Ethics I - On God

 Opera Posthuma
Expand
De Nagelate Schriften
Expand
Elwes
Expand
1D1
Per causam sui intelligo id cujus essentia involvit existentiam sive id cujus natura non potest concipi nisi existens.
BY oorzaak van zich zelf versta ik het geen, welks wezentheit wezentlijkheit insluit; of het geen, welks natuur niet anders, dan ewezentlijk, bevat kan worden.

By that which is self-caused, I mean that of which the essence involves existence, or that of which the nature is only conceivable as existent.

1D2
Ea res dicitur in suo genere finita quæ alia ejusdem naturæ terminari potest. Exempli gratia corpus dicitur finitum quia aliud semper majus concipimus. Sic cogitatio alia cogitatione terminatur. At corpus non terminatur cogitatione nec cogitatio corpore.
Dat ding, 't welk door een ander van de zelfde natuur bepaalt kan worden, word in zijn ggeslacht eindig gezegt. Tot een voorbeelt; het lighaam word eindig gezegt; om dat wy altijt een ander, dat groter is, bevatten. Dus word ook een denking door een andere bepaalt. Maar 't lighaam word door geen denking, noch de denking door enig lighaam bepaalt.

A thing is called finite after its kind, when it can be limited by another thing of the same nature; for instance, a body is called finite because we always conceive another greater body. So, also, a thought is limited by another thought, but a body is not limited by thought, nor a thought by body.

1D3
Per substantiam intelligo id quod in se est et per se concipitur hoc est id cujus conceptus non indiget conceptu alterius rei a quo formari debeat.
By zelfstandighèit versta ik 't geen, dat in zich is, en door zich bevat word: dat is, welks bevatting niet de bevatting van een anderding, van 't welk het gevormt moet worden, behoeft.

By substance, I mean that which is in itself, and is conceived through itself; in other words, that of which a conception can be formed independently of any other conception.

1D4
Per attributum intelligo id quod intellectus de substantia percipit tanquam ejusdem essentiam constituens.
By toeëigening versta ik 't geen, dat het verstant wegens de zelfstandigheit, als haar wezentheit stellende, bevat.

By attribute, I mean that which the intellect perceives as constituting the essence of substance.

1D5
Per modum intelligo substantiæ affectiones sive id quod in alio est, per quod etiam concipitur.
By wijze versta ik d'aandoeningen der zelfstandigheit, of dit, 't welk in iets anders is, daar door het ook bevat word.

By mode, I mean the modifications ["Affectiones"] of substance, or that which exists in, and is conceived through, something other than itself.

1D6
Per Deum intelligo ens absolute infinitum hoc est substantiam constantem infinitis attributis quorum unumquodque æternam et infinitam essentiam exprimit.
EXPLICATIO: Dico absolute infinitum, non autem in suo genere; quicquid enim in suo genere tantum infinitum est, infinita de eo attributa negare possumus; quod autem absolute infinitum est, ad ejus essentiam pertinet quicquid essentiam exprimit et negationem nullam involvit.
By God versta ik een wezend, volstrektelijk onëindig: dat is, een zelfstandigheit, die uit onëindige toeëigeningen bestaat, van de welken yder een eeuwige onëindige wezentheit uitdrukt.

Verklaring.--Ik zeg volstrektelijk, en niet in zijn geslacht onëindig: want van al 't geen, dat alleenlijk in zijn geslacht onëindig is, konnen wy onëindige toeëigeningen ontkennen: (dat is, men kan onëindige toeëigeningen bevatten, die tot des zelfs natuur niet behoren) maar tot de wezentheit van 't geen, dat volstrektelijk oneindig is, behoort al 't geen, 't welk wezentheit nuitdrukt, en geen ontkenning insluit.
By God, I mean a being absolutely infinite--that is, a substance consisting in infinite attributes, of which each expresses eternal and infinite essentiality.

Explanation.--I say absolutely infinite, not infinite after its kind: for, of a thing infinite only after its kind, infinite attributes may be denied; but that which is absolutely infinite, contains in its essence whatever expresses reality, and involves no negation.
1D7
Ea res libera dicitur quæ ex sola suæ naturæ necessitate existit et a se sola ad agendum determinatur. Necessaria autem vel potius coacta quæ ab alio determinatur ad existendum et operandum certa ac determinata ratione.
Deze zaak word gezegt vry te zijn, de welke alleenlijk uit de nootzakelijkheit van haar natuur wezentlijk is, en van zich alleen tot iets te werken bepaalt word: maar die nootzakelijk, of eerder gedwongen, de welke van een andere bepaalt word op zekere wijze wezentlijk te zijn, en te werken.

That thing is called free, which exists solely by the necessity of its own nature, and of which the action is determined by itself alone. On the other hand, that thing is necessary, or rather constrained, which is determined by something external to itself to a fixed and definite method of existence or action.

1D8
Per æternitatem intelligo ipsam existentiam quatenus ex sola rei æternæ definitione necessario sequi concipitur.
EXPLICATIO : Talis enim existentia ut æterna veritas sicut rei essentia concipitur proptereaque per durationem aut tempus explicari non potest tametsi duratio principio et fine carere concipiatur.
By eeuwigheit versta ik de wezentlijkheit zelve, voor zo veel zy bevat word nootzakelijk uit de bepaling van d'eeuwige zaak alleen te volgen.

Verklaring.--Want zodanige wezentlijkheit, gelijk de wezentheit van een zaak, word als een eeuwige waarheit bevat, en kan dieshalven door geen during, of tijt uitgedrukt worden, schoon men de during zonder begin en einde bevat.
By eternity, I mean existence itself, in so far as it is conceived necessarily to follow solely from the definition of that which is eternal.

Explanation.--Existence of this kind is conceived as an eternal truth, like the essence of a thing, and, therefore, cannot be explained by means of continuance or time, though continuance may be conceived without a beginning or end.
1A1
Omnia quæ sunt vel in se vel in alio sunt.
Alles, dat 'er is, is in zich, of in een ander.

Everything which exists, exists either in itself or in something else.

1A2
Id quod per aliud non potest concipi, per se concipi debet.
Het geen, dat door een ander niet bevat kan worden, moet door zich bevat worden.

That which cannot be conceived through anything else must be conceived through itself.

1A3
Ex data causa determinata necessario sequitur effectus et contra si nulla detur determinata causa, impossibile est ut effectus sequatur.
Uit een lgestelde bepaalde oorzaak volgt nootzakelijk het gewrocht. In tegendeel, indien men geen bepaalde oorzaak stelt, zo is 't onmogelijk dat het gewrocht zal volgen.

From a given definite cause an effect necessarily follows; and, on the other hand, if no definite cause be granted, it is impossible that an effect can follow.

1A4
Effectus cognitio a cognitione causæ dependet et eandem involvit.
De kennis van gewrocht hangt af van de kennis van zijn oorzaak, en sluit de zelfde in.

The knowledge of an effect depends on and involves the knowledge of a cause.

1A5
Quæ nihil commune cum se invicem habent, etiam per se invicem intelligi non possunt sive conceptus unius alterius conceptum non involvit.
De dingen, die met malkander niets gemeen hebben, konnen niet door malkander verstaan worden; of de bevatting van 't een sluit niet de bevatting van 't ander in.

Things which have nothing in common cannot be understood, the one by means of the other; the conception of one does not involve the conception of the other.

1A6
Idea vera debet cum suo ideato convenire.
Het waar denkbeelt moet met zijn gedachte zaak overëenkomen.

A true idea must correspond with its ideate or object.

1A7
Quicquid ut non existens potest concipi, ejus essentia non involvit existentiam.
De wezentheit van al 't geen, dat men als niet wezentlijk kan bevatten, sluit geen wezentlijkheit in.

If a thing can be conceived as non-existing, its essence does not involve existence.

1P1
Substantia prior est natura suis affectionibus.
DEMONSTRATIO: Patet ex definitione 3 et 5.
De zelfstandigheit is eerder in natuur, dan haar aandoeningen.

Betoging.--Dit blijkt uit de voorgaande darde en vijfde Bepaling.
Substance is by nature prior to its modifications.

Proof.--This is clear from Def. iii. and v.
1P2
Duæ substantiæ diversa attributa habentes nihil inter se commune habent.
DEMONSTRATIO: Patet etiam ex definitione 3. Unaquæque enim in se debet esse et per se debet concipi sive conceptus unius conceptum alterius non involvit.
Twee zelfstandigheden, twee verscheide toeëigeningen hebbende, hebben niets met malkander gemeen.

Betoging.--Dit blijkt ook uit de darde Bepaling: want yder zelfstandigheit moet in zich zelve zijn, en door zich zelve bevat worden: of anders, de bevatting van d'een sluit de bevatting van d'ander niet in.
Two substances whose attributes are different have nothing in common.

Proof.--Also evident from Def. iii. For each must exist in itself, and be conceived through itself; in other words, the conception of one does not imply the conception of the other.
1P3
Quæ res nihil commune inter se habent, earum una alterius causa esse non potest.
DEMONSTRATIO: Si nihil commune cum se invicem habent, ergo (per axioma 5) nec per se invicem possunt intelligi adeoque (per axioma 4) una alterius causa esse non potest. Q.E.D.
De dingen, die onder zich niets gemeen hebben, konnen 't een geen oorzaak van 't ander wezen.

Betoging.--Indien zy met malkander niets gemeen hebben, zo konnen zy (volgens de vijfde Kundigheit) niet door malkander verstaan worden: en dieshalven konnen zy (volgens de vierde Kundigheit) 't een geen oorzaak van 't ander wezen; 't welk te bewijzen stond.
Things which have nothing in common cannot be one the cause of the other.

Proof.--If they have nothing in common, it follows that one cannot be apprehended by means of the other (Ax. v.), and, therefore, one cannot be the cause of the other (Ax. iv.). Q.E.D.
1P4
Duæ aut plures res distinctæ vel inter se distinguuntur ex diversitate attributorum substantiarum vel ex diversitate earundem affectionum.
DEMONSTRATIO: Omnia quæ sunt vel in se vel in alio sunt (per axioma 1) hoc est (per definitiones 3 et 5) extra intellectum nihil datur præter substantias earumque affectiones. Nihil ergo extra intellectum datur per quod plures res distingui inter se possunt præter substantias sive quod idem est (per definitionem 4) earum attributa earumque affectiones. Q.E.D.
Twee, of meer onderscheide dingen worden of naar de verscheidenheit van de toeëigeningen der zelfstandigheden, of naar de verscheidenheit van der zelfder aandoeningen onderscheiden.

Betoging.--Alles, dat 'er is, is in zich, of in een ander; (volgens d' eerste Kundigheit) dat is, (volgens de darde en vijfde Bepaling) buiten het bverstant word niets gestelt, dan zelfstandigheden, en der zelfder aandoeningen. Daar word dieshalven buiten het verstant niets gestelt, door 't welk veel dingen onder malkander onderscheiden konnen worden, dan de zelfstandigheden, of, 't welk het zelfde is, (volgens de vierde Kundigheit), der zelfder toeëigeningen, en der zelfder aandoeningen; 't welk te betogen stond.
Two or more distinct things are distinguished one from the other, either by the difference of the attributes of the substances, or by the difference of their modifications.

Proof.--Everything which exists, exists either in itself or in something else (Ax. i.),--that is (by Deff. iii. and v.), nothing is granted in addition to the understanding, except substance and its modifications. Nothing is, therefore, given besides the understanding, by which several things may be distinguished one from the other, except the substances, or, in other words (see Ax. iv.), their attributes and modifications. Q.E.D.
1P5
In rerum natura non possunt dari duæ aut plures substantiæ ejusdem naturæ sive attributi.
DEMONSTRATIO: Si darentur plures distinctæ, deberent inter se distingui vel ex diversitate attributorum vel ex diversitate affectionum (per propositionem præcedentem). Si tantum ex diversitate attributorum, concedetur ergo non dari nisi unam ejusdem attributi. At si ex diversitate affectionum, cum substantia sit prior natura suis affectionibus (per propositionem 1) depositis ergo affectionibus et in se considerata hoc est (per definitionem 3 et axioma 6) vere considerata, non poterit concipi ab alia distingui hoc est (per propositionem præcedentem) non poterunt dari plures sed tantum una. Q.E.D.
In de natuur konnen geen twee, of meer izelfstandigheden van een zelfde natuur, of toeëigening gestelt worden.

Betoging.--Indien 'er twee, of meer onderscheide zelfstandigheden gestelt wierden, zo moesten zy of door de verscheidenheit der toeëigeningen, of door de verscheidenheit der aandoeningen (volgens de voorgaande Voorstelling) van malkander onderscheiden worden. Indien dit alleenlijk door de verscheidenheit der toeëigeningen gestelt word, zo staat men toe dat 'er niet meer dan een enige van een en de zelfde toeëigening is. Maar indien de zelfstandigheden alleenlijk door de verkheidenheit van hun aandoeningen onderscheiden zijn, dewijl de zelfstandigheit uit haar natuur eerder is, dan haar aandoeningen; (volgens d'eerste Voorstelling) zo zal men, als men d'aandoeningen ter zijden stelt, en de zelfstandigheit in zich aanmerkt, dat is (volgens de darde en zeste Bepaling) warelijk aanmerkt, niet konnen bevatten dat d' een van d' ander onderscheiden is: dat is (volgens de voorgaande Voorstelling) men zal geen twee, of meer, maar alleenlijk een, konnen stellen; gelijk te betogen stond.
There cannot exist in the universe two or more substances having the same nature or attribute.

Proof.--If several distinct substances be granted, they must be distinguished one from the other, either by the difference of their attributes, or by the difference of their modifications (Prop. iv.). If only by the difference of their attributes, it will be granted that there cannot be more than one with an identical attribute. If by the difference of their modifications--as substance is naturally prior to its modifications (Prop. i.),--it follows that setting the modifications aside, and considering substance in itself, that is truly, (Deff. iii. and vi.), there cannot be conceived one substance different from another,--that is (by Prop. iv.), there cannot be granted several substances, but one substance only. Q.E.D.
1P6
Una substantia non potest produci ab alia substantia.
DEMONSTRATIO: In rerum natura non possunt dari duæ substantiæ ejusdem attributi (per propositionem præcedentem) hoc est (per propositionem 2) quæ aliquid inter se commune habent. Adeoque (per propositionem 3) una alterius causa esse nequit sive ab alia non potest produci. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc sequitur substantiam ab alio produci non posse. Nam in rerum natura nihil datur præter substantias earumque affectiones ut patet ex axiomate 1 et definitionibus 3 et 5. Atqui a substantia produci non potest (per præcedentem propositionem). Ergo substantia absolute ab alio produci non potest. Q.E.D.

ALITER: Demonstratur hoc etiam facilius ex absurdo contradictorio. Nam si substantia ab alio posset produci, ejus cognitio a cognitione suæ causæ deberet pendere (per axioma 4) adeoque (per definitionem 3) non esset substantia.

Een zelfstandigheit kan niet van een andere zelfstandigheit voortgebracht worden.

Betoging.--Daar konnen (volgens de voorgaande Voorstelling) geen twee zelfstandigheden van een zelfde toeëeigening gestelt worden: dat is, (volgens de tweede Voorstelling) die met malkander iets gemeen hebben: en dieshalven kan (volgens de darde Voorstelling in dit deel) d' een niet d' oorzaak van d' andere wezen, noch d' een van d' andere voortgebracht worden; 't welk men betogen moest.

Toegift.--Hier uit volgt dat een zelfstandigheit niet van iets anders voortgebracht kan worden. Want in de natuur word niets gestelt, dan zelfstandigheden, en hun aandoeningen; gelijk uit d'eerste Kundigheit, en uit de darde en vijfde Bepaling blijkt. En een zelfstandigheit kan van geen zelfstandigheit voortgebracht worden; volgens de voorgaande Voorstelling. Dieshalven, een zelfstandigheit kan volstrektelijk niet van iets anders voortgebracht worden; gelijk te betogen stond.

Anders.--Deze Voorstelling word lichtelijker uit d'ongerijmtheit van haar tegenstelling bewezen. Want indien een zelfstandigheit van iets anders voortgebracht kon worden, zo moest (volgens de vierde Kundigheit) haar kennis van de kennis van haar oorzaak afhangen, en zou dieshalven (volgens de darde Bepaling) geen zelfstandigheit wezen.

One substance cannot be produced by another substance.

Proof.--It is impossible that there should be in the universe two substances with an identical attribute, i.e. which have anything common to them both (Prop. ii.), and, therefore (Prop. iii.), one cannot be the cause of the other, neither can one be produced by the other. Q.E.D.

Corollary.--Hence it follows that a substance cannot be produced by anything external to itself. For in the universe nothing is granted, save substances and their modifications (as appears from Ax. i. and Deff. iii. and v.). Now (by the last Prop.) substance cannot be produced by another substance, therefore it cannot be produced by anything external to itself. Q.E.D. This is shown still more readily by the absurdity of the contradictory. For, if substance be produced by an external cause, the knowledge of it would depend on the knowledge of its cause (Ax. iv.), and (by Def. iii.) it would itself not be substance.

1P7
Ad naturam substantiæ pertinet existere.
DEMONSTRATIO: Substantia non potest produci ab alio (per corollarium propositionis præcedentis); erit itaque causa sui id est (per definitionem 1) ipsius essentia involvit necessario existentiam sive ad ejus naturam pertinet existere. Q.E.D.
Wezentlijk te zijn behoort tot de natuur van een zelfstandigheit.

Betoging.--Een zelfstandigheit kan (volgens de Toegift van de voorgaande Voorstelling) niet van iets anders voortgebracht worden. Zy zal dan d'oorzaak van zich zelve wezen: dat is, (volgens d' eerste Bepaling) haar wezentheit sluit nootzakelijk de wezentlijkheit in; of wezentlijk te zijn behoort tot haar natuur: gelijk te betogen stond.
Existence belongs to the nature of substances.

Proof.--Substance cannot be produced by anything external (Corollary, Prop vi.), it must, therefore, be its own cause--that is, its essence necessarily involves existence, or existence belongs to its nature.
1P8
Omnis substantia est necessario infinita.
DEMONSTRATIO: Substantia unius attributi non nisi unica existit (per propositionem 5) et ad ipsius naturam pertinet existere (per propositionem 7). Erit ergo de ipsius natura vel finita vel infinita existere. At non finita. Nam (per definitionem 2) deberet terminari ab alia ejusdem naturæ quæ etiam necessario deberet existere (per propositionem 7) adeoque darentur duæ substantiæ ejusdem attributi, quod est absurdum (per propositionem 5). Existit ergo infinita. Q.E.D.

SCHOLIUM I: Cum finitum esse revera sit ex parte negatio et infinitum absoluta affirmatio existentiæ alicujus naturæ, sequitur ergo ex sola 7 propositione omnem substantiam debere esse infinitam.

SCHOLIUM II: Non dubito quin omnibus qui de rebus confuse judicant nec res per primas suas causas noscere consueverunt, difficile sit demonstrationem 7 propositionis concipere; nimirum quia non distinguunt inter modificationes substantiarum et ipsas substantias neque sciunt quomodo res producuntur. Unde fit ut principium quod res naturales habere vident, substantiis affingant; qui enim veras rerum causas ignorant, omnia confundunt et sine ulla mentis repugnantia tam arbores quam homines loquentes fingunt et homines tam ex lapidibus quam ex semine formari et quascunque formas in alias quascunque mutari imaginantur. Sic etiam qui naturam divinam cum humana confundunt, facile Deo affectus humanos tribuunt præsertim quamdiu etiam ignorant quomodo affectus in mente producuntur. Si autem homines ad naturam substantiæ attenderent, minime de veritate 7 propositionis dubitarent; imo hæc propositio omnibus axioma esset et inter notiones communes numeraretur. Nam per substantiam intelligerent id quod in se est et per se concipitur hoc est id cujus cognitio non indiget cognitione alterius rei. Per modificationes autem id quod in alio est et quarum conceptus a conceptu rei in qua sunt, formatur : quocirca modificationum non existentium veras ideas possumus habere quandoquidem quamvis non existant actu extra intellectum, earum tamen essentia ita in alio comprehenditur ut per idem concipi possint. Verum substantiarum veritas extra intellectum non est nisi in se ipsis quia per se concipiuntur. Si quis ergo diceret se claram et distinctam hoc est veram ideam substantiæ habere et nihilominus dubitare num talis substantia existat, idem hercle esset ac si diceret se veram habere ideam et nihilominus dubitare num falsa sit (ut satis attendenti sit manifestum); vel si quis statuat substantiam creari, simul statuit ideam falsam factam esse veram, quo sane nihil absurdius concipi potest adeoque fatendum necessario est substantiæ existentiam sicut ejus essentiam æternam esse veritatem. Atque hinc alio modo concludere possumus non dari nisi unicam ejusdem naturæ, quod hic ostendere operæ pretium esse duxi. Ut autem hoc ordine faciam notandum est Iƒ veram uniuscujusque rei definitionem nihil involvere neque exprimere præter rei definitæ naturam. Ex quo sequitur hoc IIƒ nempe nullam definitionem certum aliquem numerum individuorum involvere neque exprimere quandoquidem nihil aliud exprimit quam naturam rei definitæ. Exempli gratia definitio trianguli nihil aliud exprimit quam simplicem naturam trianguli; at non certum aliquem triangulorum numerum. IIIƒ notandum dari necessario uniuscujusque rei existentis certam aliquam causam propter quam existit. IVƒ denique notandum hanc causam propter quam aliqua res existit, vel debere contineri in ipsa natura et definitione rei existentis (nimirum quod ad ipsius naturam pertinet existere) vel debere extra ipsam dari. His positis sequitur quod si in natura certus aliquis numerus individuorum existat, debeat necessario dari causa cur illa individua et cur non plura nec pauciora existunt. Si exempli gratia in rerum natura 20 homines existant (quos majoris perspicuitatis causa suppono simul existere nec alios antea in natura exstitisse) non satis erit (ut scilicet rationem reddamus cur 20 homines existant) causam naturæ humanæ in genere ostendere sed insuper necesse erit causam ostendere cur non plures nec pauciores quam 20 existant quandoquidem (per III notam) uniuscujusque debet necessario dari causa cur existat. At hæc causa (per notam II et III) non potest in ipsa natura humana contineri quandoquidem vera hominis definitio numerum vicenarium non involvit adeoque (per notam IV) causa cur hi viginti homines existunt et consequenter cur unusquisque existit, debet necessario extra unumquemque dari et propterea absolute concludendum omne id cujus naturæ plura individua existere possunt, debere necessario ut existant causam externam habere. Jam quoniam ad naturam substantiæ (per jam ostensa in hoc scholio) pertinet existere, debet ejus definitio necessariam existentiam involvere et consequenter ex sola ejus definitione debet ipsius existentia concludi. At ex ipsius definitione (ut jam ex nota II et III ostendimus) non potest sequi plurium substantiarum existentia; sequitur ergo ex ea necessario unicam tantum ejusdem naturæ existere, ut proponebatur.

Alle zelfstandigheit is nootzakelijk oneindig.

