Ethics I - Van God

 Opera Posthuma
Expand
De Nagelate Schriften
Show All
Elwes
Expand
1D1
BY oorzaak van zich zelf versta ik het geen, welks wezentheit wezentlijkheit insluit; of het geen, welks natuur niet anders, dan ewezentlijk, bevat kan worden.
1D2
Dat ding, 't welk door een ander van de zelfde natuur bepaalt kan worden, word in zijn ggeslacht eindig gezegt. Tot een voorbeelt; het lighaam word eindig gezegt; om dat wy altijt een ander, dat groter is, bevatten. Dus word ook een denking door een andere bepaalt. Maar 't lighaam word door geen denking, noch de denking door enig lighaam bepaalt.
1D3
By zelfstandighèit versta ik 't geen, dat in zich is, en door zich bevat word: dat is, welks bevatting niet de bevatting van een anderding, van 't welk het gevormt moet worden, behoeft.
1D4
By toeëigening versta ik 't geen, dat het verstant wegens de zelfstandigheit, als haar wezentheit stellende, bevat.
1D5
By wijze versta ik d'aandoeningen der zelfstandigheit, of dit, 't welk in iets anders is, daar door het ook bevat word.
1D6
By God versta ik een wezend, volstrektelijk onëindig: dat is, een zelfstandigheit, die uit onëindige toeëigeningen bestaat, van de welken yder een eeuwige onëindige wezentheit uitdrukt.
Verklaring.--Ik zeg volstrektelijk, en niet in zijn geslacht onëindig: want van al 't geen, dat alleenlijk in zijn geslacht onëindig is, konnen wy onëindige toeëigeningen ontkennen: (dat is, men kan onëindige toeëigeningen bevatten, die tot des zelfs natuur niet behoren) maar tot de wezentheit van 't geen, dat volstrektelijk oneindig is, behoort al 't geen, 't welk wezentheit nuitdrukt, en geen ontkenning insluit.
1D7
Deze zaak word gezegt vry te zijn, de welke alleenlijk uit de nootzakelijkheit van haar natuur wezentlijk is, en van zich alleen tot iets te werken bepaalt word: maar die nootzakelijk, of eerder gedwongen, de welke van een andere bepaalt word op zekere wijze wezentlijk te zijn, en te werken.
1D8
By eeuwigheit versta ik de wezentlijkheit zelve, voor zo veel zy bevat word nootzakelijk uit de bepaling van d'eeuwige zaak alleen te volgen.
Verklaring.--Want zodanige wezentlijkheit, gelijk de wezentheit van een zaak, word als een eeuwige waarheit bevat, en kan dieshalven door geen during, of tijt uitgedrukt worden, schoon men de during zonder begin en einde bevat.
1A1
Alles, dat 'er is, is in zich, of in een ander.
1A2
Het geen, dat door een ander niet bevat kan worden, moet door zich bevat worden.
1A3
Uit een lgestelde bepaalde oorzaak volgt nootzakelijk het gewrocht. In tegendeel, indien men geen bepaalde oorzaak stelt, zo is 't onmogelijk dat het gewrocht zal volgen.
1A4
De kennis van gewrocht hangt af van de kennis van zijn oorzaak, en sluit de zelfde in.
1A5
De dingen, die met malkander niets gemeen hebben, konnen niet door malkander verstaan worden; of de bevatting van 't een sluit niet de bevatting van 't ander in.
1A6
Het waar denkbeelt moet met zijn gedachte zaak overëenkomen.
1A7
De wezentheit van al 't geen, dat men als niet wezentlijk kan bevatten, sluit geen wezentlijkheit in.
1P1
De zelfstandigheit is eerder in natuur, dan haar aandoeningen.
Betoging.--Dit blijkt uit de voorgaande darde en vijfde Bepaling.
1P2
Twee zelfstandigheden, twee verscheide toeëigeningen hebbende, hebben niets met malkander gemeen.
Betoging.--Dit blijkt ook uit de darde Bepaling: want yder zelfstandigheit moet in zich zelve zijn, en door zich zelve bevat worden: of anders, de bevatting van d'een sluit de bevatting van d'ander niet in.
1P3
De dingen, die onder zich niets gemeen hebben, konnen 't een geen oorzaak van 't ander wezen.
Betoging.--Indien zy met malkander niets gemeen hebben, zo konnen zy (volgens de vijfde Kundigheit) niet door malkander verstaan worden: en dieshalven konnen zy (volgens de vierde Kundigheit) 't een geen oorzaak van 't ander wezen; 't welk te bewijzen stond.
1P4
Twee, of meer onderscheide dingen worden of naar de verscheidenheit van de toeëigeningen der zelfstandigheden, of naar de verscheidenheit van der zelfder aandoeningen onderscheiden.
Betoging.--Alles, dat 'er is, is in zich, of in een ander; (volgens d' eerste Kundigheit) dat is, (volgens de darde en vijfde Bepaling) buiten het bverstant word niets gestelt, dan zelfstandigheden, en der zelfder aandoeningen. Daar word dieshalven buiten het verstant niets gestelt, door 't welk veel dingen onder malkander onderscheiden konnen worden, dan de zelfstandigheden, of, 't welk het zelfde is, (volgens de vierde Kundigheit), der zelfder toeëigeningen, en der zelfder aandoeningen; 't welk te betogen stond.
1P5
In de natuur konnen geen twee, of meer izelfstandigheden van een zelfde natuur, of toeëigening gestelt worden.
Betoging.--Indien 'er twee, of meer onderscheide zelfstandigheden gestelt wierden, zo moesten zy of door de verscheidenheit der toeëigeningen, of door de verscheidenheit der aandoeningen (volgens de voorgaande Voorstelling) van malkander onderscheiden worden. Indien dit alleenlijk door de verscheidenheit der toeëigeningen gestelt word, zo staat men toe dat 'er niet meer dan een enige van een en de zelfde toeëigening is. Maar indien de zelfstandigheden alleenlijk door de verkheidenheit van hun aandoeningen onderscheiden zijn, dewijl de zelfstandigheit uit haar natuur eerder is, dan haar aandoeningen; (volgens d'eerste Voorstelling) zo zal men, als men d'aandoeningen ter zijden stelt, en de zelfstandigheit in zich aanmerkt, dat is (volgens de darde en zeste Bepaling) warelijk aanmerkt, niet konnen bevatten dat d' een van d' ander onderscheiden is: dat is (volgens de voorgaande Voorstelling) men zal geen twee, of meer, maar alleenlijk een, konnen stellen; gelijk te betogen stond.
1P6
Een zelfstandigheit kan niet van een andere zelfstandigheit voortgebracht worden.
Betoging.--Daar konnen (volgens de voorgaande Voorstelling) geen twee zelfstandigheden van een zelfde toeëeigening gestelt worden: dat is, (volgens de tweede Voorstelling) die met malkander iets gemeen hebben: en dieshalven kan (volgens de darde Voorstelling in dit deel) d' een niet d' oorzaak van d' andere wezen, noch d' een van d' andere voortgebracht worden; 't welk men betogen moest.

Toegift.--Hier uit volgt dat een zelfstandigheit niet van iets anders voortgebracht kan worden. Want in de natuur word niets gestelt, dan zelfstandigheden, en hun aandoeningen; gelijk uit d'eerste Kundigheit, en uit de darde en vijfde Bepaling blijkt. En een zelfstandigheit kan van geen zelfstandigheit voortgebracht worden; volgens de voorgaande Voorstelling. Dieshalven, een zelfstandigheit kan volstrektelijk niet van iets anders voortgebracht worden; gelijk te betogen stond.

Anders.--Deze Voorstelling word lichtelijker uit d'ongerijmtheit van haar tegenstelling bewezen. Want indien een zelfstandigheit van iets anders voortgebracht kon worden, zo moest (volgens de vierde Kundigheit) haar kennis van de kennis van haar oorzaak afhangen, en zou dieshalven (volgens de darde Bepaling) geen zelfstandigheit wezen.

1P7
Wezentlijk te zijn behoort tot de natuur van een zelfstandigheit.
Betoging.--Een zelfstandigheit kan (volgens de Toegift van de voorgaande Voorstelling) niet van iets anders voortgebracht worden. Zy zal dan d'oorzaak van zich zelve wezen: dat is, (volgens d' eerste Bepaling) haar wezentheit sluit nootzakelijk de wezentlijkheit in; of wezentlijk te zijn behoort tot haar natuur: gelijk te betogen stond.
1P8
Alle zelfstandigheit is nootzakelijk oneindig.
Betoging.--Van een enige toeëigening kan niet meer, dan een enige zelfstandigheit wezentlijk wezen; (volgens de vijfde Voorslelling van dit deel) en wezentlijk te wezen behoort tot haar natuur; olgens de zevende Voorstelling in dit deel. Zy zal dan uit haar natuur of eindig of onëindig wezentlijk wezen. Niet eindig: want (volgens de weede Bepaling) zy moest door een andere zelfstandigheit van de zelfde natuur, die ook (volgens de zevende Voorstelling in dit deel) nootzakelijk wezentlijk moest zijn, bepaalt worden: en dieshalven zouden 'er twee zelfstandigheden van een zelfde toeëigening gestelt worden; 't welk ongerijmt is: olgens de vijfde Voorstelling. Zy is dan wezentlijk onëindig,gelijk te betogen stond.

Eerste Byvoegsel.--Dewijl eindig te zijn warelijk ten deel een ontkenning is, en onëindig een volstrekte bevestiging van de wezentlijkheit van enige natuur, zo volgt (uit de zevende Voorstelling van dit deel alleen) dat alle zelfstandigheit onëindig moet wezen. Want indien men de zelfstandigheit eindig stelde, zo zou men in haar natuur ten deel het wezentlijk te zijn ontkennen; 't welk, (volgens de gezeide Voorstelling) ongerijmt is.

