidence, and the other emotions, as associated with wonder; and we should thus be able to deduce more emotions than those which have obtained names in ordinary speech. Whence it is evident, that the names of the emotions have been applied in accordance rather with their ordinary manifestations than with an accurate knowledge of their nature.

To wonder is opposed Contempt, which generally arises from the fact that, because we see someone wondering at, loving, or fearing something, or because something, at first sight, appears to be like things, which we ourselves wonder at, love, fear, &c., we are, in consequence (III. xv. Coroll. and III. xxvii.), determined to wonder at, love, or fear that thing. But if from the presence, or more accurate contemplation of the said thing, we are compelled to deny concerning it all that can be the cause of wonder, love, fear, &c., the mind then, by the presence of the thing, remains determined to think rather of those qualities which are not in it, than of those which are in it; whereas, on the other hand, the presence of the object would cause it more particularly to regard that which is therein. As devotion springs from wonder at a thing which we love, so does Derision spring from contempt of a thing which we hate or fear, and Scorn from contempt of folly, as veneration from wonder at prudence. Lastly, we can conceive the emotions of love, hope, honour, &c., in association with contempt, and can thence deduce other emotions, which are not distinguished one from another by any recognized name.

3P53
Cum mens se ipsam suamque agendi potentiam contemplatur, lætatur et eo magis quo se suamque agendi potentiam distinctius imaginatur.
DEMONSTRATIO: Homo se ipsum non cognoscit nisi per affectiones sui corporis earumque ideas (per propositiones 19 et 23 partis II). Cum ergo fit ut mens se ipsam possit contemplari, eo ipso ad majorem perfectionem transire hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) lætitia affici supponitur et eo majore quo se suamque agendi potentiam distinctius imaginari potest. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hæc lætitia magis magisque fovetur quo magis homo se ab aliis laudari imaginatur. Nam quo magis se ab aliis laudari imaginatur eo majore lætitia alios ab ipso affici imaginatur idque concomitante idea sui (per scholium propositionis 29 hujus) atque adeo (per propositionem 27 hujus) ipse majore lætitia concomitante idea sui afficitur. Q.E.D.

Als de ziel zich zelve, en haar vermogen van te doen aanschout, zo word zy verblijd, en zo veel te meer, als zy zich zelve, en haar vermogen van te doen onder scheidelijker inbeeld.

Betoging.--De mensch kent zich zelf niet, dan door d'aandoeningen van zijn lighaam, en der zelfder denkbeelden; volgens de negentiende en drieëntwintigste Voorstellingen van het tweede deel. Dewijl dan de ziel zich zelve kan beschouwen, zo onderstelt men dat zy daar door tot groter volmaaktheit overgaat; dat is (volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel) met blijschap aangedaan word, en met zo veel te groter blijschap, als zy zich zelve, en haar vermogen van te doen onderscheidelijker kan inbeelden; gelijk wy voorgaven.

Toegift.--Deze blijschap word meer en meer gevoed en aangequeekt, naar dat de mensch zich meer inbeeld dat hy van anderen geprezen word. Want hoe hy zich meer inbeeld dat hy van anderen word geprezen, hoe hy zich ook inbeeld dat hy anderen met groter blijschap aandoet, en dit met zijn denkbeelt verzelt; volgens het Byvoegsel van de negenentwintigste Voorstelling in dit deel: en dieshalven (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel) word hy zelf, in 't gezelschap van zijn denkbeelt, met groter blijschap aangedaan; 't welk te betogen stond.

When the mind regards itself and its own power of activity, it feels pleasure: and that pleasure is greater in proportion to the distinctness wherewith it conceives itself and its own power of activity.

Proof.--A man does not know himself except through the modifications of his body, and the ideas thereof (II. xix. and xxiii.). When, therefore, the mind is able to contemplate itself, it is thereby assumed to pass to a greater perfection, or (III. xi. note) to feel pleasure; and the pleasure will be greater in proportion to the distinctness, wherewith it is able to conceive itself and its own power of activity. Q.E.D.

Corollary.--This pleasure is fostered more and more, in proportion as a man conceives himself to be praised by others. For the more he conceives himself as praised by others, the more he will imagine them to be affected with pleasure, accompanied by the idea of himself (III. xxix. note); thus he is (III. xxvii.) himself affected with greater pleasure, accompanied by the idea of himself. Q.E.D.

3P54
Mens ea tantum imaginari conatur quæ ipsius agendi potentiam ponunt.
DEMONSTRATIO: Mentis conatus sive potentia est ipsa ipsius mentis essentia (per propositionem 7 hujus); mentis autem essentia (ut per se notum) id tantum quod mens est et potest, affirmat; at non id quod non est neque potest adeoque id tantum imaginari conatur quod ipsius agendi potentiam affirmat sive ponit. Q.E.D.
De ziel word gedwongen, alleenlijk die dingen in te beelden, de welken haar vermogen van te doen stellen.

Betoging.--De poging, of macht der ziel is zelfs de wezentheit der ziel zelve; volgens de zevende Voorstelling van dit deel. Maar de wezentheit der ziel (gelijk uit zich is bekent) bevestigt alleenlijk dit, dat de ziel is, en vermag, en niet dit, dat zy niet is, noch vermag: en dieshalven poogt zy alleenlijk dit in te beelden, dat haar vermogen van te doen bevestigt, of stelt; 't welk te betogen stond.
The mind endeavours to conceive only such things as assert its power of activity.

Proof.--The endeavour or power of the mind is the actual essence thereof (III. vii.); but the essence of the mind obviously only affirms that which the mind is and can do; not that which it neither is nor can do; therefore the mind endeavours to conceive only such things as assert or affirm its power of activity. Q.E.D.
3P55
Cum mens suam impotentiam imaginatur, eo ipso contristatur.
DEMONSTRATIO: Mentis essentia id tantum quod mens est et potest, affirmat sive de natura mentis est ea tantummodo imaginari quæ ipsius agendi potentiam ponunt (per propositionem præcedentem). Cum itaque dicimus quod mens dum se ipsam contemplatur, suam imaginatur impotentiam, nihil aliud dicimus quam quod dum mens aliquid imaginari conatur quod ipsius agendi potentiam ponit, hic ejus conatus coercetur sive (per scholium propositionis 11 hujus) quod ipsa contristatur. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hæc tristitia magis ac magis fovetur si se ab aliis vituperari imaginatur; quod eodem modo demonstratur ac corollarium propositionis 53 hujus.

SCHOLIUM: Hæc tristitia concomitante idea nostræ imbecillitatis humilitas appellatur; lætitia autem quæ ex contemplatione nostri oritur, philautia vel acquiescentia in se ipso vocatur. Et quoniam hæc toties repetitur quoties homo suas virtutes sive suam agendi potentiam contemplatur, hinc ergo etiam fit ut unusquisque facta sua narrare suique tam corporis quam animi vires ostentare gestiat et ut homines hac de causa sibi invicem molesti sint. Ex quibus iterum sequitur homines natura esse invidos (vide scholium propositionis 24 et scholium propositionis 32 hujus) sive ob suorum æqualium imbecillitatem gaudere et contra propter eorundem virtutem contristari. Nam quoties unusquisque suas actiones imaginatur toties lætitia (per propositionem 53 hujus) afficitur et eo majore quo actiones plus perfectionis exprimere et easdem distinctius imaginatur hoc est (per illa quæ in scholio I propositionis 40 partis II dicta sunt) quo magis easdem ab aliis distinguere et ut res singulares contemplari potest. Quare unusquisque ex contemplatione sui tunc maxime gaudebit quando aliquid in se contemplatur quod de reliquis negat. Sed si id quod de se affirmat, ad universalem hominis vel animalis ideam refert, non tantopere gaudebit et contra contristabitur si suas ad aliorum actiones comparatas imbecilliores esse imaginetur, quam quidem tristitiam (per propositionem 28 hujus) amovere conabitur idque suorum æqualium actiones perperam interpretando vel suas quantum potest adornando. Apparet igitur homines natura proclives esse ad odium et invidiam ad quam accedit ipsa educatio. Nam parentes solo honoris et invidiæ stimulo liberos ad virtutem concitare solent. Sed scrupulus forsan remanet quod non raro hominum virtutes admiremur eosque veneremur. Hunc ergo ut amoveam sequens addam corollarium.

COROLLARIUM: Nemo virtutem alicui nisi æquali invidet.

DEMONSTRATIO: Invidia est ipsum odium (vide scholium propositionis 24 hujus) sive (per scholium propositionis 13 hujus) tristitia hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) affectio qua hominis agendi potentia seu conatus coercetur. At homo (per scholium propositionis 9 hujus) nihil agere conatur neque cupit nisi quod ex data sua natura sequi potest; ergo homo nullam de se agendi potentiam seu (quod idem est) virtutem prædicari cupiet quæ naturæ alterius est propria et suæ aliena adeoque ejus cupiditas coerceri hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) ipse contristari nequit ex eo quod aliquam virtutem in aliquo ipsi dissimili contemplatur et consequenter neque ei invidere poterit. At quidem suo æquali qui cum ipso ejusdem naturæ supponitur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Cum igitur supra in scholio propositionis 52 hujus partis dixerimus nos hominem venerari ex eo quod ipsius prudentiam, fortitudinem etc. admiramur, id fit (ut ex ipsa propositione patet) quia has virtutes ei singulariter inesse et non ut nostræ naturæ communes imaginamur adeoque easdem ipsi non magis invidebimus quam arboribus altitudinem et leonibus fortitudinem etc.

Als de ziel zich haar onmacht inbeeld, zo word zy daar over bedroeft.

Betoging.--De wezentheit der ziel bevestigt dit alleenlijk, dat de ziel is, en vermag; dat is, de natuur van de ziel is alleenlijk die dingen in te beelden, die haar vermogen van te doen stellen; volgens de voorgaande Voorstelling. Als wy dan zeggen, dat de ziel, terwijl zy zich zelve beschout, zich haar onmacht inbeeld, zo zeggen wy niets anders, dan dat, als de ziel zich iets poogt in te beelden, 't welk haar macht van te doen stelt, deze haar poging belet of verhindert word, of (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) dat zy bedroeft word; 't welk te betogen stond.

Toegift.--Deze droef heit word meer en meer gevoed en aangequeekt, zo zy zich inbeeld dat zy van anderen gelastert word: 't welk op de zelfde wijze, als de Toegift van de drieënveertigste Voorstelling in dit deel, betoogt word.

Byvoegsel.--Deze droef heit, van het denkbeelt van onze zwakheit verzelt, word nederigheit genoemt; en de blijschap, die uit de beschouwing van ons zelven spruit, heeft de naam van zelfsliefde, of gerustheit op zich zelf. En dewijl de zelfde zo dikwijls vernieut word, als de mensch zijn deuchden, of zijn vermogen van te doen beschout, zo is dit ook d'oorzaak dat yder zijn daden gaerne wil verhalen, en zo wel de krachten van zijn lighaam, als van zijn gemoed tonen, en dat de menschen om deze oorzaak aan malkander lastig zijn. Uit het welk weder volgt, dat de menschen van natuur nijdig zijn, (bezie het Byvoegsel van de vierëntwintigste Voorstelling, en het Byvoegsel van de tweeëndartigste Voorstelling in dit deel) of zich om de zwakheit van huns gelijken verblijden, en in tegendeel om hun deucht zich bedroeven. Want zo dikwijls yder zich zijn doeningen inbeeld, word hy (volgens de drieënvijftigste Voorstel- ling in dit deel) met blijschap aangedaan, en met zo veel te groter blijschap, als hy zich inbeeld dat zijn doeningen meer volmaaktheit uitdrukken, en als hy de zelfden zich onderscheidelijker inbeeld; dat is (volgens het geen, 't welk in 't eerste Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel gezegt is) hoe hy de zelfden meer van d'anderen kan onderscheiden, en als bezondere dingen beschouwen. Dieshalven zal yder zich dan uit d'aanschouwing van zich zelf meest verblijden, als hy in zich iets beschout, 't welk hy in d'anderen ontkent. Maar indien hy dit, dat hy van zich zelf bevestigt, aan 't algemeen denkbeelt van de mensch, of van het dier toepast, zo zal hy zich niet zo zeer verblijden, maar, in tegendeel, zich bedroeven zo hy zich inbeeld dat zijn doeningen, by die van anderen geleken, zwakker zijn. En deze droef heit (volgens d'achtentwintigste Voorstelling van dit deel) zal hy pogen te verdrijven; en dit met de doeningen van zijns gelijken qualijk uit te leggen; of de zijnen, zo veel als hem mogelijk is, op te pronken. Hier uit blijkt dan dat de menschen van natuur tot haat en nijt genegen zijn; daar d'opvoeding zelve noch bijkoomt. Want d'ouders zijn gewent hun kinderen door d'enige prikkel van eer en nijt ter deucht aan te prikkelen. Maar hier zal misschien noch deze zwarigheit overig zijn, dat wy dikwijls over de deuchden der menschen verwondert zullen wezen, en hen eren. Om dan deze zwarigheit wech te nemen, zal ik de volgende Toegift hier by voegen.

Toegift.--Niemant benijd iemants deucht, 't en zy hy hem gelijk is.

Betoging.--Nijt is een haat zelf, (bezie het Byvoegsel van de vierëntwintigste Voorstelling in dit deel) of (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) een droefheit, dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) een aandoening, daar door de macht, of poging van de mensch om te doen, bedwongen, en ingetoomt word. Maar de mensch (volgens het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) poogt, noch begeert niets te doen, dan 't geen, dat uit zijn gestelde natuur kan volgen: dieshalven, de mensch zal niet begeren dat'er enig vermogen, of ('t welk het zelfde is) deucht, die aan eens anders natuur eigen, en aan de zijne vreemt is, aan zijn natuur toegeëigent word: in voegen dat zijn begeerte niet kan bedwongen en ingetoomt, dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) hy zelf niet bedroeft worden, namelijk hieröm, dat in iemant, hem ongelijk, enige deucht word aangeschout; en by gevolg zal hy hem ook niet konnen benijden: maar wel zijns gelijkel, die met hem van een zelfde natuur onderstelt word; gelijk de Voorstelling meêbracht.

Byvoegsel.--Als wy dan hier voor (volgens het Byvoegsel van de tweeënvijftigste Voorstelling in dit deel) gezegt hebben, dat wy een mensch hieröm eren, dat wy over zijn voorzichtigheit, sterkheit, enz. verwondert zijn, zo geschied dit, (gelijk uit de Voorstelling zelve blijkt) om dat wy ons inbeelden dat deze deuchden bezonderlijk in hem zijn, en niet als aan onze natuur gemeen: en dus zullen wy aan hem de zelfden zo weinig benijden, als aan de bomen de hoogte, en aan de leeuwen de sterkheit, enz.

When the mind contemplates its own weakness, it feels pain thereat.

Proof.--The essence of the mind only affirms that which the mind is, or can do; in other words, it is the mind's nature to conceive only such things as assert its power of activity (last Prop.). Thus, when we say that the mind contemplates its own weakness, we are merely saying that while the mind is attempting to conceive something which asserts its power of activity, it is checked in its endeavour----in other words (III. xi. note), it feels pain. Q.E.D.

Corollary.--This pain is more and more fostered, if a man conceives that he is blamed by others; this may be proved in the same way as the corollary to III. liii.

Note.--This pain, accompanied by the idea of our own weakness, is called humility; the pleasure, which springs from the contemplation of ourselves, is called self--love or self--complacency. And inasmuch as this feeling is renewed as often as a man contemplates his own virtues, or his own power of activity, it follows that everyone is fond of narrating his own exploits, and displaying the force both of his body and mind, and also that, for this reason, men are troublesome to one another. Again, it follows that men are naturally envious (III. xxiv. note, and III. xxxii. note), rejoicing in the shortcomings of their equals, and feeling pain at their virtues. For whenever a man conceives his own actions, he is affected with pleasure (III. liii.), in proportion as his actions display more perfection, and he conceives them more distinctly--that is (II. xl. note), in proportion as he can distinguish them from others, and regard them as something special. Therefore, a man will take most pleasure in contemplating himself, when he contemplates some quality which he denies to others. But, if that which he affirms of himself be attributable to the idea of man or animals in general, he will not be so greatly pleased: he will, on the contrary, feel pain, if he conceives that his own actions fall short when compared with those of others. This pain (III. xxviii.) he will endeavour to remove, by putting a wrong construction on the actions of his equals, or by, as far as he can, embellishing his own.

It is thus apparent that men are naturally prone to hatred and envy, which latter is fostered by their education. For parents are accustomed to incite their children to virtue solely by the spur of honour and envy. But, perhaps, some will scruple to assent to what I have said, because we not seldom admire men's virtues, and venerate their possessors. In order to remove such doubts, I append the following corollary.

Corollary.--No one envies the virtue of anyone who is not his equal.

Proof.--Envy is a species of hatred (III. xxiv. note) or (III. xiii. note) pain, that is (III. xi. note), a modification whereby a man's power of activity, or endeavour towards activity, is checked. But a man does not endeavour or desire to do anything, which cannot follow from his nature as it is given; therefore a man will not desire any power of activity or virtue (which is the same thing) to be attributed to him, that is appropriate to another's nature and foreign to his own; hence his desire cannot be checked, nor he himself pained by the contemplation of virtue in some one unlike himself, consequently he cannot envy such an one. But he can envy his equal, who is assumed to have the same nature as himself. Q.E.D.