Betoging.--Van een enige toeëigening kan niet meer, dan een enige zelfstandigheit wezentlijk wezen; (volgens de vijfde Voorslelling van dit deel) en wezentlijk te wezen behoort tot haar natuur; olgens de zevende Voorstelling in dit deel. Zy zal dan uit haar natuur of eindig of onëindig wezentlijk wezen. Niet eindig: want (volgens de weede Bepaling) zy moest door een andere zelfstandigheit van de zelfde natuur, die ook (volgens de zevende Voorstelling in dit deel) nootzakelijk wezentlijk moest zijn, bepaalt worden: en dieshalven zouden 'er twee zelfstandigheden van een zelfde toeëigening gestelt worden; 't welk ongerijmt is: olgens de vijfde Voorstelling. Zy is dan wezentlijk onëindig,gelijk te betogen stond.

Eerste Byvoegsel.--Dewijl eindig te zijn warelijk ten deel een ontkenning is, en onëindig een volstrekte bevestiging van de wezentlijkheit van enige natuur, zo volgt (uit de zevende Voorstelling van dit deel alleen) dat alle zelfstandigheit onëindig moet wezen. Want indien men de zelfstandigheit eindig stelde, zo zou men in haar natuur ten deel het wezentlijk te zijn ontkennen; 't welk, (volgens de gezeide Voorstelling) ongerijmt is.

Tweede Byvoegsel.--Ik twijffel niet of de genen, die verwardelijk van de dingen oordeelen, en niet gewent zijn de zaken door hun eerste oorzaken te kennen, zullen zwarelijk de Betoging van de zevende Voorstelling in dit deel bevatten; om dat zy geen onderscheit tusschen de wijzen van de zelfstandigheden, en de zelfstandigheden zelven maken, en niet weten hoe de dingen voortgebracht worden. Hier uit spruit het dat zy het beginsel, 't welk zy in de naturelijke en zichtbare dingen gewaar worden, ook aan de zelfstandigheden toepassen. Want de genen, die in de ware oorzaken der dingen onkundig zijn, verwarren alles, en verdichten, zonder enige tegenstrijdigheit van 't gemoed, dat zo wel de bomen, als de menschen spreken, en beelden zich in dat de menschen zo wel uit stenen, als uit zaat voortkomen, en dat alderhande vormen in alderhande vormen veränderen. In dezer voegen eigenen de genen, die de goddelijke met de menschelijke natuur verwarren, lichtelijk menschelijke aandoeningen en tochten aan God toe; inzonderheit zo lang zy noch niet weten hoe d' aandoeningen, of tochten in de menschelijke ziel voortkomen: Maar indien de menschen op de natuur van de zelfstandigheit merkten, zy zouden geensins aan de waarheit van de zevende Voorstelling in dit deel twijffelen: ja deze Voorstelling zou by alle menschen tot een geloofsspreuk verstrekken, en onder de gemene Kundigheden getelt worden. Want zy zouden by zelfstandigheit het geen verstaan, dat in zich is, en door zich bevat word; dat is het geen, daar af de kennis niet de kennis van enig ander ding behoeft: en by wijzen het geen, dat in een ander is, en welker bevattingen van de bevatting des dings, daar zy in zijn, gevormt word. En hier uit spruit het dat wy van de wijzen, schoon zy niet wezentlijk zijn, echter ware denkbeelden konnen hebben: want hoewel zy dadelijk niet buiten 't verstant wezentlijk zijn, zo word echter hun wezentheit in een ander in dier voegen begrepen, dat zy door 't zelfde bevat konnen worden. Maar het voorwerp van een waar denkbeelt der zelfstandigheden kan geen ander zijn, dan de zelfstandigheden zelven, om dat zy door zich bevat worden. Indien dan iemant zeide, dat hy een klaar en onderscheide, dat is een waar denkbeelt van een zelfstandigheit had, en dat hy echter twijffelde of zodanige zelfstandigheit wezentlijk is, dit zou warelijk even het zelfde zijn, als of hy zeide, dat hy een waar denkbeelt had, en echter twijffelde of het niet valsch was; gelijk klarelijk aan de geen blijkt, die wel opmerkt: of indien iemant stelt dat een zelfstandigheit, die niet was, nu begint te zijn, die stelt met enen dat een valsch denkbeelt waar geworden is; 't welk warelijk het ongerijmste is, dat men kan bedenken. Men moet dieshalven nootzakelijk belijden, dat de wezentlijkheit van de zelfstandigheit, gelijk haar wezentheit, een eeuwige waarheit is. Wy konnen dan hier uit op een andere wijze besluiten dat 'er niet meer dan een enige van de zelfde natuur is; en ik heb 't de moeite waerdig geächt het zelfde hier te tonen. En om dit zelfde in ordening te doen, zo staat aan te merken, ooreerst, dat de ware bepaling van yder ding niets anders insluit, noch uitdrukt, dan de natuur van de bepaalde zaak: Uit het welk en tweeden olgt, dat geen bepaling enig zeker getal van ondeeligen insluit, of uitdrukt, dewijl zy niets anders uitdrukt, dan de natuur van de bepaalde aak. Tot een voorbeelt; de bepaling van de driehoek drukt niets anders uit, dan d'enkelde natuur van de driehoek, maar niet enig zeker getal van driehoeken. en darden taat aan te merken, dat nootzakelijk van yder ding een stellige oorzaak, door de welke het is, gestelt moet worden. en vierden n eindelijk heeft men aan te merken, dat deze oorzaak, door de welke enig ding is, of in de natuur zelve, en in de bepaling van de wezentlijke zaak (namentlijk om dat wezentlijk te zijn tot haar natuur behoort, en het zelfde insluit) moet begrepen, of daar buiten gestelt worden. Uit deze stellingen volgt, dat, zo 'er in de natuur enig zeker getal van ondeeligen is, men nootzakelijk oorzaak moet stellen, waaröm deze ondeeligen, en waarom zy niet meer, of min in getal, zijn. Tot een voorbeelt, indien 'er in de natuur twintig menschen zijn, die ik, tot groter klaarheit, en om verwarring te mijden onderstel gelijkelijk te zijn, en dat 'er voor hen geen anderen geweest hebben, zo zal 't (te weten om reden te geven, waaröm dat 'er twintig menschen zijn) niet genoech wezen, dat men d' oorzaak van de menschelijke natuur in 't algemeen toont; maar het zal daarënboven ook nootzakelijk wezen, dat men toont waaröm dat 'er niet meerder, of minder dan twintig zijn: want (volgens de darde Aanmerking) van yder bezonder mensch moet nootzakelijk oorzaak, waaröm hy is, gestelt worden. Maar (volgens de tweede en darde Aanmerking) deze oorzaak kan niet in de menschelijke natuur zelve begrepen worden; vermits de ware bepaling van de mensch niet het getal van twintig insluit. Dieshalven (volgens de vierde Aanmerking) d'oorzaak, waaröm deze twintig menschen zijn, en by gevolg waaröm yder is, moet nootzakelijk buiten yder gestelt worden. Men heeft dan volstrektelijk te besluiten, dat alle de dingen, van de welken men bevat dat zy veelvoudig konnen wezen, nootzakelijk, om te zijn, een uitterlijke oorzaak moeten hebben. Maar dewijl (volgens het geen, dat wy in 't begin van dit Byvoegsel getoont hebben) wezentlijk te zijn tot de natuur van de zelfstandigheit behoort, zo moet haar bepaling nootzakelijke wezentlijkheit insluiten: en by gevolg moet uit haar bepaling alleen haar wezentlijkheit besloten worden. Doch uit haar bepaling (gelijk wy in de tweede en darde Aanmerking getoont hebben) kan niet de wezentlijkheit van veel zelfstandigheden volgen: zo volgt dan daar uit nootzakelijk, dat 'er niet meer dan een enige zelfstandigheit van de zelfde natuur is; gelijk voorgestelt wierd.

Every substance is necessarily infinite.

Proof.--There can only be one substance with an identical attribute, and existence follows from its nature (Prop. vii.); its nature, therefore, involves existence, either as finite or infinite. It does not exist as finite, for (by Def. ii.) it would then be limited by something else of the same kind, which would also necessarily exist (Prop. vii.); and there would be two substances with an identical attribute, which is absurd (Prop. v.). It therefore exists as infinite. Q.E.D.

Note I.--As finite existence involves a partial negation, and infinite existence is the absolute affirmation of the given nature, it follows (solely from Prop. vii.) that every substance is necessarily infinite.

Note II.--No doubt it will be difficult for those who think about things loosely, and have not been accustomed to know them by their primary causes, to comprehend the demonstration of Prop. vii.: for such persons make no distinction between the modifications of substances and the substances themselves, and are ignorant of the manner in which things are produced; hence they may attribute to substances the beginning which they observe in natural objects. Those who are ignorant of true causes, make complete confusion--think that trees might talk just as well as men--that men might be formed from stones as well as from seed; and imagine that any form might be changed into any other. So, also, those who confuse the two natures, divine and human, readily attribute human passions to the deity, especially so long as they do not know how passions originate in the mind. But, if people would consider the nature of substance, they would have no doubt about the truth of Prop. vii. In fact, this proposition would be a universal axiom, and accounted a truism. For, by substance, would be understood that which is in itself, and is conceived through itself--that is, something of which the conception requires not the conception of anything else; whereas modifications exist in something external to themselves, and a conception of them is formed by means of a conception of the thing in which they exist. Therefore, we may have true ideas of non--existent modifications; for, although they may have no actual existence apart from the conceiving intellect, yet their essence is so involved in something external to themselves that they may through it be conceived. Whereas the only truth substances can have, external to the intellect, must consist in their existence, because they are conceived through themselves. Therefore, for a person to say that he has a clear and distinct--that is, a true--idea of a substance, but that he is not sure whether such substance exists, would be the same as if he said that he had a true idea, but was not sure whether or no it was false (a little consideration will make this plain); or if anyone affirmed that substance is created, it would be the same as saying that a false idea was true--in short, the height of absurdity. It must, then, necessarily be admitted that the existence of substance as its essence is an eternal truth. And we can hence conclude by another process of reasoning--that there is but one such substance. I think that this may profitably be done at once; and, in order to proceed regularly with the demonstration, we must premise:----

1. The true definition of a thing neither involves nor expresses anything beyond the nature of the thing defined. From this it follows that----

2. No definition implies or expresses a certain number of individuals, inasmuch as it expresses nothing beyond the nature of the thing defined. For instance, the definition of a triangle expresses nothing beyond the actual nature of a triangle: it does not imply any fixed number of triangles.

3. There is necessarily for each individual existent thing a cause why it should exist.

4. This cause of existence must either be contained in the nature and definition of the thing defined, or must be postulated apart from such definition.

It therefore follows that, if a given number of individual things exist in nature, there must be some cause for the existence of exactly that number, neither more nor less. For example, if twenty men exist in the universe (for simplicity's sake, I will suppose them existing simultaneously, and to have had no predecessors), and we want to account for the existence of these twenty men, it will not be enough to show the cause of human existence in general; we must also show why there are exactly twenty men, neither more nor less: for a cause must be assigned for the existence of each individual. Now this cause cannot be contained in the actual nature of man, for the true definition of man does not involve any consideration of the number twenty. Consequently, the cause for the existence of these twenty men, and, consequently, of each of them, must necessarily be sought externally to each individual. Hence we may lay down the absolute rule, that everything which may consist of several individuals must have an external cause. And, as it has been shown already that existence appertains to the nature of substance, existence must necessarily be included in its definition; and from its definition alone existence must be deducible. But from its definition (as we have shown, notes ii., iii.), we cannot infer the existence of several substances; therefore it follows that there is only one substance of the same nature. Q.E.D.

1P9
Quo plus realitatis aut esse unaquæque res habet eo plura attributa ipsi competunt.
DEMONSTRATIO: Patet ex definitione 4.
Hoe yder ding meer zakelijkheit, of zijn heeft, hoe 'er meer toeëigeningen toe behoren.

Betoging.--Dit blijkt uit de vierde Bepaling.
The more reality or being a thing has, the greater the number of its attributes (Def. iv.).

1P10
Unumquodque unius substantiæ attributum per se concipi debet.
DEMONSTRATIO: Attributum enim est id quod intellectus de substantia percipit tanquam ejus essentiam constituens (per definitionem 4) adeoque (per definitionem 3) per se concipi debet. Q.E.D.

SCHOLIUM: Ex his apparet quod quamvis duo attributa realiter distincta concipiantur hoc est unum sine ope alterius, non possumus tamen inde concludere ipsa dua entia sive duas diversas substantias constituere; id enim est de natura substantiæ ut unumquodque ejus attributorum per se concipiatur quandoquidem omnia quæ habet attributa, simul in ipsa semper fuerunt nec unum ab alio produci potuit sed unumquodque realitatem sive esse substantiæ exprimit. Longe ergo abest ut absurdum sit uni substantiæ plura attributa tribuere; quin nihil in natura clarius quam quod unumquodque ens sub aliquo attributo debeat concipi et quo plus realitatis aut esse habeat eo plura attributa quæ et necessitatem sive æternitatem et infinitatem exprimunt, habeat et consequenter nihil etiam clarius quam quod ens absolute infinitum necessario sit definiendum (ut definitione 6 tradidimus) ens quod constat infinitis attributis quorum unumquodque æternam et infinitam certam essentiam exprimit. Si quis autem jam quærit ex quo ergo signo diversitatem substantiarum poterimus dignoscere, legat sequentes propositiones, quæ ostendunt in rerum natura non nisi unicam substantiam existere eamque absolute infinitam esse, quapropter id signum frustra quæreretur.

Yder toeëigening van een enige zelfstandigheit moet door zich bevat worden.

Betoging.--Want de toeëigening is 't geen, 't welk het verstant van de zelfstandigheit, als haar wezentheit stellende, bevat; (volgens de vierde Bepaling: n dieshalven moet zy, olgens de darde Bepaling) door zich begrepen worden; elijk te betogen stond.

Byvoegsel.--ier ui blijk da, oewel wee oeëigeningen, zakelijk onderscheiden,nbevat worden, (dat is d' een zonder hulp van d' ander,) wy echter daar uit niet konnen besluiten dat zy twee wezenden, of twee verscheidepzelfstandigheden stellen: want dit behoort tot de natuur van de zelfstandigheit, dat yder van haar toeëigeningen door zich bevat word: dewijl alle de toeëigeningen, die zy heeft, altijt gelijkelijk en te zamen in haar geweest hebben, en d' een niet van d' ander heeft voortgebracht konnen worden; maar yder op zich zelve de zakelijkheit, of het zijn van de zelfstandigheit uitdrukt. 't Is dan verre van daar, dat het ongerijmt zou wezen, dat men aan een enige zelfstandigheit veel toeëigeningen zouxtoevoegen: ja daar is in de natuur niet klaarblijkelijker, dan dat yderywezend onder enige toeëigening bevat moet worden. En hoe het meerzzakelijkheit, of zijn heeft, hoe het ook meer toeëigeningen heeft, die nootzakelijkheit, of eeuwigheit, en onëindigheit uitdrukken: en by gevolg is 'er ook niets klaarblijkelijker, dan dat een wezend, 't welk volstrektelijk onëindig is, nootzakelijk (gelijk wy in de Zeste Bepaling aangewezen hebben) dus bepaalt moet worden: een wezend, dat uit onëindige toeëigeningen bestaat, van de welken yder zekere slach van wezentheit, die eeuwig en onëindig is, uitdrukt. Indien iemant nu vraagt uit welk teken wy de verscheidenheit der zelfstandigheden zouden konnen onderscheiden, die lees de volgende Voorstellingen, de welken tonen dat 'er in de natuur niet meer, dan een enige zelfstandigheit wezentlijk, en dat de zelfdeovolstrektelijk onëindig is; in voegen dat men te vergeefs naar dit teken vraagt.

Each particular attribute of the one substance must be conceived through itself.

Proof.--An attribute is that which the intellect perceives of substance, as constituting its essence (Def. iv.), and, therefore, must be conceived through itself (Def. iii.). Q.E.D.

Note--It is thus evident that, though two attributes are, in fact, conceived as distinct--that is, one without the help of the other--yet we cannot, therefore, conclude that they constitute two entities, or two different substances. For it is the nature of substance that each of its attributes is conceived through itself, inasmuch as all the attributes it has have always existed simultaneously in it, and none could be produced by any other; but each expresses the reality or being of substance. It is, then, far from an absurdity to ascribe several attributes to one substance: for nothing in nature is more clear than that each and every entity must be conceived under some attribute, and that its reality or being is in proportion to the number of its attributes expressing necessity or eternity and infinity. Consequently it is abundantly clear, that an absolutely infinite being must necessarily be defined as consisting in infinite attributes, each of which expresses a certain eternal and infinite essence.

If anyone now ask, by what sign shall he be able to distinguish different substances, let him read the following propositions, which show that there is but one substance in the universe, and that it is absolutely infinite, wherefore such a sign would be sought in vain.

1P11
Deus sive substantia constans infinitis attributis quorum unumquodque æternam et infinitam essentiam exprimit, necessario existit.
DEMONSTRATIO: Si negas, concipe si fieri potest, Deum non existere. Ergo (per axioma 7) ejus essentia non involvit existentiam. Atqui hoc (per propositionem 7) est absurdum : ergo Deus necessario existit. Q.E.D.

ALITER: Cujuscunque rei assignari debet causa seu ratio tam cur existit quam cur non existit. Exempli gratia si triangulus existit, ratio seu causa dari debet cur existit; si autem non existit, ratio etiam seu causa dari debet quæ impedit quominus existat sive quæ ejus existentiam tollat. Hæc vero ratio seu causa vel in natura rei contineri debet vel extra ipsam. Exempli gratia rationem cur circulus quadratus non existat, ipsa ejus natura indicat; nimirum quia contradictionem involvit. Cur autem contra substantia existat, ex sola etiam ejus natura sequitur quia scilicet existentiam involvit (vide propositionem 7). At ratio cur circulus vel triangulus existit vel cur non existit, ex eorum natura non sequitur sed ex ordine universæ naturæ corporeæ; ex eo enim sequi debet vel jam triangulum necessario existere vel impossibile esse ut jam existat. Atque hæc per se manifesta sunt. Ex quibus sequitur id necessario existere cujus nulla ratio nec causa datur quæ impedit quominus existat. Si itaque nulla ratio nec causa dari possit quæ impedit quominus Deus existat vel quæ ejus existentiam tollat, omnino concludendum est eundem necessario existere. At si talis ratio seu causa daretur, ea vel in ipsa Dei natura vel extra ipsam dari deberet hoc est in alia substantia alterius naturæ. Nam si ejusdem naturæ esset, eo ipso concederetur dari Deum. At substantia quæ alterius esset naturæ, nihil cum Deo commune habere (per 2 propositionem) adeoque neque ejus existentiam ponere neque tollere posset. Cum igitur ratio seu causa quæ divinam existentiam tollat, extra divinam naturam dari non possit, debebit necessario dari, siquidem non existit, in ipsa ejus natura, quæ propterea contradictionem involveret. Atqui hoc de Ente absolute infinito et summe perfecto affirmare absurdum est; ergo nec in Deo nec extra Deum ulla causa seu ratio datur quæ ejus existentiam tollat ac proinde Deus necessario existit. Q.E.D.

ALITER: Posse non existere impotentia est et contra posse existere potentia est (ut per se notum). Si itaque id quod jam necessario existit, non nisi entia finita sunt, sunt ergo entia finita potentiora Ente absolute infinito atque hoc (ut per se notum) absurdum est; ergo vel nihil existit vel Ens absolute infinitum necessario etiam existit. Atqui nos vel in nobis vel in alio quod necessario existit, existimus (vide axioma 1 et propositionem 7). Ergo Ens absolute infinitum hoc est (per definitionem 6) Deus necessario existit. Q.E.D.

SCHOLIUM: In hac ultima demonstratione Dei existentiam a posteriori ostendere volui ut demonstratio facilius perciperetur; non autem propterea quod ex hoc eodem fundamento Dei existentia a priori non sequatur. Nam cum posse existere potentia sit, sequitur quo plus realitatis alicujus rei naturæ competit eo plus virium a se habere ut existat adeoque Ens absolute infinitum sive Deum infinitam absolute potentiam existendi a se habere, qui propterea absolute existit. Multi tamen forsan non facile hujus demonstrationis evidentiam videre poterunt quia assueti sunt eas solummodo res contemplari quæ a causis externis fiunt et ex his quæ cito fiunt hoc est quæ facile existunt, eas etiam facile perire vident et contra eas res factu difficiliores judicant hoc est ad existendum non adeo faciles ad quas plura pertinere concipiunt. Verum ut ab his præjudiciis liberentur, non opus habeo hic ostendere qua ratione hoc enunciatum "quod cito fit cito perit" verum sit nec etiam an respectu totius naturæ omnia æque facilia sint an secus. Sed hoc tantum notare sufficit me hic non loqui de rebus quæ a causis externis fiunt sed de solis substantiis, quæ (per propositionem 6) a nulla causa externa produci possunt. Res enim quæ a causis externis fiunt, sive eæ multis partibus constent sive paucis, quicquid perfectionis sive realitatis habent, id omne virtuti causæ externæ debetur adeoque earum existentia ex sola perfectione causæ externæ, non autem suæ oritur. Contra quicquid substantia perfectionis habet, nulli causæ externæ debetur; quare ejus etiam existentia ex sola ejus natura sequi debet, quæ proinde nihil aliud est quam ejus essentia. Perfectio igitur rei existentiam non tollit sed contra ponit; imperfectio autem contra eandem tollit adeoque de nullius rei existentia certiores esse possumus quam de existentia Entis absolute infiniti seu perfecti hoc est Dei. Nam quandoquidem ejus essentia omnem imperfectionem secludit absolutamque perfectionem involvit, eo ipso omnem causam dubitandi de ipsius existentia tollit summamque de eadem certitudinem dat, quod mediocriter attendenti perspicuum fore credo.

Godt, of een zelfstandigheit, uit onëindige toeëigeningen bestaande, van de welken yder een eeuwige en onëindige wezentheit uitdrukt, moet nootzakelijk wezentlijk wezen.

Betoging.--Indien gy 't ontkent, zo begrijp, indien het mogelijk is, dat God niet wezentlijk is. Zijn wezentheit zal dan (volgens de zevende Kundigheit) geen wezentlijkheit insluiten. Doch dit is ( volgens de zevendebVoorstelling in dit deel) ongerijmt. Zo is dan God nootzakelijk wezentlijk;gelijk te betogen stond.