Tweede Byvoegsel.--Ik twijffel niet of de genen, die verwardelijk van de dingen oordeelen, en niet gewent zijn de zaken door hun eerste oorzaken te kennen, zullen zwarelijk de Betoging van de zevende Voorstelling in dit deel bevatten; om dat zy geen onderscheit tusschen de wijzen van de zelfstandigheden, en de zelfstandigheden zelven maken, en niet weten hoe de dingen voortgebracht worden. Hier uit spruit het dat zy het beginsel, 't welk zy in de naturelijke en zichtbare dingen gewaar worden, ook aan de zelfstandigheden toepassen. Want de genen, die in de ware oorzaken der dingen onkundig zijn, verwarren alles, en verdichten, zonder enige tegenstrijdigheit van 't gemoed, dat zo wel de bomen, als de menschen spreken, en beelden zich in dat de menschen zo wel uit stenen, als uit zaat voortkomen, en dat alderhande vormen in alderhande vormen veränderen. In dezer voegen eigenen de genen, die de goddelijke met de menschelijke natuur verwarren, lichtelijk menschelijke aandoeningen en tochten aan God toe; inzonderheit zo lang zy noch niet weten hoe d' aandoeningen, of tochten in de menschelijke ziel voortkomen: Maar indien de menschen op de natuur van de zelfstandigheit merkten, zy zouden geensins aan de waarheit van de zevende Voorstelling in dit deel twijffelen: ja deze Voorstelling zou by alle menschen tot een geloofsspreuk verstrekken, en onder de gemene Kundigheden getelt worden. Want zy zouden by zelfstandigheit het geen verstaan, dat in zich is, en door zich bevat word; dat is het geen, daar af de kennis niet de kennis van enig ander ding behoeft: en by wijzen het geen, dat in een ander is, en welker bevattingen van de bevatting des dings, daar zy in zijn, gevormt word. En hier uit spruit het dat wy van de wijzen, schoon zy niet wezentlijk zijn, echter ware denkbeelden konnen hebben: want hoewel zy dadelijk niet buiten 't verstant wezentlijk zijn, zo word echter hun wezentheit in een ander in dier voegen begrepen, dat zy door 't zelfde bevat konnen worden. Maar het voorwerp van een waar denkbeelt der zelfstandigheden kan geen ander zijn, dan de zelfstandigheden zelven, om dat zy door zich bevat worden. Indien dan iemant zeide, dat hy een klaar en onderscheide, dat is een waar denkbeelt van een zelfstandigheit had, en dat hy echter twijffelde of zodanige zelfstandigheit wezentlijk is, dit zou warelijk even het zelfde zijn, als of hy zeide, dat hy een waar denkbeelt had, en echter twijffelde of het niet valsch was; gelijk klarelijk aan de geen blijkt, die wel opmerkt: of indien iemant stelt dat een zelfstandigheit, die niet was, nu begint te zijn, die stelt met enen dat een valsch denkbeelt waar geworden is; 't welk warelijk het ongerijmste is, dat men kan bedenken. Men moet dieshalven nootzakelijk belijden, dat de wezentlijkheit van de zelfstandigheit, gelijk haar wezentheit, een eeuwige waarheit is. Wy konnen dan hier uit op een andere wijze besluiten dat 'er niet meer dan een enige van de zelfde natuur is; en ik heb 't de moeite waerdig geächt het zelfde hier te tonen. En om dit zelfde in ordening te doen, zo staat aan te merken, ooreerst, dat de ware bepaling van yder ding niets anders insluit, noch uitdrukt, dan de natuur van de bepaalde zaak: Uit het welk en tweeden olgt, dat geen bepaling enig zeker getal van ondeeligen insluit, of uitdrukt, dewijl zy niets anders uitdrukt, dan de natuur van de bepaalde aak. Tot een voorbeelt; de bepaling van de driehoek drukt niets anders uit, dan d'enkelde natuur van de driehoek, maar niet enig zeker getal van driehoeken. en darden taat aan te merken, dat nootzakelijk van yder ding een stellige oorzaak, door de welke het is, gestelt moet worden. en vierden n eindelijk heeft men aan te merken, dat deze oorzaak, door de welke enig ding is, of in de natuur zelve, en in de bepaling van de wezentlijke zaak (namentlijk om dat wezentlijk te zijn tot haar natuur behoort, en het zelfde insluit) moet begrepen, of daar buiten gestelt worden. Uit deze stellingen volgt, dat, zo 'er in de natuur enig zeker getal van ondeeligen is, men nootzakelijk oorzaak moet stellen, waaröm deze ondeeligen, en waarom zy niet meer, of min in getal, zijn. Tot een voorbeelt, indien 'er in de natuur twintig menschen zijn, die ik, tot groter klaarheit, en om verwarring te mijden onderstel gelijkelijk te zijn, en dat 'er voor hen geen anderen geweest hebben, zo zal 't (te weten om reden te geven, waaröm dat 'er twintig menschen zijn) niet genoech wezen, dat men d' oorzaak van de menschelijke natuur in 't algemeen toont; maar het zal daarënboven ook nootzakelijk wezen, dat men toont waaröm dat 'er niet meerder, of minder dan twintig zijn: want (volgens de darde Aanmerking) van yder bezonder mensch moet nootzakelijk oorzaak, waaröm hy is, gestelt worden. Maar (volgens de tweede en darde Aanmerking) deze oorzaak kan niet in de menschelijke natuur zelve begrepen worden; vermits de ware bepaling van de mensch niet het getal van twintig insluit. Dieshalven (volgens de vierde Aanmerking) d'oorzaak, waaröm deze twintig menschen zijn, en by gevolg waaröm yder is, moet nootzakelijk buiten yder gestelt worden. Men heeft dan volstrektelijk te besluiten, dat alle de dingen, van de welken men bevat dat zy veelvoudig konnen wezen, nootzakelijk, om te zijn, een uitterlijke oorzaak moeten hebben. Maar dewijl (volgens het geen, dat wy in 't begin van dit Byvoegsel getoont hebben) wezentlijk te zijn tot de natuur van de zelfstandigheit behoort, zo moet haar bepaling nootzakelijke wezentlijkheit insluiten: en by gevolg moet uit haar bepaling alleen haar wezentlijkheit besloten worden. Doch uit haar bepaling (gelijk wy in de tweede en darde Aanmerking getoont hebben) kan niet de wezentlijkheit van veel zelfstandigheden volgen: zo volgt dan daar uit nootzakelijk, dat 'er niet meer dan een enige zelfstandigheit van de zelfde natuur is; gelijk voorgestelt wierd.

1P9
Hoe yder ding meer zakelijkheit, of zijn heeft, hoe 'er meer toeëigeningen toe behoren.
Betoging.--Dit blijkt uit de vierde Bepaling.
1P10
Yder toeëigening van een enige zelfstandigheit moet door zich bevat worden.
Betoging.--Want de toeëigening is 't geen, 't welk het verstant van de zelfstandigheit, als haar wezentheit stellende, bevat; (volgens de vierde Bepaling: n dieshalven moet zy, olgens de darde Bepaling) door zich begrepen worden; elijk te betogen stond.

Byvoegsel.--ier ui blijk da, oewel wee oeëigeningen, zakelijk onderscheiden,nbevat worden, (dat is d' een zonder hulp van d' ander,) wy echter daar uit niet konnen besluiten dat zy twee wezenden, of twee verscheidepzelfstandigheden stellen: want dit behoort tot de natuur van de zelfstandigheit, dat yder van haar toeëigeningen door zich bevat word: dewijl alle de toeëigeningen, die zy heeft, altijt gelijkelijk en te zamen in haar geweest hebben, en d' een niet van d' ander heeft voortgebracht konnen worden; maar yder op zich zelve de zakelijkheit, of het zijn van de zelfstandigheit uitdrukt. 't Is dan verre van daar, dat het ongerijmt zou wezen, dat men aan een enige zelfstandigheit veel toeëigeningen zouxtoevoegen: ja daar is in de natuur niet klaarblijkelijker, dan dat yderywezend onder enige toeëigening bevat moet worden. En hoe het meerzzakelijkheit, of zijn heeft, hoe het ook meer toeëigeningen heeft, die nootzakelijkheit, of eeuwigheit, en onëindigheit uitdrukken: en by gevolg is 'er ook niets klaarblijkelijker, dan dat een wezend, 't welk volstrektelijk onëindig is, nootzakelijk (gelijk wy in de Zeste Bepaling aangewezen hebben) dus bepaalt moet worden: een wezend, dat uit onëindige toeëigeningen bestaat, van de welken yder zekere slach van wezentheit, die eeuwig en onëindig is, uitdrukt. Indien iemant nu vraagt uit welk teken wy de verscheidenheit der zelfstandigheden zouden konnen onderscheiden, die lees de volgende Voorstellingen, de welken tonen dat 'er in de natuur niet meer, dan een enige zelfstandigheit wezentlijk, en dat de zelfdeovolstrektelijk onëindig is; in voegen dat men te vergeefs naar dit teken vraagt.

1P11
Godt, of een zelfstandigheit, uit onëindige toeëigeningen bestaande, van de welken yder een eeuwige en onëindige wezentheit uitdrukt, moet nootzakelijk wezentlijk wezen.
Betoging.--Indien gy 't ontkent, zo begrijp, indien het mogelijk is, dat God niet wezentlijk is. Zijn wezentheit zal dan (volgens de zevende Kundigheit) geen wezentlijkheit insluiten. Doch dit is ( volgens de zevendebVoorstelling in dit deel) ongerijmt. Zo is dan God nootzakelijk wezentlijk;gelijk te betogen stond.

Anders.--Van yder ding moet nootzakelijk oorzaak, of reden aangewezen worden, zo wel waaröm het is, als waaröm het niet is. Tot een voorbeelt; Indien 'er een driehoek is, zo moet 'er reden, of oorzaak zijn, waaröm hy is: en indien 'er geen driehoek is, zo moet 'er ook reden, of oorzaak zijn, de welke belet dat hy 'er is, of die zijn wezentlijkheit uitsluit. Doch deze reden, of oorzaak moet of in de natuur van de zaak zelve begrepen worden, of daar buiten wezen. Tot een voorbeelt; de reden, om de welke een vierkantige kring niet wezentlijk is, blijkt uit de natuur van de zaak zelve, te weten om dat zy tegenzeggelijkheit insluit. Maar waaröm, in tegendeel, een zelfstandigheit wezentlijk is; dit volgt uit haar eige natuur, die wezentlijkheit insluit. (bezie de zevende Voorstelling in dit deel) Doch de reden, om de welke een kring, of driehoek wezentlijk, of niet wezentlijk is, volgt niet uit hun natuur; maar uit d' ordening van d'algemene lighamelijke natuur: want daar uit moet volgen of dat de driehoek nootzakelijk wezentlijk is, of dat het onmogelijk is dat hy wezentlijk is. Uit deze dingen, die uit zich zelven bekent zijn, volgt dat het geen, van 't welk geen reden noch oorzaak is, die zijn wezentlijkheit belet, of uitsluit, nootzakelijk wezentlijk moet wezen. Dieshalven, indien 'er geen reden, noch oorzaak kan zijn, die belet dat God wezentlijk is, of die zijn wezentlijkheit wechneemt, en uitsluit, zo zal men moeten besluiten dat hy nootzakelijk wezentlijk is. Doch indien 'er zodanige reden, of oorzaak kon zijn, zo moest de zelfde of in Gods natuur, of buiten zijn natuur, dat is in een andere zelfstandigheit van een andere natuur, wezen. Want indien zy van een zelfde natuur gestelt word, zo staat men daar door toe, dat God wezentlijk is. Maar een zelfstandigheit, die van een andere natuur is, dan de goddelijke, heeft met God niets gemeen; (volgens de tweede Voorstelling in dit deel) en kan dieshalven zijn wezentlijkheit niet stellen, noch wechneemen. Dewijl 'er dan geen reden, of oorzaak, die de goddelijke wezentlijkheit wechneemen, of uitsluiten, buiten de goddelijke natuur kan zijn, zo zal men nootzakelijk moeten zeggen dat zy, zo hy niet wezentlijk is, in zijn eige natuur is, die dieshalven (volgens onz tweede Voorbeelt) tegenzeggelijkheit zou insluiten. Doch dit van een wezend, dat volstrektelijk onëindig en ten opperste volmaakt is, te zeggen, zou ongerijmt wezen. Daar is dan noch in, noch buiten God enige oorzaak, of reden, die zijn wezentlijkheit uitsluit, of wechneemt: en dieshalven is God nootzakelijk wezentlijk; elijk te betogen stond.