Note.--When, therefore, as we said in the note to III. lii., we venerate a man, through wonder at his prudence, fortitude, &c., we do so, because we conceive those qualities to be peculiar to him, and not as common to our nature; we, therefore, no more envy their possessor, than we envy trees for being tall, or lions for being courageous.

3P56
Lætitiæ, tristitiæ et cupiditatis et consequenter uniuscujusque affectus qui ex his componitur ut animi fluctuationis vel qui ab his derivatur nempe amoris, odii, spei, metus etc. tot species dantur quot sunt species objectorum a quibus afficimur.
DEMONSTRATIO: Lætitia et tristitia et consequenter affectus qui ex his componuntur vel ex his derivantur, passiones sunt (per scholium propositionis 11 hujus); nos autem (per propositionem 1 hujus) necessario patimur quatenus ideas habemus inadæquatas et quatenus easdem habemus (per propositionem 3 hujus) eatenus tantum patimur hoc est (vide scholium I propositionis 40 partis II) eatenus tantum necessario patimur quatenus imaginamur sive (vide propositionem 17 partis II cum ejus scholio) quatenus afficimur affectu qui naturam nostri corporis et naturam corporis externi involvit. Natura igitur uniuscujusque passionis ita necessario debet explicari ut objecti a quo afficimur, natura exprimatur. Nempe lætitia quæ ex objecto exempli gratia A oritur, naturam ipsius objecti A et lætitia quæ ex objecto B oritur, ipsius objecti B naturam involvit atque adeo hi duo lætitiæ affectus natura sunt diversi quia ex causis diversæ naturæ oriuntur. Sic etiam tristitiæ affectus qui ex uno objecto oritur, diversus natura est a tristitia quæ ab alia causa oritur, quod etiam de amore, odio, spe, metu, animi fluctuatione etc. intelligendum est ac proinde lætitiæ, tristitiæ, amoris, odii etc. tot species necessario dantur quot sunt species objectorum a quibus afficimur. At cupiditas est ipsa uniuscujusque essentia seu natura quatenus ex data quacunque ejus constitutione determinata concipitur ad aliquid agendum (vide scholium propositionis 9 hujus); ergo prout unusquisque a causis externis hac aut illa lætitiæ, tristitiæ, amoris, odii etc. specie afficitur hoc est prout ejus natura hoc aut alio modo constituitur, ita ejus cupiditas alia atque alia esse et natura unius a natura alterius cupiditatis tantum differre necesse est quantum affectus a quibus unaquæque oritur, inter se differunt. Dantur itaque tot species cupiditatis quot sunt species lætitiæ, tristitiæ, amoris etc. et consequenter (per jam ostensa) quot sunt objectorum species a quibus afficimur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Inter affectuum species quæ (per propositionem præcedentem) perplurimæ esse debent, insignes sunt luxuria, ebrietas, libido, avaritia et ambitio, quæ non nisi amoris vel cupiditatis sunt notiones quæ hujus utriusque affectus naturam explicant per objecta ad quæ referuntur. Nam per luxuriam, ebrietatem, libidinem, avaritiam et ambitionem nihil aliud intelligimus quam convivandi, potandi, coeundi, divitiarum et gloriæ immoderatum amorem vel cupiditatem. Præterea hi affectus quatenus eos per solum objectum ad quod referuntur ab aliis distinguimus, contrarios non habent. Nam temperantia quam luxuriæ et sobrietas quam ebrietati et denique castitas quam libidini opponere solemus, affectus seu passiones non sunt sed animi indicant potentiam quæ hos affectus moderatur. Cæterum reliquas affectuum species hic explicare nec possum (quia tot sunt quot objectorum species) nec si possem, necesse est. Nam ad id quod intendimus nempe ad affectuum vires et mentis in eosdem potentiam determinandum, nobis sufficit uniuscujusque affectus generalem habere definitionem. Sufficit inquam nobis affectuum et mentis communes proprietates intelligere ut determinare possimus qualis et quanta sit mentis potentia in moderandis et coercendis affectibus. Quamvis itaque magna sit differentia inter hunc et illum amoris, odii vel cupiditatis affectum exempli gratia inter amorem erga liberos et inter amorem erga uxorem, nobis tamen has differentias cognoscere et affectuum naturam et originem ulterius indagare, non est opus.

Daar zijn zo veel soorten, of gedaanten van blijschap, droef heit, en begeerte, en by gevolg van yder hartstocht, die uit dezen bestaat, als van vlotheit des gemoeds, of die van dezen afgeleid worden, namentlijk van liefde, haat, hoop, vrees, enz. als'er soorten, of gedaante van voorwerpen zijn, van de welken wy aangedaan worden.

Betoging.--De blijschap en droef heit, en by gevolg de hartstochten, die uit de zelfden te zamen gezet, of daar van afgeleid worden, zijn lijdingen; volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel. Maar wy (volgens d' eerste Voorstelling van dit deel) lijden nootzakelijk voor zo veel wy onëvenmatige denkbeelden hebben; en voor zo veel wy de zelfden hebben, (volgens de darde Voorstelling in dit deel) voor zo veel lijden wy alleenlijk; dat is, (bezie het Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) voor zo veel lijden wy alleenlijk nootzakelijk, als wy ons inbeelden, of (bezie de zeventiende Voorstelling in het tweede deel, met der zelfder Byvoegsel) voor zo veel worden wy met de hartstocht aangedaan, die de natuur van onz lighaam, en de natuur van een uitterlijk lighaam insluit. De natuur van yder lijding dan moet nootzakelijk zodanig verklaart worden, dat de natuur van het voorwerp, van het welk wy aangedaan worden, uitgedrukt word: te weten, de blijschap, die, om een voorbeelt by te brengen, uit het voorwerp A spruit, sluit de natuur van 't voorwerp A zelf in, en de blijschap, die uit het voorwerp B spruit, de natuur van 't voorwerp B zelf: in voegen dat deze twee hartstochten van blijschap verscheiden van natuur zijn, om dat zy uit oorzaken van een verscheide natuur spruiten. In dezer voegen is ook de hartstocht van droef heit, die uit een voorwerp spruit, verscheiden van de natuur van de droef heit, die uit een andere oorzaak spruit: 't welk ook van de liefde, haat, hoop, vrees, vlotheit des gemoeds, enz. te verstaan is: en dieshalven moeten 'er nootzakelijk zo veel soorten, of gedaanten van blijschap, droef heit, liefde, haat, enz. wezen, als'er soorten of gedaanten van voorwerpen zijn, van de welken wy aangedaan worden. Maar de begeerte is de wezentheit zelve, of de natuur van yder, voor zo veel zy, uit yder gegeve gesteltenis daar af, bepaalt bevat word tot iets te doen; bezie het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel: dieshalven, naar dat yder, door d'uitwendige oorzaken, van deze of die soort, of gedaante van blijschap, droef heit, liefde, haat, enz. aangedaan word, dat is, naar dat zijn natuur op deze of die wijze gestelt is; zo is nootzakelijk dat zijn begeerte anders en anders is, en dat de natuur van de begeerte des eens zo veel van die van d'ander verschilt, als de hartstochten, uit de welken yder spruit, van malkander verschillen. Daar zijn dieshalven zo veel soorten, of gedaanten van begeerte, als 'er soorten, of gedaanten van blijschap, droef heit, liefde, enz. zijn, en by gevolg (volgens het geen, dat alreê getoont is) als men soorten, of gedaanten van voorwerpen vind, van de welken wy aangedaan worden: 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Onder de soorten, of gedaanten van hartstochten, die (volgens de voorgaande Voorstelling) zeer veel moeten wezen, munten uit, d' overdaat, dronkenschap, gailheit, gierigheit, en roemzucht, de welken niets anders zijn, dan kundigheden van liefde, en van begeerte, de welken de natuur van deze beide hartstochten verklaren, te weten door de voorwerpen, op de welken zy toegepast worden. Want by overdaat, dronkenschap, gailheit, gierigheit, en eerzucht verstaan wy niets anders, dan een overmatige liefde, of lust van te gasten, te drinken, by te slapen, der rijkdommen, en eer. Wijders, deze hartstochten, voor zo veel wy hen door 't voorwerp alleen, tot het welk zy toegepast worden, van d' anderen onderscheiden, hebben geen strijdigen. Want de matigheit, die wy tegen d' overdaat, en de nuchterheit, die wy tegen de dronkenschap, en eindelijk de kuisheit, die wy tegen de gailheit gemenelijk stellen, zijn geen hartstochten, of lijdingen, maar wijzen aan het vermogen, 't welk deze hartstocht matigt. Voorts, ik kan d' andere soorten, of gedaanten van hartstochten hier niet verklaren, om dat zy zo groot in getal zijn, als de soorten, of gedaanten der voorwerpen; en schoon ik zulks vermogt, zo zou het niet nootzakelijk zijn. Want tot het geen, daar wy 't op gemunt hebben, namelijk tot de krachten der hartstochten, en het vermogen van de ziel daar in te bepalen, is ons genoech dat wy d' algemene bepaling van yder hartstocht hebben. 't Is ons, zeg ik, genoech de gemene eigenschappen der hartstochten, en der ziel te verstaan, om te konnen bepalen hoedanig en hoe groot het vermogen van de ziel is, om de hartstochten te matigen, en te bedwingen. Hoewel 'er dan groot onderscheit tusschen deze en die hartstocht van liefde, haat, of begeerlijkheit is, tot een voorbeelt, tusschen de liefde tot zijn kinderen, en tusschen de liefde tot zijn gemalin, zo is ons echter niet nodig deze onderscheiden te kennen, en de natuur en oorsprong der hartstochten wijder t' onderzoeken.

There are as many kinds of pleasure, of pain, of desire, and of every emotion compounded of these, such as vacillations of spirit, or derived from these, such as love, hatred, hope, fear, &c., as there are kinds of objects whereby we are affected.

Proof.--Pleasure and pain, and consequently the emotions compounded thereof, or derived therefrom, are passions, or passive states (III. xi. note); now we are necessarily passive (III. i.), in so far as we have inadequate ideas; and only in so far as we have such ideas are we passive (III. iii.); that is, we are only necessarily passive (II. xl. note), in so far as we conceive, or (II. xvii. and note) in so far as we are affected by an emotion, which involves the nature of our own body, and the nature of an external body. Wherefore the nature of every passive state must necessarily be so explained, that the nature of the object whereby we are affected be expressed. Namely, the pleasure, which arises from, say, the object A, involves the nature of that object A, and the pleasure, which arises from the object B, involves the nature of the object B; wherefore these two pleasurable emotions are by nature different, inasmuch as the causes whence they arise are by nature different. So again the emotion of pain, which arises from one object, is by nature different from the pain arising from another object, and, similarly, in the case of love, hatred, hope, fear, vacillation, &c.

Thus, there are necessarily as many kinds of pleasure, pain, love, hatred, &c., as there are kinds of objects whereby we are affected. Now desire is each man's essence or nature, in so far as it is conceived as determined to a particular action by any given modification of itself (III. ix. note); therefore, according as a man is affected through external causes by this or that kind of pleasure, pain, love, hatred, &c., in other words, according as his nature is disposed in this or that manner, so will his desire be of one kind or another, and the nature of one desire must necessarily differ from the nature of another desire, as widely as the emotions differ, wherefrom each desire arose. Thus there are as many kinds of desire, as there are kinds of pleasure, pain, love, &c., consequently (by what has been shown) there are as many kinds of desire, as there are kinds of objects whereby we are affected. Q.E.D.

Note.--Among the kinds of emotions, which, by the last proposition, must be very numerous, the chief are luxury, drunkenness, lust, avarice, and ambition, being merely species of love or desire, displaying the nature of those emotions in a manner varying according to the object, with which they are concerned. For by luxury, drunkenness, lust, avarice, ambition, &c., we simply mean the immoderate love of feasting, drinking, venery, riches, and fame. Furthermore, these emotions, in so far as we distinguish them from others merely by the objects wherewith they are concerned, have no contraries. For temperance, sobriety, and chastity, which we are wont to oppose to luxury, drunkenness, and lust, are not emotions or passive states, but indicate a power of the mind which moderates the last--named emotions. However, I cannot here explain the remaining kinds of emotions (seeing that they are as numerous as the kinds of objects), nor, if I could, would it be necessary. It is sufficient for our purpose, namely, to determine the strength of the emotions, and the mind's power over them, to have a general definition of each emotion. It is sufficient, I repeat, to understand the general properties of the emotions and the mind, to enable us to determine the quality and extent of the mind's power in moderating and checking the emotions. Thus, though there is a great difference between various emotions of love, hatred, or desire, for instance between love felt towards children, and love felt towards a wife, there is no need for us to take cognizance of such differences, or to track out further the nature and origin of the emotions.

3P57
Quilibet uniuscujusque individui affectus ab affectu alterius tantum discrepat quantum essentia unius ab essentia alterius differt.
DEMONSTRATIO: Hæc propositio patet ex axiomate 1, quod vide post lemma 3 scholiumque propositionis 13 partis II. At nihilominus eandem ex trium primitivorum affectuum definitionibus demonstrabimus. Omnes affectus ad cupiditatem, lætitiam vel tristitiam referuntur ut eorum quas dedimus definitiones, ostendunt. At cupiditas est ipsa uniuscujusque natura seu essentia (vide ejus definitionem in scholio propositionis 9 hujus); ergo uniuscujusque individui cupiditas a cupiditate alterius tantum discrepat quantum natura seu essentia unius ab essentia alterius differt. Lætitia deinde et tristitia passiones sunt quibus uniuscujusque potentia seu conatus in suo esse perseverandi augetur vel minuitur, juvatur vel coercetur (per propositionem 11 hujus et ejus scholium). At per conatum in suo esse perseverandi quatenus ad mentem et corpus simul refertur, appetitum et cupiditatem intelligimus (vide scholium propositionis 9 hujus); ergo lætitia et tristitia est ipsa cupiditas sive appetitus quatenus a causis externis augetur vel minuitur, juvatur vel coercetur hoc est (per idem scholium) est ipsa cujusque natura atque adeo uniuscujusque lætitia vel tristitia a lætitia vel tristitia alterius tantum etiam discrepat quantum natura seu essentia unius ab essentia alterius differt et consequenter quilibet uniuscujusque individui affectus ab affectu alterius tantum discrepat etc. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hinc sequitur affectus animalium quæ irrationalia dicuntur (bruta enim sentire nequaquam dubitare possumus postquam mentis novimus originem) ab affectibus hominum tantum differre quantum eorum natura a natura humana differt. Fertur quidem equus et homo libidine procreandi; at ille libidine equina hic autem humana. Sic etiam libidines et appetitus insectorum, piscium et avium alii atque alii esse debent. Quamvis itaque unumquodque individuum sua qua constat natura, contentum vivat eaque gaudeat, vita tamen illa qua unumquodque est contentum et gaudium nihil aliud est quam idea seu anima ejusdem individui atque adeo gaudium unius a gaudio alterius tantum natura discrepat quantum essentia unius ab essentia alterius differt. Denique ex præcedenti propositione sequitur non parum etiam interesse inter gaudium quo ebrius exempli gratia ducitur et inter gaudium quo potitur philosophus, quod hic in transitu monere volui. Atque hæc de affectibus qui ad hominem referuntur quatenus patitur. Superest ut pauca addam de iis qui ad eundem referuntur quatenus agit.

Yder hartstocht van yder ondeelig verschilt zo veel van de hartstocht van een ander ondeelig, als de wezentheit van 't een van de wezentheit van 't ander verschilt.

Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit d'eerste Kundigheit, die na het darde Voorbewijs van het Byvoegsel op de dartiende Voorstelling van het tweede deel te zien is. Maar wy zullen echter de zelfde uit drie Bepalingen der eerste, of oorspronkelijke hartstochten betogen. Alle Hartstochten worden tot de begeerte, blijschap, of droefheit toegepast; gelijk de Bepalingen der hartstochten, die wy gegeven hebben, tonen. Maar deze begeerte is de natuur, of wezentheit zelve van yder; bezie des zelfs Bepaling in 't Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel. Dieshalven, de begeerte van yder ondeelig verschilt zo veel van de begeerte van een ander ondeelig, als de natuur, of de wezentheit van 't een van de wezentheit van 't ander verschilt. Voorts, de blijschap en droefheit zijn lijdingen, door de welken yders macht, of poging van in zijn wezen te blijven, vermeerdert, of vermindert, geholpen, of ingetoomt word; volgens d' elfde Voorstelling in dit deel, en in der zelfder Byvoegsel. Maar by de poging, van in zijn wezen te blijven, verstaan wy de lust en begeerte, voor zo veel zulks te gelijk tot de ziel, en tot het lighaam toegepast word; bezie het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel: Dieshalven,de blijschap en droef heit is de begeerte, of de lust zelve, voor zo veel zy door uitterlijke oorzaken vermeerdert of vermindert, geholpen, of ingetoomt word; dat is, (volgens het zelfde Byvoegsel) zy is de natuur zelve van yder: en dieshalven, yders blijschap, of droefheit verschilt ook zo veel van des anders blijschap, of droef heit, als de natuur, of wezentheit van d' een van de wezentheit des anders verschilt. Dieshalven, yder hartstocht van een ondeelig verschilt zo veel van de hartstocht van een ander ondeelig, enz. gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hier uit volgt dat de hartstochten der dieren, die onreedelijk worden genoemt, (want wy konnen geensins twijsfelen dat de beesten gevoele,n na dat wy d' oorsprong van de ziel kennen) zo veel van de hartstochten der menschen verschillen, als hun natuur van de menschelijke verschilt. De hengst, en de mensch worden wel van lust tot voortteelen gedreven; maar d' eerste door een paertsche, en d' ander door een menschelijke lust. In dezer voegen moeten de lusten en begeerten der bloedeloze beestjes, visschen en vogelen ook anders en anders wezen. Dieshalven, hoewel yder ondeelig met zijn natuur, daar door hy bestaat, vergenoegt leeft, en zich daar in verheugt, zo is echter dit vernoegt leven van yder, en vreucht niets anders, dan het denkbeelt, of de ziel van yder ondeelig: in voegen dat de vreucht van d' een van de vreucht van d' ander zo veel van natuur verschilt, als de wezentheit van 't een van de wezentheit van 't ander verschilt. Eindelijk, uit de voorgaande Voorstelling volgt, dat 'er niet weinig onderscheit is tusschen de vreucht, daar af een dronke mensch (om een voorbeelt by te brengen) geleid word, en tusschen de vreucht, die een Wijsbegerige geniet; 't welk ik hier in 't voorbygaan heb willen vermanen. Dit zy gezegt van de hartstochten, die tot de mensch, voor zo veel als hy lijd, toegepast worden. Nu is noch overig dat ik 'er noch iets van 't geen byvoeg, dat tot de zelfde, voor zo veel hy doet, of werkt, toegepast word.

Any emotion of a given individual differs from the emotion of another individual, only in so far as the essence of the one individual differs from the essence of the other.

Proof.--This proposition is evident from Ax. i. (which see after Lemma iii. Prop. xiii., Part II.). Nevertheless, we will prove it from the nature of the three primary emotions.

All emotions are attributable to desire, pleasure, or pain, as their definitions above given show. But desire is each man's nature or essence (III. ix. note); therefore desire in one individual differs from desire in another individual, only in so far as the nature or essence of the one differs from the nature or essence of the other. Again, pleasure and pain are passive states or passions, whereby every man's power or endeavour to persist in his being is increased or diminished, helped or hindered (III. xi. and note). But by the endeavour to persist in its being, in so far as it is attributable to mind and body in conjunction, we mean appetite and desire (III. ix. note); therefore pleasure and pain are identical with desire or appetite, in so far as by external causes they are increased or diminished, helped or hindered, in other words, they are every man's nature; wherefore the pleasure and pain felt by one man differ from the pleasure and pain felt by another man, only in so far as the nature or essence of the one man differs from the essence of the other; consequently, any emotion of one individual only differs, &c. Q.E.D.

Note.--Hence it follows, that the emotions of the animals which are called irrational (for after learning the origin of mind we cannot doubt that brutes feel) only differ from man's emotions, to the extent that brute nature differs from human nature. Horse and man are alike carried away by the desire of procreation; but the desire of the former is equine, the desire of the latter is human. So also the lusts and appetites of insects, fishes, and birds must needs vary according to the several natures. Thus, although each individual lives content and rejoices in that nature belonging to him wherein he has his being, yet the life, wherein each is content and rejoices, is nothing else but the idea, or soul, of the said individual, and hence the joy of one only differs in nature from the joy of another, to the extent that the essence of one differs from the essence of another. Lastly, it follows from the foregoing proposition, that there is no small difference between the joy which actuates, say, a drunkard, and the joy possessed by a philosopher, as I just mention here by the way. Thus far I have treated of the emotions attributable to man, in so far as he is passive. It remains to add a few words on those attributable to him in so far as he is active.

3P58
Præter lætitiam et cupiditatem quæ passiones sunt, alii lætitiæ et cupiditatis affectus dantur qui ad nos quatenus agimus, referuntur.
DEMONSTRATIO: Cum mens se ipsam suamque agendi potentiam concipit, lætatur (per propositionem 53 hujus) : mens autem se ipsam necessario contemplatur quando veram sive adæquatam ideam concipit (per propositionem 43 partis II). At mens quasdam ideas adæquatas concipit (per scholium II propositionis 40 partis II) : ergo eatenus etiam lætatur quatenus ideas adæquatas concipit hoc est (per propositionem 1 hujus) quatenus agit. Deinde mens tam quatenus claras et distinctas quam quatenus confusas habet ideas, in suo esse perseverare conatur (per propositionem 9 hujus) : at per conatum cupiditatem intelligimus (per ejusdem scholium); ergo cupiditas ad nos refertur etiam quatenus intelligimus sive (per propositionem 1 hujus) quatenus agimus. Q.E.D.
Behalven de blijschap, en begeerte, die lijdingen zijn, vind men noch andere hartstochten van blijschap en begeerte, die tot ons, voor zo veel wy doen, of werken, toegepast worden.

Betoging.--Dewijl de ziel zich zelve, en haar vermogen van te doen bevat, zo verblijd zy zich; volgens de drieënvijftigste Voorstelling in dit deel: Maar de ziel aanschout nootzakelijk zich zelve, als zy een waar, of evenmatig denkbeelt bevat; volgens de drieënveertigste Voorstelling in het tweede deel: Maar de ziel bevat zekere evenmatige denkbeelden; volgens het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel: Dieshalven, voor zo veel verblijd zy zich ook, voor zo veel zy evenmatige denkbeelden bevat: dat is, (volgens d'eerste Voorstelling in dit deel) voor zo veel zy doet. Wijders, de ziel, zo wel voor zo veel zy klare en onderscheide, als voor zo veel zy verwarde denkbeelden heeft, poogt in haar wezen te blijven; volgens de negende Voorstelling van dit deel. Maar by poging verstaan wy hier begeerte; volgens het Byvoegsel daar af: dieshalven, de begeerte word tot ons toegepast, zelfs voor zo veel wy verstaan, of (volgens d'eerste Voorstelling in dit deel) voor zo veel wy doen, of werken; 't welk te betogen stond.
Besides pleasure and desire, which are passivities or passions, there are other emotions derived from pleasure and desire, which are attributable to us in so far as we are active.

Proof.--When the mind conceives itself and its power of activity, it feels pleasure (III. liii.): now the mind necessarily contemplates itself, when it conceives a true or adequate idea (II. xliii.). But the mind does conceive certain adequate ideas (II. xl. note 2.). Therefore it feels pleasure in so far as it conceives adequate ideas; that is, in so far as it is active (III. i.). Again, the mind, both in so far as it has clear and distinct ideas, and in so far as it has confused ideas, endeavours to persist in its own being (III. ix.); but by such an endeavour we mean desire (by the note to the same Prop.); therefore, desire is also attributable to us, in so far as we understand, or (III. i.) in so far as we are active. Q.E.D.
3P59
Inter omnes affectus qui ad mentem quatenus agit referuntur, nulli alii sunt quam qui ad lætitiam vel cupiditatem referuntur.
DEMONSTRATIO: Omnes affectus ad cupiditatem, lætitiam vel tristitiam referuntur ut eorum quas dedimus definitiones ostendunt. Per tristitiam autem intelligimus quod mentis cogitandi potentia minuitur vel coercetur (per propositionem 11 hujus et ejus scholium) adeoque mens quatenus contristatur eatenus ejus intelligendi hoc est ejus agendi potentia (per propositionem 1 hujus) minuitur vel coercetur adeoque nulli tristitiæ affectus ad mentem referri possunt quatenus agit sed tantum affectus lætitiæ et cupiditatis qui (per propositionem præcedentem) eatenus etiam ad mentem referuntur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Omnes actiones quæ sequuntur ex affectibus qui ad mentem referuntur quatenus intelligit, ad fortitudinem refero quam in animositatem et generositatem distinguo. Nam per animositatem intelligo cupiditatem qua unusquisque conatur suum esse ex solo rationis dictamine conservare. Per generositatem autem cupiditatem intelligo qua unusquisque ex solo rationis dictamine conatur reliquos homines juvare et sibi amicitia jungere. Eas itaque actiones quæ solum agentis utile intendunt, ad animositatem et quæ alterius etiam utile intendunt ad generositatem refero. Temperantia igitur, sobrietas et animi in periculis præsentia etc. animositatis sunt species; modestia autem, clementia etc. species generositatis sunt. Atque his puto me præcipuos affectus animique fluctuationes quæ ex compositione trium primitivorum affectuum nempe cupiditatis, lætitiæ et tristitiæ oriuntur, explicuisse perque primas suas causas ostendisse. Ex quibus apparet nos a causis externis multis modis agitari nosque perinde ut maris undæ a contrariis ventis agitatæ fluctuari nostri eventus atque fati inscios. At dixi me præcipuos tantum, non omnes qui dari possunt animi conflictus ostendisse. Nam eadem via qua supra procedendo facile possumus ostendere amorem esse junctum pœnitentiæ, dedignationi, pudori etc. Imo unicuique ex jam dictis clare constare credo affectus tot modis alios cum aliis posse componi indeque tot variationes oriri ut nullo numero definiri queant. Sed ad meum institutum præcipuos tantum enumeravisse sufficit nam reliqui quos omisi plus curiositatis quam utilitatis haberent. Attamen de amore hoc notandum restat quod scilicet sæpissime contingit dum re quam appetebamus fruimur, ut corpus ex ea fruitione novam acquirat constitutionem a qua aliter determinatur et aliæ rerum imagines in eo excitantur et simul mens alia imaginari aliaque cupere incipit. Exempli gratia cum aliquid quod nos sapore delectare solet, imaginamur, eodem frui nempe comedere cupimus. At quamdiu eodem sic fruimur, stomachus adimpletur corpusque aliter constituitur. Si igitur corpore jam aliter disposito ejusdem cibi imago quia ipse præsens adest, fomentetur et consequenter conatus etiam sive cupiditas eundem comedendi, huic cupiditati seu conatui nova illa constitutio repugnabit et consequenter cibi quem appetebamus, præsentia odiosa erit et hoc est quod fastidium et tædium vocamus. Cæterum corporis affectiones externas quæ in affectibus observantur, ut sunt tremor, livor, singultus, risus etc. neglexi quia ad solum corpus absque ulla ad mentem relatione referuntur. Denique de affectuum definitionibus quædam notanda sunt, quas propterea hic ordine repetam et quid in unaquaque observandum est, iisdem interponam.

Alle de hartstochten, die tot de ziel toegepast worden, voor zo veel zy doet, of werkt, zijn geen anderen, dan die tot de blijschap, of tot de begeerte toegepast worden.

Betoging.--Alle de hartstochten worden tot de begeerte, blijschap, of droef heit toegepast; gelijk de Bepalingen, die wy daar af gegeven hebben, aanwijzen. Maar by droef heit verstaan wy het geen, dat het vermogen van de ziel om te denken vermindert, of intoomt; volgens d' elfde Voorstelling in dit deel, en het Byvoegsel daar op: in voegen dat, voor zo veel de ziel zich bedroeft, ook haar vermogen van te verstaan, dat is haar vermogen van te doen, (volgens d'eerste Voorstelling in dit deel) vermindert en ingetoomt word; en dieshalven konnen geen hartstochten van droef heit tot de ziel toegepast worden, voor zo veel zy doet, dan alleenlijk de hartstochten van blijschap en begeerte, die (volgens de voorgaande Voorstelling) ook dus verre tot de ziel toegepast worden; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Alle doeningen, die uit de hartstochten volgen, de welken tot de ziel toegepast worden, voor zo veel zy verstaat, pas ik op de vroomheit toe, die ik in kloekmoedigheit en edelmoedigheit onderscheid. Want by kloekmoedigheit versta ik de begeerte, door de welke yder poogt zijn wezen, alleenlijk volgens de voorspelling van de reden, te bewaren. Maar by edelmoedigheit versta ik de begeerte, door de welke yder, alleenlijk volgens de voorspelling van de reden, poogt d'andere menschen te helpen, en door vrientschap aan zich te verbinden. Ik pas dan die doeningen, de welken alleenlijk op het nut van de doender zien, op de kloekmoedigheit, en de genen, die ook op eens anders nut zien, op d'edelmoedigheit toe. De matigheit dan, soberheit, onbeteutertheit des gemoeds in de gevarelijkheden, enz. zijn soorten, of gedaanten van kloekmoedigheit. Maar de zedigheit, goedertierentheit, enz. zijn soorten, of gedaanten van edelmoedigheit. Hier mede meen ik de voornaamste hartstochten, en de vlotheden des gemoeds, die uit de samenzetting der drie eerste en oorspronkelijke hartstochten (namelijk van begeerte, blijschap en liefde) spruiten, verklaart, en door hun eerste oorzaken getoont te hebben; uit de welken blijkt dat wy door d'uitterlijke oorzaken op veelderhande wijzen gedreven en bewogen worden, en dat wy dieshalven, gelijk de golven der zee, van strijdige winden bewogen, en omgefolt worden, zonder dat wy kennis van onze uitgang en lot hebben. Ik heb gezegt dat ik alleenlijk de voornaamste hartstochten, niet alle de strijden des gemoeds, die gelevert konnen worden, getoont heb. Want wy, op de zelfde wijze, als te voren, voortgaande, konnen lichtelijk tonen dat de liefde aan berou, veröntwaerdiging, schaamte enz. gevoegt is. Ja ik geloof dat uit het geen, 't welk nu gezegt is, klarelijk blijkt dat deze hartstochten op zo veelderhande wijzen met anderen te zamen gezet konnen worden, en dat daar uit zo veel veränderingen spruiten, dat zy in geen getal bepaalt konnen worden. Maar tot mijn ooggemerk is genoech dat ik alleenlijk de voornaamsten opgetelt heb. Want d'anderen, die ik voorby gegaan ben, hebben meer keurlijkheit, dan nuttigheit. Doch van de liefde is noch dit overig t'aanmerken; namelijk dat het zeer dikwils gebeurt dat, terwijl wy de zaak, die wy begeren, genieten, het lighaam uit deze genieting een nieuwe gesteltheit verkrijgt, door de welke het anders bepaalt word, en andere beelden der dingen daar in verwekt worden, en dat de ziel te gelijk andere dingen begint in te beelden, en anderen te begeren. Tot een voorbeelt, als wy ons iets, dat gemenelijk aangenaam aan onze smaak is, inbeelden, zo begeren wy het zelfde te nuttigen, dat is t' eten. Maar terwijl wy het zelfde dus nuttigen, zo word de maag vol, en het lighaam anders gestelt. Indien dan, terwijl het lighaam anders gestelt is, het beelt van de zelfde spijs, om dat zy tegenwoordig is, gevoed en aangequeekt word, en by gevolg ook de poging, of de lust van de zelfde t' eten, zo zal deze nieuwe gesteltheit tegen deze poging, of begeerte strijden; en by gevolg zal de tegenwoordigheit der spijs, die wy begeerden, lastig zijn; en dit is het geen, dat wy walging en zadheit noemen. Wat voorts d'uitterlijke aandoeningen des lighaams aangaan, die in de hartstochten bespeurt worden, te weten de siddering, verbleeking, hik, gelach enz. ik heb hen overgeslagen, om dat zy tot het lighaam alleen, zonder enige betrekking tot de ziel, toegepast worden. Eindelijk, van de bepalingen der hartstochten staan enige dingen aan te merken, die ik dieshalven hier weêr in ordening zal optellen, en het geen, dat in yder waar te nemen is, daar tusschen voegen.

Among all the emotions attributable to the mind as active, there are none which cannot be referred to pleasure or desire.

Proof.--All emotions can be referred to desire, pleasure, or pain, as their definitions, already given, show. Now by pain we mean that the mind's power of thinking is diminished or checked (III. xi. and note); therefore, in so far as the mind feels pain, its power of understanding, that is, of activity, is diminished or checked (III. i.); therefore, no painful emotions can be attributed to the mind in virtue of its being active, but only emotions of pleasure and desire, which (by the last Prop.) are attributable to the mind in that condition. Q.E.D.

Note.--All actions following from emotion, which are attributable to the mind in virtue of its understanding, I set down to strength of character (fortitudo), which I divide into courage (animositas) and highmindedness (generositas). By courage I mean the desire whereby every man strives to preserve his own being in accordance solely with the dictates of reason. By highmindedness I mean the desire whereby every man endeavours, solely under the dictates of reason, to aid other men and to unite them to himself in friendship. Those actions, therefore, which have regard solely to the good of the agent I set down to courage, those which aim at the good of others I set down to highmindedness. Thus temperance, sobriety, and presence of mind in danger, &c., are varieties of courage; courtesy, mercy, &c., are varieties of highmindedness.