Anders.--Van yder ding moet nootzakelijk oorzaak, of reden aangewezen worden, zo wel waaröm het is, als waaröm het niet is. Tot een voorbeelt; Indien 'er een driehoek is, zo moet 'er reden, of oorzaak zijn, waaröm hy is: en indien 'er geen driehoek is, zo moet 'er ook reden, of oorzaak zijn, de welke belet dat hy 'er is, of die zijn wezentlijkheit uitsluit. Doch deze reden, of oorzaak moet of in de natuur van de zaak zelve begrepen worden, of daar buiten wezen. Tot een voorbeelt; de reden, om de welke een vierkantige kring niet wezentlijk is, blijkt uit de natuur van de zaak zelve, te weten om dat zy tegenzeggelijkheit insluit. Maar waaröm, in tegendeel, een zelfstandigheit wezentlijk is; dit volgt uit haar eige natuur, die wezentlijkheit insluit. (bezie de zevende Voorstelling in dit deel) Doch de reden, om de welke een kring, of driehoek wezentlijk, of niet wezentlijk is, volgt niet uit hun natuur; maar uit d' ordening van d'algemene lighamelijke natuur: want daar uit moet volgen of dat de driehoek nootzakelijk wezentlijk is, of dat het onmogelijk is dat hy wezentlijk is. Uit deze dingen, die uit zich zelven bekent zijn, volgt dat het geen, van 't welk geen reden noch oorzaak is, die zijn wezentlijkheit belet, of uitsluit, nootzakelijk wezentlijk moet wezen. Dieshalven, indien 'er geen reden, noch oorzaak kan zijn, die belet dat God wezentlijk is, of die zijn wezentlijkheit wechneemt, en uitsluit, zo zal men moeten besluiten dat hy nootzakelijk wezentlijk is. Doch indien 'er zodanige reden, of oorzaak kon zijn, zo moest de zelfde of in Gods natuur, of buiten zijn natuur, dat is in een andere zelfstandigheit van een andere natuur, wezen. Want indien zy van een zelfde natuur gestelt word, zo staat men daar door toe, dat God wezentlijk is. Maar een zelfstandigheit, die van een andere natuur is, dan de goddelijke, heeft met God niets gemeen; (volgens de tweede Voorstelling in dit deel) en kan dieshalven zijn wezentlijkheit niet stellen, noch wechneemen. Dewijl 'er dan geen reden, of oorzaak, die de goddelijke wezentlijkheit wechneemen, of uitsluiten, buiten de goddelijke natuur kan zijn, zo zal men nootzakelijk moeten zeggen dat zy, zo hy niet wezentlijk is, in zijn eige natuur is, die dieshalven (volgens onz tweede Voorbeelt) tegenzeggelijkheit zou insluiten. Doch dit van een wezend, dat volstrektelijk onëindig en ten opperste volmaakt is, te zeggen, zou ongerijmt wezen. Daar is dan noch in, noch buiten God enige oorzaak, of reden, die zijn wezentlijkheit uitsluit, of wechneemt: en dieshalven is God nootzakelijk wezentlijk; elijk te betogen stond.

Anders.--Te konnen niet zijn is warelijk onvermogen: in tegendeel, te konnen zijn is vermogen; gelijk uit zich zelf blijkt. Indien dan 't geen, dat nootzakelijk is, niets anders is, dan eindige wezenden, zo zijn d' eindige wezenden machtiger, dan 't wezend, dat volstrektelijk onëindig is; 't welk, gelijk uit zich zelf blijkt, ongerijmt is. Daar is dieshalven of niets wezentlijk, of het wezend, dat volstrektelijk onëindig is, is ook nootzakelijk wezentlijk. Maar wy zijn wezentlijk of in ons zelven, of in iets anders, dat nootzakelijk wezentlijk is: (bezie d' eerste Kundigheit, en de zevende Voorstelling in dit deel) Dieshalven, een wezend, dat volstrektelijk onëindig is, dat is God, (volgens de zeste Bepaling) moet nootzakelijk wezentlijk wezen; elijk te betogen stond.

Byvoegsel.--In deze leste betoging heb ik goet gevonden Gods wezentlijkheit van achteren te tonen, op dat men het bewijs te lichtelijker zou begrijpen; en niet om dat uit de zelfde grontvest Gods wezentlijkheit niet van voren volgt. Want dewijl te konnen zijn vermogen is, zo volgt dat, hoe 'er meer zakelijkheit tot de natuur van een ding behoort, hoe het ook van zich meer krachten heeft om te zijn; en dieshalven dat een wezend, 't welk volstrektelijk onëindig is, of God een volstrekte onëindige macht van te zijn in zich heeft, die daaröm ook volstrektelijk is. Veel zullen echter misschien de klaarblijkelijkheit van dit betoging niet lichtelijk konnen zien, om dat zy gewent zijn alleenlijk die dingen, de welken hun oorsprong uit uiterlijke oorzaken hebben, t' aanschouwen: en van dezen zien zy de genen, die haastig worden, dat is die lichtelijk konnen zijn, ook lichtelijk vergaan. In tegendeel, zy oordeelen die dingen, tot de welken zy bevatten veel dingen te behoren, zwaar om te worden, dat is niet zo gemakkelijk om te konnen wezen. Doch om hen van deze vooröordeelen t' ontlasten, behoef ik hier niet aan hen te tonen in welke zin dit spreekwoort, (dat haastig koomt, vergaat ook haastig,) waar is; noch oock of, ten opzicht van de gehele natuur, alles even licht is te doen, of niet. 't Is genoech dat men alleenlijk aanmerkt, dat ik hier niet van dingen spreek, die van uitterlijke oorzaken voortkomen, maar alleenlijk van de zelfstandigheden, die (volgens de zeste Voorstelling van dit deel) van geen uitterlijke oorzaak voortgebracht konnen worden: want alle de volmaaktheit, of zakelijkheit van die dingen, de welken van uitterlijke oorzaken voortkomen, of uit veel, of uit weinig delen bestaan, hangt van de kracht van d'uitterlijke oorzaak af; en dieshalven spruit hun wezentlijkheit alleenlijk uit de volmaaktheit van hun uitterlijke oorzaak, en niet uit hun eige volmaaktheit. In tegendeel, een zelfstandigheit is alle de volmaaktheit, die zy heeft, niet aan enige uitterlijke oorzaak verplicht; en dieshalven moet haar wezentlijkheit ook uit haar eige natuur alleen volgen, die dieshalven niets anders is, dan haar eige wezentheit. De volmaaktheit van een zaak dan neemt de wezentlijkheit van de zaak niet wech, maar, in tegendeel, stelt de zelfde. Doch d' onvolmaaktheit daarëntegen neemt de zelfde wech. Wy konnen dieshalven van de wezentlijkheit van geen ding zekerder wezen, dan van de wezentlijkheit van 't volstrekt onëindig, of volmaakt wezend, dat is van God: want dewijl des zelfs wezentheit alle onvolmaaktheit uitsluit, en alle volmaaktheit insluit, zo neemt de zelfde daar door alle oorzaak wech, om van zijn wezentlijkheit te twijffelen, en geeft de hoogste zekerheit daar af; 't welk, gelijk ik vertrou, aan de geen, die slechs matiglijk opmerkt, klaarblijkelijk zal wezen.

God, or substance, consisting of infinite attributes, of which each expresses eternal and infinite essentiality, necessarily exists.

Proof.--If this be denied, conceive, if possible, that God does not exist: then his essence does not involve existence. But this (Prop. vii.) is absurd. Therefore God necessarily exists.

Another proof.--Of everything whatsoever a cause or reason must be assigned, either for its existence, or for its non--existence--e.g. if a triangle exist, a reason or cause must be granted for its existence; if, on the contrary, it does not exist, a cause must also be granted, which prevents it from existing, or annuls its existence. This reason or cause must either be contained in the nature of the thing in question, or be external to it. For instance, the reason for the non--existence of a square circle is indicated in its nature, namely, because it would involve a contradiction. On the other hand, the existence of substance follows also solely from its nature, inasmuch as its nature involves existence. (See Prop. vii.)

But the reason for the existence of a triangle or a circle does not follow from the nature of those figures, but from the order of universal nature in extension. From the latter it must follow, either that a triangle necessarily exists, or that it is impossible that it should exist. So much is self--evident. It follows therefrom that a thing necessarily exists, if no cause or reason be granted which prevents its existence.

If, then, no cause or reason can be given, which prevents the existence of God, or which destroys his existence, we must certainly conclude that he necessarily does exist. If such a reason or cause should be given, it must either be drawn from the very nature of God, or be external to him--that is, drawn from another substance of another nature. For if it were of the same nature, God, by that very fact, would be admitted to exist. But substance of another nature could have nothing in common with God (by Prop. ii.), and therefore would be unable either to cause or to destroy his existence.

As, then, a reason or cause which would annul the divine existence cannot be drawn from anything external to the divine nature, such cause must perforce, if God does not exist, be drawn from God's own nature, which would involve a contradiction. To make such an affirmation about a being absolutely infinite and supremely perfect is absurd; therefore, neither in the nature of God, nor externally to his nature, can a cause or reason be assigned which would annul his existence. Therefore, God necessarily exists. Q.E.D.

Another proof.--The potentiality of non--existence is a negation of power, and contrariwise the potentiality of existence is a power, as is obvious. If, then, that which necessarily exists is nothing but finite beings, such finite beings are more powerful than a being absolutely infinite, which is obviously absurd; therefore, either nothing exists, or else a being absolutely infinite necessarily exists also. Now we exist either in ourselves, or in something else which necessarily exists (see Axiom. i. and Prop. vii.). Therefore a being absolutely infinite--in other words, God (Def. vi.)--necessarily exists. Q.E.D.

Note.--In this last proof, I have purposely shown God's existence a posteriori, so that the proof might be more easily followed, not because, from the same premises, God's existence does not follow a priori. For, as the potentiality of existence is a power, it follows that, in proportion as reality increases in the nature of a thing, so also will it increase its strength for existence. Therefore a being absolutely infinite, such as God, has from himself an absolutely infinite power of existence, and hence he does absolutely exist. Perhaps there will be many who will be unable to see the force of this proof, inasmuch as they are accustomed only to consider those things which flow from external causes. Of such things, they see that those which quickly come to pass--that is, quickly come into existence--quickly also disappear; whereas they regard as more difficult of accomplishment--that is, not so easily brought into existence--those things which they conceive as more complicated.

However, to do away with this misconception, I need not here show the measure of truth in the proverb, "What comes quickly, goes quickly," nor discuss whether, from the point of view of universal nature, all things are equally easy, or otherwise: I need only remark that I am not here speaking of things, which come to pass through causes external to themselves, but only of substances which (by Prop. vi.) cannot be produced by any external cause. Things which are produced by external causes, whether they consist of many parts or few, owe whatsoever perfection or reality they possess solely to the efficacy of their external cause; and therefore their existence arises solely from the perfection of their external cause, not from their own. Contrariwise, whatsoever perfection is possessed by substance is due to no external cause; wherefore the existence of substance must arise solely from its own nature, which is nothing else but its essence. Thus, the perfection of a thing does not annul its existence, but, on the contrary, asserts it. Imperfection, on the other hand, does annul it; therefore we cannot be more certain of the existence of anything, than of the existence of a being absolutely infinite or perfect--that is, of God. For inasmuch as his essence excludes all imperfection, and involves absolute perfection, all cause for doubt concerning his existence is done away, and the utmost certainty on the question is given. This, I think, will be evident to every moderately attentive reader.

1P12
Nullum substantiæ attributum potest vere concipi ex quo sequatur substantiam posse dividi.
DEMONSTRATIO: Partes enim in quas substantia sic concepta divideretur, vel naturam substantiæ retinebunt vel non. Si primum, tum (per 8 propositionem) unaquæque pars debebit esse infinita et (per propositionem 6) causa sui et (per propositionem 5) constare debebit ex diverso attributo adeoque ex una substantia plures constitui poterunt, quod (per propositionem 6) est absurdum. Adde quod partes (per propositionem 2) nihil commune cum suo toto haberent et totum (per definitionem 4 et propositionem 10) absque suis partibus et esse et concipi posset, quod absurdum esse nemo dubitare poterit. Si autem secundum ponatur quod scilicet partes naturam substantiæ non retinebunt, ergo cum tota substantia in æquales partes esset divisa, naturam substantiæ amitteret et esse desineret, quod (per propositionem 7) est absurdum.
Men kan geen toeëigening van zelfstandigheit warelijk bevatten, uit de welke volgt dat de zelfstandigheit gedeelt kan worden.

Betoging.--Want de delen, in de welken een zelfstandigheit, dus bevat, gedeelt zou worden, zullen de natuur van de zelfstandigheit of behouden, of niet. Indien het eerste, namelijk dat zy de natuur van de zelfstandigheit behouden, zo zal (volgens d'achtste Voorstelling van dit deel) yder deel onëindig, en (volgens de zeste Voorstelling van dit deel) ook oorzaak van zich moeten zijn, en (volgens de vijfde Voorstelling in dit deel) yder uit een verscheide toeëigening bestaan: en dus zouden uit een enige zelfstandigheit veel gemaakt konnen worden; 't welk (volgens de zeste Voorstelling in dit deel) ongerijmt is. Voeg hier by, dat (volgens de tweede Voorstelling in dit deel) de delen niets gemeen met hun geheel zouden hebben, en dat (volgens de vierde Bepaling, en de zeste Voorstelling) het geheel zonder zijn delen zou konnen zijn, en bevat worden; 't welk, gelijk niemant daar aan kan twijffelen, ongerijmt zou wezen. Doch indien men het tweede wil stellen, te weten dat de delen de natuur van de zelfstandigheit niet zullen behouden, zo zal de zelfstandigheit, als zy in gelijke delen gedeelt wierd, de natuur van zelfstandigheit verliezen, en van te zijn ophouden; 't welk (volgens de zevende voorstelling in dit deel) ongerijmt is.
No attribute of substance can be conceived from which it would follow that substance can be divided.

Proof.--The parts into which substance as thus conceived would be divided either will retain the nature of substance, or they will not. If the former, then (by Prop. viii.) each part will necessarily be infinite, and (by Prop. vi.) self--caused, and (by Prop. v.) will perforce consist of a different attribute, so that, in that case, several substances could be formed out of one substance, which (by Prop. vi.) is absurd. Moreover, the parts (by Prop. ii.) would have nothing in common with their whole, and the whole (by Def. iv. and Prop. x.) could both exist and be conceived without its parts, which everyone will admit to be absurd. If we adopt the second alternative--namely, that the parts will not retain the nature of substance--then, if the whole substance were divided into equal parts, it would lose the nature of substance, and would cease to exist, which (by Prop. vii.) is absurd.
1P13
Substantia absolute infinita est indivisibilis.
DEMONSTRATIO: Si enim divisibilis esset, partes in quas divideretur vel naturam substantiæ absolute infinitæ retinebunt vel non. Si primum, dabuntur ergo plures substantiæ ejusdem naturæ, quod (per propositionem 5) est absurdum. Si secundum ponatur, ergo (ut supra) poterit substantia absolute infinita desinere esse, quod (per propositionem 11) est etiam absurdum.

COROLLARIUM: Ex his sequitur nullam substantiam et consequenter nullam substantiam corpoream, quatenus substantia est, esse divisibilem.

SCHOLIUM: Quod substantia sit indivisibilis, simplicius ex hoc solo intelligitur quod natura substantiæ non potest concipi nisi infinita et quod per partem substantiæ nihil aliud intelligi potest quam substantia finita, quod (per propositionem 8) manifestam contradictionem implicat.

Een zelfstandigheit, die volstrektelijk onëindig is, is ondeelbaar.

Betoging.--Want indien zy deelbaar is, zo zullen de delen, in de welken zy gedeelt word, of de natuur van een zelfstandigheit, die volstrektelijk onëindig is, behouden, of niet. Indien men 't eerste stelt, zo zullen 'er veel zelfstandigheden van een zelfde natuur konnen wezen; 't welk (volgens de vijfde Voorstelling van dit deel) ongerijmt is. Maar indien men het tweede stelt, zo zal (gelijk in de voorgaande Voorstelling gestelt is) een zelfstandigheit, die volstrektelijk onëindig is, konnen ophouden te zijn; 't welk (volgens d'elfde Voorstelling van dit deel) ook ongerijmt is.

Toegift.--Hier uit volgt, dat geen zelfstandigheit, en by gevolg ook niet de lighamelijke zelfstandigheit, voor zo veel men haar als zelfstandigheit bevat, deelbaar is.

Byvoegsel.--Dat de zelfstandigheit ondeelbaar is, word eenvoudiglijker hier uit verstaan, te weten, dat de natuur van de zelfstandigheit niet anders, dan onëindig, bevat kan worden, en datmen by deel van zelfstandigheit niets anders kan verstaan, dan eindige zelfstandigheit; 't welk (volgens d' achtste Voorstelling van dit deel) openbare tegenzeggelijkheit insluit.

Substance absolutely infinite is indivisible.

Proof.--If it could be divided, the parts into which it was divided would either retain the nature of absolutely infinite substance, or they would not. If the former, we should have several substances of the same nature, which (by Prop. v.) is absurd. If the latter, then (by Prop. vii.) substance absolutely infinite could cease to exist, which (by Prop. xi.) is also absurd.

Corollary.--It follows, that no substance, and consequently no extended substance, in so far as it is substance, is divisible.

Note.--The indivisibility of substance may be more easily understood as follows. The nature of substance can only be conceived as infinite, and by a part of substance, nothing else can be understood than finite substance, which (by Prop. viii) involves a manifest contradiction.

1P14
Præter Deum nulla dari neque concipi potest substantia.
DEMONSTRATIO: Cum Deus sit ens absolute infinitum de quo nullum attributum quod essentiam substantiæ exprimit, negari potest (per definitionem 6) isque necessario existat (per propositionem 11) si aliqua substantia præter Deum daretur, ea explicari deberet per aliquod attributum Dei sicque duæ substantiæ ejusdem attributi existerent, quod (per propositionem 5) est absurdum adeoque nulla substantia extra Deum dari potest et consequenter non etiam concipi. Nam si posset concipi, deberet necessario concipi ut existens; atqui hoc (per primam partem hujus demonstrationis) est absurdum. Ergo extra Deum nulla dari neque concipi potest substantia. Q.E.D.

COROLLARIUM I: Hinc clarissime sequitur Iƒ Deum esse unicum hoc est (per definitionem 6) in rerum natura non nisi unam substantiam dari eamque absolute infinitam esse, ut in scholio propositionis 10 jam innuimus.

COROLLARIUM II: Sequitur IIƒ rem extensam et rem cogitantem vel Dei attributa esse vel (per axioma 1) affectiones attributorum Dei.

Buiten God kan geen zelfstandigheit wezen, noch bevat worden.

Betoging.--Dewijl God een wezend, volstrektelijk onëindig is, van de welke geen toeëigening, die wezentheit van zelfstandigheit uitdrukt, ontkent kan worden, (volgens de zeste Bevaling) en hy nootzakelijk wezentlijk is; (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) zo zou, indien 'er enige zelfstandigheit behalven God was, de zelfde door enige toeëigening van God moeten verklaart en uitgedrukt worden; en dus zouden 'er twee zelfstandigheden van een zelfde toeëigening zijn; 't welk (volgens de vijfde Voorstelling van dit deel) ongerijmt is. Daar kan dieshalven geen zelfstandigheit buiten God gestelt, en by gevolg ook niet bevat worden. Want indien zy bevat kon worden, zo zou men haar nootzakelijk, als wezentlijk zijnde, moeten bevatten. Doch dit is ongerijmt; olgens 't eerste deel van deze Voorstelling. Buiten God dan kan geen zelfstandigheit gestelt, noch bevat worden; elijk te betogen stond.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt zeer klaarblijkelijk, dat God enig is, dat is (volgens de zeste Bepaling) dat in de natuur niet meer, dan een enige zelfstandigheit, en dat de zelfde volstrektelijk onëindig is; gelijk wy (in 't Byvoegsel van de tiende Voorstelling) hebben aangewezen.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat d' uitgestrekte en denkende zaak of Gods toeëigeningen, of (volgens d' eerste Kundigheit) aandoeningen van Gods toeëigeningen zijn.

Besides God no substance can be granted or conceived.

Proof.--As God is a being absolutely infinite, of whom no attribute that expresses the essence of substance can be denied (by Def. vi.), and he necessarily exists (by Prop. xi.); if any substance besides God were granted, it would have to be explained by some attribute of God, and thus two substances with the same attribute would exist, which (by Prop. v.) is absurd; therefore, besides God no substance can be granted, or, consequently, be conceived. If it could be conceived, it would necessarily have to be conceived as existent; but this (by the first part of this proof) is absurd. Therefore, besides God no substance can be granted or conceived. Q.E.D.

Corollary I.--Clearly, therefore: 1. God is one, that is (by Def. vi.) only one substance can be granted in the universe, and that substance is absolutely infinite, as we have already indicated (in the note to Prop. x.).

Corollary II.--It follows: 2. That extension and thought are either attributes of God or (by Ax. i.) accidents (affectiones) of the attributes of God.

1P15
Quicquid est, in Deo est et nihil sine Deo esse neque concipi potest.
DEMONSTRATIO: Præter Deum nulla datur neque concipi potest substantia (per 14 propositionem) hoc est (per definitionem 3) res quæ in se est et per se concipitur. Modi autem (per definitionem 5) sine substantia nec esse nec concipi possunt; quare hi in sola divina natura esse et per ipsam solam concipi possunt. Atqui præter substantias et modos nil datur (per axioma 1). Ergo nihil sine Deo esse neque concipi potest. Q.E.D.