Anders.--Te konnen niet zijn is warelijk onvermogen: in tegendeel, te konnen zijn is vermogen; gelijk uit zich zelf blijkt. Indien dan 't geen, dat nootzakelijk is, niets anders is, dan eindige wezenden, zo zijn d' eindige wezenden machtiger, dan 't wezend, dat volstrektelijk onëindig is; 't welk, gelijk uit zich zelf blijkt, ongerijmt is. Daar is dieshalven of niets wezentlijk, of het wezend, dat volstrektelijk onëindig is, is ook nootzakelijk wezentlijk. Maar wy zijn wezentlijk of in ons zelven, of in iets anders, dat nootzakelijk wezentlijk is: (bezie d' eerste Kundigheit, en de zevende Voorstelling in dit deel) Dieshalven, een wezend, dat volstrektelijk onëindig is, dat is God, (volgens de zeste Bepaling) moet nootzakelijk wezentlijk wezen; elijk te betogen stond.

Byvoegsel.--In deze leste betoging heb ik goet gevonden Gods wezentlijkheit van achteren te tonen, op dat men het bewijs te lichtelijker zou begrijpen; en niet om dat uit de zelfde grontvest Gods wezentlijkheit niet van voren volgt. Want dewijl te konnen zijn vermogen is, zo volgt dat, hoe 'er meer zakelijkheit tot de natuur van een ding behoort, hoe het ook van zich meer krachten heeft om te zijn; en dieshalven dat een wezend, 't welk volstrektelijk onëindig is, of God een volstrekte onëindige macht van te zijn in zich heeft, die daaröm ook volstrektelijk is. Veel zullen echter misschien de klaarblijkelijkheit van dit betoging niet lichtelijk konnen zien, om dat zy gewent zijn alleenlijk die dingen, de welken hun oorsprong uit uiterlijke oorzaken hebben, t' aanschouwen: en van dezen zien zy de genen, die haastig worden, dat is die lichtelijk konnen zijn, ook lichtelijk vergaan. In tegendeel, zy oordeelen die dingen, tot de welken zy bevatten veel dingen te behoren, zwaar om te worden, dat is niet zo gemakkelijk om te konnen wezen. Doch om hen van deze vooröordeelen t' ontlasten, behoef ik hier niet aan hen te tonen in welke zin dit spreekwoort, (dat haastig koomt, vergaat ook haastig,) waar is; noch oock of, ten opzicht van de gehele natuur, alles even licht is te doen, of niet. 't Is genoech dat men alleenlijk aanmerkt, dat ik hier niet van dingen spreek, die van uitterlijke oorzaken voortkomen, maar alleenlijk van de zelfstandigheden, die (volgens de zeste Voorstelling van dit deel) van geen uitterlijke oorzaak voortgebracht konnen worden: want alle de volmaaktheit, of zakelijkheit van die dingen, de welken van uitterlijke oorzaken voortkomen, of uit veel, of uit weinig delen bestaan, hangt van de kracht van d'uitterlijke oorzaak af; en dieshalven spruit hun wezentlijkheit alleenlijk uit de volmaaktheit van hun uitterlijke oorzaak, en niet uit hun eige volmaaktheit. In tegendeel, een zelfstandigheit is alle de volmaaktheit, die zy heeft, niet aan enige uitterlijke oorzaak verplicht; en dieshalven moet haar wezentlijkheit ook uit haar eige natuur alleen volgen, die dieshalven niets anders is, dan haar eige wezentheit. De volmaaktheit van een zaak dan neemt de wezentlijkheit van de zaak niet wech, maar, in tegendeel, stelt de zelfde. Doch d' onvolmaaktheit daarëntegen neemt de zelfde wech. Wy konnen dieshalven van de wezentlijkheit van geen ding zekerder wezen, dan van de wezentlijkheit van 't volstrekt onëindig, of volmaakt wezend, dat is van God: want dewijl des zelfs wezentheit alle onvolmaaktheit uitsluit, en alle volmaaktheit insluit, zo neemt de zelfde daar door alle oorzaak wech, om van zijn wezentlijkheit te twijffelen, en geeft de hoogste zekerheit daar af; 't welk, gelijk ik vertrou, aan de geen, die slechs matiglijk opmerkt, klaarblijkelijk zal wezen.

1P12
Men kan geen toeëigening van zelfstandigheit warelijk bevatten, uit de welke volgt dat de zelfstandigheit gedeelt kan worden.
Betoging.--Want de delen, in de welken een zelfstandigheit, dus bevat, gedeelt zou worden, zullen de natuur van de zelfstandigheit of behouden, of niet. Indien het eerste, namelijk dat zy de natuur van de zelfstandigheit behouden, zo zal (volgens d'achtste Voorstelling van dit deel) yder deel onëindig, en (volgens de zeste Voorstelling van dit deel) ook oorzaak van zich moeten zijn, en (volgens de vijfde Voorstelling in dit deel) yder uit een verscheide toeëigening bestaan: en dus zouden uit een enige zelfstandigheit veel gemaakt konnen worden; 't welk (volgens de zeste Voorstelling in dit deel) ongerijmt is. Voeg hier by, dat (volgens de tweede Voorstelling in dit deel) de delen niets gemeen met hun geheel zouden hebben, en dat (volgens de vierde Bepaling, en de zeste Voorstelling) het geheel zonder zijn delen zou konnen zijn, en bevat worden; 't welk, gelijk niemant daar aan kan twijffelen, ongerijmt zou wezen. Doch indien men het tweede wil stellen, te weten dat de delen de natuur van de zelfstandigheit niet zullen behouden, zo zal de zelfstandigheit, als zy in gelijke delen gedeelt wierd, de natuur van zelfstandigheit verliezen, en van te zijn ophouden; 't welk (volgens de zevende voorstelling in dit deel) ongerijmt is.
1P13
Een zelfstandigheit, die volstrektelijk onëindig is, is ondeelbaar.
Betoging.--Want indien zy deelbaar is, zo zullen de delen, in de welken zy gedeelt word, of de natuur van een zelfstandigheit, die volstrektelijk onëindig is, behouden, of niet. Indien men 't eerste stelt, zo zullen 'er veel zelfstandigheden van een zelfde natuur konnen wezen; 't welk (volgens de vijfde Voorstelling van dit deel) ongerijmt is. Maar indien men het tweede stelt, zo zal (gelijk in de voorgaande Voorstelling gestelt is) een zelfstandigheit, die volstrektelijk onëindig is, konnen ophouden te zijn; 't welk (volgens d'elfde Voorstelling van dit deel) ook ongerijmt is.

Toegift.--Hier uit volgt, dat geen zelfstandigheit, en by gevolg ook niet de lighamelijke zelfstandigheit, voor zo veel men haar als zelfstandigheit bevat, deelbaar is.

Byvoegsel.--Dat de zelfstandigheit ondeelbaar is, word eenvoudiglijker hier uit verstaan, te weten, dat de natuur van de zelfstandigheit niet anders, dan onëindig, bevat kan worden, en datmen by deel van zelfstandigheit niets anders kan verstaan, dan eindige zelfstandigheit; 't welk (volgens d' achtste Voorstelling van dit deel) openbare tegenzeggelijkheit insluit.

1P14
Buiten God kan geen zelfstandigheit wezen, noch bevat worden.
Betoging.--Dewijl God een wezend, volstrektelijk onëindig is, van de welke geen toeëigening, die wezentheit van zelfstandigheit uitdrukt, ontkent kan worden, (volgens de zeste Bevaling) en hy nootzakelijk wezentlijk is; (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) zo zou, indien 'er enige zelfstandigheit behalven God was, de zelfde door enige toeëigening van God moeten verklaart en uitgedrukt worden; en dus zouden 'er twee zelfstandigheden van een zelfde toeëigening zijn; 't welk (volgens de vijfde Voorstelling van dit deel) ongerijmt is. Daar kan dieshalven geen zelfstandigheit buiten God gestelt, en by gevolg ook niet bevat worden. Want indien zy bevat kon worden, zo zou men haar nootzakelijk, als wezentlijk zijnde, moeten bevatten. Doch dit is ongerijmt; olgens 't eerste deel van deze Voorstelling. Buiten God dan kan geen zelfstandigheit gestelt, noch bevat worden; elijk te betogen stond.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt zeer klaarblijkelijk, dat God enig is, dat is (volgens de zeste Bepaling) dat in de natuur niet meer, dan een enige zelfstandigheit, en dat de zelfde volstrektelijk onëindig is; gelijk wy (in 't Byvoegsel van de tiende Voorstelling) hebben aangewezen.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat d' uitgestrekte en denkende zaak of Gods toeëigeningen, of (volgens d' eerste Kundigheit) aandoeningen van Gods toeëigeningen zijn.