I think I have thus explained, and displayed through their primary causes the principal emotions and vacillations of spirit, which arise from the combination of the three primary emotions, to wit, desire, pleasure, and pain. It is evident from what I have said, that we are in many ways driven about by external causes, and that like waves of the sea driven by contrary winds we toss to and fro unwitting of the issue and of our fate. But I have said, that I have only set forth the chief conflicting emotions, not all that might be given. For, by proceeding in the same way as above, we can easily show that love is united to repentance, scorn, shame, &c. I think everyone will agree from what has been said, that the emotions may be compounded one with another in so many ways, and so many variations may arise therefrom, as to exceed all possibility of computation. However, for my purpose, it is enough to have enumerated the most important; to reckon up the rest which I have omitted would be more curious than profitable. It remains to remark concerning love, that it very often happens that while we are enjoying a thing which we longed for, the body, from the act of enjoyment, acquires a new disposition, whereby it is determined in another way, other images of things are aroused in it, and the mind begins to conceive and desire something fresh. For example, when we conceive something which generally delights us with its flavour, we desire to enjoy, that is, to eat it. But whilst we are thus enjoying it, the stomach is filled and the body is otherwise disposed. If, therefore, when the body is thus otherwise disposed, the image of the food which is present be stimulated, and consequently the endeavour or desire to eat it be stimulated also, the new disposition of the body will feel repugnance to the desire or attempt, and consequently the presence of the food which we formerly longed for will become odious. This revulsion of feeling is called satiety or weariness. For the rest, I have neglected the outward modifications of the body observable in emotions, such, for instance, as trembling, pallor, sobbing, laughter, &c., for these are attributable to the body only, without any reference to the mind. Lastly, the definitions of the emotions require to be supplemented in a few points; I will therefore repeat them, interpolating such observations as I think should here and there be added.

3DAI
Cupiditas est ipsa hominis essentia quatenus ex data quacunque ejus affectione determinata concipitur ad aliquid agendum.
EXPLICATIO: Diximus supra in scholio propositionis 9 hujus partis cupiditatem esse appetitum cum ejusdem conscientia; appetitum autem esse ipsam hominis essentiam quatenus determinata est ad ea agendum quæ ipsius conservationi inserviunt. Sed in eodem scholio etiam monui me revera inter humanum appetitum et cupiditatem nullam agnoscere differentiam. Nam sive homo sui appetitus sit conscius sive non sit, manet tamen appetitus unus idemque atque adeo ne tautologiam committere viderer, cupiditatem per appetitum explicare nolui sed eandem ita definire studui ut omnes humanæ naturæ conatus quos nomine appetitus, voluntatis, cupiditatis vel impetus significamus, una comprehenderem. Potueram enim dicere cupiditatem esse ipsam hominis essentiam quatenus determinata concipitur ad aliquid agendum sed ex hac definitione (per propositionem 23 partis II) non sequeretur quod mens possit suæ cupiditatis sive appetitus esse conscia. Igitur ut hujus conscientiæ causam involverem, necesse fuit (per eandem propositionem) addere "quatenus ex data quacunque ejus affectione determinata etc.". Nam per affectionem humanæ essentiæ quamcunque ejusdem essentiæ constitutionem intelligimus, sive ea sit innata sive quod ipsa per solum cogitationis sive per solum extensionis attributum concipiatur sive denique quod ad utrumque simul referatur. Hic igitur cupiditatis nomine intelligo hominis quoscunque conatus, impetus, appetitus et volitiones, qui pro varia ejusdem hominis constitutione varii et non raro adeo sibi invicem oppositi sunt ut homo diversimode trahatur et quo se vertat, nesciat.
De begeerte is de wezentheit zelve van de mensch, voor zo veel zy uit alle gestelde aandoening bepaalt bevat word, tot iets te doen of te werken.

Verklaring.--Wy hebben hier voor (in 't Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) gezegt dat de begeerte een lust met der zelfde medeweting is; maar dat de lust de wezentheit zelve van de mensch is, voor zo veel hy bepaalt is tot die dingen te doen, de welken tot zijn behoudenis dienen. Maar in het zelfde Byvoegsel heb ik ook vermaant, dat ik geen onderscheit kende tusschen de menschelijke lust en begeerte. Want het zy de mensch meêwustig is van zijn lust, of niet, de lust blijft echter een en de zelfde, en dieshalven, op dat ik herhaling van woorden zou mijden, heb ik de begeerte niet door lust willen verklaren; maar de zelfde gepoogt in dier voegen te bepalen, dat ik alle pogingen van de menschelijke natuur, die wy met de naam van lust, wil, begeerte, of drift aanwijzen, gezamentlijk zou begrijpen. Want ik had konnen zeggen, dat de begeerte de wezentheit zelve van de mensch is, voor zo veel zy bepaalt bevat word tot iets te doen. Maar uit deze Bepaling (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van het tweede deel) volgt niet, dat de ziel meêwustig van zijn begeerte, of lust kan wezen. Dieshalven, om d'oorzaak van deze meêwustigheit in te sluiten, zo was 't nootzakelijk (volgens de zelfde Voorstelling) daar by te voegen, voor zo veel uit yder gegeve Aandoening daar af bepaalt, enz. Want by aandoening van de menschelijke wezentheit verstaan wy alle gesteltheit van des zelfs wezentheit, 't zy de zelfde ingeboren, of van buiten aangekomen, of dat zy alleenlijk door de toeëigening van de denking, of van d'uitgestrektheit bevat word, of eindelijk dat men de zelfde gelijkelijk tot beide toepast. By de naam van begeerte dan versta ik hier alle pogingen, driften, lustenen willingen van de mensch, de welken, naar de verscheide gesteltheit van de zelfde mensch, verscheiden, en dikwijls zo strijdig tegen malkander zijn, dat de mensch verscheidelijk word getrokken, en niet weet werwaarts hy zich zal keren.
Desire is the actual essence of man, in so far as it is conceived, as determined to a particular activity by some given modification of itself.

Explanation.--We have said above, in the note to Prop. ix. of this part, that desire is appetite, with consciousness thereof; further, that appetite is the essence of man, in so far as it is determined to act in a way tending to promote its own persistence. But, in the same note, I also remarked that, strictly speaking, I recognize no distinction between appetite and desire. For whether a man be conscious of his appetite or not, it remains one and the same appetite. Thus, in order to avoid the appearance of tautology, I have refrained from explaining desire by appetite; but I have take care to define it in such a manner, as to comprehend, under one head, all those endeavours of human nature, which we distinguish by the terms appetite, will, desire, or impulse. I might, indeed, have said, that desire is the essence of man, in so far as it is conceived as determined to a particular activity; but from such a definition (cf. II. xxiii.) it would not follow that the mind can be conscious of its desire or appetite. Therefore, in order to imply the cause of such consciousness, it was necessary to add, in so far as it is determined by some given modification, &c. For, by a modification of man's essence, we understand every disposition of the said essence, whether such disposition be innate, or whether it be conceived solely under the attribute of thought, or solely under the attribute of extension, or whether, lastly, it be referred simultaneously to both these attributes. By the term desire, then, I here mean all man's endeavours, impulses, appetites, and volitions, which vary according to each man's disposition, and are, therefore, not seldom opposed one to another, according as a man is drawn in different directions, and knows not where to turn.
3DAII
Lætitia est hominis transitio a minore ad majorem perfectionem.
De Blijschap is een overganing van de mensch van een minder tot een meerder volmaaktheit.

Pleasure is the transition of a man from a less to a greater perfection.

3DAIII
Tristitia est hominis transitio a majore ad minorem perfectionem.
EXPLICATIO: Dico transitionem. Nam lætitia non est ipsa perfectio. Si enim homo cum perfectione ad quam transit nasceretur, ejusdem absque lætitiæ affectu compos esset; quod clarius apparet ex tristitiæ affectu qui huic est contrarius. Nam quod tristitia in transitione ad minorem perfectionem consistit, non autem in ipsa minore perfectione, nemo negare potest quandoquidem homo eatenus contristari nequit quatenus alicujus perfectionis est particeps. Nec dicere possumus quod tristitia in privatione majoris perfectionis consistat nam privatio nihil est; tristitiæ autem affectus actus est qui propterea nullus alius esse potest quam actus transeundi ad minorem perfectionem hoc est actus quo hominis agendi potentia minuitur vel coercetur (vide scholium propositionis 11 hujus). Cæterum definitiones hilaritatis, titillationis, melancholiæ et doloris omitto quia ad corpus potissimum referuntur et non nisi lætitiæ aut tristitiæ sunt species.
De Droefheit is een overganing van de mensch van een meerder tot een minder volmaaktheit.

Verklaring.--Ik zeg een overganing: want de blijschap zelve is geen volmaaktheit; dewijl de mensch, indien hy met de volmaaktheit, tot de welke hy overgaat, geboren wierd, de zelfde, zonder hartstocht van blijschap, machtig zou wezen; 't welk klarelijker blijkt uit de hartstocht van droef heit, de welk rechtstrijdigh tegen deze is. Want niemant kan loghenen dat de droef heit in een overganing tot een minder volmaaktheit, en niet in de minder volmaaktheit zelve, bestaat; dewijl de mensch niet voor zo veel droevig kan worden, als hy enige volmaaktheit deelächtig is. Wy konnen ook niet zeggen dat de droefheit in de derving van een groter volmaaktheit beltaat: want de derving is niets; en de hartstocht van droef heit is een daat, die dieshalven geen andere kan zijn, dan de daat van tot minder volmaaktheit over te gaan, dat is een daat, daar door des menschen macht van te doen vermindert, of ingetoomt word; Bezie het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel. Voorts, ik ga de Bepalingen van vrolijkheit, kitteling, naargeestigheit en treurigheit voorby, die meest tot het lighaam toegepast worden, en alleenlijk geslachten van blijschap en droef heit zijn.
Pain is the transition of a man from a greater to a less perfection.

Explanation--I say transition: for pleasure is not perfection itself. For, if man were born with the perfection to which he passes, he would possess the same, without the emotion of pleasure. This appears more clearly from the consideration of the contrary emotion, pain. No one can deny, that pain consists in the transition to a less perfection, and not in the less perfection itself: for a man cannot be pained, in so far as he partakes of perfection of any degree. Neither can we say, that pain consists in the absence of a greater perfection. For absence is nothing, whereas the emotion of pain is an activity; wherefore this activity can only be the activity of transition from a greater to a less perfection--in other words, it is an activity whereby a man's power of action is lessened or constrained (cf. III. xi. note). I pass over the definitions of merriment, stimulation, melancholy, and grief, because these terms are generally used in reference to the body, and are merely kinds of pleasure or pain.
3DAIV
Admiratio est rei alicujus imaginatio in qua mens defixa propterea manet quia hæc singularis imaginatio nullam cum reliquis habet connexionem. Vide propositionem 52 cum ejusdem scholio.
EXPLICATIO: In scholio propositionis 18 partis II ostendimus quænam sit causa cur mens ex contemplatione unius rei statim in alterius rei cogitationem incidat videlicet quia earum rerum imagines invicem concatenatæ et ita ordinatæ sunt ut alia aliam sequatur, quod quidem concipi nequit quando rei imago nova est sed mens in ejusdem rei contemplatione detinebitur donec ab aliis causis ad alia cogitandum determinetur. Rei itaque novæ imaginatio in se considerata ejusdem naturæ est ac reliquæ et hac de causa ego admirationem inter affectus non numero nec causam video cur id facerem quandoquidem hæc mentis distractio ex nulla causa positiva quæ mentem ab aliis distrahat, oritur sed tantum ex eo quod causa cur mens ex unius rei contemplatione ad alia cogitandum determinatur, deficit. Tres igitur (ut in scholio propositionis 11 hujus monui) tantum affectus primitivos seu primarios agnosco nempe lætitiæ, tristitiæ et cupiditatis nec alia de causa verba de admiratione feci quam quia usu factum est ut quidam affectus qui ex tribus primitivis derivantur, aliis nominibus indicari soleant quando ad objecta quæ admiramur, referuntur; quæ quidem ratio me ex æquo movet ut etiam contemptus definitionem his adjungam.
Verwondering is d'inbeelding van enig ding, op het welk de ziel daaröm gehecht blijft, om dat deze bezondere inbeelding geen samenknoping met d' anderen heeft: bezie de tweeënvijftigste Voorstelling in dit deel, met der zelfder Byvoegsel.

Verklaring.--In 't Byvoegsel van d' achtiende Voorstelling in het tweede deel hebben wy getoont, wat d' oorzaak is om de welke de ziel terstont van de beschouwing van een ding op de denking van een ander valt; namelijk, om dat de beelden dezer dingen te zamen geschakelt, en in dier voegen geschikt zijn, dat het een het ander volgt; 't welk niet bevat kan worden, als het beelt van het ding nieu is: maar de ziel zal in de beschouwing van de zelfde zaak gehouden worden, tot dat zy van anderen oorzaken bepaalt word tot andere dingen te denken. D' inbeelding van een nieu ding dan, in zich aangemerkt, is van een zelfde natuur, als d' anderen; en om deze oorzaak tel ik de verwondering niet onder de hartstochten. Ik zie ook niet waarom ik dit zou doen; dewijl deze aftrekking der ziel niet spruit uit enige stellige oorzaak, die de ziel van d' anderen aftrekt; maar alleenlijk hier uit, dat 'er oorzaak ontbreekt, om de welke de ziel uit de beschouwing van een enig ding tot anderen te denken bepaalt word. Ik ken dan (gelijk ik in het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deelverhaalt heb) alleenlijk die oorspronkelijke, of voorname hartstochten; namelijk, die van blijschap, droef heit en begeerte. Ik heb ook, om geen andere oorzaak, van de verwondering gewach gemaakt, dan om dat het door de gewoonte zo verre is gekomen, dat sommigen de hartstochten, die van de drie oorspronkelijken afgeleid worden, gemenelijk met andere namen aanwijzen, als zy tot de voorwerpen, daar over wy verwondert zijn, toegepast worden. En deze reden beweegt my ook met recht om hier de Bepaling van de Versmading neffens te voegen.
Wonder is the conception (imaginatio) of anything, wherein the mind comes to a stand, because the particular concept in question has no connection with other concepts (cf. III. lii. and note).

Explanation--In the note to II. xviii. we showed the reason, why the mind, from the contemplation of one thing, straightway falls to the contemplation of another thing, namely, because the images of the two things are so associated and arranged, that one follows the other. This state of association is impossible, if the image of the thing be new; the mind will then be at a stand in the contemplation thereof, until it is determined by other causes to think of something else.

Thus the conception of a new object, considered in itself, is of the same nature as other conceptions; hence, I do not include wonder among the emotions, nor do I see why I should so include it, inasmuch as this distraction of the mind arises from no positive cause drawing away the mind from other objects, but merely from the absence of a cause, which should determine the mind to pass from the contemplation of one object to the contemplation of another.

I, therefore, recognize only three primitive or primary emotions (as I said in the note to III. xi.), namely, pleasure, pain, and desire. I have spoken of wonder simply because it is customary to speak of certain emotions springing from the three primitive ones by different names, when they are referred to the objects of our wonder. I am led by the same motive to add a definition of contempt.

3DAV
Contemptus est rei alicujus imaginatio quæ mentem adeo parum tangit ut ipsa mens ex rei præsentia magis moveatur ad ea imaginandum quæ in ipsa re non sunt quam quæ in ipsa sunt. Vide scholium propositionis 52 hujus. Definitiones venerationis et dedignationis missas hic facio quia nulli quod sciam affectus ex his nomen trahunt.
De. Versmading is d' inbeelding van enige zaak, de welke de ziel zo weinig treft, dat de ziel zelve door de tegenwoordigheit van de zaak meer bewogen word tot die dingen in te beelden, die in de zaak zelve niet zijn, dan die daar in zijn. Bezie het Byvoegsel van de tweenvijftigste Voorstelling in dit deel.

Verklaring.--Ik ga hier de Bepalingen van Eerbiedigheit een Veröntwaer-diging voorby, om dat, by mijn weten, geen hartstochten naam uit hen te trekken.
Contempt is the conception of anything which touches the mind so little, that its presence leads the mind to imagine those qualities which are not in it rather than such as are in it (cf. III. lii. note).

The definitions of veneration and scorn I here pass over, for I am not aware that any emotions are named after them.


3DAVI
Amor est lætitia concomitante idea causæ externæ.
EXPLICATIO: Hæc definitio satis clare amoris essentiam explicat; illa vero auctorum qui definiunt amorem esse voluntatem amantis se jungendi rei amatæ, non amoris essentiam sed ejus proprietatem exprimit et quia amoris essentia non satis ab auctoribus perspecta fuit, ideo neque ejus proprietatis ullum clarum conceptum habere potuerunt et hinc factum ut eorum definitionem admodum obscuram esse omnes judicaverint. Verum notandum cum dico proprietatem esse in amante se voluntate jungere rei amatæ, me per voluntatem non intelligere consensum vel animi deliberationem seu liberum decretum (nam hoc fictitium esse demonstravimus propositione 48 partis II) nec etiam cupiditatem sese jungendi rei amatæ quando abest vel perseverandi in ipsius præsentia quando adest; potest namque amor absque hac aut illa cupiditate concipi sed per voluntatem me acquiescentiam intelligere quæ est in amante ob rei amatæ præsentiam a qua lætitia amantis corroboratur aut saltem fovetur.
De Liefde is een blijschap, van het denkbeelt van een uitterlijke oorzaak verzelt.