SCHOLIUM: Sunt qui Deum instar hominis corpore et mente constantem atque passionibus obnoxium fingunt sed quam longe hi a vera Dei cognitione aberrent, satis ex jam demonstratis constat. Sed hos mitto : nam omnes qui naturam divinam aliquo modo contemplati sunt, Deum esse corporeum negant. Quod etiam optime probant ex eo quod per corpus intelligimus quamcunque quantitatem longam, latam et profundam, certa aliqua figura terminatam, quo nihil absurdius de Deo, ente scilicet absolute infinito, dici potest. Attamen interim aliis rationibus quibus hoc idem demonstrare conantur, clare ostendunt se substantiam ipsam corpoream sive extensam a natura divina omnino removere atque ipsam a Deo creatam statuunt. Ex qua autem divina potentia creari potuerit, prorsus ignorant; quod clare ostendit illos id quod ipsimet dicunt, non intelligere. Ego saltem satis clare meo quidem judicio demonstravi (vide corollarium propositionis 6 et scholium II propositionis 8) nullam substantiam ab alio produci vel creari. Porro propositione 14 ostendimus præter Deum nullam dari neque concipi posse substantiam atque hinc conclusimus substantiam extensam unum ex infinitis Dei attributis esse. Verum ad pleniorem explicationem adversariorum argumenta refutabo quæ omnia huc redeunt primo quod substantia corporea quatenus substantia constat ut putant partibus et ideo eandem infinitam posse esse et consequenter ad Deum pertinere posse negant. Atque hoc multis exemplis explicant ex quibus unum aut alterum afferam. Si substantia corporea aiunt est infinita, concipiatur in duas partes dividi; erit unaquæque pars vel finita vel infinita. Si illud, componitur ergo infinitum ex duabus partibus finitis, quod est absurdum. Si hoc, datur ergo infinitum duplo majus alio infinito, quod etiam est absurdum. Porro si quantitas infinita mensuratur partibus pedes æquantibus, infinitis talibus partibus constare debebit ut et si partibus mensuretur digitos æquantibus ac propterea unus numerus infinitus erit duodecies major alio infinito.Diverging Lines Denique si ex uno puncto infinitæ cujusdam quantitatis concipiatur duas lineas ut AB, AC, certa ac determinata in initio distantia in infinitum protendi, certum est distantiam inter B et C continuo augeri et tandem ex determinata indeterminabilem fore. Cum igitur hæc absurda sequantur ut putant ex eo quod quantitas infinita supponitur, inde concludunt substantiam corpoream debere esse finitam et consequenter ad Dei essentiam non pertinere. Secundum argumentum petitur etiam a summa Dei perfectione. Deus enim inquiunt cum sit ens summe perfectum, pati non potest : atqui substantia corporea quandoquidem divisibilis est, pati potest; sequitur ergo ipsam ad Dei essentiam non pertinere. Hæc sunt quæ apud scriptores invenio argumenta quibus ostendere conantur substantiam corpoream divina natura indignam esse nec ad eandem posse pertinere. Verumenimvero si quis recte attendat, me ad hæc jam respondisse comperiet quandoquidem hæc argumenta in eo tantum fundantur quod substantiam corpoream ex partibus componi supponunt, quod jam (per propositionem 12 cum corollario propositionis 13) absurdum esse ostendi. Deinde si quis rem recte perpendere velit, videbit omnia illa absurda (siquidem omnia absurda sunt, de quo non jam disputo) ex quibus concludere volunt substantiam extensam finitam esse, minime ex eo sequi quod quantitas infinita supponatur sed quod quantitatem infinitam mensurabilem et ex partibus finitis conflari supponunt; quare ex absurdis quæ inde sequuntur, nihil aliud concludere possunt quam quod quantitas infinita non sit mensurabilis et quod ex partibus finitis conflari non possit. Atque hoc idem est quod nos supra (propositione 12 etc.) jam demonstravimus. Quare telum quod in nos intendunt, in se ipsos revera conjiciunt. Si igitur ipsi ex suo hoc absurdo concludere tamen volunt substantiam extensam debere esse finitam, nihil aliud hercle faciunt quam si quis ex eo quod finxit circulum quadrati proprietates habere, concludit circulum non habere centrum ex quo omnes ad circumferentiam ductæ lineæ sunt æquales. Nam substantiam corpoream quæ non nisi infinita, non nisi unica et non nisi indivisibilis potest concipi (vide propositiones 8, 5 et 12) eam ipsi ad concludendum eandem esse finitam, ex partibus finitis conflari et multiplicem esse et divisibilem concipiunt. Sic etiam alii postquam fingunt lineam ex punctis componi, multa sciunt invenire argumenta quibus ostendant lineam non posse in infinitum dividi. Et profecto non minus absurdum est ponere quod substantia corporea ex corporibus sive partibus componatur quam quod corpus ex superficiebus, superficies ex lineis, lineæ denique ex punctis componantur. Atque hoc omnes qui claram rationem infallibilem esse sciunt, fateri debent et imprimis ii qui negant dari vacuum. Nam si substantia corporea ita posset dividi ut ejus partes realiter distinctæ essent, cur ergo una pars non posset annihilari manentibus reliquis ut ante inter se connexis? et cur omnes ita aptari debent ne detur vacuum? Sane rerum quæ realiter ab invicem distinctæ sunt, una sine alia esse et in suo statu manere potest. Cum igitur vacuum in natura non detur (de quo alias) sed omnes partes ita concurrere debent ne detur vacuum, sequitur hinc etiam easdem non posse realiter distingui hoc est substantiam corpoream quatenus substantia est, non posse dividi. Si quis tamen jam quærat cur nos ex natura ita propensi simus ad dividendam quantitatem? ei respondeo quod quantitas duobus modis a nobis concipitur, abstracte scilicet sive superficialiter prout nempe ipsam imaginamur vel ut substantia, quod a solo intellectu fit. Si itaque ad quantitatem attendimus prout in imaginatione est, quod sæpe et facilius a nobis fit, reperietur finita, divisibilis et partibus conflata; si autem ad ipsam prout in intellectu est, attendimus et eam quatenus substantia est, concipimus, quod difficillime fit, tum ut jam satis demonstravimus, infinita, unica et indivisibilis reperietur. Quod omnibus qui inter imaginationem et intellectum distinguere sciverint, satis manifestum erit, præcipue si ad hoc etiam attendatur quod materia ubique eadem est nec partes in eadem distinguuntur nisi quatenus materiam diversimode affectam esse concipimus, unde ejus partes modaliter tantum distinguuntur, non autem realiter. Exempli gratia aquam quatenus aqua est, dividi concipimus ejusque partes ab invicem separari; at non quatenus substantia est corporea; eatenus enim neque separatur neque dividitur. Porro aqua quatenus aqua generatur et corrumpitur; at quatenus substantia nec generatur nec corrumpitur. Atque his me ad secundum argumentum etiam respondisse puto quandoquidem id in eo etiam fundatur quod materia quatenus substantia divisibilis sit et partibus confletur. Et quamvis hoc non esset, nescio cur divina natura indigna esset quandoquidem (per propositionem 14) extra Deum nulla substantia dari potest a qua ipsa pateretur. Omnia inquam in Deo sunt et omnia quæ fiunt per solas leges infinitæ Dei naturæ fiunt et ex necessitate ejus essentiæ (ut mox ostendam) sequuntur; quare nulla ratione dici potest Deum ab alio pati aut substantiam extensam divina natura indignam esse tametsi divisibilis supponatur dummodo æterna et infinita concedatur. Sed de his impræsentiarum satis.

Alles, dat 'er is, is in God, en zonder God kan 'er niets zijn, noch bevat worden.

Betoging.--Buiten God kan 'er geen zelfstandigheit wezen, noch bevat worden; (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel) dat is (volgens de darde Bepaling van dit deel) iets, 't welk in zich is, en door zich bevat word. Maar de wijzen (volgens de vijfde Bepaling van dit deel) konnen zonder zelfstandigheit niet zijn, noch bevat worden: zy konnen dieshalven alleenlijk in de goddelijke natuur zijn, en door de zelfde alleen bevat worden. En dewijl 'er buiten zelfstandigheit en wijzen niets is; (volgens d' eerste Kundigheit in dit deel) zo volgt dat alles in God is, en zonder hem niet kan zijn, noch bevat worden;gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Men vind 'er, die God, gelijk een mensch, uit lighaam en ziel bestaande, en de toehten onderworpen, verdichten. Maar hoe verre de zodanigen van Gods ware kennis afdwalen, blijkt klarelijk genoech uit die dingen, de welken wy nu alreê bewezen hebben. Doch ik scheid van hen: want alle de genen, die de goddelijke natuur met enig verstant hebben aangeschout, ontkennen opentlijk dat God lighamelijk is: 't welk zy ook hier meê zeer wel bewijzen, dat wy by lighaam alderhande hoegrootheit, die langte, breette en diepte heeft, en in zekere gestalte bepaalt is, verstaan; 't welk warelijk het ongerijmste is, dat van God, namelijk van een wezend, dat volstrektelijk onëindig is, gezegt kan worden. En echter tonen zy ondertusschen uit andere redenen, met de welken zy dit zelfde pogen te bewijzen, zeer klarelijk dat zy de lighamelijke, of uitgestrekte zelfstandigheit zelve gantschelijk van de goddelijke natuur afweeren, en stellen dat de zelfde van God geschapen is. Doch uit welke goddelijke macht de zelfde geschapen heeft konnen worden, daar in zijn zy gantschelijk onkundig; 't welk klarelijk toont dat zy 't geen, 't welk zy zelven zeggen, niet verstaan. Immers ik heb, naar mijn oordeel, klarelijk genoech getoont, (bezie de Toegift van de zeste Voorstelling, en het tweede Byvoegsel van d' achtste Voorstelling in dit deel) dat geen zelfstandigheit van een andere voortgebracht, of geschapen kan worden. Wijders hebben wy (in de veertiende Voorstelling van dit deel) getoont, dat 'er buiten God geen zelfstandigheit kan zijn, noch bevat worden: en hier uit (in de tweede Toegift van de zelfde Voorstelling in dit deel) hebben wy besloten, dat d' uitgestrekte zelfstandigheit een van Gods onëindige toeëigeningen is. Maar tot meerder verklaring zal ik de bewijzen der tegenstrevers wederleggen, de welken alle, als men hen beziet, hier op uitkomen. Voorëerst, dat de lighamelijke zelfstandigheit, voor zo veel zy zelfstandigheit is, in delen, gelijk zy menen, bestaat: en dieshalven ontkennen zy dat de zelfde onëindig kan wezen, en by gevolg tot God behoren; 't welk zy met veel voorbeelden verklaren, van de welken ik een, of twee zal bybrengen. Indien, zeggen zy, de lighamelijke zelfstandigheit onëindig is, zo laat ons haar eens in twee delen gedeelt bevatten. Yder deel zal dan of eindig, of oneindig wezen. Indien men 't eerste zegt, zo zal 't onëindig uit twee eindige delen te zamen gezet worden; 't welk ongerijmt is. Maar indien men het tweede zegt, te weten dat yder deel onëindig is, zo kan een onëindig twee malen groter zijn, dan een ander onëindig; 't welk ook ongerijmt is. Wijders, indien een onëindige hoegrootheit met delen, gelijk voeten, gemeten wierd, zo zal zy uit oneindige zodanige delen moeten bestaan, gelijk ook uit een onëindig getal van duimen, zo zy ook met delen, zo groot als duimen, gemeten word. En dieshalven zal een enig onëindig getal twaalf malen groter zijn, dan een ander onëindig getal; 't welk niet minder ongerijmt is. Eindelijk, indien men uit een punt van zekere oneindige hoegrootheit twee lijnen, gelijk A B en A C, in 't begin met een zekere en bepaalde afstant, en zich tot aan het onëindig uitstrekkende, begrijpt; 't is zeker dat d' affstant tusschen B en C geduriglijker groter, en eindelijkDiverging Lines van bepaalt onbepaalbaar zal worden, Dewijl dan deze ongerijmtheden, gelijk zy achten, hier uit volgen, dat men een onëindige hoegrootheit onderstelt, zo besluiten zy hier uit, dat de lighamelijke zelfstandigheit eindig moet wezen, en by gevolg niet tot Gods wezentheit behoort. Het tweede bewijs word ook uit Gods opperste volmaaktheit gehaalt. Want dewijl, zeggen zy, God een wezend, ten opperste volmaakt, is, zo kan hy geen lijden onderworpen wezen: maar de lighamelijke zelfstandigheit, deelbaar zijnde, is lijden onderworpen; zo volgt dan dat zy niet tot Gods wezentheit behoort. Dit zijn de bewijzen, die ik by de Schrijvers vind, door de welken zy pogen te tonen dat de lighamelijke zelfstandigheit buiten de goddelijke natuur is, en niet tot de zelfde kan behoren. Maar de geen, die wel opmerkt, zal bevinden dat ik alreê hier op geantwoord heb, dewijl hun bewijzen alleenlijk hier op gegrontvest worden, dat zy onderstellen dat d' uitgestrekte zelfstandigheit uit delen te zamen is gezet; 't welk ik alreê (in de twaalfde Voorstelling, en in de Toegift van de dartiende Voorstelling in dit deel) getoont heb ongerijmt te wezen. Wijders, indien iemant de zaak wel en te recht wil overwegen, hy zal zien en bevinden dat alle die ongerijmtheden, (zo zy warelijk alle ongerijmtheden zijn, van 't welk ik hier niet zal spreken) uit de welken zy willen besluiten dat d' uitgestrekte zelfstandigheit eindig is, geensins hier uit volgen, dat men een onëindige hoegrootheit onderstelt, maar wel hier uit, dat zy een meetbare onëindige hoegrootheit, en uit eindige delen te zamen gezet, onderstellen. Zy konnen dieshalven uit d' ongerijmtheden, die daar uit volgen, niets anders besluiten, dan dat d' onëindige hoegrootheit niet meetbaar is, en dat zy niet uit eindige delen te zamen gezet kan worden. Dit is het zelfde, 't welk wy hier voren (in de twaalfde Voorstelling, en in d' anderen van dit deel) alreê bewezen hebben: in voegen dat zy met de pijlen, die zy tegen ons schieten, zich zelven treffen. Indien zy echter uit deze hun ongerijmtheit willen besluiten dat d' uitgestrekte zelfstandigheit eindig moet wezen, zo doen zy warelijk niets anders, dan of iemant hier uit, dat hy verdicht heeft dat de kring d' eigenschappen van een vierkant heeft, besluit dat de kring geen middelpunt heeft, uit het welk alle de lijnen, die tot aan d' omtrek getrokken konnen worden, gelijk zijn. Want zy, om tot hun besluit te komen, bevatten dat de lighamelijke zelfstandigheit, die niet anders, dan onëeindig, enig en ondeelbaar bevat kan worden, (bezie de vijfde, achtste en twaalfste Voorstelling van dit deel) eindig is, uit eindige delen bestaat, en veelvoudig en deelbaar is. Dus gaat het ook met anderen, die, na dat zy verdicht hebben dat de lijn uit punten te zamen gezet is, veel bewijzen weten te vinden, door de welken zy tonen dat de lijn niet tot in 't onëindig gedeelt kan worden. En zeker, te stellen dat de lighamelijke zelfstandigheit uit lighamen, of uit delen te zamen is gezet, is niet minder ongerijmt, dan dat het lighaam uit vlakten, de vlakten uit lijnen, en de lijnen eindelijk uit punten te zamen gezet zijn. Alle de genen, die weten dat de klare reden onfailbaar is, moeten dit bekennen, en voornamelijk de genen, die ontkennen dat 'er ydel in de natuur is. Want indien de lighamelijke zelfstandigheit in dier voegen gedeelt kan worden, dat haar delen zakelijk onderscheiden zijn; waaröm zou dan een enig deel niet vernietigt konnen worden, terwijl d' andere delen, gelijk te voren, te zamen gevoegt blijven? en waaröm moeten zy in dier voegen geschikt worden, dat 'er geen ydel zou zijn? Warelijk, de dingen, die zakelijk van malkander onderscheiden zijn, konnen 't een zonder 't ander wezen, en in hun staat blijven. Dewijl 'er dan geen ydel in de natuur gestelt word, (doch hier af elders) maar alle delen in dier voegen te zamen moeten komen, dat 'er niets ydel blijft, zo volgt ook hier uit, dat zy niet zakelijk van malkander gescheiden konnen worden; dat is dat de lighamelijke zelfstandigheit, voor zo veel zy zelfstandigheit is, niet gedeelt kan worden. Indien echter iemant vraagt waaröm wy van natuur zo genegen zijn tot de hoegrootheit te delen, zo zal ik aan hem antwoorden, dat wy de hoegrootheit op twee wijzen bevatten, te weten als van de stoffe afgetrokken, gelijk wy ons de zelfde gemenelijk inbeelden, of als zelfstandigheit, 't welk van 't verstant alleen, zonder behulp van d' inbeelding, geschied. Indien wy dan op de hoegrootheit merken, gelijk zy in d' inbeelding is, 't welk meermaals, en lichtelijker van ons gedaan word, zo zal zy eindig, deelbaar, en uit delen te zamen gezet, bevonden worden. Maar indien wy op de zelfde, gelijk zy in 't verstant is, merken, en haar als zelfstandigheit bevatten; 't welk zelden, en zeer zwarelijk geschied: zo zal zy, gelijk wy alreê genoech getoont hebben, onëindig, enig en ondeelbaar bevonden worden, 't welk aan alle de genen, die onderscheit tusschen inbeelden en verstaan konnen maken, klarelijk genoech bekent zal zijn, voornamelijk zo men ook hier op merkt, dat de stoffe overäl de zelfde is, en dat wy daar in geen delen onderscheiden, dan voor zo veel als wy bevatten dat de stoffe verscheidelijk aangedaan is; om 't welk haar delen alleenlijk in de wijze, en niet zakelijk onderscheiden worden. Tot een voorbeelt, wy bevatten dat het water, voor zo veel het water is, gedeelt, en dat zijn delen van malkander gescheiden konnen worden: maar niet voor zo veel het lighamelijke zelfstandigheit is: want voor zo veel het zodanig is, kan het niet gescheiden, noch gedeelt worden. Wijders, 't water, voor zo veel het water is, word voortgebracht, en vergaat: maar voor zo veel het zelfstandigheit is, word niet voortgebracht, en vergaat ook niet. Ik acht dat ik hier meê ook op het tweede bewijs geantwoord heb; dewijl dit mede hier op gegrontvest is, dat de stoffe, als zelfstandigheit aangemerkt, deelbaar, en uit delen te zamen gezet is. En schoon dit niet dus was, zo weet ik echter niet waaröm zy niet voor de goddelijke natuur waerdig zou wezen; dewijl (volgens de veertiende Voorstelling in dit deel) buiten God geen zelfstandigheit, van de welke zy zou konnen lijden, gestelt kan worden. Alle dingen, zeg ik, zijn in God; en alles, dat gedaan word, word alleenlijk door de wetten van Gods onëindige natuur, en die uit de nootzakelijkheit van zijn wezentheit volgen, gelijk ik wel haast zal tonen, gedaan. Men kan dieshalven met geen reden zeggen dat Godt van iets anders zou lijden, of dat d' uitge- strekte zelfstandigheit, schoon men haar deelbaar onderstelde, voor de goddelijke natuur onwaerdig zou zijn, zo men slechs toestaat dat zy eeuwig en onëindig is. Maar hier af voor het tegenwoordige genoech.

Whatsoever is, is in God, and without God nothing can be, or be conceived.

Proof.--Besides God, no substance is granted or can be conceived (by Prop. xiv.), that is (by Def. iii.) nothing which is in itself and is conceived through itself. But modes (by Def. v.) can neither be, nor be conceived without substance; wherefore they can only be in the divine nature, and can only through it be conceived. But substances and modes form the sum total of existence (by Ax. i.), therefore, without God nothing can be, or be conceived. Q.E.D.

Note.--Some assert that God, like a man, consists of body and mind, and is susceptible of passions. How far such persons have strayed from the truth is sufficiently evident from what has been said. But these I pass over. For all who have in anywise reflected on the divine nature deny that God has a body. Of this they find excellent proof in the fact that we understand by body a definite quantity, so long, so broad, so deep, bounded by a certain shape, and it is the height of absurdity to predicate such a thing of God, a being absolutely infinite. But meanwhile by other reasons with which they try to prove their point, they show that they think corporeal or extended substance wholly apart from the divine nature, and say it was created by God. Wherefrom the divine nature can have been created, they are wholly ignorant; thus they clearly show, that they do not know the meaning of their own words. I myself have proved sufficiently clearly, at any rate in my own judgment (Coroll. Prop. vi, and note 2, Prop. viii.), that no substance can be produced or created by anything other than itself. Further, I showed (in Prop. xiv.), that besides God no substance can be granted or conceived. Hence we drew the conclusion that extended substance is one of the infinite attributes of God. However, in order to explain more fully, I will refute the arguments of my adversaries, which all start from the following points:----

Extended substance, in so far as it is substance, consists, as they think, in parts, wherefore they deny that it can be infinite, or consequently, that it can appertain to God. This they illustrate with many examples, of which I will take one or two. If extended substance, they say, is infinite, let it be conceived to be divided into two parts; each part will then be either finite or infinite. If the former, then infinite substance is composed of two finite parts, which is absurd. If the latter, then one infinite will be twice as large as another infinite, which is also absurd.

Further, if an infinite line be measured out in foot lengths, it will consist of an infinite number of such parts; it would equally consist of an infinite number of parts, if each part measured only an inch: therefore, one infinity would be twelve times as great as the other.Diverging Lines Lastly, if from a single point there be conceived to be drawn two diverging lines which at first are at a definite distance apart, but are produced to infinity, it is certain that the distance between the two lines will be continually increased, until at length it changes from definite to indefinable. As these absurdities follow, it is said, from considering quantity as infinite, the conclusion is drawn, that extended substance must necessarily be finite, and, consequently, cannot appertain to the nature of God.

The second argument is also drawn from God's supreme perfection. God, it is said, inasmuch as he is a supremely perfect being, cannot be passive; but extended substance, insofar as it is divisible, is passive. It follows, therefore, that extended substance does not appertain to the essence of God.

Such are the arguments I find on the subject in writers, who by them try to prove that extended substance is unworthy of the divine nature, and cannot possibly appertain thereto. However, I think an attentive reader will see that I have already answered their propositions; for all their arguments are founded on the hypothesis that extended substance is composed of parts, and such a hypothesis I have shown (Prop. xii., and Coroll. Prop. xiii.) to be absurd. Moreover, anyone who reflects will see that all these absurdities (if absurdities they be, which I am not now discussing), from which it is sought to extract the conclusion that extended substance is finite, do not at all follow from the notion of an infinite quantity, but merely from the notion that an infinite quantity is measurable, and composed of finite parts therefore, the only fair conclusion to be drawn is that: infinite quantity is not measurable, and cannot be composed of finite parts. This is exactly what we have already proved (in Prop. xii.). Wherefore the weapon which they aimed at us has in reality recoiled upon themselves. If, from this absurdity of theirs, they persist in drawing the conclusion that extended substance must be finite, they will in good sooth be acting like a man who asserts that circles have the properties of squares, and, finding himself thereby landed in absurdities, proceeds to deny that circles have any center, from which all lines drawn to the circumference are equal. For, taking extended substance, which can only be conceived as infinite, one, and indivisible (Props. viii., v., xii.) they assert, in order to prove that it is finite, that it is composed of finite parts, and that it can be multiplied and divided.

So, also, others, after asserting that a line is composed of points, can produce many arguments to prove that a line cannot be infinitely divided. Assuredly it is not less absurd to assert that extended substance is made up of bodies or parts, than it would be to assert that a solid is made up of surfaces, a surface of lines, and a line of points. This must be admitted by all who know clear reason to be infallible, and most of all by those who deny the possibility of a vacuum. For if extended substance could be so divided that its parts were really separate, why should not one part admit of being destroyed, the others remaining joined together as before? And why should all be so fitted into one another as to leave no vacuum? Surely in the case of things, which are really distinct one from the other, one can exist without the other, and can remain in its original condition. As, then, there does not exist a vacuum in nature (of which anon), but all parts are bound to come together to prevent it, it follows from this that the parts cannot really be distinguished, and that extended substance in so far as it is substance cannot be divided.

If anyone asks me the further question, Why are we naturally so prone to divide quantity? I answer, that quantity is conceived by us in two ways; in the abstract and superficially, as we imagine it; or as substance, as we conceive it solely by the intellect. If, then, we regard quantity as it is represented in our imagination, which we often and more easily do, we shall find that it is finite, divisible, and compounded of parts; but if we regard it as it is represented in our intellect, and conceive it as substance, which it is very difficult to do, we shall then, as I have sufficiently proved, find that it is infinite, one, and indivisible. This will be plain enough to all who make a distinction between the intellect and the imagination, especially if it be remembered, that matter is everywhere the same, that its parts are not distinguishable, except in so far as we conceive matter as diversely modified, whence its parts are distinguished, not really, but modally. For instance, water, in so far as it is water, we conceive to be divided, and its parts to be separated one from the other; but not in so far as it is extended substance; from this point of view it is neither separated nor divisible. Further, water, in so far as it is water, is produced and corrupted; but, in so far as it is substance, it is neither produced nor corrupted.