1P15
Alles, dat 'er is, is in God, en zonder God kan 'er niets zijn, noch bevat worden.
Betoging.--Buiten God kan 'er geen zelfstandigheit wezen, noch bevat worden; (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel) dat is (volgens de darde Bepaling van dit deel) iets, 't welk in zich is, en door zich bevat word. Maar de wijzen (volgens de vijfde Bepaling van dit deel) konnen zonder zelfstandigheit niet zijn, noch bevat worden: zy konnen dieshalven alleenlijk in de goddelijke natuur zijn, en door de zelfde alleen bevat worden. En dewijl 'er buiten zelfstandigheit en wijzen niets is; (volgens d' eerste Kundigheit in dit deel) zo volgt dat alles in God is, en zonder hem niet kan zijn, noch bevat worden;gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Men vind 'er, die God, gelijk een mensch, uit lighaam en ziel bestaande, en de toehten onderworpen, verdichten. Maar hoe verre de zodanigen van Gods ware kennis afdwalen, blijkt klarelijk genoech uit die dingen, de welken wy nu alreê bewezen hebben. Doch ik scheid van hen: want alle de genen, die de goddelijke natuur met enig verstant hebben aangeschout, ontkennen opentlijk dat God lighamelijk is: 't welk zy ook hier meê zeer wel bewijzen, dat wy by lighaam alderhande hoegrootheit, die langte, breette en diepte heeft, en in zekere gestalte bepaalt is, verstaan; 't welk warelijk het ongerijmste is, dat van God, namelijk van een wezend, dat volstrektelijk onëindig is, gezegt kan worden. En echter tonen zy ondertusschen uit andere redenen, met de welken zy dit zelfde pogen te bewijzen, zeer klarelijk dat zy de lighamelijke, of uitgestrekte zelfstandigheit zelve gantschelijk van de goddelijke natuur afweeren, en stellen dat de zelfde van God geschapen is. Doch uit welke goddelijke macht de zelfde geschapen heeft konnen worden, daar in zijn zy gantschelijk onkundig; 't welk klarelijk toont dat zy 't geen, 't welk zy zelven zeggen, niet verstaan. Immers ik heb, naar mijn oordeel, klarelijk genoech getoont, (bezie de Toegift van de zeste Voorstelling, en het tweede Byvoegsel van d' achtste Voorstelling in dit deel) dat geen zelfstandigheit van een andere voortgebracht, of geschapen kan worden. Wijders hebben wy (in de veertiende Voorstelling van dit deel) getoont, dat 'er buiten God geen zelfstandigheit kan zijn, noch bevat worden: en hier uit (in de tweede Toegift van de zelfde Voorstelling in dit deel) hebben wy besloten, dat d' uitgestrekte zelfstandigheit een van Gods onëindige toeëigeningen is. Maar tot meerder verklaring zal ik de bewijzen der tegenstrevers wederleggen, de welken alle, als men hen beziet, hier op uitkomen. Voorëerst, dat de lighamelijke zelfstandigheit, voor zo veel zy zelfstandigheit is, in delen, gelijk zy menen, bestaat: en dieshalven ontkennen zy dat de zelfde onëindig kan wezen, en by gevolg tot God behoren; 't welk zy met veel voorbeelden verklaren, van de welken ik een, of twee zal bybrengen. Indien, zeggen zy, de lighamelijke zelfstandigheit onëindig is, zo laat ons haar eens in twee delen gedeelt bevatten. Yder deel zal dan of eindig, of oneindig wezen. Indien men 't eerste zegt, zo zal 't onëindig uit twee eindige delen te zamen gezet worden; 't welk ongerijmt is. Maar indien men het tweede zegt, te weten dat yder deel onëindig is, zo kan een onëindig twee malen groter zijn, dan een ander onëindig; 't welk ook ongerijmt is. Wijders, indien een onëindige hoegrootheit met delen, gelijk voeten, gemeten wierd, zo zal zy uit oneindige zodanige delen moeten bestaan, gelijk ook uit een onëindig getal van duimen, zo zy ook met delen, zo groot als duimen, gemeten word. En dieshalven zal een enig onëindig getal twaalf malen groter zijn, dan een ander onëindig getal; 't welk niet minder ongerijmt is. Eindelijk, indien men uit een punt van zekere oneindige hoegrootheit twee lijnen, gelijk A B en A C, in 't begin met een zekere en bepaalde afstant, en zich tot aan het onëindig uitstrekkende, begrijpt; 't is zeker dat d' affstant tusschen B en C geduriglijker groter, en eindelijkDiverging Lines van bepaalt onbepaalbaar zal worden, Dewijl dan deze ongerijmtheden, gelijk zy achten, hier uit volgen, dat men een onëindige hoegrootheit onderstelt, zo besluiten zy hier uit, dat de lighamelijke zelfstandigheit eindig moet wezen, en by gevolg niet tot Gods wezentheit behoort. Het tweede bewijs word ook uit Gods opperste volmaaktheit gehaalt. Want dewijl, zeggen zy, God een wezend, ten opperste volmaakt, is, zo kan hy geen lijden onderworpen wezen: maar de lighamelijke zelfstandigheit, deelbaar zijnde, is lijden onderworpen; zo volgt dan dat zy niet tot Gods wezentheit behoort. Dit zijn de bewijzen, die ik by de Schrijvers vind, door de welken zy pogen te tonen dat de lighamelijke zelfstandigheit buiten de goddelijke natuur is, en niet tot de zelfde kan behoren. Maar de geen, die wel opmerkt, zal bevinden dat ik alreê hier op geantwoord heb, dewijl hun bewijzen alleenlijk hier op gegrontvest worden, dat zy onderstellen dat d' uitgestrekte zelfstandigheit uit delen te zamen is gezet; 't welk ik alreê (in de twaalfde Voorstelling, en in de Toegift van de dartiende Voorstelling in dit deel) getoont heb ongerijmt te wezen. Wijders, indien iemant de zaak wel en te recht wil overwegen, hy zal zien en bevinden dat alle die ongerijmtheden, (zo zy warelijk alle ongerijmtheden zijn, van 't welk ik hier niet zal spreken) uit de welken zy willen besluiten dat d' uitgestrekte zelfstandigheit eindig is, geensins hier uit volgen, dat men een onëindige hoegrootheit onderstelt, maar wel hier uit, dat zy een meetbare onëindige hoegrootheit, en uit eindige delen te zamen gezet, onderstellen. Zy konnen dieshalven uit d' ongerijmtheden, die daar uit volgen, niets anders besluiten, dan dat d' onëindige hoegrootheit niet meetbaar is, en dat zy niet uit eindige delen te zamen gezet kan worden. Dit is het zelfde, 't welk wy hier voren (in de twaalfde Voorstelling, en in d' anderen van dit deel) alreê bewezen hebben: in voegen dat zy met de pijlen, die zy tegen ons schieten, zich zelven treffen. Indien zy echter uit deze hun ongerijmtheit willen besluiten dat d' uitgestrekte zelfstandigheit eindig moet wezen, zo doen zy warelijk niets anders, dan of iemant hier uit, dat hy verdicht heeft dat de kring d' eigenschappen van een vierkant heeft, besluit dat de kring geen middelpunt heeft, uit het welk alle de lijnen, die tot aan d' omtrek getrokken konnen worden, gelijk zijn. Want zy, om tot hun besluit te komen, bevatten dat de lighamelijke zelfstandigheit, die niet anders, dan onëeindig, enig en ondeelbaar bevat kan worden, (bezie de vijfde, achtste en twaalfste Voorstelling van dit deel) eindig is, uit eindige delen bestaat, en veelvoudig en deelbaar is. Dus gaat het ook met anderen, die, na dat zy verdicht hebben dat de lijn uit punten te zamen gezet is, veel bewijzen weten te vinden, door de welken zy tonen dat de lijn niet tot in 't onëindig gedeelt kan worden. En zeker, te stellen dat de lighamelijke zelfstandigheit uit lighamen, of uit delen te zamen is gezet, is niet minder ongerijmt, dan dat het lighaam uit vlakten, de vlakten uit lijnen, en de lijnen eindelijk uit punten te zamen gezet zijn. Alle de genen, die weten dat de klare reden onfailbaar is, moeten dit bekennen, en voornamelijk de genen, die ontkennen dat 'er ydel in de natuur is. Want indien de lighamelijke zelfstandigheit in dier voegen gedeelt kan worden, dat haar delen zakelijk onderscheiden zijn; waaröm zou dan een enig deel niet vernietigt konnen worden, terwijl d' andere delen, gelijk te voren, te zamen gevoegt blijven? en waaröm moeten zy in dier voegen geschikt worden, dat 'er geen ydel zou zijn? Warelijk, de dingen, die zakelijk van malkander onderscheiden zijn, konnen 't een zonder 't ander wezen, en in hun staat blijven. Dewijl 'er dan geen ydel in de natuur gestelt word, (doch hier af elders) maar alle delen in dier voegen te zamen moeten komen, dat 'er niets ydel blijft, zo volgt ook hier uit, dat zy niet zakelijk van malkander gescheiden konnen worden; dat is dat de lighamelijke zelfstandigheit, voor zo veel zy zelfstandigheit is, niet gedeelt kan worden. Indien echter iemant vraagt waaröm wy van natuur zo genegen zijn tot de hoegrootheit te delen, zo zal ik aan hem antwoorden, dat wy de hoegrootheit op twee wijzen bevatten, te weten als van de stoffe afgetrokken, gelijk wy ons de zelfde gemenelijk inbeelden, of als zelfstandigheit, 't welk van 't verstant alleen, zonder behulp van d' inbeelding, geschied. Indien wy dan op de hoegrootheit merken, gelijk zy in d' inbeelding is, 't welk meermaals, en lichtelijker van ons gedaan word, zo zal zy eindig, deelbaar, en uit delen te zamen gezet, bevonden worden. Maar indien wy op de zelfde, gelijk zy in 't verstant is, merken, en haar als zelfstandigheit bevatten; 't welk zelden, en zeer zwarelijk geschied: zo zal zy, gelijk wy alreê genoech getoont hebben, onëindig, enig en ondeelbaar bevonden worden, 't welk aan alle de genen, die onderscheit tusschen inbeelden en verstaan konnen maken, klarelijk genoech bekent zal zijn, voornamelijk zo men ook hier op merkt, dat de stoffe overäl de zelfde is, en dat wy daar in geen delen onderscheiden, dan voor zo veel als wy bevatten dat de stoffe verscheidelijk aangedaan is; om 't welk haar delen alleenlijk in de wijze, en niet zakelijk onderscheiden worden. Tot een voorbeelt, wy bevatten dat het water, voor zo veel het water is, gedeelt, en dat zijn delen van malkander gescheiden konnen worden: maar niet voor zo veel het lighamelijke zelfstandigheit is: want voor zo veel het zodanig is, kan het niet gescheiden, noch gedeelt worden. Wijders, 't water, voor zo veel het water is, word voortgebracht, en vergaat: maar voor zo veel het zelfstandigheit is, word niet voortgebracht, en vergaat ook niet. Ik acht dat ik hier meê ook op het tweede bewijs geantwoord heb; dewijl dit mede hier op gegrontvest is, dat de stoffe, als zelfstandigheit aangemerkt, deelbaar, en uit delen te zamen gezet is. En schoon dit niet dus was, zo weet ik echter niet waaröm zy niet voor de goddelijke natuur waerdig zou wezen; dewijl (volgens de veertiende Voorstelling in dit deel) buiten God geen zelfstandigheit, van de welke zy zou konnen lijden, gestelt kan worden. Alle dingen, zeg ik, zijn in God; en alles, dat gedaan word, word alleenlijk door de wetten van Gods onëindige natuur, en die uit de nootzakelijkheit van zijn wezentheit volgen, gelijk ik wel haast zal tonen, gedaan. Men kan dieshalven met geen reden zeggen dat Godt van iets anders zou lijden, of dat d' uitge- strekte zelfstandigheit, schoon men haar deelbaar onderstelde, voor de goddelijke natuur onwaerdig zou zijn, zo men slechs toestaat dat zy eeuwig en onëindig is. Maar hier af voor het tegenwoordige genoech.