Verklaring.--Deze Bepaling drukt klarelijk genoech de wezentheit van de Liefde uit. De Bepaling der Schrijvers, die de Liefde bepalen te zijn, de wil van de minnaar om zich met de beminde zaak te verënigen, drukt niet de wezentheit van de Liefde, maar der zelfder eigenschap uit. En dewijl de Schrijvers geen volkome deurzicht van de wezentheit der Liefde hebben gehad, zo hebben zy daaröm geen klare bevatting van haar eigenschap konnen hebben. Hier uit is gesproten dat men alle geöordeelt heeft dat hun Bepalingen zeer duister geweest hebben. Maar hier staat aan te merken dat ik, als ik zeg dat het een eigenschap in de minnaar is, zich door de wil met de beminde zaak te verënigen, by wil niet versta een toestemming, of berading des gemoeds, of een vry besluit; want wy hebben (in d' achtënveertigste Voorstelling van het tweede deel) getoont, dat dit verziert en verdicht is: noch ook de begeerte van zich met de beminde zaak te verënigen, als zy afweezig is, of van in haar tegenwoordigheit te volharden, als zy tegenwoordig is; want de liefde kan zonder deze, of die begeerte bevat worden: maar dat ik by wil versta een, gerustheit, die in de minnaar is, uit oorzaak der tegenwoordigheit van de beminde zaak, daar door de blijschap van de Minnaar versterkt, of ten minsten gevoed word.
Love is pleasure, accompanied by the idea of an external cause.

Explanation--This definition explains sufficiently clearly the essence of love; the definition given by those authors who say that love is the lover's wish to unite himself to the loved object expresses a property, but not the essence of love; and, as such authors have not sufficiently discerned love's essence, they have been unable to acquire a true conception of its properties, accordingly their definition is on all hands admitted to be very obscure. It must, however, be noted, that when I say that it is a property of love, that the lover should wish to unite himself to the beloved object, I do not here mean by wish consent, or conclusion, or a free decision of the mind (for I have shown such, in II. xlviii., to be fictitious); neither do I mean a desire of being united to the loved object when it is absent, or of continuing in its presence when it is at hand; for love can be conceived without either of these desires; but by wish I mean the contentment, which is in the lover, on account of the presence of the beloved object, whereby the pleasure of the lover is strengthened, or at least maintained.
3DAVII
Odium est tristitia concomitante idea causæ externæ.
EXPLICATIO: Quæ hic notanda sunt, ex dictis in præcedentis definitionis explicatione facile percipiuntur. Vide præterea scholium propositionis 13 hujus.
De Haat is een droef heit, met het denkbeelt van d' uitterlijke oorzaak verzelt.

Verklaring.--De dingen, die hier t' aanmerken zijn, worden uit het geen, dat in de voorgaande Bepaling gezegt is, lichtelijk begrepen. Bezie dieshalven het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel.
Hatred is pain, accompanied by the idea of an external cause.

Explanation--These observations are easily grasped after what has been said in the explanation of the preceding definition (cf. also III. xiii. note).
3DAVIII
Propensio est lætitia concomitante idea alicujus rei quæ per accidens causa est lætitiæ.
De Toegenegentheit is een blijschap, verzelt van het denkbeelt van enig ding, dat by toeval oorzaak van blijschap is.

Inclination is pleasure, accompanied by the idea of something which is accidentally a cause of pleasure.

3DAIX
Aversio est tristitia concomitante idea alicujus rei quæ per accidens causa est tristitiæ. De his vide scholium propositionis 15 hujus.
D' Afkeer is een droefheit, verzelt van het denkbeelt van enig ding, dat by toeval oorzaak van droefheit is. Bezie hier af het Byvoegsel van de vijftiende Voorstelling in dit deel.

Aversion is pain, accompanied by the idea of something which is accidentally the cause of pain (cf. III. xv. note).

3DAX
Devotio est amor erga eum quem admiramur.
EXPLICATIO: Admirationem oriri ex rei novitate ostendimus propositione 52 hujus. Si igitur contingat ut id quod admiramur sæpe imaginemur, idem admirari desinemus atque adeo videmus devotionis affectum facile in simplicem amorem degenerare.
D' Overgeving of Verloving is een liefde tot de geen, over de welk wy verwondert zijn.

Verklaring.--Wy hebben (in de tweeënvijftigste Voorstelling van dit deel) getoont dat de Verwondering uit de nieuwigheit van de zaak voortkoomt. Indien dan gebeurt dat wy het geen, daar over wy verwondert zijn, ons dikwijls inbeelden, zo zullen wy ophouden daar over verwondert te wezen; en dus zien wy dat de hartstocht van Overgeving of Verloving lichtelijk in enkelde liefde verändert.
Devotion is love towards one whom we admire.

Explanation--Wonder (admiratio) arises (as we have shown, III. lii.) from the novelty of a thing. If, therefore, it happens that the object of our wonder is often conceived by us, we shall cease to wonder at it; thus we see, that the emotion of devotion readily degenerates into simple love.
3DAXI
Irrisio est lætitia orta ex eo quod aliquid quod contemnimus in re quam odimus inesse imaginamur.
EXPLICATIO: Quatenus rem quam odimus contemnimus eatenus de eadem existentiam negamus (vide scholium propositionis 52 hujus) et eatenus (per propositionem 20 hujus) lætamur. Sed quoniam supponimus hominem id quod irridet odio tamen habere, sequitur hanc lætitiam solidam non esse. Vide scholium propositionis 47 hujus.
De Bespotting is een blijschap, hier uitgesproten, dat wy ons inbeelden dat 'er iets, 't welk wy verächten, in een zaak is, die wy haten.

Verklaring.--Voor zo veel wy de zaak, die wy haten, verächten, voor zo veel ontkennen wy de wezentlijkheit daar af; bezie het Byvoegsel van de tweeënvijftigste Voorstelling in dit deel) en voor zo veel (volgens de twintigste Voorstelling van dit deel) verblijden wy ons. Maar dewijl wy onderstellen dat de mensch het geen haat, 't welk hy bespot, zo volgt dat deze blijschap niet vast en bestandig is: bezie het Byvoegsel van de zevenënveertigste Voorstelling in dit deel.
Derision is pleasure arising from our conceiving the presence of a quality, which we despise, in an object which we hate.

Explanation--In so far as we despise a thing which we hate, we deny existence thereof (III. lii. note), and to that extent rejoice (III. xx.). But since we assume that man hates that which he derides, it follows that the pleasure in question is not without alloy (cf. III. xlvii. note).
3DAXII
Spes est inconstans lætitia orta ex idea rei futuræ vel præteritæ de cujus eventu aliquatenus dubitamus.
De Hoop is een onbestandige blijschap, gesproten uit het: denkbeelt van een toekomende, of verlede zaak, van welks uitgang wy noch enigsins twijffelen.

Hope is an inconstant pleasure, arising from the idea of something past or future, whereof we to a certain extent doubt the issue.

3DAXIII
Metus est inconstans tristitia orta ex idea rei futuræ vel præteritæ de cujus eventu aliquatenus dubitamus. Vide de his scholium II propositionis 18 hujus.
EXPLICATIO: Ex his definitionibus sequitur non dari spem sine metu neque metum sine spe. Qui enim spe pendet et de rei eventu dubitat, is aliquid imaginari supponitur quod rei futuræ existentiam secludit atque adeo eatenus contristari (per propositionem 19 hujus) et consequenter dum spe pendet, metuere ut res eveniat. Qui autem contra in metu est hoc est de rei quam odit eventu dubitat, aliquid etiam imaginatur quod ejusdem rei existentiam secludit atque adeo (per propositionem 20 hujus) lætatur et consequenter eatenus spem habet ne eveniat.
De Vrees is een onbestandige droefheit, gesproten uit het denkbeelt van een toekomende, of verlede zaak, van welks uitgang wy noch enigsins twijffelen. Bezie van deze beiden het tweede Byvoegsel van d' achtiende Voorstelling in dit deel.

Verklaring.--Uit deze Bepalingen blijkt dat 'er geen hoop is zonder vrees, en geen vrees zonder hoop is. Want men onderstelt dat de geen, die van hoop af hangt, en van d' uitgang van een zaak twijffelt, zich iets inbeeld, 't welk de wezentlijkheit van d' aanstaande zaak uitsluit, en dieshalven zich dus verre bedroeft; (volgens de negentiende Voorstelling van dit deel) en by gevolg, terwijl hy van hoop afhangt, vreest dat de zaak zal gebeuren. Maar in tegendeel, de geen, die vreest, dat is dat hy van d' uitgang van een zaak, die hy haat, twijffelt, beeld zich ook iets in, 't welk de wezentlijkheit van de zelfde zaak uitsluit, en is dieshalven (volgens de twintigste Voorstelling van dit deel) verblijd, en hoopt by gevolg dat de zaak niet zal komen.
Fear is an inconstant pain arising from the idea of something past or future, whereof we to a certain extent doubt the issue (cf. III. xviii. note).

Explanation--From these definitions it follows, that there is no hope unmingled with fear, and no fear unmingled with hope. For he, who depends on hope and doubts concerning the issue of anything, is assumed to conceive something, which excludes the existence of the said thing in the future; therefore he, to this extent, feels pain (cf. III. xix.); consequently, while dependent on hope, he fears for the issue. Contrariwise he, who fears, in other words doubts, concerning the issue of something which he hates, also conceives something which excludes the existence of the thing in question; to this extent he feels pleasure, and consequently to this extent he hopes that it will turn out as he desires (III. xx.).
3DAXIV
Securitas est lætitia orta ex idea rei futuræ vel præteritæ de qua dubitandi causa sublata est.
De Gerustheit is een blijschap, gesproten uit het denkbeelt van een toekomende, of verlede zaak, van de welke dt oorzaak van te twijffelen wechgenomen is.

Confidence is pleasure arising from the idea of something past or future, wherefrom all cause of doubt has been removed.

3DAXV
Desperatio est tristitia orta ex idea rei futuræ vel præteritæ de qua dubitandi causa sublata est.
EXPLICATIO: Oritur itaque ex spe securitas et ex metu desperatio quando de rei eventu dubitandi causa tollitur, quod fit quia homo rem præteritam vel futuram adesse imaginatur et ut præsentem contemplatur vel quia alia imaginatur quæ existentiam earum rerum secludunt quæ ipsi dubium injiciebant. Nam tametsi de rerum singularium eventu (per corollarium propositionis 31 partis II) nunquam possumus esse certi, fieri tamen potest ut de earum eventu non dubitemus. Aliud enim esse ostendimus (vide scholium propositionis 49 partis II) de re non dubitare, aliud rei certitudinem habere atque adeo fieri potest ut ex imagine rei præteritæ aut futuræ eodem lætitiæ vel tristitiæ affectu afficiamur ac ex rei præsentis imagine, ut in propositione 18 hujus demonstravimus, quam cum ejusdem scholiis vide.
De Wanhoop is een droef heit, gesproten uit het denkbeelt van een toekomende, of verlede zaak, van de welke d' oorzaak van te twijffelen wechgenomen is.

Verklaring.--Uit de hoop dan volgt gerustheit, en uit de vrees wanhoop, als d' oorzaak, om van d' uitgang van de zaak te twijffelen, wechgenomen word: 't welk geschied om dat de mensch zich inbeeld dat de verlede, of toekomende zaak tegenwoordig is, en haar als tegenwoordig aanschout, of om dat hy zich andere dingen inbeeld, die de wezentlijkheit van die dingen, de welken hem deden twijffelen, uitsluiten. Want hoewel wy (volgens de Toegift van d' eenëndartigste Voorstelling in het tweede deel) van d' uitgang der bezondere dingen nooit zeker konnen zijn, zo kan echter gebeuren dat wy van der zelfder uitgang niet twijffelen. Want wy liebben getoont (bezie het Byvoegsel van de negenënveertigste Voorstelling in het tweede deel) dat het iets anders is, van een zaak niet te twijffelen, en iets anders, zekerheit van een zaak te hebben: en dieshalven kan gebeuren dat wy door het beelt van een verlede, of toekomende zaak met de zelfde hartstocht van blijschap, of van droef heit aangedaan worden, als door het beelt van de tegenwoordige zaak, gelijk wy in d' achtiende Voorstelling van dit deel betoogt hebben, de welke men, met der zelfder Byvoegsel, na te zien heeft.
Despair is pain arising from the idea of something past or future, wherefrom all cause of doubt has been removed.

Explanation--Thus confidence springs from hope, and despair from fear, when all cause for doubt as to the issue of an event has been removed: this comes to pass, because man conceives something past or future as present and regards it as such, or else because he conceives other things, which exclude the existence of the causes of his doubt. For, although we can never be absolutely certain of the issue of any particular event (II. xxxi. Coroll.), it may nevertheless happen that we feel no doubt concerning it. For we have shown, that to feel no doubt concerning a thing is not the same as to be quite certain of it (II. xlix. note). Thus it may happen that we are affected by the same emotion of pleasure or pain concerning a thing past or future, as concerning the conception of a thing present; this I have already shown in III. xviii., to which, with its note, I refer the reader.
3DAXVI
Gaudium est lætitia concomitante idea rei præteritæ quæ præter spem evenit.
De Vreucht is een blijschap, verzelt met het denkbeelt van een verlede zaak, die buiten hoop gebeurt is.

Joy is pleasure accompanied by the idea of something past, which has had an issue beyond our hope.

3DAXVII
Conscientiæ morsus est tristitia concomitante idea rei præteritæ quæ præter spem evenit.
De Knaging van 't geweten is een droefheit, verzelt met het denkbeelt van een verlede zaak, die buiten hoop gebeurt is.

Disappointment is pain accompanied by the idea of something past, which has had an issue contrary to our hope.

3DAXVIII
Commiseratio est tristitia concomitante idea mali quod alteri quem nobis similem esse imaginamur, evenit. Vide scholium propositionis 22 et scholium propositionis 27 hujus.
EXPLICATIO: Inter commiserationem et misericordiam nulla videtur esse differentia nisi forte quod commiseratio singularem affectum respiciat, misericordia autem ejus habitum.
Medelijden is een droefheit, verzelt met het denkbeelt van een quaat, 't welk aan een ander toevalt, die wy ons inbeelden ons gelijk te zijn. Bezie het Byvoegsel van de tweeëntwintigste Voorstelling, en het Byvoegsel van de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel.

Verklaring.--Tusschen Medelijden en Barmhartigheit schijnt geen onderscheit en verschil te wezen, dan dat misschien medelijden op de bezondere hartstocht ziet, en de barmhartigheit op des zelfs hebbelijkheit.
Pity is pain accompanied by the idea of evil, which has befallen someone else whom we conceive to be like ourselves (cf. III. xxii. note, and III. xxvii. note).

Explanation--Between pity and sympathy (misericordia) there seems to be no difference, unless perhaps that the former term is used in reference to a particular action, and the latter in reference to a disposition.
3DAXIX
Favor est amor erga aliquem qui alteri benefecit.
De Gunst is een liefde tot iemant, die aan een ander welgedaan heeft.

Approval is love towards one who has done good to another.

3DAXX
Indignatio est odium erga aliquem qui alteri malefecit.
EXPLICATIO: Hæc nomina ex communi usu aliud significare scio. Sed meum institutum non est verborum significationem sed rerum naturam explicare easque iis vocabulis indicare quorum significatio quam ex usu habent, a significatione qua eadem usurpare volo, non omnino abhorret, quod semel monuisse sufficiat. Cæterum horum affectuum causam vide in corollario I propositionis 27 et scholio propositionis 22 hujus partis.
D'Euvelneeming is een haat tot iemant, die aan een ander quaat gedaan heeft.

Verklaring.--Ik weet wel dat deze namen, volgens het gemeen gebruik, iets anders betekenen. Doch mijn voorneemen is niet de betekenissen der woorden, maar der zaken te verklaren, en hen met die benamingen aantewijzen, welker betekenis, die zy door de gewoonte hebben, naast aan die betekenis komen, met de welken ik de zelfden wil gebruiken: en ik acht het genoech dit zelfde eenmaal gezegt te hebben. Bezie d'oorzaak van deze hartstochten in d' eerste Toegift van de zevenëntwintigste, Voorstelling, en in het Byvoegsel van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel.
Indignation is hatred towards one who has done evil to another.

Explanation--I am aware that these terms are employed in senses somewhat different from those usually assigned. But my purpose is to explain, not the meaning of words, but the nature of things. I therefore make use of such terms, as may convey my meaning without any violent departure from their ordinary signification. One statement of my method will suffice. As for the cause of the above--named emotions see III. xxvii. Coroll. i., and III. xxii. note.
3DAXXI
Existimatio est de aliquo præ amore plus justo sentire.
D'Achting is, van iemant, liefdeshalven, ecn groter gevoelen te hebben, dan billijk is.

Partiality is thinking too highly of anyone because of the love we bear him.

3DAXXII
Despectus est de aliquo præ odio minus justo sentire.
EXPLICATIO: Est itaque existimatio amoris et despectus odii effectus sive proprietas atque adeo potest existimatio etiam definiri quod sit amor quatenus hominem ita afficit ut de re amata plus justo sentiat et contra despectus quod sit odium quatenus hominem ita afficit ut de eo quem odio habet, minus justo sentiat. Vide de his scholium propositionis 26 hujus.
D'Ongeachtheit is, van iemant, haatshalven, een kleinder gevoelen te hebben, dan billijk is.