I think I have now answered the second argument; it is, in fact, founded on the same assumption as the first--namely, that matter, in so far as it is substance, is divisible, and composed of parts. Even if it were so, I do not know why it should be considered unworthy of the divine nature, inasmuch as besides God (by Prop. xiv.) no substance can be granted, wherefrom it could receive its modifications. All things, I repeat, are in God, and all things which come to pass, come to pass solely through the laws of the infinite nature of God, and follow (as I will shortly show) from the necessity of his essence. Wherefore it can in nowise be said, that God is passive in respect to anything other than himself, or that extended substance is unworthy of the Divine nature, even if it be supposed divisible, so long as it is granted to be infinite and eternal. But enough of this for the present.

1P16
Ex necessitate divinæ naturæ infinita infinitis modis (hoc est omnia quæ sub intellectum infinitum cadere possunt) sequi debent.
DEMONSTRATIO: Hæc propositio unicuique manifesta esse debet si modo ad hoc attendat quod ex data cujuscunque rei definitione plures proprietates intellectus concludit, quæ revera ex eadem (hoc est ipsa rei essentia) necessario sequuntur et eo plures quo plus realitatis rei definitio exprimit hoc est quo plus realitatis rei definitæ essentia involvit. Cum autem natura divina infinita absolute attributa habeat (per definitionem 6) quorum etiam unumquodque infinitam essentiam in suo genere exprimit, ex ejusdem ergo necessitate infinita infinitis modis (hoc est omnia quæ sub intellectum infinitum cadere possunt) necessario sequi debent. Q.E.D.

COROLLARIUM I: Hinc sequitur Deum omnium rerum quæ sub intellectum infinitum cadere possunt, esse causam efficientem.

COROLLARIUM II: Sequitur IIƒ Deum causam esse per se, non vero per accidens.

COROLLARIUM III: Sequitur IIIƒ Deum esse absolute causam primam.

Uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur moeten nootzakelijk onëindige dingen op onëindige wijzen (dat is alles, dat van een onëindig verstant bevat kan worden) olgen.

Betoging.--Deze Voorstelling moet aan yder bekent en openbaar zijn, zo hy alleenlijk hier op merkt, dat het verstant uit een gestelde bepaling van yder ding veel eigenschappen besluit, die warelijk uit deze bepaling, dat is uit de wezentheit zelve van de zaak, nootzakelijk volgen; en zo veel te meer, als de bepaling van de zaak meer zakelijkheit uitdrukt, dat is naar dat de wezentheit van de bepaalde zaak meer zakelijkheit insluit. Maar dewijl de goddelijke natuur (volgens de zeste Bepaling) toeëigeningen, die volstrektelijk onëindig zijn, insluit, van de welken yder ook een onëindige wezentheit in haar geslacht uitdrukt, zo moeten uit de nootzakelijkheit van deze goddelijke natuur nootzakelijk onëindige dingen op onëindige wijzen (dat is alles, 't welk van een onëindig verstant bevat kan worden) volgen; gelijk voorgestelt wierd.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt dat God de werkende oorzaak van alle de dingen is, die van een onëindig verstant bevat konnen worden.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat God een oorzaak door zich, en niet door toeval is.

Darde Toegift.--Ten darden volgt, dat God volstrektelijk d'eerste oorzaak is.

From the necessity of the divine nature must follow an infinite number of things in infinite ways--that is, all things which can fall within the sphere of infinite intellect.

Proof.--This proposition will be clear to everyone, who remembers that from the given definition of any thing the intellect infers several properties, which really necessarily follow therefrom (that is, from the actual essence of the thing defined); and it infers more properties in proportion as the definition of the thing expresses more reality, that is, in proportion as the essence of the thing defined involves more reality. Now, as the divine nature has absolutely infinite attributes (by Def. vi.), of which each expresses infinite essence after its kind, it follows that from the necessity of its nature an infinite number of things (that is, everything which can fall within the sphere of an infinite intellect) must necessarily follow. Q.E.D.

Corollary I.--Hence it follows, that God is the efficient cause of all that can fall within the sphere of an infinite intellect.

Corollary II.--It also follows that God is a cause in himself, and not through an accident of his nature.

Corollary III.--It follows, thirdly, that God is the absolutely first cause.

1P17
Deus ex solis suæ naturæ legibus et a nemine coactus agit.
DEMONSTRATIO: Ex sola divinæ naturæ necessitate vel (quod idem est) ex solis ejusdem naturæ legibus infinita absolute sequi modo propositione 16 ostendimus et propositione 15 demonstravimus nihil sine Deo esse nec concipi posse sed omnia in Deo esse; quare nihil extra ipsum esse potest a quo ad agendum determinetur vel cogatur atque adeo Deus ex solis suæ naturæ legibus et a nemine coactus agit. Q.E.D.

COROLLARIUM I: Hinc sequitur Iƒ nullam dari causam quæ Deum extrinsece vel intrinsece præter ipsius naturæ perfectionem incitet ad agendum.

COROLLARIUM II: Sequitur IIƒ solum Deum esse causam liberam. Deus enim solus ex sola suæ naturæ necessitate existit (per propositionem 11 et corollarium I propositionis 14) et ex sola suæ naturæ necessitate agit (per propositionem præcedentem). Adeoque (per definitionem 7) solus est causa libera. Q.E.D.

SCHOLIUM: Alii putant Deum esse causam liberam propterea quod potest ut putant efficere ut ea quæ ex ejus natura sequi diximus hoc est quæ in ejus potestate sunt, non fiant sive ut ab ipso non producantur. Sed hoc idem est ac si dicerent quod Deus potest efficere ut ex natura trianguli non sequatur ejus tres angulos æquales esse duobus rectis sive ut ex data causa non sequatur effectus, quod est absurdum. Porro infra absque ope hujus propositionis ostendam ad Dei naturam neque intellectum neque voluntatem pertinere. Scio equidem plures esse qui putant se posse demonstrare ad Dei naturam summum intellectum et liberam voluntatem pertinere; nihil enim perfectius cognoscere sese aiunt quod Deo tribuere possunt quam id quod in nobis summa est perfectio. Porro tametsi Deum actu summe intelligentem concipiant, non tamen credunt eum posse omnia quæ actu intelligit, efficere ut existant nam se eo modo Dei potentiam destruere putant. Si omnia inquiunt quæ in ejus intellectu sunt, creavisset, nihil tum amplius creare potuisset, quod credunt Dei omnipotentiæ repugnare ideoque maluerunt Deum ad omnia indifferentem statuere nec aliud creantem præter id quod absoluta quadam voluntate decrevit creare. Verum ego me satis clare ostendisse puto (vide propositionem 16) a summa Dei potentia sive infinita natura infinita infinitis modis hoc est omnia necessario effluxisse vel semper eadem necessitate sequi eodem modo ac ex natura trianguli ab æterno et in æternum sequitur ejus tres angulos æquari duobus rectis. Quare Dei omnipotentia actu ab æterno fuit et in æternum in eadem actualitate manebit. Et hoc modo Dei omnipotentia longe meo quidem judicio perfectior statuitur. Imo adversarii Dei omnipotentiam (liceat aperte loqui) negare videntur. Coguntur enim fateri Deum infinita creabilia intelligere quæ tamen nunquam creare poterit. Nam alias si scilicet omnia quæ intelligit crearet, suam juxta ipsos exhauriret omnipotentiam et se imperfectum redderet. Ut igitur Deum perfectum statuant, eo rediguntur ut simul statuere debeant ipsum non posse omnia efficere ad quæ ejus potentia se extendit, quo absurdius aut Dei omnipotentiæ magis repugnans non video quid fingi possit. Porro ut de intellectu et voluntate quos Deo communiter tribuimus, hic etiam aliquid dicam, si ad æternam Dei essentiam intellectus scilicet et voluntas pertinent, aliud sane per utrumque hoc attributum intelligendum est quam quod vulgo solent homines. Nam intellectus et voluntas qui Dei essentiam constituerent, a nostro intellectu et voluntate toto cælo differre deberent nec in ulla re præterquam in nomine convenire possent; non aliter scilicet quam inter se conveniunt canis, signum cæleste et canis, animal latrans. Quod sic demonstrabo. Si intellectus ad divinam naturam pertinet, non poterit uti noster intellectus posterior (ut plerisque placet) vel simul natura esse cum rebus intellectis quandoquidem Deus omnibus rebus prior est causalitate (per corollarium I propositionis 16) sed contra veritas et formalis rerum essentia ideo talis est quia talis in Dei intellectu existit objective. Quare Dei intellectus quatenus Dei essentiam constituere concipitur, est revera causa rerum tam earum essentiæ quam earum existentiæ, quod ab iis videtur etiam fuisse animadversum qui Dei intellectum, voluntatem et potentiam unum et idem esse asseruerunt. Cum itaque Dei intellectus sit unica rerum causa videlicet (ut ostendimus) tam earum essentiæ quam earum existentiæ, debet ipse necessario ab iisdem differre tam ratione essentiæ quam ratione existentiæ. Nam causatum differt a sua causa præcise in eo quod a causa habet. Exempli gratia homo est causa existentiæ, non vero essentiæ alterius hominis; est enim hæc æterna veritas et ideo secundum essentiam prorsus convenire possunt; in existendo autem differre debent et propterea si unius existentia pereat, non ideo alterius peribit sed si unius essentia destrui posset et fieri falsa, destrueretur etiam alterius essentia. Quapropter res quæ et essentiæ et existentiæ alicujus effectus est causa, a tali effectu differre debet tam ratione essentiæ quam ratione existentiæ. Atqui Dei intellectus est et essentiæ et existentiæ nostri intellectus causa; ergo Dei intellectus quatenus divinam essentiam constituere concipitur, a nostro intellectu tam ratione essentiæ quam ratione existentiæ differt nec in ulla re præterquam in nomine cum eo convenire potest, ut volebamus. Circa voluntatem eodem modo proceditur, ut facile unusquisque videre potest.

Godt werkt alleenlijk uit kracht van de wetten van zijn natuur, zonder van iemant gedwongen te zijn.

Betoging.--Wy hebben (in de zestiende Voorstelling) getoont, dat uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur alleen, of ('t welk het zelfde is) uit de wetten van Gods natuur alleen volstrektelijk oneindige dingen volgen: en in de vijftiende Voorstelling van dit deel hebben wy getoont, dat 'er niets zonder God kan zijn, noch bevat worden; maar dat alles in God is. Dieshalven kan 'er buiten hem niets zijn, van 't welk hy tot werken bepaalt, of gedwongen word: maar hy werkt alleenlijk uit kracht van zijn eige natuur;gelijk te betogen stond.

Eerste Toegift--Hier uit volgt, dat 'er geen oorzaak gestelt kan worden, die God uitterlijk of innerlijk tot werken aanprikkelt, maar dat hy uit kracht van zijn volmaaktheit alleen een werkende oorzaak is.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat God alleen een vrije oorzaak is. Want (volgens d' elfde Voorstelling, en de Toegift van de veertiende Voorstelling in dit deel) God alleen is wezentlijk uit d' enige nootzakelijkheit van zijn natuur, en (volgens de voorgaande Voorstelling) werkt uit d' enige nootzakelijkheit van zijn natuur, en is dieshalven (volgens de zevende Bepaling) alleen een vrije oorzaak; elijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Anderen achten dat God een vrije oorzaak is, om dat hy, gelijk zy menen, kan maken dat die dingen, de welken, gelijk wy gezegt hebben, uit zijn natuur volgen, dat is, die in zijn macht zijn, niet voortkomen, of dat zy van hem niet voortgebracht worden. Maar dit is even zo veel, als of zy zeiden dat God kan maken dat uit de natuur van de driehoek niet volgt dat zijn drie hoeken met twee rechte hoeken gelijk zijn, of dat uit de gestelde oorzaak niet het gewrocht volgt; 't welk ongerijmt is. Wijders, wy zullen, zonder behulp van deze Voorstelling, tonen dat tot Gods natuur noch verstant, noch wil behoort. Ik weet wel dat 'er veel zijn, die achten dat zy konnen tonen dat een opperste verstant, en een vrije wil tot Gods natuur behoren: want zy zeggen dat zy niets volmaakter kennen, 't welk zy aan God konnen toevoegen, dan dit, 't welk in ons d' opperste volmaaktheit is. Voorts, hoewel zy God dadelijk ten opperste verstandig bevatten, zo geloven zy echter niet dat hy kan uitwerken, dat alle de dingen, die hy dadelijk verstaat, wezentlijk zijn; want zy achten dat zy op deze wijze Gods macht vernietigen. Indien God, zeggen zy, alle de dingen, die in zijn verstant zijn, geschapen had, zo zou hy niet meer konnen scheppen: 't welk, gelijk zy geloven, tegen zijn almachtigheit strijd. Zy hebben dieshalven liever willen stellen dat God in alles onverschillig is, zonder iets anders te scheppen, dan dat hy, door zekere volstrekte wil, besloten had te scheppen. Doch ik acht dat ik (bezie de zestiende Voorstelling van dit deel) klarelijk genoech getoont heb, dat uit Gods opperste mogentheit, of uit zijn onëindige natuur onëindige dingen op onëindige wijzen, dat is alles nootzakelijk, zijn gevloeit, of altijt uit de zelfde nootzakelijkheit volgen; op de zelfde wijze, als van, en in eeuwigheit uit de natuur van de driehoek volgt, dat zijn drie hoeken met twee rechte hoeken gelijk zijn. Gods almogentheit dan, daar door hy gezegt word alles te vermogen, is van eeuwigheit dadelijk, of werkelijk geweest, en zal in de zelfde dadelijkheit blijven. Op deze wijze word, naar mijn oordeel, Gods almogentheit veel volmaakter gestelt: ja de tegenstrevers schijnen (indien men recht uit mag spreken) Gods almogentheit t' ontkennen. Want zy zijn gedwongen te belijden dat God onëindige schepbare dingen verstaat, die hy echter nooit zou konnen scheppen: want anders, namelijk indien hy alles schiep, dat hy schepbaar verstaat, zou hy, volgens hun stelling, zijn almogentheit uitputten, en zich onvolmaakt maken. Om dan God volmaakt te stellen, worden zy hier toe genootzaakt, dat zy te gelijk moeten stellen, dat hy niet alles, tot het welk zijn macht zich uitstrekt, kan doen: doch ick zie niet dat men iets ongerijmder, of dat Gods almogentheit meer tegenstreeft, kan verdichten. Wijders, om hier ook iets van het verstant, en van de wil te zeggen, die wy gemenelijk aan God toeëigenen, indien zy, te weten het verstant, en de wil, tot Gods eeuwige wezentheit behoren, zo moet men warelijk by deze beide toeëigeningen iets anders verstaan, dan gemenelijk van de menschen daar by verstaan word. Want het verstant, en de wil, die Gods wezentheit zouden stellen, zouden zo verre, als de hemel van d' aarde af is, van onz verstant, en van onze wil verschillen, en in geen ding, dan in de naam, overëen konnen komen; te weten niet anders dan de hont, die een hemelteken is, met de hont, een bassend dier, overëenkoomt; 't welk ik dus bewijs. Indien het verstant tot de goddelijke natuur behoort, zo zal het niet, gelijk onz verstant, na, gelijk veel willen, of te gelijk in natuur met de verstanelijke dingen wezen; dewijl God (volgens d' eerste Toegift van de zestiende Voorstelling) in oorzakelijkheit eerder dan alle dingen is. Maar men moet nootzakelijk stellen, dat de waarheit, en de vormelijke wezentheit der dingen daaröm dus of zo is, om dat Gods verstant de zelfde zodanig, als zy zijn, begrepen heeft. Gods verstant dan, voor zo veel het bevat word Gods wezentheit te stellen, is warelijk d' oorzaak zo wel van de wezentheit, als van de wezentlijkheit der dingen; 't welk, gelijk het schijnt, ook van de genen is gemerkt, die gezegt hebben dat Gods verstant, wil en macht een en de zelfde zaak is. Dewijl dan Gods verstant d' enige oorzaak der dingen is, te weten (gelijk wy getoont hebben) zo wel van hun wezentheit, als van hun wezentlijkheit, zo moet het zelfde nootzakelijk, zo wel ten opzicht van wezentheit, als ten opzicht van wezentlijkheit, van hen verschillen. Want het veröorzaakte verschilt van zijn oorzaak bestiptelijk hier in, dat het van zijn oorzaak heeft, daaröm het een gewrocht van zulk een oorzaak gezegt word. Tot een voorbeelt, een mensch is wel oorzaak van de wezentlijkheit van een ander mensch, maar niet van des zelfs wezentheit, die een eeuwige waarheit is: en dieshalven konnen zy in wezentheit wel gantschelijk overëenkomen; maar in wezentlijk te zijn moeten zy verschillen. Dieshalven, indien de wezentlijkheit van d' een vergaat, zo zal daaröm die van d'ander niet vergaan. Maar indien de wezentheit van d' een vernietigt, en valsch kon worden, zo zou ook de wezentheit van d'ander vernietigt en valsch worden. De zaak dan, die oorzaak zo wel van de wezentheit, als van de wezentlijkheit van enig gewrocht is, moet, zo wel ten opzicht van wezentheit, als ten opzicht van wezentlijkheit, van zodanig gewrocht verschillen. Maar Gods verstant is d' oorzaak zo wel van de wezentheit, als van de wezentlijkheit van onz verstant. Gods verstant dan, voor zo veel men bevat dat het goddelijke wezentheit stelt, verschilt van onz verstant, zo ten opzicht van de wezentheit, als van de wezentlijkheit, en kan nergens anders in, dan in de naam, met het zelfde overëenkomen; gelijk wy voorgestelt hebben. Wat Gods wil aangaat, van de zelsde word op de zelfde wijze gehandelt, gelijk yder lichtelijk kan zien.

God acts solely by the laws of his own nature, and is not constrained by anyone.

Proof.--We have just shown (in Prop. xvi.), that solely from the necessity of the divine nature, or, what is the same thing, solely from the laws of his nature, an infinite number of things absolutely follow in an infinite number of ways; and we proved (in Prop. xv.), that without God nothing can be nor be conceived but that all things are in God. Wherefore nothing can exist; outside himself, whereby he can be conditioned or constrained to act. Wherefore God acts solely by the laws of his own nature, and is not constrained by anyone. Q.E.D.

Corollary I.--It follows: 1. That there can be no cause which, either extrinsically or intrinsically, besides the perfection of his own nature, moves God to act.

Corollary II.--It follows: 2. That God is the sole free cause. For God alone exists by the sole necessity of his nature (by Prop. xi. and Prop. xiv., Coroll. i.), and acts by the sole necessity of his own nature, wherefore God is (by Def. vii.) the sole free cause. Q.E.D.

Note.--Others think that God is a free cause, because he can, as they think, bring it about, that those things which we have said follow from his nature--that is, which are in his power, should not come to pass, or should not be produced by him. But this is the same as if they said, that God could bring it about, that it should follow from the nature of a triangle that its three interior angles should not be equal to two right angles; or that from a given cause no effect should follow, which is absurd.

Moreover, I will show below, without the aid of this proposition, that neither intellect nor will appertain to God's nature. I know that there are many who think that they can show, that supreme intellect and free will do appertain to God's nature; for they say they know of nothing more perfect, which they can attribute to God, than that which is the highest perfection in ourselves. Further, although they conceive God as actually supremely intelligent, they yet do not believe that he can bring into existence everything which he actually understands, for they think that they would thus destroy God's power. If, they contend, God had created everything which is in his intellect, he would not be able to create anything more, and this, they think, would clash with God's omnipotence; therefore, they prefer to asset that God is indifferent to all things, and that he creates nothing except that which he has decided, by some absolute exercise of will, to create. However, I think I have shown sufficiently clearly (by Prop. xvi.), that from God's supreme power, or infinite nature, an infinite number of things--that is, all things have necessarily flowed forth in an infinite number of ways, or always flow from the same necessity; in the same way as from the nature of a triangle it follows from eternity and for eternity, that its three interior angles are equal to two right angles. Wherefore the omnipotence of God has been displayed from all eternity, and will for all eternity remain in the same state of activity. This manner of treating the question attributes to God an omnipotence, in my opinion, far more perfect. For, otherwise, we are compelled to confess that God understands an infinite number of creatable things, which he will never be able to create, for, if he created all that he understands, he would, according to this showing, exhaust his omnipotence, and render himself imperfect. Wherefore, in order to establish that God is perfect, we should be reduced to establishing at the same time, that he cannot bring to pass everything over which his power extends; this seems to be a hypothesis most absurd, and most repugnant to God's omnipotence.

Further (to say a word here concerning the intellect and the will which we attribute to God), if intellect and will appertain to the eternal essence of God, we must take these words in some significance quite different from those they usually bear. For intellect and will, which should constitute the essence of God, would perforce be as far apart as the poles from the human intellect and will, in fact, would have nothing in common with them but the name; there would be about as much correspondence between the two as there is between the Dog, the heavenly constellation, and a dog, an animal that barks. This I will prove as follows. If intellect belongs to the divine nature, it cannot be in nature, as ours is generally thought to be, posterior to, or simultaneous with the things understood, inasmuch as God is prior to all things by reason of his causality (Prop. xvi., Coroll. i.). On the contrary, the truth and formal essence of things is as it is, because it exists by representation as such in the intellect of God. Wherefore the intellect of God, in so far as it is conceived to constitute God's essence, is, in reality, the cause of things, both of their essence and of their existence. This seems to have been recognized by those who have asserted, that God's intellect, God's will, and God's power, are one and the same. As, therefore, God's intellect is the sole cause of things, namely, both of their essence and existence, it must necessarily differ from them in respect to its essence, and in respect to its existence. For a cause differs from a thing it causes, precisely in the quality which the latter gains from the former.

For example, a man is the cause of another man's existence, but not of his essence (for the latter is an eternal truth), and, therefore, the two men may be entirely similar in essence, but must be different in existence; and hence if the existence of one of them cease, the existence of the other will not necessarily cease also; but if the essence of one could be destroyed, and be made false, the essence of the other would be destroyed also. Wherefore, a thing which is the cause both of the essence and of the existence of a given effect, must differ from such effect both in respect to its essence, and also in respect to its existence. Now the intellect of God is the cause both of the essence and the existence of our intellect; therefore, the intellect of God in so far as it is conceived to constitute the divine essence, differs from our intellect both in respect to essence and in respect to existence, nor can it in anywise agree therewith save in name, as we said before. The reasoning would be identical in the case of the will, as anyone can easily see.

1P18
Deus est omnium rerum causa immanens, non vero transiens.
DEMONSTRATIO: Omnia quæ sunt, in Deo sunt et per Deum concipi debent (per propositionem 15) adeoque (per corollarium I propositionis 16 hujus) Deus rerum quæ in ipso sunt, est causa, quod est primum. Deinde extra Deum nulla potest dari substantia (per propositionem 14) hoc est (per definitionem 3) res quæ extra Deum in se sit, quod erat secundum. Deus ergo est omnium rerum causa immanens, non vero transiens. Q.E.D.
God is een inblijvende, en geen overgaande oorzaak van alle dingen.