1P16
Uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur moeten nootzakelijk onëindige dingen op onëindige wijzen (dat is alles, dat van een onëindig verstant bevat kan worden) olgen.
Betoging.--Deze Voorstelling moet aan yder bekent en openbaar zijn, zo hy alleenlijk hier op merkt, dat het verstant uit een gestelde bepaling van yder ding veel eigenschappen besluit, die warelijk uit deze bepaling, dat is uit de wezentheit zelve van de zaak, nootzakelijk volgen; en zo veel te meer, als de bepaling van de zaak meer zakelijkheit uitdrukt, dat is naar dat de wezentheit van de bepaalde zaak meer zakelijkheit insluit. Maar dewijl de goddelijke natuur (volgens de zeste Bepaling) toeëigeningen, die volstrektelijk onëindig zijn, insluit, van de welken yder ook een onëindige wezentheit in haar geslacht uitdrukt, zo moeten uit de nootzakelijkheit van deze goddelijke natuur nootzakelijk onëindige dingen op onëindige wijzen (dat is alles, 't welk van een onëindig verstant bevat kan worden) volgen; gelijk voorgestelt wierd.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt dat God de werkende oorzaak van alle de dingen is, die van een onëindig verstant bevat konnen worden.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat God een oorzaak door zich, en niet door toeval is.

Darde Toegift.--Ten darden volgt, dat God volstrektelijk d'eerste oorzaak is.

1P17
Godt werkt alleenlijk uit kracht van de wetten van zijn natuur, zonder van iemant gedwongen te zijn.
Betoging.--Wy hebben (in de zestiende Voorstelling) getoont, dat uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur alleen, of ('t welk het zelfde is) uit de wetten van Gods natuur alleen volstrektelijk oneindige dingen volgen: en in de vijftiende Voorstelling van dit deel hebben wy getoont, dat 'er niets zonder God kan zijn, noch bevat worden; maar dat alles in God is. Dieshalven kan 'er buiten hem niets zijn, van 't welk hy tot werken bepaalt, of gedwongen word: maar hy werkt alleenlijk uit kracht van zijn eige natuur;gelijk te betogen stond.

Eerste Toegift--Hier uit volgt, dat 'er geen oorzaak gestelt kan worden, die God uitterlijk of innerlijk tot werken aanprikkelt, maar dat hy uit kracht van zijn volmaaktheit alleen een werkende oorzaak is.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat God alleen een vrije oorzaak is. Want (volgens d' elfde Voorstelling, en de Toegift van de veertiende Voorstelling in dit deel) God alleen is wezentlijk uit d' enige nootzakelijkheit van zijn natuur, en (volgens de voorgaande Voorstelling) werkt uit d' enige nootzakelijkheit van zijn natuur, en is dieshalven (volgens de zevende Bepaling) alleen een vrije oorzaak; elijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Anderen achten dat God een vrije oorzaak is, om dat hy, gelijk zy menen, kan maken dat die dingen, de welken, gelijk wy gezegt hebben, uit zijn natuur volgen, dat is, die in zijn macht zijn, niet voortkomen, of dat zy van hem niet voortgebracht worden. Maar dit is even zo veel, als of zy zeiden dat God kan maken dat uit de natuur van de driehoek niet volgt dat zijn drie hoeken met twee rechte hoeken gelijk zijn, of dat uit de gestelde oorzaak niet het gewrocht volgt; 't welk ongerijmt is. Wijders, wy zullen, zonder behulp van deze Voorstelling, tonen dat tot Gods natuur noch verstant, noch wil behoort. Ik weet wel dat 'er veel zijn, die achten dat zy konnen tonen dat een opperste verstant, en een vrije wil tot Gods natuur behoren: want zy zeggen dat zy niets volmaakter kennen, 't welk zy aan God konnen toevoegen, dan dit, 't welk in ons d' opperste volmaaktheit is. Voorts, hoewel zy God dadelijk ten opperste verstandig bevatten, zo geloven zy echter niet dat hy kan uitwerken, dat alle de dingen, die hy dadelijk verstaat, wezentlijk zijn; want zy achten dat zy op deze wijze Gods macht vernietigen. Indien God, zeggen zy, alle de dingen, die in zijn verstant zijn, geschapen had, zo zou hy niet meer konnen scheppen: 't welk, gelijk zy geloven, tegen zijn almachtigheit strijd. Zy hebben dieshalven liever willen stellen dat God in alles onverschillig is, zonder iets anders te scheppen, dan dat hy, door zekere volstrekte wil, besloten had te scheppen. Doch ik acht dat ik (bezie de zestiende Voorstelling van dit deel) klarelijk genoech getoont heb, dat uit Gods opperste mogentheit, of uit zijn onëindige natuur onëindige dingen op onëindige wijzen, dat is alles nootzakelijk, zijn gevloeit, of altijt uit de zelfde nootzakelijkheit volgen; op de zelfde wijze, als van, en in eeuwigheit uit de natuur van de driehoek volgt, dat zijn drie hoeken met twee rechte hoeken gelijk zijn. Gods almogentheit dan, daar door hy gezegt word alles te vermogen, is van eeuwigheit dadelijk, of werkelijk geweest, en zal in de zelfde dadelijkheit blijven. Op deze wijze word, naar mijn oordeel, Gods almogentheit veel volmaakter gestelt: ja de tegenstrevers schijnen (indien men recht uit mag spreken) Gods almogentheit t' ontkennen. Want zy zijn gedwongen te belijden dat God onëindige schepbare dingen verstaat, die hy echter nooit zou konnen scheppen: want anders, namelijk indien hy alles schiep, dat hy schepbaar verstaat, zou hy, volgens hun stelling, zijn almogentheit uitputten, en zich onvolmaakt maken. Om dan God volmaakt te stellen, worden zy hier toe genootzaakt, dat zy te gelijk moeten stellen, dat hy niet alles, tot het welk zijn macht zich uitstrekt, kan doen: doch ick zie niet dat men iets ongerijmder, of dat Gods almogentheit meer tegenstreeft, kan verdichten. Wijders, om hier ook iets van het verstant, en van de wil te zeggen, die wy gemenelijk aan God toeëigenen, indien zy, te weten het verstant, en de wil, tot Gods eeuwige wezentheit behoren, zo moet men warelijk by deze beide toeëigeningen iets anders verstaan, dan gemenelijk van de menschen daar by verstaan word. Want het verstant, en de wil, die Gods wezentheit zouden stellen, zouden zo verre, als de hemel van d' aarde af is, van onz verstant, en van onze wil verschillen, en in geen ding, dan in de naam, overëen konnen komen; te weten niet anders dan de hont, die een hemelteken is, met de hont, een bassend dier, overëenkoomt; 't welk ik dus bewijs. Indien het verstant tot de goddelijke natuur behoort, zo zal het niet, gelijk onz verstant, na, gelijk veel willen, of te gelijk in natuur met de verstanelijke dingen wezen; dewijl God (volgens d' eerste Toegift van de zestiende Voorstelling) in oorzakelijkheit eerder dan alle dingen is. Maar men moet nootzakelijk stellen, dat de waarheit, en de vormelijke wezentheit der dingen daaröm dus of zo is, om dat Gods verstant de zelfde zodanig, als zy zijn, begrepen heeft. Gods verstant dan, voor zo veel het bevat word Gods wezentheit te stellen, is warelijk d' oorzaak zo wel van de wezentheit, als van de wezentlijkheit der dingen; 't welk, gelijk het schijnt, ook van de genen is gemerkt, die gezegt hebben dat Gods verstant, wil en macht een en de zelfde zaak is. Dewijl dan Gods verstant d' enige oorzaak der dingen is, te weten (gelijk wy getoont hebben) zo wel van hun wezentheit, als van hun wezentlijkheit, zo moet het zelfde nootzakelijk, zo wel ten opzicht van wezentheit, als ten opzicht van wezentlijkheit, van hen verschillen. Want het veröorzaakte verschilt van zijn oorzaak bestiptelijk hier in, dat het van zijn oorzaak heeft, daaröm het een gewrocht van zulk een oorzaak gezegt word. Tot een voorbeelt, een mensch is wel oorzaak van de wezentlijkheit van een ander mensch, maar niet van des zelfs wezentheit, die een eeuwige waarheit is: en dieshalven konnen zy in wezentheit wel gantschelijk overëenkomen; maar in wezentlijk te zijn moeten zy verschillen. Dieshalven, indien de wezentlijkheit van d' een vergaat, zo zal daaröm die van d'ander niet vergaan. Maar indien de wezentheit van d' een vernietigt, en valsch kon worden, zo zou ook de wezentheit van d'ander vernietigt en valsch worden. De zaak dan, die oorzaak zo wel van de wezentheit, als van de wezentlijkheit van enig gewrocht is, moet, zo wel ten opzicht van wezentheit, als ten opzicht van wezentlijkheit, van zodanig gewrocht verschillen. Maar Gods verstant is d' oorzaak zo wel van de wezentheit, als van de wezentlijkheit van onz verstant. Gods verstant dan, voor zo veel men bevat dat het goddelijke wezentheit stelt, verschilt van onz verstant, zo ten opzicht van de wezentheit, als van de wezentlijkheit, en kan nergens anders in, dan in de naam, met het zelfde overëenkomen; gelijk wy voorgestelt hebben. Wat Gods wil aangaat, van de zelsde word op de zelfde wijze gehandelt, gelijk yder lichtelijk kan zien.

1P18
God is een inblijvende, en geen overgaande oorzaak van alle dingen.
Betoging.--Alles, dat 'er is, (volgens de vijftiende Voorstelling) is in God, en moet door God bevat worden. Dieshalven, (volgens d' eerste Toegift van de zestiende Voorstelling) God is oorzaak van alle dingen, die in hem zijn. Dit is 't eerste. Wijders, buiten God kan 'er geen zelfstandigheit zijn; (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel;) dat is, olgens de darde Bepaling) iets, 't welk buiten God in zich is. Dieshalven, God is geen oorzaak van iets, dat buiten hem is; 't welk het tweede is, dat wy voorgestelt hebben.
1P19
God, of alle Gods toeëigeningen zijn eeuwig.
Betoging.--Want God (volgens de zeste Bepaling) is een zelfstandigheit, die (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) nootzakelijk wezentlijk is; dat is (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) tot welks natuur wezentlijk te zijn behoort, of, 't welk het zelfde is, uit welks bepaling volgt dat hy wezentlijk is, en dieshalven (volgens d' achtste Bepaling) eeuwig. Wijders, by Gods toeëigeningen moet (volgens de vierde Bepaling) het geen verstaan worden, 't welk de wezentheit van de goddelijke zelfstandigheit uitdrukt; dat is, het geen, 't welk tot de zelfstandigheit behoort; dit zelfde, zeg ik, moet van de toeëigeningen ingesloten worden; en d' eeuwigheit behoort tot de natuur van de zelfstandigheit, gelijk wy nu terstont uit de zevende Voorstelling betoont hebben: dieshalven, yder der toeëigeningen moet d' eeuwigheit insluiten; en zo zijn zy alle eeuwig; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling blijkt ook zeer klarelijk uit de wijze, door de welke ik (in d' elfde Voorstelling) Godts wezentlijkheit heb betoogt. Uit deze betoging, zeg ik, blijkt dat Gods wezentlijkheit, gelijk zijn wezentheit, een eeuwige waarheit is. Wijders, in de negentiende Voorstelling van Kartesius beginselen heb ik ook op een andere wijze Gods eeuwigheit betoogt; en dieshalven is 't niet nodig deze betoging hier weêr by te brengen.