Verklaring.--D'Achting dan is een gewrocht, of eigenschap van de liefde, en d'ongeächtheit van de haat. En dieshalven kan men d'achting ook bepalen, dat zy een liefde is, voor zo veel zy de mensch in dier voegen aandoet, dat hy hoger, dan billijk is, van de beminde zaak gevoelt: en in tegendeel, dat de d'ongeächtheit een haat is, voor zo veel zy de mensch in dier voegen aandoet, dat hy van de geen, die hy haat, laeger gevoelt, dan billijk is: bezie hier af het Byvoegsel van de zesentwintigste Voorstelling in dit deel.
Disparagement is thinking too meanly of anyone because we hate him.

Explanation--Thus partiality is an effect of love, and disparagement an effect of hatred: so that partiality may also be defined as love, in so far as it induces a man to think too highly of a beloved object. Contrariwise, disparagement may be defined as hatred, in so far as it induces a man to think too meanly of a hated object. Cf. III. xxvi. note.
3DAXXIII
Invidia est odium quatenus hominem ita afficit ut ex alterius felicitate contristetur et contra ut ex alterius malo gaudeat.
EXPLICATIO: Invidiæ opponitur communiter misericordia quæ proinde invita vocabuli significatione sic definiri potest.
De Nijt is een haat, voor zo veel zy de mensch in dier voegen aandoet, dat hy om eens anders voorspoet zich bedroeft, en in tegendeel, om eens anders quaat zich verblijd.

Verklaring.--De barmhartigheit word gemenelijk tegen de nijt gestelt, de welke dieshalven, met een onëige betekenis van de benaming, dus bepaalt kan worden.
Envy is hatred, in so far as it induces a man to be pained by another's good fortune, and to rejoice in another's evil fortune.

Explanation--Envy is generally opposed to sympathy, which, by doing some violence to the meaning of the word, may therefore be thus defined:
3DAXXIV
Misericordia est amor quatenus hominem ita afficit ut ex bono alterius gaudeat et contra ut ex alterius malo contristetur.
EXPLICATIO: Cæterum de invidia vide scholium propositionis 24 et scholium propositionis 32 hujus. Atque hi affectus lætitiæ et tristitiæ sunt quos idea rei externæ comitatur tanquam causa per se vel per accidens. Hinc ad alios transeo quos idea rei internæ comitatur tanquam causa.
De Barmhartigheit is een liefde, voor zo veel zy de mensch in dier voegen aandoet, dat hy zich om eens anders goet verblijd, en in tegendeel om eens anders quaat bedroeft word.

Verklaring.--Wat de Nijt aangaat, bezie daar af het Byvoegsel van de vierentwintigste Voorstelling, en het Byvoegsel van de tweeëndartigste Voorstelling in dit deel. En dit zijn hartstochten van blijschap, of van droefheit, die van het denkbeelt van d'uitterlijke zaak, als oorzaak door zich, of by toeval, verzelt zijn. Van hier ga ik tot d'anderen over, de welken van het denkbeelt van d'innerlijke zaak, als d'oorzaak, verzelt worden.
Sympathy (misericordia) is love, in so far as it induces a man to feel pleasure at another's good fortune, and pain at another's evil fortune.

Explanation--Concerning envy see the notes to III. xxiv. and xxxii. These emotions also arise from pleasure or pain accompanied by the idea of something external, as cause either in itself or accidentally. I now pass on to other emotions, which are accompanied by the idea of something within as a cause.
3DAXXV
Acquiescentia in se ipso est lætitia orta ex eo quod homo se ipsum suamque agendi potentiam contemplatur.
De Gerustheit in zich zelf is een blijschap, hier uit gesproten, dat de mensch zich zelf, en zijn vermogen van te doen aanschout.

Self--approval is pleasure arising from a man's contemplation of himself and his own power of action.

3DAXXVI
Humilitas est tristitia orta ex eo quod homo suam impotentiam sive imbecillitatem contemplatur.
EXPLICATIO: Acquiescentia in se ipso humilitati opponitur quatenus per eandem intelligimus lætitiam quæ ex eo oritur quod nostram agendi potentiam contemplamur sed quatenus per ipsam etiam intelligimus lætitiam concomitante idea alicujus facti quod nos ex mentis libero decreto fecisse credimus, tum pœnitentiæ opponitur quæ a nobis sic definitur.
De Nederigheit is een droefheit, hier uit gesproten, dat de mensch zijn onmacht, of zwakheit beschout.

Verklaring.--De Gerustheit in zich zelf word tegen de Nederigheit gestelt, voor zo veel wy door de zelfde een blijschap verstaan, die hier uit spruit, dat wy onze macht van te doen beschouwen. Maar voor zo veel wy daar door ook een blijschap verstaan, van het denkbeelt van enig bedrijf verzelt, 't welk wy geloven uit een vrijwillig besluit van de ziel gedaan te hebben, zo word zy tegen 't berou gestelt 't welk wy dus bepalen.
Humility is pain arising from a man's contemplation of his own weakness of body or mind.

Explanation--Self--complacency is opposed to humility, in so far as we thereby mean pleasure arising from a contemplation of our own power of action; but, in so far as we mean thereby pleasure accompanied by the idea of any action which we believe we have performed by the free decision of our mind, it is opposed to repentance, which we may thus define:
3DAXXVII
Pœnitentia est tristitia concomitante idea alicujus facti quod nos ex libero mentis decreto fecisse credimus.
EXPLICATIO: Horum affectuum causas ostendimus in scholio propositionis 51 hujus et propositionibus 53, 54 et 55 hujus ejusque scholio. De libero autem mentis decreto vide scholium propositionis 35 partis II. Sed hic præterea notandum venit mirum non esse quod omnes omnino actus qui ex consuetudine pravi vocantur, sequatur tristitia et illos qui recti dicuntur, lætitia. Nam hoc ab educatione potissimum pendere facile ex supra dictis intelligimus. Parentes nimirum illos exprobrando liberosque propter eosdem sæpe objurgando, hos contra suadendo et laudando effecerunt ut tristitiæ commotiones illis, lætitiæ vero his jungerentur. Quod ipsa etiam experientia comprobatur. Nam consuetudo et religio non est omnibus eadem sed contra quæ apud alios sacra, apud alios profana et quæ apud alios honesta, apud alios turpia sunt. Prout igitur unusquisque educatus est, ita facti alicujus pœnitet vel eodem gloriatur.
Het Berou is een droef heit, van het denkbeelt van enig bedrijf verzelt, 't welk wy geloven uit een vrijwillig besluit van de ziel gedaan te hebben.

Verklaring.--In het Byvoegsel van d'eenënvijftigste Voorstelling, en in de drieënvijftigste, vierënvijftigste en vijfënvijftigste Voorstelling, en in der zelfder Byvoegsel in dit deel hebben wy d'oorzaken dezer hartstochten getoont. Voorts, wat het vrijwillig besluit der ziel aangaat, bezie daar af het Byvoegsel van de vijfëndartigste Voorstelling in het tweede deel. Maar hier staat wijder t'aanmerken, dat het geen wonder is dat gantschelijk op alle werken, die uitgewoonte quaat genoemt worden, droefheit, en op de genen, die men goed en oprecht noemt, blijschap volgt: want wy konnen uit het voorgaande lichtelijk verstaan, dat dit voornamelijk van d' opvoeding af hangt; dewijl onze ouders, met d'eersten te verwijten, en hun kinderen dikwijls daar over te bekijven, en in tegendeel met de lesten aan te raden, en aan te prijzen, te weeg gebracht hebben, dat d' ontroerenissen van droef heit zich by d' eersten, en die van blijschap zich by de lesten hebben gevoegt. Dit zelfde word ook door d'ervarentheit bevestigt: want de menschen hebben niet alle een zelfde gewoonte en godsdienst. In tegendeel, de dingen, die by sommigen heilig zijn, worden by anderen onheilig, en de genen, die by sommigen eerlijk zijn, by anderen voor schandelijk gehouden. Dieshalven, naar dat yder opgevoed is, daar naar heeft hy berou van enig bedrijf, of roemt daar op.
Repentance is pain accompanied by the idea of some action, which we believe we have performed by the free decision of our mind.

Explanation--The causes of these emotions we have set forth in III. li. note, and in III. liii., liv., lv. and note. Concerning the free decision of the mind see II. xxxv. note. This is perhaps the place to call attention to the fact, that it is nothing wonderful that all those actions, which are commonly called wrong, are followed by pain, and all those, which are called right, are followed by pleasure. We can easily gather from what has been said, that this depends in great measure on education. Parents, by reprobating the former class of actions, and by frequently chiding their children because of them, and also by persuading to and praising the latter class, have brought it about, that the former should be associated with pain and the latter with pleasure. This is confirmed by experience. For custom and religion are not the same among all men, but that which some consider sacred others consider profane, and what some consider honourable others consider disgraceful. According as each man has been educated, he feels repentance for a given action or glories therein.
3DAXXVIII
Superbia est de se præ amore sui plus justo sentire.
EXPLICATIO: Differt igitur superbia ab existimatione quod hæc ad objectum externum, superbia autem ad ipsum hominem de se plus justo sentientem referatur. Cæterum ut existimatio amoris sic superbia philautiæ effectus vel proprietas est, quæ propterea etiam definiri potest quod sit amor sui sive acquiescentia in se ipso quatenus hominem ita afficit ut de se plus justo sentiat (vide scholium propositionis 26 hujus). Huic affectui non datur contrarius. Nam nemo de se præ odio sui minus justo sentit; imo nemo de se minus justo sentit quatenus imaginatur se hoc vel illud non posse. Nam quicquid homo imaginatur se non posse, id necessario imaginatur et hac imaginatione ita disponitur ut id agere revera non possit quod se non posse imaginatur. Quamdiu enim imaginatur se hoc vel illud non posse tamdiu ad agendum non est determinatus et consequenter tamdiu impossibile ei est ut id agat. Verumenimvero si ad illa attendamus quæ a sola opinione pendent, concipere poterimus fieri posse ut homo de se minus justo sentiat; fieri enim potest ut aliquis dum tristis imbecillitatem contemplatur suam, imaginetur se ab omnibus contemni idque dum reliqui nihil minus cogitant quam ipsum contemnere. Potest præterea homo de se minus justo sentire si aliquid de se in præsenti neget cum relatione ad futurum tempus cujus est incertus; ut quod neget se nihil certi posse concipere nihilque nisi prava vel turpia posse cupere vel agere etc. Possumus deinde dicere aliquem de se minus justo sentire cum videmus ipsum ex nimio pudoris metu ea non audere quæ alii ipsi æquales audent. Hunc igitur affectum possumus superbiæ opponere quem abjectionem vocabo nam ut ex acquiescentia in se ipso superbia, sic ex humilitate abjectio oritur quæ proinde a nobis sic definitur.
Verwaantheit is, van zich, wegens liefde tot zich zelf, een hoger gevoelen te hebben, dan billijk is.

Verklaring.--De Verwaantheit verschilt dan van d'achting, om dat deze leste tot het uitterlijk voorwerp, maar de verwaantheit tot de mensch zelf, hoger van zich gevoelende, dan billijk is, toegepast word. Voorts, gelijk d'achting een gewrocht, of eigenschap van de liefde is, zo is de verwaantheit een gewrocht, of eigenschap van zelfsliefde, de welke dieshalven ook dus bepaalt kan worden, dat zy een liefde tot zich zelf, of een gerustheit op zich zelf is, voor zo veel zy de mensch in dier voegen aandoet, dat hy hoger dan bil- lijk is, van zich zelf gevoelt. (Bezie het Byvoegsel van de zesentwintigste Voorstelling in dit deel) Tegen deze hartstocht is geen strijdige: want niemant, wegens haat tot zich zelf, gevoelt laeger van zich, dan billijk is; ja niemant gevoelt minder van zich zelf, dan billijk is, voor zo veel hy zich inbeeld dat hy dit, of dat niet vermag. Want al 't geen, 't welk de mensch zich inbeeld niet te vermogen, beeld hy zich nootzakelijk in; en door deze inbeelding word hy in dier voegen geschikt, dat hy warelijk dit niet kan doen, 't welk hy zich inbeeld niet te vermogen: dewijl hy zo lang, als hy zich inbeeld dat hy dit, of dat niet vermag, niet bepaalt is tot het zelfde te doen; en by gevolg is 't hem zo lang onmogelijk dat hy dit doet. Maar indien wy op die dingen merken, de welken van de waan alleen af hangen, zo zullen wy konnen begrijpen, dat het mogelijk is, dat de mensch minder, dan billijk is, van zich gevoelt. Want het kan gebeuren dat iemant, terwijl hy, bedroeft zijnde, zijn zwakheit beschout, zich inbeeld dat hy van alle menschen versmaad word; en dit terwijl d'anderen nergens minder op denken, dan op hem te verachten. De mensch kan ook minder, dan billijk is, van zich gevoelen, zo hy iets van zich tegenwoordiglijk ontkent, met betrekking tot de toekomende tijt, van de welk hy onzeker is; gelijk dus, dat hy zegt, dat hy niets zeker kan begrijpen, en dat hy niets, dan dat quaat en schandelijk is, kan begeren, of doen, enz. Wy konnen wijders zeggen dat iemant minder, dan billijk is, van zich gevoelt, als wy zien dat hy, uit al te grote vrees van schaamte, die dingen niet dart bestaan, die van anderen, hem gelijk, aangevangen worden. Wy konnen dan deze hartstocht tegen de verwaantheit stellen, de welk ik nederslachtigheit zal noemen: want gelijk uit de gerustheit in zich zelf verwaantheit spruit, zo rijst uit de nederigheit nederslachtigheit, die dieshalven dus van ons bepaalt word.
Pride is thinking too highly of one's self from self--love.

Explanation--Thus pride is different from partiality, for the latter term is used in reference to an external object, but pride is used of a man thinking too highly of himself. However, as partiality is the effect of love, so is pride the effect or property of self--love, which may therefore be thus defined, love of self or self--approval, in so far as it leads a man to think too highly of himself. To this emotion there is no contrary. For no one thinks too meanly of himself because of self--hatred; I say that no one thinks too meanly of himself, in so far as he conceives that he is incapable of doing this or that. For whatsoever a man imagines that he is incapable of doing, he imagines this of necessity, and by that notion he is so disposed, that he really cannot do that which he conceives that he cannot do. For, so long as he conceives that he cannot do it, so long is he not determined to do it, and consequently so long is it impossible for him to do it. However, if we consider such matters as only depend on opinion, we shall find it conceivable that a man may think too meanly of himself; for it may happen, that a man, sorrowfully regarding his own weakness, should imagine that he is despised by all men, while the rest of the world are thinking of nothing less than of despising him. Again, a man may think too meanly of himself, if he deny of himself in the present something in relation to a future time of which he is uncertain. As, for instance, if he should say that he is unable to form any clear conceptions, or that he can desire and do nothing but what is wicked and base, &c. We may also say, that a man thinks too meanly of himself, when we see him from excessive fear of shame refusing to do things which others, his equals, venture. We can, therefore, set down as a contrary to pride an emotion which I will call self--abasement, for as from self--complacency springs pride, so from humility springs self--abasement, which I will accordingly thus define:
3DAXXIX
Abjectio est de se præ tristitia minus justo sentire.
EXPLICATIO: Solemus tamen sæpe superbiæ humilitatem opponere sed tum magis ad utriusque effectus quam naturam attendimus. Solemus namque illum superbum vocare qui nimis gloriatur (vide scholium propositionis 30 hujus) qui non nisi virtutes suas et aliorum non nisi vitia narrat, qui omnibus præferri vult et qui denique ea gravitate et ornatu incedit quo solent alii qui longe supra ipsum sunt positi. Contra illum humilem vocamus qui sæpius erubescit, qui sua vitia fatetur et aliorum virtutes narrat, qui omnibus cedit et qui denique submisso capite ambulat et se ornare negligit. Cæterum hi affectus nempe humilitas et abjectio rarissimi sunt. Nam natura humana in se considerata contra eosdem quantum potest nititur (vide propositiones 13 et 54 hujus) et ideo qui maxime creduntur abjecti et humiles esse, maxime plerumque ambitiosi et invidi sunt.
De Nederslachtigheit is, van zich zelf, wegens droefheit, minder, dan billijk is, te gevoelen.

Verklaring.--Wy zijn echter dikwijls gewent de nederigheit tegen de verwaantheit te stellen: maar wy merken dan meerder op de gewrochten, dan op de natuur van beide: want wy zijn gewent de geen verwaant te noemen, die al te hoog roemt; bezie het Byvoegsel van de dartigste Voorstelling in dit deel: die niets verhaalt, dan zijn deuchden, en van anderen niets, dan hun gebreken, vertelt; die boven alle gestelt wil wezen, en eindelijk, die met zulk een stemmigheit er verçiering heentreed, als gemenelijk anderen doen, die hem verre overtreffen. In tegendeel, wy noemen de geen nederig, die dikwijls schaamroot word, die zijn zonden belijd, en de deuchden van anderen verhaalt, die voor alle wijkt, en eindelijk, die met een nederhangend hooft gaat, en zich verwareloost op te pronken. Voorts, deze hartstochten, namelijk de nederigheit en nederslachtigheit, worden zeer zelden gevonden. Want de menschelijke natuur, in zich zelve aangemerkt, strijd tegen de zelfden zo veel, als 't mogelijk is; bezie de vijftiende en vierënvijftigste Voorstelling van dit deel: en dieshalven, de genen, die meest nederslachtig en nederig geacht worden, zijn deurgaans meest eerzuchtig en nijdig.
Self--abasement is thinking too meanly of one's self by reason of pain.