Betoging.--Alles, dat 'er is, (volgens de vijftiende Voorstelling) is in God, en moet door God bevat worden. Dieshalven, (volgens d' eerste Toegift van de zestiende Voorstelling) God is oorzaak van alle dingen, die in hem zijn. Dit is 't eerste. Wijders, buiten God kan 'er geen zelfstandigheit zijn; (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel;) dat is, olgens de darde Bepaling) iets, 't welk buiten God in zich is. Dieshalven, God is geen oorzaak van iets, dat buiten hem is; 't welk het tweede is, dat wy voorgestelt hebben.
God is the indwelling and not the transient cause of all things.

Proof.--All things which are, are in God, and must be conceived through God (by Prop. xv.), therefore (by Prop. xvi., Coroll. i.) God is the cause of those things which are in him. This is our first point. Further, besides God there can be no substance (by Prop. xiv.), that is nothing in itself external to God. This is our second point. God, therefore, is the indwelling and not the transient cause of all things. Q.E.D.
1P19
Deus sive omnia Dei attributa sunt æterna.
DEMONSTRATIO: Deus enim (per definitionem 6) est substantia quæ (per propositionem 11) necessario existit hoc est (per propositionem 7) ad cujus naturam pertinet existere sive (quod idem est) ex cujus definitione sequitur ipsum existere adeoque (per definitionem 8) est æternus. Deinde per Dei attributa intelligendum est id quod (per definitionem 4) divinæ substantiæ essentiam exprimit hoc est id quod ad substantiam pertinet : id ipsum inquam ipsa attributa involvere debent. Atqui ad naturam substantiæ (ut jam ex propositione 7 demonstravi) pertinet æternitas. Ergo unumquodque attributorum æternitatem involvere debet adeoque omnia sunt æterna. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc propositio quam clarissime etiam patet ex modo quo (propositione 11) Dei existentiam demonstravi; ex ea inquam demonstratione constat Dei existentiam sicut ejus essentiam æternam esse veritatem. Deinde (propositione 19 Principiorum Cartesii) alio etiam modo Dei æternitatem demonstravi nec opus est eum hic repetere.

God, of alle Gods toeëigeningen zijn eeuwig.

Betoging.--Want God (volgens de zeste Bepaling) is een zelfstandigheit, die (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) nootzakelijk wezentlijk is; dat is (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) tot welks natuur wezentlijk te zijn behoort, of, 't welk het zelfde is, uit welks bepaling volgt dat hy wezentlijk is, en dieshalven (volgens d' achtste Bepaling) eeuwig. Wijders, by Gods toeëigeningen moet (volgens de vierde Bepaling) het geen verstaan worden, 't welk de wezentheit van de goddelijke zelfstandigheit uitdrukt; dat is, het geen, 't welk tot de zelfstandigheit behoort; dit zelfde, zeg ik, moet van de toeëigeningen ingesloten worden; en d' eeuwigheit behoort tot de natuur van de zelfstandigheit, gelijk wy nu terstont uit de zevende Voorstelling betoont hebben: dieshalven, yder der toeëigeningen moet d' eeuwigheit insluiten; en zo zijn zy alle eeuwig; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling blijkt ook zeer klarelijk uit de wijze, door de welke ik (in d' elfde Voorstelling) Godts wezentlijkheit heb betoogt. Uit deze betoging, zeg ik, blijkt dat Gods wezentlijkheit, gelijk zijn wezentheit, een eeuwige waarheit is. Wijders, in de negentiende Voorstelling van Kartesius beginselen heb ik ook op een andere wijze Gods eeuwigheit betoogt; en dieshalven is 't niet nodig deze betoging hier weêr by te brengen.

God, and all the attributes of God, are eternal.

Proof.--God (by Def. vi.) is substance, which (by Prop. xi.) necessarily exists, that is (by Prop. vii.) existence appertains to its nature, or (what is the same thing) follows from its definition; therefore, God is eternal (by Def. viii.). Further, by the attributes of God we must understand that which (by Def. iv.) expresses the essence of the divine substance--in other words, that which appertains to substance: that, I say, should be involved in the attributes of substance. Now eternity appertains to the nature of substance (as I have already shown in Prop. vii.); therefore, eternity must appertain to each of the attributes, and thus all are eternal. Q.E.D.

Note.--This proposition is also evident from the manner in which (in Prop. xi.) I demonstrated the existence of God; it is evident, I repeat, from that proof, that the existence of God, like his essence, is an eternal truth. Further (in Prop. xix. of my "Principles of the Cartesian Philosophy"), I have proved the eternity of God, in another manner, which I need not here repeat.

1P20
Dei existentia ejusque essentia unum et idem sunt.
DEMONSTRATIO: Deus (per antecedentem propositionem) ejusque omnia attributa sunt æterna hoc est (per definitionem 8) unumquodque ejus attributorum existentiam exprimit. Eadem ergo Dei attributa quæ (per definitionem 4) Dei æternam essentiam explicant, ejus simul æternam existentiam explicant hoc est illud ipsum quod essentiam Dei constituit, constituit simul ipsius existentiam adeoque hæc et ipsius essentia unum et idem sunt. Q.E.D.

COROLLARIUM I: Hinc sequitur Iƒ Dei existentiam sicut ejus essentiam æternam esse veritatem.

COROLLARIUM II: Sequitur IIƒ Deum sive omnia Dei attributa esse immutabilia. Nam si ratione existentiæ mutarentur, deberent etiam (per propositionem præcedentem) ratione essentiæ mutari hoc est (ut per se notum) ex veris falsa fieri, quod est absurdum.

Gods wezentlijkheit, en zijn wezentheit zijn een en 't zelfde.

Betoging.--God (volgens de voorgaande Voorstelling) en alle zijn toeëigeningen zijn eeuwig; dat is (volgens d' achtste Bepaling) dat yder van zijn toeëigeningen wezentlijkheit uitdrukt. Dieshalven, de zelfde toeëigeningen van God, die (volgens de vierde Bepaling) Gods eeuwige wezentheit uitdrukken, drukken te gelijk ook zijn eeuwige wezentlijkheit uit: dat is het zelfde, 't welk Gods wezentheit stelt, stelt te gelijk zijn wezentlijkheit. Dieshalven, zijn wezentlijkheit, en zijn wezentheit zijn een, en 't zelfde; gelijk te betogen stond.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt dat Gods wezentlijkheit, gelijk zijn wezentheit, een eeuwige waarheit is.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat God, of alle Gods toeëigeningen onveränderlijk zijn. Want indien zy, ten opzicht van hun wezentlijkheit, veränderden, zo moesten zy ook, (volgens de voorgaaude Voorstelling) ten opzicht van hun wezentheit, veränderen; dat is (gelijk uit zich bekent is) van waar valsch worden: 't welk ongerijmt is.

The existence of God and his essence are one and the same.

Proof.--God (by the last Prop.) and all his attributes are eternal, that is (by Def. viii.) each of his attributes expresses existence. Therefore the same attributes of God which explain his eternal essence, explain at the same time his eternal existence--in other words, that which constitutes God's essence constitutes at the same time his existence. Wherefore God's existence and God's essence are one and the same. Q.E.D.

Coroll. I.--Hence it follows that God's existence, like his essence, is an eternal truth.

Coroll. II--Secondly, it follows that God, and all the attributes of God, are unchangeable. For if they could be changed in respect to existence, they must also be able to be changed in respect to essence--that is, obviously, be changed from true to false, which is absurd.

1P21
Omnia quæ ex absoluta natura alicujus attributi Dei sequuntur, semper et infinita existere debuerunt sive per idem attributum æterna et infinita sunt.
DEMONSTRATIO: Concipe si fieri potest (siquidem neges) aliquid in aliquo Dei attributo ex ipsius absoluta natura sequi quod finitum sit et determinatam habeat existentiam sive durationem exempli gratia ideam Dei in cogitatione. At cogitatio quandoquidem Dei attributum supponitur, est necessario (per propositionem 11) sua natura infinita. Verum quatenus ipsa ideam Dei habet, finita supponitur. At (per definitionem 2) finita concipi non potest nisi per ipsam cogitationem determinetur. Sed non per ipsam cogitationem quatenus ideam Dei constituit; eatenus enim finita supponitur esse : ergo per cogitationem quatenus ideam Dei non constituit, quæ tamen (per propositionem 11) necessario existere debet. Datur igitur cogitatio non constituens ideam Dei ac propterea ex ejus natura quatenus est absoluta cogitatio, non sequitur necessario idea Dei (concipitur enim ideam Dei constituens et non constituens). Quod est contra hypothesin. Quare si idea Dei in cogitatione aut aliquid (perinde est quicquid sumatur quandoquidem demonstratio universalis est) in aliquo Dei attributo ex necessitate absolutæ naturæ ipsius attributi sequatur, id debet necessario esse infinitum; quod erat primum.

Deinde id quod ex necessitate naturæ alicujus attributi ita sequitur, non potest determinatam habere existentiam sive durationem. Nam si neges, supponatur res quæ ex necessitate naturæ alicujus attributi sequitur, dari in aliquo Dei attributo exempli gratia idea Dei in cogitatione eaque supponatur aliquando non exstitisse vel non exstitura. Cum autem cogitatio Dei attributum supponatur, debet et necessario et immutabilis existere (per propositionem 11 et corollarium II propositionis 20). Quare ultra limites durationis ideæ Dei (supponitur enim aliquando non exstitisse aut non exstitura) cogitatio sine idea Dei existere debebit; atqui hoc est contra hypothesin; supponitur enim ex data cogitatione necessario sequi ideam Dei. Ergo idea Dei in cogitatione aut aliquid quod necessario ex absoluta natura alicujus attributi Dei sequitur, non potest determinatam habere durationem sed per idem attributum æternum est, quod erat secundum. Nota hoc idem esse affirmandum de quacunque re quæ in aliquo Dei attributo ex Dei absoluta natura necessario sequitur.

Alle de dingen, de welken uit de volstrekte natuur van enigen van Gods toeëigeningen volgen, hebben altijt, en oneindig wezentlijk moeten wezen, of zijn door de zelfde toeëigening eeuwig en onëindig.

Betoging.--Indien gy dit ontkent, zo bevat, is 't mogelijk, dat 'er in enige toeëigening van God, uit kracht van zijn volstrekte natuur, iets volgt, 't welk eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit, of during heeft; tot een voorbeelt, het denkbeelt van God in de denking. Nu, dewijl de denking onderstelt word een toeëigening van God te zijn, zo is zy nootzakelijk, (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) uit haar natuur onëindig. Maar voor zo veel zy Gods denkbeelt heeft, word zy onderstelt eindig te wezen. Doch zy kan (volgens de tweede Bepaling) niet eindig bevat worden, 't en zy dat zy door de denking zelve bepaalt word. Maar dit geschied niet door de denking zelve, voor zo veel zy Gods denkbeelt stelt; want dus verre word zy onderstelt eindig te wezen: dieshalven door de denking, voor zo veel zy Gods denkbeelt niet stelt, 't welk echter (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) nootzakelijk wezentlijk moet wezen. En dieshalven is 'er een denking, die Gods denkbeelt niet stelt: in voegen dat uit des zelfs natuur, voor zo veel zy een volstrekte denking is, niet nootzakelijk Gods denkbeelt volgt: want men bevat haar als het geen, dat Gods denkbeelt stelt, en niet stelt; 't welk tegen d' onderstelling is. Dieshalven, indien Gods denkbeelt in de denking, of iets anders (want het is even veel wat men neemt, dewijl deBetoging algemeen is) in enige toeeigening van God uit de nootzakelijkheit van de volstrekte natuur van zijn toeëigening volgt, zo moet het nootzakelijk onëindig zijn; 't welk het eerste van onze Voorstelling is.--Wijders, het geen, dat uit de nootzakelijkheit van de natuur van, enige toeëigening op deze wijze volgt, kan geen bepaalde wezentlijkheit, of during hebben. Indien gy dit ontkent, zo onderstel een zaak, die uit de nootzakelijkheit der natuur van enige toeeigening volgt, te weten, dat 'er in enige toeëigening van God, tot een voorbeelt, Gods denkbeelt in de denking, gestelt word, en onderstel dat het zelfde t' eniger tijt niet geweest heeft, of niet zal wezen. Maar dewijl men onderstelt dat de denking een toeëigening van God is, zo moet zy nootzakelijk en eeuwiglijk onveränderlijk wezen; olgens d' elfde Voorstelling, en de tweede Toegift van de twintigste Voorstelling. Dieshalven zal de denking buiten de palen der during van Gods denkbeelt, (want men onderstelt dat Gods denkbeelt t' enige tijt niet geweest heeft, of niet zal wezen,) zonder Gods denkbeelt moeten wezen. Maar dit is tegen d' onderstelling: want men onderstelt dat uit de gestelde denking nootzakelijk Gods denkbeelt volgt. Zo kan dan Gods denkbeelt in de denking, of iets anders, dat nootzakelijk uit de volstrekte natuur van enige van Gods toeëigeningen volgt, geen bepaalde during hebben, maar moet, uit kracht van de zelfde toeëigening, eeuwig zijn; 't welk het tweede is, dat te betogen stond. Hier staat aan te merken dat het zelfde van yder ding, 't welk in enige van Gods toeëigeningen uit Gods volstrekte natuur nootzakelijk volgt, bevestigt moet worden.
All things which follow from the absolute nature of any attribute of God must always exist and be infinite, or, in other words, are eternal and infinite through the said attribute.

Proof.--Conceive, if it be possible (supposing the proposition to be denied), that something in some attribute of God can follow from the absolute nature of the said attribute, and that at the same time it is finite, and has a conditioned existence or duration; for instance, the idea of God expressed in the attribute thought. Now thought, in so far as it is supposed to be an attribute of God, is necessarily (by Prop. xi.) in its nature infinite. But, in so far as it possesses the idea of God, it is supposed finite. It cannot, however, be conceived as finite, unless it be limited by thought (by Def. ii.); but it is not limited by thought itself, in so far as it has constituted the idea of God (for so far it is supposed to be finite); therefore, it is limited by thought, in so far as it has not constituted the idea of God, which nevertheless (by Prop. xi.) must necessarily exist.

We have now granted, therefore, thought not constituting the idea of God, and, accordingly, the idea of God does not naturally follow from its nature in so far as it is absolute thought (for it is conceived as constituting, and also as not constituting, the idea of God), which is against our hypothesis. Wherefore, if the idea of God expressed in the attribute thought, or, indeed, anything else in any attribute of God (for we may take any example, as the proof is of universal application) follows from the necessity of the absolute nature of the said attribute, the said thing must necessarily be infinite, which was our first point.

Furthermore, a thing which thus follows from the necessity of the nature of any attribute cannot have a limited duration. For if it can, suppose a thing, which follows from the necessity of the nature of some attribute, to exist in some attribute of God, for instance, the idea of God expressed in the attribute thought, and let it be supposed at some time not to have existed, or to be about not to exist.

Now thought being an attribute of God, must necessarily exist unchanged (by Prop. xi., and Prop. xx., Coroll. ii.); and beyond the limits of the duration of the idea of God (supposing the latter at some time not to have existed, or not to be going to exist) thought would perforce have existed without the idea of God, which is contrary to our hypothesis, for we supposed that, thought being given, the idea of God necessarily flowed therefrom. Therefore the idea of God expressed in thought, or anything which necessarily follows from the absolute nature of some attribute of God, cannot have a limited duration, but through the said attribute is eternal, which is our second point. Bear in mind that the same proposition may be affirmed of anything, which in any attribute necessarily follows from God's absolute nature.

1P22
Quicquid ex aliquo Dei attributo quatenus modificatum est tali modificatione quæ et necessario et infinita per idem existit, sequitur, debet quoque et necessario et infinitum existere.
DEMONSTRATIO: Hujus propositionis demonstratio procedit eodem modo ac demonstratio præcedentis.
Al 't geen, dat uit een van Gods toeëigeningen, voor zo veel zy met een wijze is aangedaan, die uit kracht van deze toeëigening onëindig en eeuwig is, volgt, moet ook nootzakelijk eeuwig en onëindig wezen.

Betoging.--De Betoging van deze Voorstelling gaat op de zelfde wijze voort, als die van de voorgaande Voorstelling.
Whatsoever follows from any attribute of God, in so far as it is modified by a modification, which exists necessarily and as infinite, through the said attribute, must also exist necessarily and as infinite.

Proof.--The proof of this proposition is similar to that of the preceding one.
1P23
Omnis modus qui et necessario et infinitus existit, necessario sequi debuit vel ex absoluta natura alicujus attributi Dei vel ex aliquo attributo modificato modificatione quæ et necessario et infinita existit.
DEMONSTRATIO: Modus enim in alio est per quod concipi debet (per definitionem 5) hoc est (per propositionem 15) in solo Deo est et per solum Deum concipi potest. Si ergo modus concipitur necessario existere et infinitus esse, utrumque hoc debet necessario concludi sive percipi per aliquod Dei attributum quatenus idem concipitur infinitatem et necessitatem existentiæ sive (quod per definitionem 8 idem est) æternitatem exprimere hoc est (per definitionem 6 et propositionem 19) quatenus absolute consideratur. Modus ergo qui et necessario et infinitus existit, ex absoluta natura alicujus Dei attributi sequi debuit hocque vel immediate (de quo vide propositionem 21) vel mediante aliqua modificatione quæ ex ejus absoluta natura sequitur hoc est (per propositionem præcedentem) quæ et necessario et infinita existit. Q.E.D.
Alle wijze, die nootzakelijk en eindig is, heeft nootzakelijk moeten volgen, of uit de volstrekte natuur van een van Gods toeëigeningen, of uit een van Gods toeëigeningen, voor zo veel de zelfde met een wijze is aangedaan, die ook nootzakelijk en onëindig is.

Betoging.--Wijze in iets anders is het geen, door 't welk het bevat moet worden;volgens de vijfde Bepaling: dat is (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) iets, 't welk in God alleen kan zijn, en door God alleen verstaan worden. Indien men dan begrijpt dat een wijze nootzakelijk wezentlijk en onëindig is, zo moet men nootzakelijk dit beide besluiten, of door een van Gods toeeigeningen bevatten, voor zo veel men bevat dat de zelfde oneindigheit, en nootzakelijkheit van wezentlijkheit, of, 't welk (volgens d' achtste Bepaling) het zelfde is, eeuwigheit uitdrukt: dat is (volgens de zeste Bepaling, en de negentiende Voorstelling van dit deel) voor zo veel zy volstrektelijk aangemerkt word. De wijze dan, die nootzakelijk en onëindig is, heeft nootzakelijk uit de volstrekte natuur van enige van Gods toeëigeningen moeten volgen; en dit of onmiddelijk, (bezie hier af d' eenëntwintigste Voorstelling) of door middel van enige wijze, die uit de volstrekte natuur van een van zijn toeëigeningen volgt: dat is (volgens de voorgaande Voorstelling) die ook nootzakelijk en onëindig is; elijk te betogen stond.
Every mode, which exists both necessarily and as infinite, must necessarily follow either from the absolute nature of some attribute of God, or from an attribute modified by a modification which exists necessarily, and as infinite.

Proof.--A mode exists in something else, through which it must be conceived (Def. v.), that is (Prop. xv.), it exists solely in God, and solely through God can be conceived. If therefore a mode is conceived as necessarily existing and infinite, it must necessarily be inferred or perceived through some attribute of God, in so far as such attribute is conceived as expressing the infinity and necessity of existence, in other words (Def. viii.) eternity; that is, in so far as it is considered absolutely. A mode, therefore, which necessarily exists as infinite, must follow from the absolute nature of some attribute of God, either immediately (Prop. xxi.) or through the means of some modification, which follows from the absolute nature of the said attribute; that is (by Prop. xxii.), which exists necessarily and as infinite.
1P24
Rerum a Deo productarum essentia non involvit existentiam.
DEMONSTRATIO: Patet ex definitione 1. Id enim cujus natura (in se scilicet considerata) involvit existentiam, causa est sui et ex sola suæ naturæ necessitate existit.

COROLLARIUM: Hinc sequitur Deum non tantum esse causam ut res incipiant existere sed etiam ut in existendo perseverent sive (ut termino scholastico utar) Deum esse causam essendi rerum. Nam sive res existant sive non existant, quotiescunque ad earum essentiam attendimus, eandem nec existentiam nec durationem involvere comperimus adeoque earum essentia neque suæ existentiæ neque suæ durationis potest esse causa sed tantum Deus ad cujus solam naturam pertinet existere (per corollarium I propositionis 14).

Vierentwintigste Voorstelling.--De wezentheit der dingen, die van God voortgebracht zijn, sluit geen wezentlijkheit in.

Betoging.--Dit blijkt uit d' eerste Bepaling. Want het geen, welks natuur (te weten in zich aangemerkt) wezentlijkheit insluit, is oorzaak van zich zelf; en is alleenlijk uit kracht van zijn eige natuur wezentlijk.

Toegift.--Hier uit volgt dat God niet alleenlijk oorzaak is, van dat de dingen beginnen wezentlijk te zijn, maar ook van dat zy volharden wezentlijk te wezen: want het zy de voort gebrachte dingen wezentlijk zijn, ofniet, wy bevinden, zo dikwils als wy op hun wezentheit merken, dat deze wezentheit noch wezentlijkheit, noch during insluit. En dieshalven kan hun during wezentheit geen oorzaak van hun wezentlijkheit, noch van hun during wezen; gelijk ook niets anders, behalven God, tot welks natuur alleen (volgens d' eerste Toegift van de veertiende Voorstelling) behoort wezentlijk te zijn.

The essence of things produced by God does not involve existence.

Proof.--This proposition is evident from Def. i. For that of which the nature (considered in itself) involves existence is self--caused, and exists by the sole necessity of its own nature.

Corollary.--Hence it follows that God is not only the cause of things coming into existence, but also of their continuing in existence, that is, in scholastic phraseology, God is cause of the being of things (essendi rerum). For whether things exist, or do not exist, whenever we contemplate their essence, we see that it involves neither existence nor duration; consequently, it cannot be the cause of either the one or the other. God must be the sole cause, inasmuch as to him alone does existence appertain. (Prop. xiv. Coroll. i.) Q.E.D.

1P25
Deus non tantum est causa efficiens rerum existentiæ sed etiam essentiæ.
DEMONSTRATIO: Si negas, ergo rerum essentiæ Deus non est causa adeoque (per axioma 4) potest rerum essentia sine Deo concipi : atqui hoc (per propositionem 15) est absurdum. Ergo rerum etiam essentiæ Deus est causa. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc propositio clarius sequitur ex propositione 16. Ex ea enim sequitur quod ex data natura divina tam rerum essentia quam existentia debeat necessario concludi et ut verbo dicam eo sensu quo Deus dicitur causa sui, etiam omnium rerum causa dicendus est, quod adhuc clarius ex sequenti corollario constabit.

COROLLARIUM: Res particulares nihil sunt nisi Dei attributorum affectiones sive modi quibus Dei attributa certo et determinato modo exprimuntur. Demonstratio patet ex propositione 15 et definitione 5.

God is niet alleenlijk een werkende oorzaak van de wezentlijkheit, maar ook van de wezentheit der dingen.