1P20
Gods wezentlijkheit, en zijn wezentheit zijn een en 't zelfde.
Betoging.--God (volgens de voorgaande Voorstelling) en alle zijn toeëigeningen zijn eeuwig; dat is (volgens d' achtste Bepaling) dat yder van zijn toeëigeningen wezentlijkheit uitdrukt. Dieshalven, de zelfde toeëigeningen van God, die (volgens de vierde Bepaling) Gods eeuwige wezentheit uitdrukken, drukken te gelijk ook zijn eeuwige wezentlijkheit uit: dat is het zelfde, 't welk Gods wezentheit stelt, stelt te gelijk zijn wezentlijkheit. Dieshalven, zijn wezentlijkheit, en zijn wezentheit zijn een, en 't zelfde; gelijk te betogen stond.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt dat Gods wezentlijkheit, gelijk zijn wezentheit, een eeuwige waarheit is.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat God, of alle Gods toeëigeningen onveränderlijk zijn. Want indien zy, ten opzicht van hun wezentlijkheit, veränderden, zo moesten zy ook, (volgens de voorgaaude Voorstelling) ten opzicht van hun wezentheit, veränderen; dat is (gelijk uit zich bekent is) van waar valsch worden: 't welk ongerijmt is.

1P21
Alle de dingen, de welken uit de volstrekte natuur van enigen van Gods toeëigeningen volgen, hebben altijt, en oneindig wezentlijk moeten wezen, of zijn door de zelfde toeëigening eeuwig en onëindig.
Betoging.--Indien gy dit ontkent, zo bevat, is 't mogelijk, dat 'er in enige toeëigening van God, uit kracht van zijn volstrekte natuur, iets volgt, 't welk eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit, of during heeft; tot een voorbeelt, het denkbeelt van God in de denking. Nu, dewijl de denking onderstelt word een toeëigening van God te zijn, zo is zy nootzakelijk, (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) uit haar natuur onëindig. Maar voor zo veel zy Gods denkbeelt heeft, word zy onderstelt eindig te wezen. Doch zy kan (volgens de tweede Bepaling) niet eindig bevat worden, 't en zy dat zy door de denking zelve bepaalt word. Maar dit geschied niet door de denking zelve, voor zo veel zy Gods denkbeelt stelt; want dus verre word zy onderstelt eindig te wezen: dieshalven door de denking, voor zo veel zy Gods denkbeelt niet stelt, 't welk echter (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) nootzakelijk wezentlijk moet wezen. En dieshalven is 'er een denking, die Gods denkbeelt niet stelt: in voegen dat uit des zelfs natuur, voor zo veel zy een volstrekte denking is, niet nootzakelijk Gods denkbeelt volgt: want men bevat haar als het geen, dat Gods denkbeelt stelt, en niet stelt; 't welk tegen d' onderstelling is. Dieshalven, indien Gods denkbeelt in de denking, of iets anders (want het is even veel wat men neemt, dewijl deBetoging algemeen is) in enige toeeigening van God uit de nootzakelijkheit van de volstrekte natuur van zijn toeëigening volgt, zo moet het nootzakelijk onëindig zijn; 't welk het eerste van onze Voorstelling is.--Wijders, het geen, dat uit de nootzakelijkheit van de natuur van, enige toeëigening op deze wijze volgt, kan geen bepaalde wezentlijkheit, of during hebben. Indien gy dit ontkent, zo onderstel een zaak, die uit de nootzakelijkheit der natuur van enige toeeigening volgt, te weten, dat 'er in enige toeëigening van God, tot een voorbeelt, Gods denkbeelt in de denking, gestelt word, en onderstel dat het zelfde t' eniger tijt niet geweest heeft, of niet zal wezen. Maar dewijl men onderstelt dat de denking een toeëigening van God is, zo moet zy nootzakelijk en eeuwiglijk onveränderlijk wezen; olgens d' elfde Voorstelling, en de tweede Toegift van de twintigste Voorstelling. Dieshalven zal de denking buiten de palen der during van Gods denkbeelt, (want men onderstelt dat Gods denkbeelt t' enige tijt niet geweest heeft, of niet zal wezen,) zonder Gods denkbeelt moeten wezen. Maar dit is tegen d' onderstelling: want men onderstelt dat uit de gestelde denking nootzakelijk Gods denkbeelt volgt. Zo kan dan Gods denkbeelt in de denking, of iets anders, dat nootzakelijk uit de volstrekte natuur van enige van Gods toeëigeningen volgt, geen bepaalde during hebben, maar moet, uit kracht van de zelfde toeëigening, eeuwig zijn; 't welk het tweede is, dat te betogen stond. Hier staat aan te merken dat het zelfde van yder ding, 't welk in enige van Gods toeëigeningen uit Gods volstrekte natuur nootzakelijk volgt, bevestigt moet worden.
1P22
Al 't geen, dat uit een van Gods toeëigeningen, voor zo veel zy met een wijze is aangedaan, die uit kracht van deze toeëigening onëindig en eeuwig is, volgt, moet ook nootzakelijk eeuwig en onëindig wezen.
Betoging.--De Betoging van deze Voorstelling gaat op de zelfde wijze voort, als die van de voorgaande Voorstelling.
1P23
Alle wijze, die nootzakelijk en eindig is, heeft nootzakelijk moeten volgen, of uit de volstrekte natuur van een van Gods toeëigeningen, of uit een van Gods toeëigeningen, voor zo veel de zelfde met een wijze is aangedaan, die ook nootzakelijk en onëindig is.
Betoging.--Wijze in iets anders is het geen, door 't welk het bevat moet worden;volgens de vijfde Bepaling: dat is (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) iets, 't welk in God alleen kan zijn, en door God alleen verstaan worden. Indien men dan begrijpt dat een wijze nootzakelijk wezentlijk en onëindig is, zo moet men nootzakelijk dit beide besluiten, of door een van Gods toeeigeningen bevatten, voor zo veel men bevat dat de zelfde oneindigheit, en nootzakelijkheit van wezentlijkheit, of, 't welk (volgens d' achtste Bepaling) het zelfde is, eeuwigheit uitdrukt: dat is (volgens de zeste Bepaling, en de negentiende Voorstelling van dit deel) voor zo veel zy volstrektelijk aangemerkt word. De wijze dan, die nootzakelijk en onëindig is, heeft nootzakelijk uit de volstrekte natuur van enige van Gods toeëigeningen moeten volgen; en dit of onmiddelijk, (bezie hier af d' eenëntwintigste Voorstelling) of door middel van enige wijze, die uit de volstrekte natuur van een van zijn toeëigeningen volgt: dat is (volgens de voorgaande Voorstelling) die ook nootzakelijk en onëindig is; elijk te betogen stond.
1P24
Vierentwintigste Voorstelling.--De wezentheit der dingen, die van God voortgebracht zijn, sluit geen wezentlijkheit in.
Betoging.--Dit blijkt uit d' eerste Bepaling. Want het geen, welks natuur (te weten in zich aangemerkt) wezentlijkheit insluit, is oorzaak van zich zelf; en is alleenlijk uit kracht van zijn eige natuur wezentlijk.

Toegift.--Hier uit volgt dat God niet alleenlijk oorzaak is, van dat de dingen beginnen wezentlijk te zijn, maar ook van dat zy volharden wezentlijk te wezen: want het zy de voort gebrachte dingen wezentlijk zijn, ofniet, wy bevinden, zo dikwils als wy op hun wezentheit merken, dat deze wezentheit noch wezentlijkheit, noch during insluit. En dieshalven kan hun during wezentheit geen oorzaak van hun wezentlijkheit, noch van hun during wezen; gelijk ook niets anders, behalven God, tot welks natuur alleen (volgens d' eerste Toegift van de veertiende Voorstelling) behoort wezentlijk te zijn.

1P25
God is niet alleenlijk een werkende oorzaak van de wezentlijkheit, maar ook van de wezentheit der dingen.
Betoging.--Indien gy dit ontkent, zo is God geen oorzaak van de wezentheit der dingen, en zo kan men (volgens de vierde Kundigheit) de wezentheit der dingen zonder God bevatten. Maar dit is ongerijmt; (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) zo is dan God ook d'oorzaak van de wezentheit der dingen; elijk te bewijzen stond.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling volgt klarelijker uit de zestiende Voorstelling van dit deel. Want daar uit volgt zeer klarelijk dat uit de gestelde goddelijke natuur nootzakelijk zo wel de wezentheit, als de wezentlijkheit der dingen besloten moet worden; en, om weinig woorden te maken, in de zelfde zin, daar in men zegt dat God oorzaak van zich is, moet hy ook d'oorzaak van alle dingen gezegt worden; 't welk noch klarelijker uit de volgende Toegift zal blijken.

Toegift.--De bezondere dingen zijn niets anders, dan aandoeningen van Gods toeëigeningen, of wijzen, door de welken Gods toeëigeningen op een zekere en bepaalde wijze uitgedrukt worden. Het bewijs blijkt klarelijk uit de vijftiende Voorstelling, en uit de vijfde Bepaling van dit dee.

