Ethics II - On the Nature and Origin of the Mind. - Preface

Opera Posthuma
Expand
De Nagelate Schriften
Expand
Elwes
Expand

Transeo jam ad ea explicanda quæ ex Dei sive Entis æterni et infiniti essentia necessario debuerunt sequi. Non quidem omnia; infinita enim infinitis modis ex ipsa debere sequi propositione 16 partis I demonstravimus sed ea solummodo quæ nos ad mentis humanæ ejusque summæ beatitudinis cognitionem quasi manu ducere possunt.

IK ga nu voort tot die dingen te Verklaren, de welken nootzakelijk uit de wezentheit van God, of van 't eeuwig en onëindig wezend hebben moeten volgen. Doch niet tot alle de dingen; want wy hebben (in de zestiende Voorstelling van 't eerste deel) betoogt, dat daar uit onëindige dingen op onëindige wijzen en moeten volgen: maar alleenlijk de genen, die ons, als met de hant, tot de kennis van de menschelijke ziel, en van der zelfder operste zaligheit konnen leiden.

I now pass on to explaining the results, which must necessarily follow from the essence of God, or of the eternal and infinite being; not, indeed, all of them (for we proved in Part i., Prop. xvi., that an infinite number must follow in an infinite number of ways), but only those which are able to lead us, as it were by the hand, to the knowledge of the human mind and its highest blessedness.