Explanation--We are nevertheless generally accustomed to oppose pride to humility, but in that case we pay more attention to the effect of either emotion than to its nature. We are wont to call proud the man who boasts too much (III. xxx. note), who talks of nothing but his own virtues and other people's faults, who wishes to be first; and lastly who goes through life with a style and pomp suitable to those far above him in station. On the other hand, we call humble the man who too often blushes, who confesses his faults, who sets forth other men's virtues, and who, lastly, walks with bent head and is negligent of his attire. However, these emotions, humility and self--abasement, are extremely rare. For human nature, considered in itself, strives against them as much as it can (see III. xiii., liv.); hence those, who are believed to be most self--abased and humble, are generally in reality the most ambitious and envious.
3DAXXX
Gloria est lætitia concomitante idea alicujus nostræ actionis quam alios laudare imaginamur.
De Roem is een blijschap, van het denkbeelt van enige van onze daden verzelt, die, gelijk wy ons inbeelden, van anderen geprezen word.

Honour is pleasure accompanied by the idea of some action of our own, which we believe to be praised by others.

3DAXXXI
Pudor est tristitia concomitante idea alicujus actionis quam alios vituperare imaginamur.
EXPLICATIO: De his vide scholium propositionis 30 hujus partis. Sed hic notanda est differentia quæ est inter pudorem et verecundiam. Est enim pudor tristitia quæ sequitur factum cujus pudet. Verecundia autem metus seu timor pudoris quo homo continetur ne aliquid turpe committat. Verecundiæ opponi solet impudentia, quæ revera affectus non est ut suo loco ostendam sed affectuum nomina (ut jam monui) magis eorum usum quam naturam respiciunt. Atque his lætitiæ et tristitiæ affectus quos explicare proposueram, absolvi. Pergo itaque ad illos quos ad cupiditatem refero.
De Schaamte is een droefheit, van het denkbeelt van enige van onze daden verzelt, die, gelijk wy ons inbeelden, van anderen gelastert word.

Verklaring.--Bezie hier af het Byvoegsel van de dartigste Voorstelling in dit deel. Maar hier staat op het onderscheit, dat tusschen de Schaamte en Schaamächtigheit is, te merken. Want de schaamte is een droefheit, de welk op de daat volgt, daar over men beschaamt is: maar de schaamächtigheit is een vrees, of schroomte van schaamte, door de welke de mensch gedwongen word om niets schandelijk te bedrijven. Tegen de schaamächtigheit word gemenelijk d' onbeschaamtheit gestelt, de welke warelijk geen hartstocht is, gelijk ik op zijn plaats zal tonen: maar de namen van hartstochten, gelijk ik alreê gezegt heb, zien meer op hun gebruik, dan op hun natuur. En hier meê heb ik de hartstochten van blijschap en droefheit, die ik voorgenomen had te verklaren, afgedaan. Ik ga dan tot de genen voort, die ik tot de begeerte toepas.
Shame is pain accompanied by the idea of some action of our own, which we believe to be blamed by others.

Explanation--On this subject see the note to III. xxx. But we should here remark the difference which exists between shame and modesty. Shame is the pain following the deed whereof we are ashamed. Modesty is the fear or dread of shame, which restrains a man from committing a base action. Modesty is usually opposed to shamelessness, but the latter is not an emotion, as I will duly show; however, the names of the emotions (as I have remarked already) have regard rather to their exercise than to their nature.

I have now fulfilled the task of explaining the emotions arising from pleasure and pain. I therefore proceed to treat of those which I refer to desire.

3DAXXXII
Desiderium est cupiditas sive appetitus re aliqua potiundi quæ ejusdem rei memoria fovetur et simul aliarum rerum memoria quæ ejusdem rei appetendæ existentiam secludunt, cœrcetur.
EXPLICATIO: Cum alicujus rei recordamur, ut jam sæpe diximus, eo ipso disponimur ad eandem eodem affectu contemplandum ac si res præsens adesset sed hæc dispositio seu conatus dum vigilamus plerumque cohibetur ab imaginibus rerum quæ existentiam ejus cujus recordamur, secludunt. Quando itaque rei meminimus quæ nos aliquo lætitiæ genere afficit, eo ipso conamur eandem cum eodem lætitiæ affectu ut præsentem contemplari, qui quidem conatus statim cohibetur memoria rerum quæ illius existentiam secludunt. Quare desiderium revera tristitia est quæ lætitiæ opponitur illi quæ ex absentia rei quam odimus oritur, de qua vide scholium propositionis 47 hujus partis. Sed quia nomen "desiderium" cupiditatem respicere videtur, ideo hunc affectum ad cupiditatis affectus refero.
't Verlangen is een begeerte, of lust van enig ding te genieten, de welke door de geheugenis van de zelfde zaak gevoed, en te gelijk door de geheugenis van anderen dingen, dewelken de wezentlijkheit van de zelfde begeerde zaak uitsluiten, ingetoomt word.

Als wy aan enig ding gedenken, gelijk wy alreê meermaals gezegt hebben, zo worden wy daar door geschikt tot het zelfde met de zelfde hartstocht te beschouwen, als of de zaak tegenwoordig was. Maar deze schikking, of poging word, terwijl wy waken, deurgaans belet en verhindert door de beelden der dingen, die de wezentlijkheit van 't geen, daar aan wy gedenken, uitsluiten. Als wy dan aan een zaak gedenken, die ons met enig slach van blijschap aandoet, zo pogen wy daar door de zelfde met de zelfde hartstocht van blijschap als tegenwoordig te beschouwen; welke poging terstont belet en verhindert word door de geheugenis der dingen, die des zelfs wezentlijkheit uitsluiten. Het verlangen is dieshalven warelijk een droef heit, de welke tegen die blijschap word gestelt, die uit de tegenwoordigheit van de zaak rijst, de welke wy haten: bezie hier af het Byvoegsel van de zevenënveertigste Voorstelling in dit deel: Maar dewijl de naam van Verlangen op begeerte schijnt te zien, zo pas ik deze hartstocht tot de hartstocht van begeerte toe.
Regret is the desire or appetite to possess something, kept alive by the remembrance of the said thing, and at the same time constrained by the remembrance of other things which exclude the existence of it.

Explanation--When we remember a thing, we are by that very fact, as I have already said more than once, disposed to contemplate it with the same emotion as if it were something present; but this disposition or endeavour, while we are awake, is generally checked by the images of things which exclude the existence of that which we remember. Thus when we remember something which affected us with a certain pleasure, we by that very fact endeavour to regard it with the same emotion of pleasure as though it were present, but this endeavour is at once checked by the remembrance of things which exclude the existence of the thing in question. Wherefore regret is, strictly speaking, a pain opposed to that of pleasure, which arises from the absence of something we hate (cf. III. xlvii. note). But, as the name regret seems to refer to desire, I set this emotion down, among the emotions springing from desire.
3DAXXXIII
æmulatio est alicujus rei cupiditas quæ nobis ingeneratur ex eo quod alios eandem cupiditatem habere imaginamur.
EXPLICATIO: Qui fugit quia alios fugere vel qui timet quia alios timere videt vel etiam ille qui ex eo quod aliquem manum suam combussisse videt, manum ad se contrahit corpusque movet quasi ipsius manus combureretur, eum imitari quidem alterius affectum sed non eundem æmulari dicemus, non quia aliam æmulationis aliam imitationis novimus causam sed quia usu factum est ut illum tantum vocemus æmulum qui id quod honestum, utile vel jucundum esse judicamus, imitatur. Cæterum de æmulationis causa vide propositionem 27 hujus partis cum ejus scholio. Cur autem huic affectui plerumque juncta sit invidia, de eo vide propositionem 32 hujus cum ejusdem scholio.
De Nayvering, of Krijgelheit is een begeerte van enig ding, de welke hier uit ons ingeboren word, dat wy ons inbeelden dat anderen de zelfde begeerte hebben.

Verklaring.--De geen, die vlucht, om dat hy anderen ziet vluchten, of vreest, om dat hy anderen ziet vrezen, of ook de geen, die hieröm de hant naar zich trekt, om dat iemants hant verbrand is, en zijn lighaam beweegt, als of zijn eige hant verbrant zou worden; van de zelfde zullen wy zeggen, dat hy wel de hartstocht van een ander navolgt, maar niet de zelfde nayvert, of nakrijgelt: niet om dat wy een andere oorzaak van nayvering of krijgelheit, en een ander van navolging kennen; maar om dat het door de gewoonte zo verre is gekomen, dat wy de geen alleen nayverig of krijgelig noemen, die het geen navolgt, 't welk wy eerlijk, nut, of aangenaam oordeelen te wezen. Wat d' oorzaak van nayvering of krijgelheit aangaat, bezie hier af de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel, met der zelfder Byvoegsel. Maar waaröm de Nijt deurgaans aan deze hartstocht gevoegt is, bezie hier af de tweeëndartigste Voorstelling in dit deel, met der zelfder Byvoegsel.
Emulation is the desire of something, engendered in us by our conception that others have the same desire.

Explanation--He who runs away, because he sees others running away, or he who fears, because he sees others in fear; or again, he who, on seeing that another man has burnt his hand, draws towards him his own hand, and moves his body as though his own were burnt; such an one can be said to imitate another's emotion, but not to emulate him; not because the causes of emulation and imitation are different, but because it has become customary to speak of emulation only in him, who imitates that which we deem to be honourable, useful, or pleasant. As to the cause of emulation, cf. III. xxvii. and note. The reason why this emotion is generally coupled with envy may be seen from III. xxxii. and note.
3DAXXXIV
Gratia seu gratitudo est cupiditas seu amoris studium quo ei benefacere conamur qui in nos pari amoris affectu beneficium contulit. Vide propositionem 39 cum scholio propositionis 41 hujus.
Dank, of dankbaarheit is een begeerte, of een betrachting van liefde, daar door wy aan de geen trachten wel te doen, die uit gelijke hartstocht van liefde weldaat gedaan heeft. Bezie de negenëndartigste Voorstelling, met het Byvoegsel van d' eenënveertigste Voorstelling in dit deel.

Thankfulness or Gratitude is the desire or zeal springing from love, whereby we endeavour to benefit him, who with similar feelings of love has conferred a benefit on us. Cf. III. xxxix. note and xl.

3DAXXXV
Benevolentia est cupiditas benefaciendi ei cujus nos miseret. Vide scholium propositionis 27 hujus.
De Goetwilligheit is een begeerte van wel te doen aan de geen, met de welk wy deernis hebben. Bezie het Byvoegsel van de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel.

Benevolence is the desire of benefiting one whom we pity. Cf. III. xxvii. note.

3DAXXXVI
Ira est cupiditas qua ex odio incitamur ad illi quem odimus malum inferendum. Vide propositionem 39 hujus.
De Gramschap is een begeerte, daar door wy uit haat aangeprikkelt worden tot de geen, die wy haten, quaat aan te doen. Bezie de negenëndartigste Voorstelling in dit deel.

Anger is the desire, whereby through hatred we are induced to injure one whom we hate, III. xxxix.

3DAXXXVII
Vindicta est cupiditas qua ex reciproco odio concitamur ad malum inferendum ei qui nobis pari affectu damnum intulit. Vide II corollarium propositionis 40 hujus cum ejusdem scholio.
De Wraak is een begeerte, door de welke wy uit wederkerige haat aangeprikkelt worden tot de geen quaat aan te doen, die met gelijke hartstocht ons schade aangedaan heeft. Bezie de tweede Toegift van de veertigste Voorstelling in dit deel, met der zelfder Byvoegsel.

Revenge is the desire whereby we are induced, through mutual hatred, to injure one who, with similar feelings, has injured us. (See III. xl. Coroll. ii and note.)

3DAXXXVIII
Crudelitas seu sævitia est cupiditas qua aliquis concitatur ad malum inferendum ei quem amamus vel cujus nos miseret.
EXPLICATIO: Crudelitati opponitur clementia, quæ passio non est sed animi potentia qua homo iram et vindictam moderatur.
De Wreetheit, of Straf heit is een begeerte, door de welke iemant aangeprikkelt word tot de geen quaat aan te doen, die wy beminnen, of over de welk wy deernis hebben.

Verklaring.--Tegen de Wreetheit stelt men de Goedertierentheit, die geen lijding ts, maar een vermogen van 't gemoed, daar door de mensch de gramschap en wraak matigt.
Cruelty or savageness is the desire, whereby a man is impelled to injure one whom we love or pity.

Explanation--To cruelty is opposed clemency, which is not a passive state of the mind, but a power whereby man restrains his anger and revenge.
3DAXXXIX
Timor est cupiditas majus quod metuimus malum minore vitandi. Vide scholium propositionis 39 hujus.
De Schroomte is een begeerte van een meerder quaat, daar voor wy vrezen, door een minder te vermijden. Bezie het Byvoegsel van de negenëndartigste Voorstelling in dit deel.

Timidity is the desire to avoid a greater evil, which we dread, by undergoing a lesser evil. Cf. III. xxxix. note.

3DAXL
Audacia est cupiditas qua aliquis incitatur ad aliquid agendum cum periculo quod ejus æquales subire metuunt.
De Stoutheit is een begeerte, daar door iemant aangeprikkelt word tot iets, 't welk zijns gelijken vrezen aan te gaan, met gevaar te doen.

Daring is the desire, whereby a man is set on to do something dangerous which his equals fear to attempt.

3DAXLI
Pusillanimitas dicitur de eo cujus cupiditas cœrcetur timore periculi quod ejus æquales subire audent.
EXPLICATIO: Est igitur pusillanimitas nihil aliud quam metus alicujus mali quod plerique non solent metuere; quare ipsam ad cupiditatis affectus non refero. Eandem tamen hic explicare volui quia quatenus ad cupiditatem attendimus, affectui audaciæ revera opponitur.
De Kleinmoedigheit word den geen toegeëigent, welks begeerte ingetoomt word doorde schroom van 't gevaar, 't welk zijns gelijken darren aangaan.

Verklaring.--De Kleinmoedigheit is dieshalven niets anders, dan de vrees van enig quaat, 't welk de meeste menschen niet gewent zijn te vrezen. Ik pas haar daaröm tot de hartstocht van begeerte niet toe. Ik heb echter goet geächt de zelfde hier te verklaren, om dat zy, voor zo veel wy op de begeerte merken, warelijk tegen de hartstocht van Stoutheit gestelt word.
Cowardice is attributed to one, whose desire is checked by the fear of some danger which his equals dare to encounter.

Explanation--Cowardice is, therefore, nothing else but the fear of some evil, which most men are wont not to fear; hence I do not reckon it among the emotions springing from desire. Nevertheless, I have chosen to explain it here, because, in so far as we look to the desire, it is truly opposed to the emotion of daring.
3DAXLII
Consternatio dicitur de eo cujus cupiditas malum vitandi cœrcetur admiratione mali quod timet.
EXPLICATIO: Est itaque consternatio pusillanimitatis species. Sed quia consternatio ex duplici timore oritur, ideo commodius definiri potest quod sit metus qui hominem stupefactum aut fluctuantem ita continet ut is malum amovere non possit. Dico stupefactum quatenus ejus cupiditatem malum amovendi admiratione coerceri intelligimus. Fluctuantem autem dico quatenus concipimus eandem cupiditatem coerceri timore alterius mali quod ipsum æque cruciat : unde fit ut quodnam ex duobus avertat, nesciat. De his vide scholium propositionis 39 et scholium propositionis 52 hujus. Cæterum de pusillanimitate et audacia vide scholium propositionis 51 hujus.
De Verslagentheit word den geen toegeëigent, diens begeerte van 't quaat te mijden door de verwondering van 't quaat, dat hy vreest, ingetoomt word.

Verklaring.--De Verslagentheit is dan zeker soort, of gedaante van kleinmoedigheit. Maar dewijl de verslagentheit ook uit een tweevoudige schroom voortkoomt, zo kan zy bequamelijker dus bepaalt worden; dat zy een vrees is, die de verbaasde, of vlottende mensch in dier voegen houd, dat hy het quaat niet kan afweeren. Ik zeg verbaasde mensch, voor zo veel wy verstaan dat zijn begeerte van het quaat af te weren door de verwondering ingetoomt word; en ik zeg vlottende, voor zo veel wy bevatten dat de zelfde begeerte door de schroom van een tweede quaat, 't welk hem even zeer pijnigt, ingetoomt en bedwongen word; daar uit voortkoomt dat hy niet weet welk van beide hy afweeren zal; bezie hier af de Byvoegsels van de negenëndartigste en tweeënvijftigste Voorstelling in dit deel. Wat de Kleinmoedigheit en Stoutheit aangaan, bezie hier af het Byvoegsel van d' eenënvijftigste Voorstelling in dit deel.
Consternation is attributed to one, whose desire of avoiding evil is checked by amazement at the evil which he fears.