1P26
Een zaak, die tot iets te werken bepaalt is, is nootzakelijk van God dus bepaalt geweest; en de gene, die van God niet is bepaalt, kan zich zelve niet tot werken bepalen.
Betoging.--Het geen, door 't welk de dingen tot iets te werken bepaalt gezegt worden, moet nootzakelijk iets stellig wezen; gelijk uit zich zelf blijkt. Dieshalven, God is, uit de nootzakelijkheit van zijn natuur, de werkende oorzaak, zo wel van zijn wezentheit, als van zijn wezentlijkheit; olgens de zestiende en vijfentwintigste Voorstelling van dit deel. it was het eerste van de Voorstelling, uit het welk ook het tweede; dat wy voorgestelt hebben, zeer klarelijk volgt. Want indien enig ding, 't welk van God niet bepaalt is, zich zelf kan bepalen, zo zou 't eerste deel van deze voorstelling valsch wezen: 't welk ongerijmt is; gelijk wy getoont hebben.
1P27
Een zaak, die van God bepaalt is tot iets te werken, kan zich zelve niet onbepaalt maken.
Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit de darde Kundigheit.
1P28
Achtentwintigste Voorstelling.--Yder bezonder ding, of dat eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, kan niet wezentlijk zijn, noch tot werken bepaalt worden, zo het niet van een andere oorzaak, die ook eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, bepaalt word tot wezentlijk te zijn, en tot te werken. Wijders, deze oorzaak kan ook niet wezentlijk zijn, noch tot werken bepaalt worden, zo zy niet van een andere, die ook eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, tot wezentlijk te zijn, en tot te werken bepaalt word: en dus tot aan 't onëindig.
Betoging.--Alles, dat bepaalt is tot wezentlijk te zijn, en tot te werken, is van God dus bepaalt; olgens de zesëntwintigste Voorstelling, en de Toegift van de vierëntwintigste Voorstelling in dit deel. aar 't geen, dat eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, kan niet van de volstrekte natuur van enige van Gods toeëigeningen voortgebracht wezen: want al 't geen, dat uit de volstrekte natuur van enige van Gods toeëigeningen volgt, is onëindig en eeuwig; olgens d' eenëntwintigste Voorstelling van dit deel. et heeft dieshalven uit God, of uit enige van zijn toeëigeningen, voor zo veel zy met enige wijze aangedaan aangemerkt word, moeten volgen: want daar is niets buiten de zelfstandigheit, en de wijzen; olgens d' eerste Kundigheit, en de darde en vijfde Bepaling. n de wijzen (volgens de Toegift van de vijfëntwintigste Voorstelling in dit deel) zijn niets anders, dan aandoeningen van Gods toeëigeningen. Maar het heeft ook uit God, of uit enige van zijn toeëigeningen, voor zo veel zy met wijziging aangedaan is, die eeuwig en onëindig is, niet konnen volgen; olgens de tweeëntwintigste Voorstelling van dit deel. et heeft dan van God, of van enige van zijn toeëigeningen, voor zo veel deze toeëigening gewijzigt is met een wijziging, die eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, moeten volgen, of tot wezentlijk te zijn, en tot te werken bepaalt worden; 't welk eerst voorgestelt is.--Wijders, deze oorzaak, of deze wijze heeft ook (volgens de zelfde reden, door de welke wy nu terstont het eerste deel van deze Voorstelling getoont hebben) van een andere oorzaak, die ook eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, bepaalt moeten worden, en deze leste weêr (volgens de zelfde reden) van een andere oorzaak, en dus (volgens de zelfde reden) altijt voort tot aan 't onëindig; elijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Dewijl enige dingen onmiddelijk van God hebben moeten voortgebracht worden, te weten de genen, die nootzakelijk uit zijn volstrekte natuur volgen, en anderen door middel van deze eersten, die echter niet zonder God konnen wezen, noch zonder hem bevat worden; zo volgt hier uit, voorëerst, dat God volstrektelijk de naaste oorzaak der dingen is, die onmiddelijk van hem voortgebracht zijn. Ik zeg volstrektelijk de naaste oorzaak, en niet in zijn geslacht, gelijk men zegt: om dat Gods gewrochten in dier voegen in hem blijven, en van hem afhangen, dat hun oorzaak geensins zonder God kan wezen, noch verstaan worden. ezie de vijftiende Voorstelling, en de Toegift van de vierëntwintigste Voorstelling in dit deel. en tweeden volgt, dat God nietheigentlijk d' afgelege oorzaak der bezondere dingen gezegt mag worden, 't en waar misschien om deze oorzaak, te weten, op dat wy dezen van die, de welken hy onmiddelijk voortgebracht heeft, of eerder, die uit zijn volstrekte natuur volgen, zouden onderscheiden. Want by afgelege oorzaak verstaan wy een zodanige oorzaak, die geensins met haar gewrocht te zamen gevoegt is. Doch alle dingen, die zijn, zijn in God, en hangen in dier voegen van God af, dat zy zonder hem niet konnen wezen, noch bevat worden.

1P29
In de natuur is geen gebeurelijkheit: maar alle dingen zijn uit depnootzakelijkheit van de goddelijke natuur bepaalt tot op zekere wijzeswezentlijk te zijn, en te werken.
Betoging.--Alles, dat'er is, is in God; olgens de vijftiende Voorstelling van dit deel.Maar God kan niet een gebeurelijk ding gezegt worden. Want (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) hy is wezentlijk, niet op een gebeurelijke wijze, maar nootzakelijk. Wijders, de wijzen van de goddelijke natuur zijn (volgens de zelfde Voorstelling) ook nootzakelijk, en niet gebeurelijk, uit de zelfde gevolgt; olgens de zestiende Voorstelling van dit deel: en dit of voor zo veel de goddelijke natuur volstrektelijk, (volgens d' eenëntwintigste Voorstelling van dit deel) of voor zo veel zy op zekere wijze tot werkenfbepaalt, (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) aangemerkt word. Voorts, God is niet alleenlijk d' oorzaak van deze wijzen, voor zo veel zy enkelijk; (volgens de Toegift van de vierëntwintigstelVoorstelling in dit deel) maar ook (volgens de zesëntwintigste Voorstelling van dit deel) voor zo veel zy tot iets te werken bepaalt aangemerkt worden. Want indien zy (volgens de zelfde Voorstelling) van God niet bepaalt zijn, 't is onmogelijk, en niet gebeurelijk, dat zy zich zelven zullen bepalen. In tegendeel, (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) indien zy van God bepaalt zijn, 't is onmogelijk, en niet gebeurelijk, dat zy zich zelven als onbepaalt zouden schikken. Alle dingen dan zijn uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur bepaalt, niet alleenlijk tot te zijn, maar ook tot op zekere wijze te wezen, en te werken; en daar is niets gebeurelijk; elijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Eer ik wijder voortga, heb ik goetgevonden hier te verklaren, wat wy by dexnaturende natuur, en wat by de genatuurde natuur te verstaan hebben, of liever zulks te vermanen: want ik acht dat het zelfde genoech uit het voorgaande blijkt; te weten, dat wy by naturende natuur het geen moeten verstaan, dat in zich is, en door zich bevat word, of zodanige toeëigeningen van de zelfstandigheit, die een eeuwige en onëindige wezentheit uitdrukken; dat is (volgens d' eerste Toegift van de veertiende Voorstelling, en de tweede Toegift van de zeventiende Voorstelling in dit deel) God, voor zo veel hy als een vrije oorzaak aangemerkt word. Maar by de genatuurde natuur versta ik dit alles, 't welk uit de nootzakelijkheit van Gods natuur, of van yder van Gods toeëigeningen volgt, dat is alle de wijzen van Gods toeëigeningen, voor zo veel zy als dingen aangemerkt worden, die in God zijn, en die zonder God niet konnen wezen, noch bevat worden.

1P30
Een dadelijk verstant, dat eindig, of onëindig is, moet Gods toeëigeningen, en Gods aandoeningen, en niets anders, bevatten.
Betoging.--Een waar denkbeelt moet met de zaak, daar afhet een denkbeelt is, overëenkomen, olgens de zeste Kundigheit; dat is (gelijk door zich blijkt) het geen, dat in 't verstant voorwerpelijk begrepen word, moet nootzakelijk in de natuur zijn: maar (volgens d' eerste Toegift van de veertiendewVoorstelling in dit deel) in de natuur is niet meer, dan een enige zelfstandigheit, namelijk God, en (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) geen andere aandoeningen, dan die in God zijn, en die (volgens de zelfde Voorstelling) niet zonder God konnen wezen, noch bevat worden. Dieshalven, een dadelijk verstant, 't zy eindig of onëindig, moet Godsbtoeëigeningen, en Gods aandoeningen, en niets anders begrijpen; gelijk te betogen stond.
1P31
Het dadelijk verstant, 't zy het eindig, of onëindig is, gelijk ook de wil, begeerte, liefde, en d' anderen, moeten tot de genatuurde natuur, en niet tot de naturende natuur, betrokken en toegepast worden.
Betoging.--By verstant (gelijk door zich bekent is) verstaan wy geen volstrekte denking, maar alleenlijk zekere wijze van denken; welke wijze van anderen, te weten van begeerte, liefde, enz. verschilt. En dieshalven moet (volgens de vijfde Bepaling) het zelfde door de volstrekte denking begrepen worden: dat is, het moet (volgens de vijftiende Voorstelling, en de zeste Bepaling van dit deel) door enige van Gods toeëigeningen, die een eeuwige en onëindigeswezentheit van denking uitdrukt, in dier voegen bevat worden, dat het nootzakelijk zonder de zelfde noch zijn, noch bevat zou konnen worden. Het moet dan (volgens het Byvoegsel van de negenëntwintigste Voorstelling in dit deel) tot de genatuurde, en niet tot de naturende natuur betrokken en toegepast worden; gelijk ook alle d' andere wijzen van denken, gelijk voorgestelt is.

Betoging.--De reden, om de welke ik hier van dadelijk verstant spreek, is niet om dat ik toesta dat 'er enig verstant in 't vermogen is, gelijk men zegt: maar dewijl ik gaerne alle verwarring zou mijden, zo heb ik alleenlijk van een ding, 't welk zeer klarelijk van ons bevat word, willen spreken; te weten van dedverstaning zelve, boven de welke wy niets klarelijker bevatten. Want wy konnen niets verstaan, of het is aan ons dienstig tot volmaakte kennis van de verstaning.

1P32
De wil kan geen vrije, maar alleenlijk een nootzakelijke oorzaak genoemt worden.
Betoging.--De wil is, gelijk het verstant, alleenlijk zekere wijze van denken. Dieshalven, (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) yderrwilling kan niet zijn, noch tot werken bepaalt worden, zo zy niet van een andere oorzaak, en deze weêr van een ande- re, en dus tot aan 't onëindig, bepaalt word. Indien men de wil onëindigyonderstelt, zo moet hy ook van God tot zijn, en tot werken bepaalt worden; van God, zeg ik, niet voor zo veel hy een zelfstandigheit, volstrektelijk onëindig, is, maar voor zo veel hy een toeeigening heeft, die een onëindige en eeuwige wezentheit van denking uitdrukt; olgens de drieëntwintigstedVoorstelling van dit deel. e wil dan, op welke wijze hy ook bevat word, 't zy eindig, of onëindig, verëischt een oorzaak, de welke hem tot te zijn, en tot te werken bepaalt: en kan dieshalven (volgens de zevende Bepaling) geen vrije, maar alleenlijk een nootzakelijke, ofgedwonge oorzaak gezegt worden; elijk te betogen stond.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt, dat God niet uit de vrijheit van wil werkt.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat de wil, en 't verstant zodanig tot Gods natuur zijn, als de beweging en stilte, en volstrektelijk als alle naturelijke dingen, die (volgens de negenëntwingste Voorstelling van dit deel) van God tot te zijn, en tot de werken op zekere wijze bepaalt moeten worden. Want de wil (gelijk ook d' andere dingen) verëischt oorzaak, van de welke hy tot te zijn, en te werken op zekere wijze bepaalt word. En hoewel uit de gestelde wil, en uit het verstant onëindige dingen volgen, zo kan men echter daaröm niet meer zeggen dat Godt uit vrijheit van wil werkt, als men zou konnen zeggen dat God uit vryheit van beweging en stilte werkt, om dat uit deze twee ook onëindige dingen volgen. De wil dan behoort niet meer, dan d'andere dingen, tot Gods natuur: Maar hy is tot des zelfs natuur gelijk de beweging en stilte, en alle d' andere dingen, die, gelijk wy getoont hebben, uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur volgen, en van de zelfde op zekere wijze tot te zijn, en te werken bepaalt worden.