Betoging.--Indien gy dit ontkent, zo is God geen oorzaak van de wezentheit der dingen, en zo kan men (volgens de vierde Kundigheit) de wezentheit der dingen zonder God bevatten. Maar dit is ongerijmt; (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) zo is dan God ook d'oorzaak van de wezentheit der dingen; elijk te bewijzen stond.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling volgt klarelijker uit de zestiende Voorstelling van dit deel. Want daar uit volgt zeer klarelijk dat uit de gestelde goddelijke natuur nootzakelijk zo wel de wezentheit, als de wezentlijkheit der dingen besloten moet worden; en, om weinig woorden te maken, in de zelfde zin, daar in men zegt dat God oorzaak van zich is, moet hy ook d'oorzaak van alle dingen gezegt worden; 't welk noch klarelijker uit de volgende Toegift zal blijken.

Toegift.--De bezondere dingen zijn niets anders, dan aandoeningen van Gods toeëigeningen, of wijzen, door de welken Gods toeëigeningen op een zekere en bepaalde wijze uitgedrukt worden. Het bewijs blijkt klarelijk uit de vijftiende Voorstelling, en uit de vijfde Bepaling van dit dee.

God is the efficient cause not only of the existence of things, but also of their essence.

Proof.--If this be denied, then God is not the cause of the essence of things; and therefore the essence of things can (by Ax. iv.) be conceived without God. This (by Prop. xv.) is absurd. Therefore, God is the cause of the essence of things. Q.E.D.

Note.--This proposition follows more clearly from Prop. xvi. For it is evident thereby that, given the divine nature, the essence of things must be inferred from it, no less than their existence--in a word, God must be called the cause of all things, in the same sense as he is called the cause of himself. This will be made still clearer by the following corollary.

Corollary.--Individual things are nothing but modifications of the attributes of God, or modes by which the attributes of God are expressed in a fixed and definite manner. The proof appears from Prop. xv. and Def. v.

1P26
Res quæ ad aliquid operandum determinata est, a Deo necessario sic fuit determinata et quæ a Deo non est determinata, non potest se ipsam ad operandum determinare.
DEMONSTRATIO: Id per quod res determinatæ ad aliquid operandum dicuntur, necessario quid positivum est (ut per se notum). Adeoque tam ejus essentiæ quam existentiæ Deus ex necessitate suæ naturæ est causa efficiens (per propositiones 25 et 16) quod erat primum. Ex quo etiam quod secundo proponitur clarissime sequitur. Nam si res quæ a Deo determinata non est, se ipsam determinare posset, prima pars hujus falsa esset, quod est absurdum, ut ostendimus.
Een zaak, die tot iets te werken bepaalt is, is nootzakelijk van God dus bepaalt geweest; en de gene, die van God niet is bepaalt, kan zich zelve niet tot werken bepalen.

Betoging.--Het geen, door 't welk de dingen tot iets te werken bepaalt gezegt worden, moet nootzakelijk iets stellig wezen; gelijk uit zich zelf blijkt. Dieshalven, God is, uit de nootzakelijkheit van zijn natuur, de werkende oorzaak, zo wel van zijn wezentheit, als van zijn wezentlijkheit; olgens de zestiende en vijfentwintigste Voorstelling van dit deel. it was het eerste van de Voorstelling, uit het welk ook het tweede; dat wy voorgestelt hebben, zeer klarelijk volgt. Want indien enig ding, 't welk van God niet bepaalt is, zich zelf kan bepalen, zo zou 't eerste deel van deze voorstelling valsch wezen: 't welk ongerijmt is; gelijk wy getoont hebben.
A thing which is conditioned to act in a particular manner, has necessarily been thus conditioned by God; and that which has not been conditioned by God cannot condition itself to act.

Proof.--That by which things are said to be conditioned to act in a particular manner is necessarily something positive (this is obvious); therefore both of its essence and of its existence God by the necessity of his nature is the efficient cause (Props. xxv. and xvi.); this is our first point. Our second point is plainly to be inferred therefrom. For if a thing, which has not been conditioned by God, could condition itself, the first part of our proof would be false, and this, as we have shown is absurd.
1P27
Res quæ a Deo ad aliquid operandum determinata est, se ipsam indeterminatam reddere non potest.
DEMONSTRATIO: Hæc propositio patet ex axiomate tertio.
Een zaak, die van God bepaalt is tot iets te werken, kan zich zelve niet onbepaalt maken.

Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit de darde Kundigheit.
A thing, which has been conditioned by God to act in a particular way, cannot render itself unconditioned.

Proof.--This proposition is evident from the third axiom.
1P28
Quodcunque singulare sive quævis res quæ finita est et determinatam habet existentiam, non potest existere nec ad operandum determinari nisi ad existendum et operandum determinetur ab alia causa quæ etiam finita est et determinatam habet existentiam et rursus hæc causa non potest etiam existere neque ad operandum determinari nisi ab alia quæ etiam finita est et determinatam habet existentiam, determinetur ad existendum et operandum et sic in infinitum.
DEMONSTRATIO: Quicquid determinatum est ad existendum et operandum, a Deo sic determinatum est (per propositionem 26 et corollarium propositionis 24). At id quod finitum est et determinatam habet existentiam, ab absoluta natura alicujus Dei attributi produci non potuit; quicquid enim ex absoluta natura alicujus Dei attributi sequitur, id infinitum et æternum est (per propositionem 21). Debuit ergo ex Deo vel aliquo ejus attributo sequi quatenus aliquo modo affectum consideratur; præter enim substantiam et modos nil datur (per axioma 1 et definitionibus 3 et 5) et modi (per corollarium propositionis 25) nihil sunt nisi Dei attributorum affectiones. At ex Deo vel aliquo ejus attributo quatenus affectum est modificatione quæ æterna et infinita est, sequi etiam non potuit (per propositionem 22). Debuit ergo sequi vel ad existendum et operandum determinari a Deo vel aliquo ejus attributo quatenus modificatum est modificatione quæ finita est et determinatam habet existentiam. Quod erat primum. Deinde hæc rursus causa sive hic modus (per eandem rationem qua primam partem hujus jam jam demonstravimus) debuit etiam determinari ab alia quæ etiam finita est et determinatam habet existentiam et rursus hæc ultima (per eandem rationem) ab alia et sic semper (per eandem rationem) in infinitum. Q.E.D.

SCHOLIUM: Cum quædam a Deo immediate produci debuerunt videlicet ea quæ ex absoluta ejus natura necessario sequuntur et alia mediantibus his primis quæ tamen sine Deo nec esse nec concipi possunt, hinc sequitur Iƒ quod Deus sit rerum immediate ab ipso productarum causa absolute proxima, non vero in suo genere ut aiunt. Nam Dei effectus sine sua causa nec esse nec concipi possunt (per propositionem 15 et corollarium propositionis 24). Sequitur IIƒ quod Deus non potest proprie dici causa esse remota rerum singularium nisi forte ea de causa ut scilicet has ab iis quas immediate produxit vel potius quæ ex absoluta ejus natura sequuntur, distinguamus. Nam per causam remotam talem intelligimus quæ cum effectu nullo modo conjuncta est. At omnia quæ sunt in Deo sunt et a Deo ita dependent ut sine ipso nec esse nec concipi possint.

Achtentwintigste Voorstelling.--Yder bezonder ding, of dat eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, kan niet wezentlijk zijn, noch tot werken bepaalt worden, zo het niet van een andere oorzaak, die ook eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, bepaalt word tot wezentlijk te zijn, en tot te werken. Wijders, deze oorzaak kan ook niet wezentlijk zijn, noch tot werken bepaalt worden, zo zy niet van een andere, die ook eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, tot wezentlijk te zijn, en tot te werken bepaalt word: en dus tot aan 't onëindig.

Betoging.--Alles, dat bepaalt is tot wezentlijk te zijn, en tot te werken, is van God dus bepaalt; olgens de zesëntwintigste Voorstelling, en de Toegift van de vierëntwintigste Voorstelling in dit deel. aar 't geen, dat eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, kan niet van de volstrekte natuur van enige van Gods toeëigeningen voortgebracht wezen: want al 't geen, dat uit de volstrekte natuur van enige van Gods toeëigeningen volgt, is onëindig en eeuwig; olgens d' eenëntwintigste Voorstelling van dit deel. et heeft dieshalven uit God, of uit enige van zijn toeëigeningen, voor zo veel zy met enige wijze aangedaan aangemerkt word, moeten volgen: want daar is niets buiten de zelfstandigheit, en de wijzen; olgens d' eerste Kundigheit, en de darde en vijfde Bepaling. n de wijzen (volgens de Toegift van de vijfëntwintigste Voorstelling in dit deel) zijn niets anders, dan aandoeningen van Gods toeëigeningen. Maar het heeft ook uit God, of uit enige van zijn toeëigeningen, voor zo veel zy met wijziging aangedaan is, die eeuwig en onëindig is, niet konnen volgen; olgens de tweeëntwintigste Voorstelling van dit deel. et heeft dan van God, of van enige van zijn toeëigeningen, voor zo veel deze toeëigening gewijzigt is met een wijziging, die eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, moeten volgen, of tot wezentlijk te zijn, en tot te werken bepaalt worden; 't welk eerst voorgestelt is.--Wijders, deze oorzaak, of deze wijze heeft ook (volgens de zelfde reden, door de welke wy nu terstont het eerste deel van deze Voorstelling getoont hebben) van een andere oorzaak, die ook eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit heeft, bepaalt moeten worden, en deze leste weêr (volgens de zelfde reden) van een andere oorzaak, en dus (volgens de zelfde reden) altijt voort tot aan 't onëindig; elijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Dewijl enige dingen onmiddelijk van God hebben moeten voortgebracht worden, te weten de genen, die nootzakelijk uit zijn volstrekte natuur volgen, en anderen door middel van deze eersten, die echter niet zonder God konnen wezen, noch zonder hem bevat worden; zo volgt hier uit, voorëerst, dat God volstrektelijk de naaste oorzaak der dingen is, die onmiddelijk van hem voortgebracht zijn. Ik zeg volstrektelijk de naaste oorzaak, en niet in zijn geslacht, gelijk men zegt: om dat Gods gewrochten in dier voegen in hem blijven, en van hem afhangen, dat hun oorzaak geensins zonder God kan wezen, noch verstaan worden. ezie de vijftiende Voorstelling, en de Toegift van de vierëntwintigste Voorstelling in dit deel. en tweeden volgt, dat God nietheigentlijk d' afgelege oorzaak der bezondere dingen gezegt mag worden, 't en waar misschien om deze oorzaak, te weten, op dat wy dezen van die, de welken hy onmiddelijk voortgebracht heeft, of eerder, die uit zijn volstrekte natuur volgen, zouden onderscheiden. Want by afgelege oorzaak verstaan wy een zodanige oorzaak, die geensins met haar gewrocht te zamen gevoegt is. Doch alle dingen, die zijn, zijn in God, en hangen in dier voegen van God af, dat zy zonder hem niet konnen wezen, noch bevat worden.

Every individual thing, or everything which is finite and has a conditioned existence, cannot exist or be conditioned to act, unless it be conditioned for existence and action by a cause other than itself, which also is finite, and has a conditioned existence; and likewise this cause cannot in its turn exist, or be conditioned to act, unless it be conditioned for existence and action by another cause, which also is finite, and has a conditioned existence, and so on to infinity.

Proof.--Whatsoever is conditioned to exist and act, has been thus conditioned by God (by Prop. xxvi. and Prop. xxiv., Coroll.).

But that which is finite, and has a conditioned existence, cannot be produced by the absolute nature of any attribute of God; for whatsoever follows from the absolute nature of any attribute of God is infinite and eternal (by Prop. xxi.). It must, therefore, follow from some attribute of God, in so far as the said attribute is considered as in some way modified; for substance and modes make up the sum total of existence (by Ax. i. and Def. iii., v.), while modes are merely modifications of the attributes of God. But from God, or from any of his attributes, in so far as the latter is modified by a modification infinite and eternal, a conditioned thing cannot follow. Wherefore it must follow from, or be conditioned for, existence and action by God or one of his attributes, in so far as the latter are modified by some modification which is finite, and has a conditioned existence. This is our first point. Again, this cause or this modification (for the reason by which we established the first part of this proof) must in its turn be conditioned by another cause, which also is finite, and has a conditioned existence, and, again, this last by another (for the same reason); and so on (for the same reason) to infinity. Q.E.D.

Note.--As certain things must be produced immediately by God, namely those things which necessarily follow from his absolute nature, through the means of these primary attributes, which, nevertheless, can neither exist nor be conceived without God, it follows:--1. That God is absolutely the proximate cause of those things immediately produced by him. I say absolutely, not after his kind, as is usually stated. For the effects of God cannot either exist or be conceived without a cause (Prop. xv. and Prop. xxiv. Coroll.). 2. That God cannot properly be styled the remote cause of individual things, except for the sake of distinguishing these from what he immediately produces, or rather from what follows from his absolute nature. For, by a remote cause, we understand a cause which is in no way conjoined to the effect. But all things which are, are in God, and so depend on God, that without him they can neither be nor be conceived.

1P29
In rerum natura nullum datur contingens sed omnia ex necessitate divinæ naturæ determinata sunt ad certo modo existendum et operandum.
DEMONSTRATIO: Quicquid est in Deo est (per propositionem 15) : Deus autem non potest dici res contingens. Nam (per propositionem 11) necessario, non vero contingenter existit. Modi deinde divinæ naturæ ex eadem etiam necessario, non vero contingenter secuti sunt (per propositionem 16) idque vel quatenus divina natura absolute (per propositionem 21) vel quatenus certo modo ad agendum determinata consideratur (per propositionem 27). Porro horum modorum Deus non tantum est causa quatenus simpliciter existunt (per corollarium propositionis 24) sed etiam (per propositionem 26) quatenus ad aliquid operandum determinati considerantur. Quod si a Deo (per eandem propositionem) determinati non sint, impossibile, non vero contingens est ut se ipsos determinent et contra (per propositionem 27) si a Deo determinati sint, impossibile, non vero contingens est ut se ipsos indeterminatos reddant. Quare omnia ex necessitate divinæ naturæ determinata sunt, non tantum ad existendum sed etiam ad certo modo existendum et operandum nullumque datur contingens. Q.E.D.

SCHOLIUM: Antequam ulterius pergam, hic quid nobis per Naturam naturantem et quid per Naturam naturatam intelligendum sit, explicare volo vel potius monere. Nam ex antecedentibus jam constare existimo nempe quod per Naturam naturantem nobis intelligendum est id quod in se est et per se concipitur sive talia substantiæ attributa quæ æternam et infinitam essentiam exprimunt hoc est (per corollarium I propositionis 14 et corollarium II propositionis 17) Deus quatenus ut causa libera consideratur. Per naturatam autem intelligo id omne quod ex necessitate Dei naturæ sive uniuscujusque Dei attributorum sequitur hoc est omnes Dei attributorum modos quatenus considerantur ut res quæ in Deo sunt et quæ sine Deo nec esse nec concipi possunt.

In de natuur is geen gebeurelijkheit: maar alle dingen zijn uit depnootzakelijkheit van de goddelijke natuur bepaalt tot op zekere wijzeswezentlijk te zijn, en te werken.

Betoging.--Alles, dat'er is, is in God; olgens de vijftiende Voorstelling van dit deel.Maar God kan niet een gebeurelijk ding gezegt worden. Want (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) hy is wezentlijk, niet op een gebeurelijke wijze, maar nootzakelijk. Wijders, de wijzen van de goddelijke natuur zijn (volgens de zelfde Voorstelling) ook nootzakelijk, en niet gebeurelijk, uit de zelfde gevolgt; olgens de zestiende Voorstelling van dit deel: en dit of voor zo veel de goddelijke natuur volstrektelijk, (volgens d' eenëntwintigste Voorstelling van dit deel) of voor zo veel zy op zekere wijze tot werkenfbepaalt, (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) aangemerkt word. Voorts, God is niet alleenlijk d' oorzaak van deze wijzen, voor zo veel zy enkelijk; (volgens de Toegift van de vierëntwintigstelVoorstelling in dit deel) maar ook (volgens de zesëntwintigste Voorstelling van dit deel) voor zo veel zy tot iets te werken bepaalt aangemerkt worden. Want indien zy (volgens de zelfde Voorstelling) van God niet bepaalt zijn, 't is onmogelijk, en niet gebeurelijk, dat zy zich zelven zullen bepalen. In tegendeel, (volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel) indien zy van God bepaalt zijn, 't is onmogelijk, en niet gebeurelijk, dat zy zich zelven als onbepaalt zouden schikken. Alle dingen dan zijn uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur bepaalt, niet alleenlijk tot te zijn, maar ook tot op zekere wijze te wezen, en te werken; en daar is niets gebeurelijk; elijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Eer ik wijder voortga, heb ik goetgevonden hier te verklaren, wat wy by dexnaturende natuur, en wat by de genatuurde natuur te verstaan hebben, of liever zulks te vermanen: want ik acht dat het zelfde genoech uit het voorgaande blijkt; te weten, dat wy by naturende natuur het geen moeten verstaan, dat in zich is, en door zich bevat word, of zodanige toeëigeningen van de zelfstandigheit, die een eeuwige en onëindige wezentheit uitdrukken; dat is (volgens d' eerste Toegift van de veertiende Voorstelling, en de tweede Toegift van de zeventiende Voorstelling in dit deel) God, voor zo veel hy als een vrije oorzaak aangemerkt word. Maar by de genatuurde natuur versta ik dit alles, 't welk uit de nootzakelijkheit van Gods natuur, of van yder van Gods toeëigeningen volgt, dat is alle de wijzen van Gods toeëigeningen, voor zo veel zy als dingen aangemerkt worden, die in God zijn, en die zonder God niet konnen wezen, noch bevat worden.

Nothing in the universe is contingent, but all things are conditioned to exist and operate in a particular manner by the necessity of the divine nature.

Proof.--Whatsoever is, is in God (Prop. xv.). But God cannot be called a thing contingent. For (by Prop. xi.) he exists necessarily, and not contingently. Further, the modes of the divine nature follow therefrom necessarily, and not contingently (Prop. xvi.); and they thus follow, whether we consider the divine nature absolutely, or whether we consider it as in any way conditioned to act (Prop. xxvii.). Further, God is not only the cause of these modes, in so far as they simply exist (by Prop. xxiv, Coroll.), but also in so far as they are considered as conditioned for operating in a particular manner (Prop. xxvi.). If they be not conditioned by God (Prop. xxvi.), it is impossible, and not contingent, that they should condition themselves; contrariwise, if they be conditioned by God, it is impossible, and not contingent, that they should render themselves unconditioned. Wherefore all things are conditioned by the necessity of the divine nature, not only to exist, but also to exist and operate in a particular manner, and there is nothing that is contingent. Q.E.D.

Note.--Before going any further, I wish here to explain, what we should understand by nature viewed as active (natura naturans), and nature viewed as passive (natura naturata). I say to explain, or rather call attention to it, for I think that, from what has been said, it is sufficiently clear, that by nature viewed as active we should understand that which is in itself, and is conceived through itself, or those attributes of substance, which express eternal and infinite essence, in other words (Prop. xiv., Coroll. i., and Prop. xvii., Coroll. ii) God, in so far as he is considered as a free cause.

By nature viewed as passive I understand all that which follows from the necessity of the nature of God, or of any of the attributes of God, that is, all the modes of the attributes of God, in so far as they are considered as things which are in God, and which without God cannot exist or be conceived.

1P30
Intellectus actu finitus aut actu infinitus Dei attributa Deique affectiones comprehendere debet et nihil aliud.
DEMONSTRATIO: Idea vera debet convenire cum suo ideato (per axioma 6) hoc est (ut per se notum) id quod in intellectu objective continetur, debet necessario in natura dari. Atqui in natura (per corollarium I propositionis 14) non nisi una substantia datur nempe Deus nec ullæ aliæ affectiones (per propositionem 15) quam quæ in Deo sunt et quæ (per eandem propositionem) sine Deo nec esse nec concipi possunt; ergo intellectus actu finitus aut actu infinitus Dei attributa Deique affectiones comprehendere debet et nihil aliud. Q.E.D.
Een dadelijk verstant, dat eindig, of onëindig is, moet Gods toeëigeningen, en Gods aandoeningen, en niets anders, bevatten.

Betoging.--Een waar denkbeelt moet met de zaak, daar afhet een denkbeelt is, overëenkomen, olgens de zeste Kundigheit; dat is (gelijk door zich blijkt) het geen, dat in 't verstant voorwerpelijk begrepen word, moet nootzakelijk in de natuur zijn: maar (volgens d' eerste Toegift van de veertiendewVoorstelling in dit deel) in de natuur is niet meer, dan een enige zelfstandigheit, namelijk God, en (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) geen andere aandoeningen, dan die in God zijn, en die (volgens de zelfde Voorstelling) niet zonder God konnen wezen, noch bevat worden. Dieshalven, een dadelijk verstant, 't zy eindig of onëindig, moet Godsbtoeëigeningen, en Gods aandoeningen, en niets anders begrijpen; gelijk te betogen stond.
Intellect, in function (actu) finite, or in function infinite, must comprehend the attributes of God and the modifications of God, and nothing else.

Proof.--A true idea must agree with its object (Ax. vi.); in other words (obviously), that which is contained in the intellect in representation must necessarily be granted in nature. But in nature (by Prop. xiv., Coroll. i.) there is no substance save God, nor any modifications save those (Prop. xv.) which are in God, and cannot without God either be or be conceived. Therefore the intellect, in function finite, or in function infinite, must comprehend the attributes of God and the modifications of God, and nothing else. Q.E.D.
1P31
Intellectus actu sive is finitus sit sive infinitus, ut et voluntas, cupiditas, amor etc. ad Naturam naturatam, non vero ad naturantem referri debent.
DEMONSTRATIO: Per intellectum enim (ut per se notum) non intelligimus absolutam cogitationem sed certum tantum modum cogitandi, qui modus ab aliis scilicet cupiditate, amore, etc. differt adeoque (per definitionem 5) per absolutam cogitationem concipi debet nempe (per propositionem 15 et definitionem 6) per aliquod Dei attributum quod æternam et infinitam cogitationis essentiam exprimit, ita concipi debet ut sine ipso nec esse nec concipi possit ac propterea (per scholium propositionis 29) ad Naturam naturatam, non vero naturantem referri debet ut etiam reliqui modi cogitandi. Q.E.D.

SCHOLIUM: Ratio cur hic loquar de intellectu actu non est quia concedo ullum dari intellectum potentia sed quia omnem confusionem vitare cupio, nolui loqui nisi de re nobis quam clarissime percepta, de ipsa scilicet intellectione qua nihil nobis clarius percipitur. Nihil enim intelligere possumus quod ad perfectiorem intellectionis cognitionem non conducat.

Het dadelijk verstant, 't zy het eindig, of onëindig is, gelijk ook de wil, begeerte, liefde, en d' anderen, moeten tot de genatuurde natuur, en niet tot de naturende natuur, betrokken en toegepast worden.