Explanation--Consternation is, therefore, a species of cowardice. But, inasmuch as consternation arises from a double fear, it may be more conveniently defined as a fear which keeps a man so bewildered and wavering, that he is not able to remove the evil. I say bewildered, in so far as we understand his desire of removing the evil to be constrained by his amazement. I say wavering, in so far as we understand the said desire to be constrained by the fear of another evil, which equally torments him: whence it comes to pass that he knows not, which he may avert of the two. On this subject, see III. xxxix. note, and III. lii. note. Concerning cowardice and daring, see III. li. note.
3DAXLIII
Humanitas seu modestia est cupiditas ea faciendi quæ hominibus placent et omittendi quæ displicent.
De Heusheit, of Zedigheit is een begeerte van die dingen te doen, de welken aan de menschen behagen, en van die na te laten, de welken aan hen mishagen.

Courtesy, or deference (Humanitas seu modestia), is the desire of acting in a way that should please men, and refraining from that which should displease them.

3DAXLIV
Ambitio est immodica gloriæ cupiditas.
EXPLICATIO: Ambitio est cupiditas qua omnes affectus (per propositiones 27 et 31 hujus) foventur et corroborantur et ideo hic affectus vix superari potest. Nam quamdiu homo aliqua cupiditate tenetur, hac simul necessario tenetur. Optimus quisque inquit Cicero maxime gloria ducitur. Philosophi etiam libris quos de contemnenda gloria scribunt, nomen suum inscribunt etc.
De Roemzucht is een onmatige begeerte van eer en roem.

Verklaring.--De Roemzucht is een begeerte, daar door alle de hartstochten (volgens de zevenëntwintigste en eenëndartigste Voorstelling in dit deel) gevoed, aangequeekt, en versterkt worden: en dieshalven kan deze hartstocht naauwelijks overwonnen worden: want zo lang de mensch van enige begeerte bezeten word, zo word hy nootzakelijk ook van deze bezeten. De vroomsten zelven, zegt Cicero, worden meest door roem geleid. De Philosophen, of Wijsbegerigen schrijven zelfs hun naam voor die boeken, de welken zy van de Verächting des roems maken.
Ambition is the immoderate desire of power.

Explanation--Ambition is the desire, whereby all the emotions (cf. III. xxvii. and xxxi.) are fostered and strengthened; therefore this emotion can with difficulty be overcome. For, so long as a man is bound by any desire, he is at the same time necessarily bound by this. "The best men," says Cicero, "are especially led by honour. Even philosophers, when they write a book contemning honour, sign their names thereto," and so on.
3DAXLV
Luxuria est immoderata convivandi cupiditas vel etiam amor.
De Brassery is een overmatige begeerte, of ook liefde van te gasten.

Luxury is excessive desire, or even love of living sumptuously.

3DAXLVI
Ebrietas est immoderata potandi cupiditas et amor.
De Dronkenschap is een overmatige begeerte, en liefde van te drinken.

Intemperance is the excessive desire and love of drinking.

3DAXLVII
Avaritia est immoderata divitiarum cupiditas et amor.
De Gierigheit is een overmatige begeerte en liefde van rijkdom.

Avarice is the excessive desire and love of riches.

3DAXLVIII
Libido est etiam cupiditas et amor in commiscendis corporibus.
EXPLICATIO: Sive hæc coeundi cupiditas moderata sit sive non sit, libido appellari solet. Porro hi quinque affectus (ut in scholio propositionis 56 hujus monui) contrarios non habent. Nam modestia species est ambitionis, de qua vide scholium propositionis 29 hujus. Temperantiam deinde, sobrietatem et castitatem mentis potentiam, non autem passionem indicare jam etiam monui. Et tametsi fieri potest ut homo avarus, ambitiosus vel timidus a nimio cibo, potu et coitu abstineat, avaritia tamen, ambitio et timor luxuriæ, ebrietati vel libidini non sunt contrarii. Nam avarus in cibum et potum alienum se ingurgitare plerumque desiderat. Ambitiosus autem, modo speret fore clam, in nulla re sibi temperabit et si inter ebrios vivat et libidinosos, ideo quia ambitiosus est, proclivior erit ad eadem vitia. Timidus denique id quod non vult, facit. Nam quamvis mortis vitandæ causa divitias in mare projiciat, manet tamen avarus et si libidinosus tristis est quod sibi morem gerere nequeat, non desinit propterea libidinosus esse. Et absolute hi affectus non tam ipsos actus convivandi, potandi etc. respiciunt quam ipsum appetitum et amorem. Nihil igitur his affectibus opponi potest præter generositatem et animositatem, de quibus in sequentibus. Definitiones zelotypiæ et reliquarum animi fluctuationum silentio prætermitto tam quia ex compositione affectuum quos jam definivimus, oriuntur quam quia pleræque nomina non habent, quod ostendit ad usum vitæ sufficere easdem in genere tantummodo noscere. Cæterum ex definitionibus affectuum quos explicuimus, liquet eos omnes a cupiditate, lætitia vel tristitia oriri seu potius nihil præter hos tres esse quorum unusquisque variis nominibus appellari solet propter varias eorum relationes et denominationes extrinsecas. Si jam ad hos primitivos et ad ea quæ de natura mentis supra diximus, attendere velimus, affectus quatenus ad solam mentem referuntur sic definire poterimus.
D' Onkuisheit, of Gailheit is ook een begeerte en liefde in de lighamen te zamen te mengen.

Verklaring.--'t Zy deze begeerte van te zamen te komen matig is, of niet, zy word gemenelijk Onkuisheit, of gailheit genoemt. Voorts, deze vijf hartstochten, (gelijk ik in 't Byvoegsel van de zesenvijftigste Voorstelling vermaant heb) hebben geen strijdigen. Want de zedigheit is een soort, of gedaante van roemzucht; bezie hier af het Byvoegsel van de negenëntwintigste Voorstelling in dit deel. Ik heb ook alreê gezegt, dat de matigheit, soberheit, en kuisheit het vermogen van de ziel, en geen lijding aanwijzen. En hoewel het gebeuren kan dat een gierig, roemzuchtig, of vreesachtig mensch zich van al te veel spijs, drank en bijslapen onthoud, zo zijn echter de gierigheit, eerzucht en vrees niet strijdig tegen de brassery, dronkenschap, of kuisheit: want de gierige wenscht deurgaans dat hy eens anders spijs en drank mag inzwelgen. D' eerzuchtige zal zich nergens in matigen, zo hy slechs hoopt dat het verborgen zal blijven; en indien hy onder de dronkaarts en onkuischen leeft, zo zal hy tot deze zonden meer genegen zijn, om dat hy roemzuchtig is. Eindelijk, de vreesachtige doet het geen, dat hy niet wil: want hoewel hy, om de doot t'ontgaan, zijn rijkdom in zee werpt, zo blijft hy echter gierig; en indien d'onkuische droevig is, om dat hy zijn lust niet kan voldoen, zo laat hy echter daaröm niet onkuisch te wezen. Deze hartstochten zien volstrektelijk niet zo zeer op de daden van te zuipen en te brassen, enz. als wel op de lust en liefde daar toe. Daar kan dieshalven niets tegen deze hartstochten gestelt worden, als d'edelmoedigheit en kloekmoedigheit, van de welken wy hier na zullen spreken. Ik ga de bepalingen van de nay vering, en der andere vlotheden des gemoeds met stilzwijgen voorby, zo om dat zy uit de samenzetting der hartstochten, die wy alreê beschreven hebben, spruiten, als om dat veel van hen geen benamingen hebben; 't welk aanwijst dat het tot gebruik van 't leven genoech is, de zelfden alleenlijk in 't algemeen te kennen. Voorts, uit de bepalingen der hartstochten, die wy verklaart hebben, blijkt dat zy alle uit begeerte, uit blijschap, of uit droef heit spruiten; of eerder, dat'er geen anderen, dan deze drie zijn, van de welken yder gemenelijk met verscheide namen genoemt word, uit oorzaak van hun verscheide betrekkingen, en uitwendige afnoemingen. Indien wy nu op dcze eerste en oorspronkelijke hartstochten, en op de dingen, die wy hier voor van de natuur der ziel gezegt hebben, willen merken, zo konnen wy, voor zo veel zy tot de ziel alleen toegepast worden, hen dus bepalen.
Lust is desire and love in the matter of sexual intercourse.

Explanation--Whether this desire be excessive or not, it is still called lust. These last five emotions (as I have shown in III. lvi.) have on contraries. For deference is a species of ambition. Cf. III. xxix. note.

Again, I have already pointed out, that temperance, sobriety, and chastity indicate rather a power than a passivity of the mind. It may, nevertheless, happen, that an avaricious, an ambitious, or a timid man may abstain from excess in eating, drinking, or sexual indulgence, yet avarice, ambition, and fear are not contraries to luxury, drunkenness, and debauchery. For an avaricious man often is glad to gorge himself with food and drink at another man's expense. An ambitious man will restrain himself in nothing, so long as he thinks his indulgences are secret; and if he lives among drunkards and debauchees, he will, from the mere fact of being ambitious, be more prone to those vices. Lastly, a timid man does that which he would not. For though an avaricious man should, for the sake of avoiding death, cast his riches into the sea, he will none the less remain avaricious; so, also, if a lustful man is downcast, because he cannot follow his bent, he does not, on the ground of abstention, cease to be lustful. In fact, these emotions are not so much concerned with the actual feasting, drinking, &c., as with the appetite and love of such. Nothing, therefore, can be opposed to these emotions, but high--mindedness and valour, whereof I will speak presently.

The definitions of jealousy and other waverings of the mind I pass over in silence, first, because they arise from the compounding of the emotions already described; secondly, because many of them have no distinctive names, which shows that it is sufficient for practical purposes to have merely a general knowledge of them. However, it is established from the definitions of the emotions, which we have set forth, that they all spring from desire, pleasure, or pain, or, rather, that there is nothing besides these three; wherefore each is wont to be called by a variety of names in accordance with its various relations and extrinsic tokens. If we now direct our attention to these primitive emotions, and to what has been said concerning the nature of the mind, we shall be able thus to define the emotions, in so far as they are referred to the mind only.

3GDA
Affectus qui animi pathema dicitur, est confusa idea qua mens majorem vel minorem sui corporis vel alicujus ejus partis existendi vim quam antea affirmat et qua data ipsa mens ad hoc potius quam ad illud cogitandum determinatur.
EXPLICATIO: Dico primo affectum seu passionem animi esse confusam ideam. Nam mentem eatenus tantum pati ostendimus (vide propositionem 3 hujus) quatenus ideas inadæquatas sive confusas habet. Dico deinde "qua mens majorem vel minorem sui corporis vel alicujus ejus partis existendi vim quam antea affirmat". Omnes enim corporum ideæ quas habemus magis nostri corporis actualem constitutionem (per corollarium II propositionis 16 partis II) quam corporis externi naturam indicant; at hæc quæ affectus formam constituit, corporis vel alicujus ejus partis constitutionem indicare vel exprimere debet quam ipsum corpus vel aliqua ejus pars habet ex eo quod ipsius agendi potentia sive existendi vis augetur vel minuitur, juvatur vel coercetur. Sed notandum cum dico "majorem vel minorem existendi vim quam antea", me non intelligere quod mens præsentem corporis constitutionem cum præterita comparat sed quod idea quæ affectus formam constituit, aliquid de corpore affirmat quod plus minusve realitatis revera involvit quam antea. Et quia essentia mentis in hoc consistit (per propositiones 11 et 13 partis II) quod sui corporis actualem existentiam affirmat et nos per perfectionem ipsam rei essentiam intelligimus, sequitur ergo quod mens ad majorem minoremve perfectionem transit quando ei aliquid de suo corpore vel aliqua ejus parte affirmare contingit quod plus minusve realitatis involvit quam antea. Cum igitur supra dixerim mentis cogitandi potentiam augeri vel minui, nihil aliud intelligere volui quam quod mens ideam sui corporis vel alicujus ejus partis formaverit quæ plus minusve realitatis exprimit quam de suo corpore affirmaverat. Nam idearum præstantia et actualis cogitandi potentia ex objecti præstantia æstimatur. Addidi denique "et qua data ipsa mens ad hoc potius quam ad illud cogitandum determinatur" ut præter lætitiæ et tristitiæ naturam quam prima definitionis pars explicat, cupiditatis etiam naturam exprimerem. Finis tertiæ partis
De Hartstocht, die een lijding des gemoeds word genoemt, is een verward denkbeelt, door 't welk de ziel een meerder of minder macht, dan te voren, van haar lighaam, of van enig gedeelte daar af van wezentlijk te zijn, bevestigt, en door 't welk, gestelt zijnde, de ziel zelve bepaalt word eerder op dit, dan op dat te denken.

Verklaring.--Ik zeg voorëerst, dat de hartstocht, of de lijding des gemoeds een verwart denkpeelt is. Want wy hebben (bezie hier af de darde Voorstelling in dit deel) getoont dat de ziel alleenlijk zo verre lijd, als zy onëvenmatige, of verwarde denkbeelden heeft. Ik zeg wijders, door 't welk de ziel een meerder of minder macht, dan te voren, van haar lighaam, of van enig gedeelte daar af van wezentlijk te zijn bevestigt: want alle de denkbeelden der lighamen, die wy hebben, wijzen meer aan de dadelijke gesteltenis van onz lig- haam, (volgens de tweede Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel) dan de natuur van 't uitterlijk lighaam. Maar dat, 't welk de vorm van de hartstocht stelt, moet de gesteltenis van 't lighaam, of van enig deel daar af, 't welk het lighaam zelfs, of enig deel daar af heeft, aanwijzen, of uitdrukken; namelijk hieröm, dat des zelfs vermogen van te doen, of macht van wezentlijk te zijn vermeerdert of vermindert, geholpen of ingetoomt word. Maar hier staat aan te merken dat ik, als ik zeg een meerder of minder macht van wezentlijk te zijn, dan te voren, niet versta dat de ziel de tegenwoordige gesteltenis van 't lighaam met de voorgaande gelijkt; maar dat het denkbeelt, 't welk de vorm van de hartstocht stelt, iets van 't lighaam bevestigt, dat warelijk meerder, of minder zakelijkheit insluit, dan te voren. En dewijl de wezentheit van de ziel hier in bestaat, (volgens d'elfde en dartiende Voorstelling in het tweede deel) dat zy de dadelijke wezentlijkheit van haar lighaam bevestigt, en wy, by volmaaktheit, de wezentheit zelve van de zaak verstaan, zo volgt dat de ziel tot meerder, of minder volmaaktheit overgaat, als 't haar toevalt iets, dat meerder of minder zakelijkheit insluit, dan te voren, van haar lighaam, of van enig deel daar af te bevestigen. Als ik dieshalven hier voor gezegt heb, dat de macht van te denken van de ziel vermeerdert of vermindert word, dan heb ik daar by niets anders verstaan willen hebben, dan dat de ziel een denkbeelt van haar lighaam, of van enig gedeelte daar af gevormt heeft, 't welk meerder of minder zakelijkheit uitdrukt, dan zy van haar lighaam bevestigt had; want de voortreffelijkheit der denkbeelden, en het dadelijk vermogen van te denken word naar de voortreffelijkheit van 't voorwerp geschat. Eindelijk heb ik 'er by gevoegt, en door 't welk, gestelt zijnde, de ziel zelve bepaalt word eerder op dit, dan op dat te denken; op dat ik, boven de natuur van de blijschap en droef heit, de welke in 't eerste deel van de Bepaling verklaart word, ook de natuur van de begeerte zou uitdrukken.

Einde van 't darde Deel.

Emotion, which is called a passivity of the soul, is a confused idea, whereby the mind affirms concerning its body, or any part thereof, a force for existence (existendi vis) greater or less than before, and by the presence of which the mind is determined to think of one thing rather than another.

Explanation--I say, first, that emotion or passion of the soul is a confused idea. For we have shown that the mind is only passive, in so far as it has inadequate or confused ideas. (III. iii.) I say, further, whereby the mind affirms concerning its body or any part thereof a force for existence greater than before. For all the ideas of bodies, which we possess, denote rather the actual disposition of our own body (II. xvi. Coroll. ii.) than the nature of an external body. But the idea which constitutes the reality of an emotion must denote or express the disposition of the body, or of some part thereof, because its power of action or force for existence is increased or diminished, helped or hindered. But it must be noted that, when I say a greater or less force for existence than before, I do not mean that the mind compares the present with the past disposition of the body, but that the idea which constitutes the reality of an emotion affirms something of the body, which, in fact, involves more or less of reality than before.

And inasmuch as the essence of mind consists in the fact (II. xi., xiii.), that it affirms the actual existence of its own body, and inasmuch as we understand by perfection the very essence of a thing, it follows that the mind passes to greater or less perfection, when it happens to affirm concerning its own body, or any part thereof, something involving more or less reality than before.

When, therefore, I said above that the power of the mind is increased or diminished, I merely meant that the mind had formed of its own body, or of some part thereof, an idea involving more or less of reality, than it had already affirmed concerning its own body. For the excellence of ideas, and the actual power of thinking are measured by the excellence of the object. Lastly, I have added by the presence of which the mind is determined to think of one thing rather than another, so that, besides the nature of pleasure and pain, which the first part of the definition explains, I might also express the nature of desire.