1P33
De dingen hebben op geen andere wijze, noch in geen andere ordening van God voortgebracht konnen worden, dan zy voortgebracht zijn.
Betoging.--Want alle dingen zijn nootzakelijk uit Gods gestelde natuur gevolgt, (volgens de zestiende Voorstelling van dit deel) en uit de nootzakelijkheit van Gods natuur bepaalt tot op zekere wijze te zijn, en te werken; olgens de negenëntwintigste Voorstelling van dit deel. Indien dan de dingen van een ander natuur hadden konnen zijn, of op een andere wijze tot werken bepaalt worden, om dus in een andere ordening malkander te volgen, zo zou Gods natuur ook anders konnen wezen, dan zy nu is: en dieshalven zou (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) de zelfde ook moeten zijn: en by gevolg zouden 'er twee, of meer goden konnen wezen; 't welk (volgens d' eerste Toegift van de veertiende Voorstelling) ongerijmt is. Dieshalven konnen de dingen op geen andere wijze, noch in enige andere ordening voortgebracht worden; gelijk voorgestelt is.

Eerste Byvoegsel.--Dewijl ik hier door klarelijker, dan de middagzon, getoont heb dat 'er in de dingen volstrektelijk niets is, om de welken zy gebeurelijk gezegt konnen worden, zo zal ik nu met weinig woorden verklaren wat wy by gebeurelijk té verstaan hebben; maar eerst wat men by nootzakelijk, en by onmogelijk te verstaan heeft. Enig ding word nootzakelijk gezegt, of ten opzicht van zijnawezentheit, often opzicht van zijn oorzaak. Want de wezentlijkheit van enig ding volgt nootzakelijk of uit des zelfs wezentheit en bepaling, of uit een gestelde werkende oorzaak. Wijders, om deze oorzaken word enige zaak onmogelijk gezegt, namelijk, om dat haar wezentheit en bepalinghtegenzeggelijkheit insluit, of om dat'er geen uitterlijke oorzaak tot zodanig een ding voort te brengen bepaalt is. Maar geen ding word om enige andere oorzaak gebeurelijk gezegt, dan ten opzicht van 't gebrek onzer kennis. Want die zaak, van welks wezentheit wy niet weten of zyotegenzeggelijkheit insluit, of van de welke wy wel weten dat zy geen tegenzeggelijkheit insluit, en van welks wezentlijkheit wy echter niets zekerlijk konnnen bevestigen, om dat d' ordening der oorzaken voor ons verborgen is, kan nooit aan ons nootzakelijk, noch onmogelijk schijnen; en dieshalven noemen wy haar of gebeurelijk, of mogelijk.

Tweede Byvoegsel.--Uit het voorgaande volgt klarelijk dat de dingen naar hun opperste volmaaktheit van God voortgebracht zijn; vermits zy uit de gestelde volmaaktste natuur van God nootzakelijk zijn gevolgt. Dit wijst in God ook geen onvolmaaktheit aan: want zijn volmaaktheit heeft ons gedwongen dit te bevestigen: ja uit het tegendeel hier af (gelijk ik alreê getoont heb) zou klarelijk volgen, dat God niet ten opperste volmaakt is. Want indien de dingen op een an- dere wijze voortgebracht waren, zo zou men ook aan God een andere natuur, verscheiden van de gene, die wy, uit aanmerking van zijnbvolmaaktste wezend, gedwongen zijn aan hem toe t' eigenen, moeten toeschrijven. Doch ik twijffel niet hier aan, dat veel dit gevoelen, als ongerijmt, zullen verwerpen, zonder het zelfde eens te willen overwegen; en dit om geen andere oorzaak, dan om dat zy gewent zijn een andere vryheit, verscheiden van de gene, die wy (in de zeste Bepaling) aan God toegeschreven hebben, aan hem toe t' eigenen, te weten een volstrekte wil. Ik twijffel ook niet hier aan, dat, zo zy de zaak wel willen bedenken, en het gevolg onzer betogingen recht en wel overwegen, zy eindelijk zodanige vryheit, als zy nu aan God toeëigenen, niet alleenlijk als beuzelächtig, maar ook als een grote hinderpaal tot de wetenschap, gantschelijk zullen verwerpen. 't Is ook niet nodig dat ik de dingen, die in het Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in dit deel gezegt zijn, hier herhaal. En nochtans zal ik, om hen te believen, hier weêr tonen dat, schoon men toestond dat de wil tot Gods wezentheit behoort, uit zijn volmaaktheit echter volgt dat de dingen op geen andere wijze, en in geen andere ordening van God geschapen hebben konnen worden. Men zal dit lichtelijk konnen tonen, zo wy eerst het geen, dat zy zelven toestaan, overwegen: te weten dat alleenlijk van Gods besluit en wil afhangt dat yder ding het geen is, dat het is; want anders zou God niet d' oorzaak van alle dingen wezen: daar na, dat alle Gods besluiten van alle eeuwigheit van God zelf ingestelt zijn; want andersins zou hy van onvolmaaktheit en onstantvastigheit overtuigt worden. Maar dewijl in d' eeuwigheit geen anneer, voor, noch a s, zo volgt hier uit, te weten uit Gods volmaaktheit alleen, dat God nooit iets anders kan, of heeft konnen besluiten, of dat God voor zijn besluiten niet heeft geweest, en zonder de zelfden niet zijn kan. Maar (zullen zy zeggen) hoewel mensonderstelde dat God een andere natuur, of van eeuwigheit een ander besluit van de natuur, en van haar ordening gemaakt had, zo zou daar uit geen onvolmaaktheit in God volgen. Indien zy dit zeggen, zo staan zy ook toe dat God zijn besluiten kan veränderen. Want indien God een ander besluit van de natuur, en van haar ordening gemaakt had, dan hy 'er af gemaakt heeft, dat is, dat hy de natuur anders had gewilt, en anders had begrepen, zo zou hy nootzakelijk een ander verstant, en een andere wil, dan hy nu heeft, gehad hebben. Maar indien men een ander verstant, en een andere wil aan God mag toeëigenen, zonder zijn wezentheit en volmaaktheit te veränderen; waaröm zou hy dan ook zijn besluiten omtrent de geschape dingen niet konnen veränderen, en echter even volmaakt blijven? want met zijn verstant en wil omtrent de geschape dingen, en hun ordening is het, ten opzicht van zijn wezentheit en volmaaktheit, evenëens, op wat wijze de zelfde ook bevat word. Wijders, alle de Wijsbegerigen, die ik gezien heb, staan toe dat in God geen verstant in vermogen, maar alleenlijk in daat is: en dewijl zijn verstant en wil niet van zijn wezentheit onderscheiden word, gelijk zy alle ook toestaan; zo volgt dan hier ook uit, dat, zo God een anderfverstant in daat, en een andere wil had gehad, zijn wezentheit nootzakelijk ook anders zou zijn. Dieshalven (gelijk wy in 't begin besloten hebben) indien de dingen anders, dan zy nu zijn, van God voortgebracht waren, zo zou ook Gods verstant, en zijn wil, dat is (gelijk toegestaan word) zijngwezentheit, anders, dan zy nu is, moeten wezen; 't welk ongerijmt is. Dewijl dan de dingen op geen andere wijze, noch in geen andere ordening van God hebben konnen voortgebracht worden, en dewijl dit uit Gods opperste volmaaktheit volgt; zo kan warelijk geen gezonde reden ons overreden te geloven dat God alle de dingen, die in zijn verstant zijn, met de zelfde volmaaktheit, daar meê hy hen verstaat, niet heeft willen scheppen. Maar, zullen zy zeggen, in de dingen zelven is noch volmaaktheit, noch onvolmaaktheit. Doch het geen, 't welk in hen is, om 't welk zy volmaakt, of onvolmaakt, goed, of quaad gezegt worden, hangt alleenlijk van Gods wil af: en dieshalven zou God, indien hy gewilt had, gemaakt konnen hebben dat het geen, 't welk nu volmaaktheit is, de hoogste onvolmaaktheit geweest zou hebben, en dat het geen, 't welk nu in de dingen een onvolmaaktheit is, het volmaaktste geweest zou zijn: zeker, wat zou dit anders zijn, als opentlijk te zeggen, dat God (die 't geen, dat hy wil, nootzakelijk verstaat) door zijn wil kan maken dat hy de dingen op een andere wijze verstaat, dan hy hen verstaat; 't welk, gelijk ik nu getoont heb, een grote ongerijmtheit is. Ik kan dan dit bewijs tegen hen omkeeren, op deze wijze. Alle dingenihangen van Gods macht af. Indien dan de dingen anders zouden wezen, zo moest nootzakelijk Gods wil ook anders wezen: maar Gods wil (gelijk wy nu uit Gods volmaaktheit zeer klarelijk getoont hebben) kan niet anders zijn: zo konnen dan de dingen ook niet anders wezen. Ik beken echter dat dit gevoelen, 't welk alle dingen zekere onverschillende wil van God onderwerpt, en stelt dat alles van Gods welbehagen afhangt, minder van de waarheit afdwaalt, dan dat van de genen, die stellen dat God alles in opzicht van 't goede doet. Want deze schijnen iets buiten God te stellen, 't welk van God niet afhangt, op 't welk hy, in zijn werking, als op een voorschrift merkt, of naar 't welk hy, als naar zeker doelwit, mikt: dat warelijk niets anders is, als God hetmnootlot t' onderwerpen, boven 't welk men niets ongerijmder van God kan stellen, van God, zeg ik, die, gelijk wy getoont hebben, d'eerste en enige vrije oorzaak aller dingen, zo wel van hun wezentheit, als van hunpwezentlijkheit, is. Ik zal dieshalven geen tijt spillen met deze ongerijmtheit te wederleggen.

1P34
Gods vermogen is niets anders, dan zijn wezentheit zelve.
Betoging--Want uit d'enige nootzakelijkheit van Gods wezentheit volgt, (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) dat God d' oorzaak van zich, en (volgens de Zestiende Voorstelling van dit deel, en der zelfder Toegift) ook d' oorzaak van alle dingen is. Dieshalven, Gods vermogen, door 't welk hy, en alle dingen zijn, en werken, is zijn wezentheit zelve; elijk te betogen stond.
1P35
Al 't geen, dat wy begrijpen in Gods macht te zijn, is nootzakelijk.
Betoging.--Want al 't geen, dat in Gods macht is, moet (volgens de voorgaande Voorstelling) in zijn wezentheit in dier voegen begrepen zijn, dat het nootzakelijk daar uit volgt; en dieshalven is 't nootzakelijk; elijk te betogen stond.
1P36
Daar is niets, uit welks natuur niet enig gewrocht volgt.
Betoging.--Alles, dat 'er is, drukt op een zekere en bepaalde wijze Gods natuur, ofiwezentheit uit: (volgens de Toegift van de vijfëntwintigste Voorstelling in dit deel) dat is (volgens de vierëndartigste Voorstelling van dit deel) al 't geen, 't welk is, drukt op een zekere en bepaalde wijze Gods vermogen uit, dat d' oorzaak van alle dingen is. Dieshalven, (volgens de zestiende Voorstelling van dit deel) uit al 't geen, dat is, moet enig gewrocht volgen; elijk te betogen stond.