Betoging.--By verstant (gelijk door zich bekent is) verstaan wy geen volstrekte denking, maar alleenlijk zekere wijze van denken; welke wijze van anderen, te weten van begeerte, liefde, enz. verschilt. En dieshalven moet (volgens de vijfde Bepaling) het zelfde door de volstrekte denking begrepen worden: dat is, het moet (volgens de vijftiende Voorstelling, en de zeste Bepaling van dit deel) door enige van Gods toeëigeningen, die een eeuwige en onëindigeswezentheit van denking uitdrukt, in dier voegen bevat worden, dat het nootzakelijk zonder de zelfde noch zijn, noch bevat zou konnen worden. Het moet dan (volgens het Byvoegsel van de negenëntwintigste Voorstelling in dit deel) tot de genatuurde, en niet tot de naturende natuur betrokken en toegepast worden; gelijk ook alle d' andere wijzen van denken, gelijk voorgestelt is.

Betoging.--De reden, om de welke ik hier van dadelijk verstant spreek, is niet om dat ik toesta dat 'er enig verstant in 't vermogen is, gelijk men zegt: maar dewijl ik gaerne alle verwarring zou mijden, zo heb ik alleenlijk van een ding, 't welk zeer klarelijk van ons bevat word, willen spreken; te weten van dedverstaning zelve, boven de welke wy niets klarelijker bevatten. Want wy konnen niets verstaan, of het is aan ons dienstig tot volmaakte kennis van de verstaning.

The intellect in function, whether finite or infinite, as will, desire, love, &c., should be referred to passive nature and not to active nature.

Proof.--By the intellect we do not (obviously) mean absolute thought, but only a certain mode of thinking, differing from other modes, such as love, desire, &c., and therefore (Def. v.) requiring to be conceived through absolute thought. It must (by Prop. xv. and Def. vi.), through some attribute of God which expresses the eternal and infinite essence of thought, be so conceived, that without such attribute it could neither be nor be conceived. It must therefore be referred to nature passive rather than to nature active, as must also the other modes of thinking. Q.E.D.

Note.--I do not here, by speaking of intellect in function, admit that there is such a thing as intellect in potentiality: but, wishing to avoid all confusion, I desire to speak only of what is most clearly perceived by us, namely, of the very act of understanding, than which nothing is more clearly perceived. For we cannot perceive anything without adding to our knowledge of the act of understanding.

1P32
Voluntas non potest vocari causa libera sed tantum necessaria.
DEMONSTRATIO: Voluntas certus tantum cogitandi modus est sicuti intellectus adeoque (per propositionem 28) unaquæque volitio non potest existere neque ad operandum determinari nisi ab alia causa determinetur et hæc rursus ab alia et sic porro in infinitum. Quod si voluntas infinita supponatur, debet etiam ad existendum et operandum determinari a Deo, non quatenus substantia absolute infinita est sed quatenus attributum habet quod infinitam et æternam cogitationis essentiam exprimit (per propositionem 23). Quocunque igitur modo sive finita sive infinita concipiatur, causam requirit a qua ad existendum et operandum determinetur adeoque (per definitionem 7) non potest dici causa libera sed tantum necessaria vel coacta. Q.E.D.

COROLLARIUM I: Hinc sequitur Iƒ Deum non operari ex libertate voluntatis.

COROLLARIUM II: Sequitur IIƒ voluntatem et intellectum ad Dei naturam ita sese habere ut motus et quies et absolute ut omnia naturalia quæ (per propositionem 29) a Deo ad existendum et operandum certo modo determinari debent. Nam voluntas, ut reliqua omnia, causa indiget a qua ad existendum et operandum certo modo determinetur. Et quamvis ex data voluntate sive intellectu infinita sequantur, non tamen propterea Deus magis dici potest ex libertate voluntatis agere quam propter ea quæ ex motu et quiete sequuntur (infinita enim ex his etiam sequuntur) dici potest ex libertate motus et quietis agere. Quare voluntas ad Dei naturam non magis pertinet quam reliqua naturalia sed ad ipsam eodem modo sese habet ut motus et quies et omnia reliqua quæ ostendimus ex necessitate divinæ naturæ sequi et ab eadem ad existendum et operandum certo modo determinari.

De wil kan geen vrije, maar alleenlijk een nootzakelijke oorzaak genoemt worden.

Betoging.--De wil is, gelijk het verstant, alleenlijk zekere wijze van denken. Dieshalven, (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) yderrwilling kan niet zijn, noch tot werken bepaalt worden, zo zy niet van een andere oorzaak, en deze weêr van een ande- re, en dus tot aan 't onëindig, bepaalt word. Indien men de wil onëindigyonderstelt, zo moet hy ook van God tot zijn, en tot werken bepaalt worden; van God, zeg ik, niet voor zo veel hy een zelfstandigheit, volstrektelijk onëindig, is, maar voor zo veel hy een toeeigening heeft, die een onëindige en eeuwige wezentheit van denking uitdrukt; olgens de drieëntwintigstedVoorstelling van dit deel. e wil dan, op welke wijze hy ook bevat word, 't zy eindig, of onëindig, verëischt een oorzaak, de welke hem tot te zijn, en tot te werken bepaalt: en kan dieshalven (volgens de zevende Bepaling) geen vrije, maar alleenlijk een nootzakelijke, ofgedwonge oorzaak gezegt worden; elijk te betogen stond.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt, dat God niet uit de vrijheit van wil werkt.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat de wil, en 't verstant zodanig tot Gods natuur zijn, als de beweging en stilte, en volstrektelijk als alle naturelijke dingen, die (volgens de negenëntwingste Voorstelling van dit deel) van God tot te zijn, en tot de werken op zekere wijze bepaalt moeten worden. Want de wil (gelijk ook d' andere dingen) verëischt oorzaak, van de welke hy tot te zijn, en te werken op zekere wijze bepaalt word. En hoewel uit de gestelde wil, en uit het verstant onëindige dingen volgen, zo kan men echter daaröm niet meer zeggen dat Godt uit vrijheit van wil werkt, als men zou konnen zeggen dat God uit vryheit van beweging en stilte werkt, om dat uit deze twee ook onëindige dingen volgen. De wil dan behoort niet meer, dan d'andere dingen, tot Gods natuur: Maar hy is tot des zelfs natuur gelijk de beweging en stilte, en alle d' andere dingen, die, gelijk wy getoont hebben, uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur volgen, en van de zelfde op zekere wijze tot te zijn, en te werken bepaalt worden.

Will cannot be called a free cause, but only a necessary cause.

Proof.--Will is only a particular mode of thinking, like intellect; therefore (by Prop. xxviii.) no volition can exist, nor be conditioned to act, unless it be conditioned by some cause other than itself, which cause is conditioned by a third cause, and so on to infinity. But if will be supposed infinite, it must also be conditioned to exist and act by God, not by virtue of his being substance absolutely infinite, but by virtue of his possessing an attribute which expresses the infinite and eternal essence of thought (by Prop. xxiii.). Thus, however it be conceived, whether as finite or infinite, it requires a cause by which it should be conditioned to exist and act. Thus (Def. vii.) it cannot be called a free cause, but only a necessary or constrained cause. Q.E.D.

Coroll. I.--Hence it follows, first, that God does not act according to freedom of the will.

Coroll. II.--It follows, secondly, that will and intellect stand in the same relation to the nature of God as do motion, and rest, and absolutely all natural phenomena, which must be conditioned by God (Prop. xxix.) to exist and act in a particular manner. For will, like the rest, stands in need of a cause, by which it is conditioned to exist and act in a particular manner. And although, when will or intellect be granted, an infinite number of results may follow, yet God cannot on that account be said to act from freedom of the will, any more than the infinite number of results from motion and rest would justify us in saying that motion and rest act by free will. Wherefore will no more appertains to God than does anything else in nature, but stands in the same relation to him as motion, rest, and the like, which we have shown to follow from the necessity of the divine nature, and to be conditioned by it to exist and act in a particular manner.

1P33
Res nullo alio modo neque alio ordine a Deo produci potuerunt quam productæ sunt.
DEMONSTRATIO: Res enim omnes ex data Dei natura necessario sequutæ sunt (per propositionem 16) et ex necessitate naturæ Dei determinatæ sunt ad certo modo existendum et operandum (per propositionem 29). Si itaque res alterius naturæ potuissent esse vel alio modo ad operandum determinari ut naturæ ordo alius esset, ergo Dei etiam natura alia posset esse quam jam est ac proinde (per propositionem 11) illa etiam deberet existere et consequenter duo vel plures possent dari Dii, quod (per corollarium I propositionis 14) est absurdum. Quapropter res nullo alio modo neque alio ordine etc. Q.E.D.

SCHOLIUM I: Quoniam his luce meridiana clarius ostendi nihil absolute in rebus dari propter quod contingentes dicantur, explicare jam paucis volo quid nobis per contingens erit intelligendum sed prius quid per necessarium et impossibile. Res aliqua necessaria dicitur vel ratione suæ essentiæ vel ratione causæ. Rei enim alicujus existentia vel ex ipsius essentia et definitione vel ex data causa efficiente necessario sequitur. Deinde his etiam de causis res aliqua impossibilis dicitur; nimirum quia vel ipsius essentia seu definitio contradictionem involvit vel quia nulla causa externa datur ad talem rem producendam determinata. At res aliqua nulla alia de causa contingens dicitur nisi respectu defectus nostræ cognitionis. Res enim cujus essentiam contradictionem involvere ignoramus vel de qua probe scimus eandem nullam contradictionem involvere et tamen de ipsius existentia nihil certo affirmare possumus propterea quod ordo causarum nos latet, ea nunquam nec ut necessaria nec ut impossibilis videri nobis potest ideoque eandem vel contingentem vel possibilem vocamus.

SCHOLIUM II: Ex præcedentibus clare sequitur res summa perfectione a Deo fuisse productas quandoquidem ex data perfectissima natura necessario secutæ sunt. Neque hoc Deum ullius arguit imperfectionis; ipsius enim perfectio hoc nos affirmare cœgit. Imo ex hujus contrario clare sequeretur (ut modo ostendi) Deum non esse summe perfectum; nimirum quia si res alio modo fuissent productæ, Deo alia natura esset tribuenda, diversa ab ea quam ex consideratione Entis perfectissimi coacti sumus ei tribuere. Verum non dubito quin multi hanc sententiam ut absurdam explodant nec animum ad eandem perpendendam instituere velint idque nulla alia de causa quam quia Deo aliam libertatem assueti sunt tribuere, longe diversam ab illa quæ a nobis (definitione 7) tradita est videlicet absolutam voluntatem. Verum neque etiam dubito si rem meditari vellent nostrarumque demonstrationum seriem recte secum perpendere, quin tandem talem libertatem qualem jam Deo tribuunt, non tantum ut nugatoriam sed ut magnum scientiæ obstaculum plane rejiciant. Nec opus est ut ea quæ in scholio propositionis 17 dicta sunt, hic repetam. Attamen in eorum gratiam adhuc ostendam quod quamvis concedatur voluntatem ad Dei essentiam pertinere, ex ejus perfectione nihilominus sequatur res nullo alio potuisse modo neque ordine a Deo creari; quod facile erit ostendere si prius consideremus id quod ipsimet concedunt videlicet ex solo Dei decreto et voluntate pendere ut unaquæque res id quod est sit. Nam alias Deus omnium rerum causa non esset. Deinde quod omnia decreta ab æterno ab ipso Deo sancita fuerunt. Nam alias imperfectionis et inconstantiæ argueretur. At cum in æterno non detur quando, ante nec post, hinc ex sola scilicet Dei perfectione sequitur Deum aliud decernere nunquam posse nec unquam potuisse sive Deum ante sua decreta non fuisse nec sine ipsis esse posse. At dicent quod quamvis supponeretur quod Deus aliam rerum naturam fecisset vel quod ab æterno aliud de natura ejusque ordine decrevisset, nulla inde in Deo sequeretur imperfectio. Verum si hoc dicant, concedent simul Deum posse sua mutare decreta. Nam si Deus de natura ejusque ordine aliud quam decrevit decrevisset hoc est ut aliud de natura voluisset et concepisset, alium necessario quam jam habet intellectum et aliam quam jam habet voluntatem habuisset. Et si Deo alium intellectum aliamque voluntatem tribuere licet absque ulla ejus essentiæ ejusque perfectionis mutatione, quid causæ est cur jam non possit sua de rebus creatis decreta mutare et nihilominus æque perfectus manere? Ejus enim intellectus et voluntas circa res creatas et earum ordinem in respectu suæ essentiæ et perfectionis perinde est, quomodocunque concipiatur. Deinde omnes quos vidi philosophi concedunt nullum in Deo dari intellectum potentia sed tantum actu; cum autem et ejus intellectus et ejus voluntas ab ejusdem essentia non distinguantur ut etiam omnes concedunt, sequitur ergo hinc etiam quod si Deus alium intellectum actu habuisset et aliam voluntatem, ejus etiam essentia alia necessario esset ac proinde (ut a principio conclusi) si aliter res quam jam sunt, a Deo productæ essent, Dei intellectus ejusque voluntas hoc est (ut conceditur) ejus essentia alia esse deberet, quod est absurdum.

Cum itaque res nullo alio modo nec ordine a Deo produci potuerint et hoc verum esse ex summa Dei perfectione sequatur, nulla profecto sana ratio persuadere nobis potest ut credamus quod Deus noluerit omnia quæ in suo intellectu sunt, eadem illa perfectione qua ipsa intelligit, creare. At dicent in rebus nullam esse perfectionem neque imperfectionem sed id quod in ipsis est propter quod perfectæ sunt aut imperfectæ et bonæ aut malæ dicuntur, a Dei tantum voluntate pendere atque adeo si Deus voluisset, potuisset efficere ut id quod jam perfectio est, summa esset imperfectio et contra. Verum quid hoc aliud esset quam aperte affirmare quod Deus qui id quod vult necessario intelligit, sua voluntate efficere potest ut res alio modo quam intelligit, intelligat, quod (ut modo ostendi) magnum est absurdum. Quare argumentum in ipsos retorquere possum hoc modo. Omnia a Dei potestate pendent. Ut res itaque aliter se habere possint, Dei necessario voluntas aliter se habere etiam deberet; atqui Dei voluntas aliter se habere nequit (ut modo ex Dei perfectione evidentissime ostendimus). Ergo neque res aliter se habere possunt. Fateor hanc opinionem quæ omnia indifferenti cuidam Dei voluntati subjicit et ab ipsius beneplacito omnia pendere statuit, minus a vero aberrare quam illorum qui statuunt Deum omnia sub ratione boni agere. Nam hi aliquid extra Deum videntur ponere quod a Deo non dependet, ad quod Deus tanquam ad exemplar in operando attendit vel ad quod tanquam ad certum scopum collineat. Quod profecto nihil aliud est quam Deum fato subjicere, quo nihil de Deo absurdius statui potest, quem ostendimus tam omnium rerum essentiæ quam earum existentiæ primam et unicam liberam causam esse. Quare non est ut in hoc absurdo refutando tempus consumam.

De dingen hebben op geen andere wijze, noch in geen andere ordening van God voortgebracht konnen worden, dan zy voortgebracht zijn.

Betoging.--Want alle dingen zijn nootzakelijk uit Gods gestelde natuur gevolgt, (volgens de zestiende Voorstelling van dit deel) en uit de nootzakelijkheit van Gods natuur bepaalt tot op zekere wijze te zijn, en te werken; olgens de negenëntwintigste Voorstelling van dit deel. Indien dan de dingen van een ander natuur hadden konnen zijn, of op een andere wijze tot werken bepaalt worden, om dus in een andere ordening malkander te volgen, zo zou Gods natuur ook anders konnen wezen, dan zy nu is: en dieshalven zou (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) de zelfde ook moeten zijn: en by gevolg zouden 'er twee, of meer goden konnen wezen; 't welk (volgens d' eerste Toegift van de veertiende Voorstelling) ongerijmt is. Dieshalven konnen de dingen op geen andere wijze, noch in enige andere ordening voortgebracht worden; gelijk voorgestelt is.

Eerste Byvoegsel.--Dewijl ik hier door klarelijker, dan de middagzon, getoont heb dat 'er in de dingen volstrektelijk niets is, om de welken zy gebeurelijk gezegt konnen worden, zo zal ik nu met weinig woorden verklaren wat wy by gebeurelijk té verstaan hebben; maar eerst wat men by nootzakelijk, en by onmogelijk te verstaan heeft. Enig ding word nootzakelijk gezegt, of ten opzicht van zijnawezentheit, often opzicht van zijn oorzaak. Want de wezentlijkheit van enig ding volgt nootzakelijk of uit des zelfs wezentheit en bepaling, of uit een gestelde werkende oorzaak. Wijders, om deze oorzaken word enige zaak onmogelijk gezegt, namelijk, om dat haar wezentheit en bepalinghtegenzeggelijkheit insluit, of om dat'er geen uitterlijke oorzaak tot zodanig een ding voort te brengen bepaalt is. Maar geen ding word om enige andere oorzaak gebeurelijk gezegt, dan ten opzicht van 't gebrek onzer kennis. Want die zaak, van welks wezentheit wy niet weten of zyotegenzeggelijkheit insluit, of van de welke wy wel weten dat zy geen tegenzeggelijkheit insluit, en van welks wezentlijkheit wy echter niets zekerlijk konnnen bevestigen, om dat d' ordening der oorzaken voor ons verborgen is, kan nooit aan ons nootzakelijk, noch onmogelijk schijnen; en dieshalven noemen wy haar of gebeurelijk, of mogelijk.

Tweede Byvoegsel.--Uit het voorgaande volgt klarelijk dat de dingen naar hun opperste volmaaktheit van God voortgebracht zijn; vermits zy uit de gestelde volmaaktste natuur van God nootzakelijk zijn gevolgt. Dit wijst in God ook geen onvolmaaktheit aan: want zijn volmaaktheit heeft ons gedwongen dit te bevestigen: ja uit het tegendeel hier af (gelijk ik alreê getoont heb) zou klarelijk volgen, dat God niet ten opperste volmaakt is. Want indien de dingen op een an- dere wijze voortgebracht waren, zo zou men ook aan God een andere natuur, verscheiden van de gene, die wy, uit aanmerking van zijnbvolmaaktste wezend, gedwongen zijn aan hem toe t' eigenen, moeten toeschrijven. Doch ik twijffel niet hier aan, dat veel dit gevoelen, als ongerijmt, zullen verwerpen, zonder het zelfde eens te willen overwegen; en dit om geen andere oorzaak, dan om dat zy gewent zijn een andere vryheit, verscheiden van de gene, die wy (in de zeste Bepaling) aan God toegeschreven hebben, aan hem toe t' eigenen, te weten een volstrekte wil. Ik twijffel ook niet hier aan, dat, zo zy de zaak wel willen bedenken, en het gevolg onzer betogingen recht en wel overwegen, zy eindelijk zodanige vryheit, als zy nu aan God toeëigenen, niet alleenlijk als beuzelächtig, maar ook als een grote hinderpaal tot de wetenschap, gantschelijk zullen verwerpen. 't Is ook niet nodig dat ik de dingen, die in het Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in dit deel gezegt zijn, hier herhaal. En nochtans zal ik, om hen te believen, hier weêr tonen dat, schoon men toestond dat de wil tot Gods wezentheit behoort, uit zijn volmaaktheit echter volgt dat de dingen op geen andere wijze, en in geen andere ordening van God geschapen hebben konnen worden. Men zal dit lichtelijk konnen tonen, zo wy eerst het geen, dat zy zelven toestaan, overwegen: te weten dat alleenlijk van Gods besluit en wil afhangt dat yder ding het geen is, dat het is; want anders zou God niet d' oorzaak van alle dingen wezen: daar na, dat alle Gods besluiten van alle eeuwigheit van God zelf ingestelt zijn; want andersins zou hy van onvolmaaktheit en onstantvastigheit overtuigt worden. Maar dewijl in d' eeuwigheit geen anneer, voor, noch a s, zo volgt hier uit, te weten uit Gods volmaaktheit alleen, dat God nooit iets anders kan, of heeft konnen besluiten, of dat God voor zijn besluiten niet heeft geweest, en zonder de zelfden niet zijn kan. Maar (zullen zy zeggen) hoewel mensonderstelde dat God een andere natuur, of van eeuwigheit een ander besluit van de natuur, en van haar ordening gemaakt had, zo zou daar uit geen onvolmaaktheit in God volgen. Indien zy dit zeggen, zo staan zy ook toe dat God zijn besluiten kan veränderen. Want indien God een ander besluit van de natuur, en van haar ordening gemaakt had, dan hy 'er af gemaakt heeft, dat is, dat hy de natuur anders had gewilt, en anders had begrepen, zo zou hy nootzakelijk een ander verstant, en een andere wil, dan hy nu heeft, gehad hebben. Maar indien men een ander verstant, en een andere wil aan God mag toeëigenen, zonder zijn wezentheit en volmaaktheit te veränderen; waaröm zou hy dan ook zijn besluiten omtrent de geschape dingen niet konnen veränderen, en echter even volmaakt blijven? want met zijn verstant en wil omtrent de geschape dingen, en hun ordening is het, ten opzicht van zijn wezentheit en volmaaktheit, evenëens, op wat wijze de zelfde ook bevat word. Wijders, alle de Wijsbegerigen, die ik gezien heb, staan toe dat in God geen verstant in vermogen, maar alleenlijk in daat is: en dewijl zijn verstant en wil niet van zijn wezentheit onderscheiden word, gelijk zy alle ook toestaan; zo volgt dan hier ook uit, dat, zo God een anderfverstant in daat, en een andere wil had gehad, zijn wezentheit nootzakelijk ook anders zou zijn. Dieshalven (gelijk wy in 't begin besloten hebben) indien de dingen anders, dan zy nu zijn, van God voortgebracht waren, zo zou ook Gods verstant, en zijn wil, dat is (gelijk toegestaan word) zijngwezentheit, anders, dan zy nu is, moeten wezen; 't welk ongerijmt is. Dewijl dan de dingen op geen andere wijze, noch in geen andere ordening van God hebben konnen voortgebracht worden, en dewijl dit uit Gods opperste volmaaktheit volgt; zo kan warelijk geen gezonde reden ons overreden te geloven dat God alle de dingen, die in zijn verstant zijn, met de zelfde volmaaktheit, daar meê hy hen verstaat, niet heeft willen scheppen. Maar, zullen zy zeggen, in de dingen zelven is noch volmaaktheit, noch onvolmaaktheit. Doch het geen, 't welk in hen is, om 't welk zy volmaakt, of onvolmaakt, goed, of quaad gezegt worden, hangt alleenlijk van Gods wil af: en dieshalven zou God, indien hy gewilt had, gemaakt konnen hebben dat het geen, 't welk nu volmaaktheit is, de hoogste onvolmaaktheit geweest zou hebben, en dat het geen, 't welk nu in de dingen een onvolmaaktheit is, het volmaaktste geweest zou zijn: zeker, wat zou dit anders zijn, als opentlijk te zeggen, dat God (die 't geen, dat hy wil, nootzakelijk verstaat) door zijn wil kan maken dat hy de dingen op een andere wijze verstaat, dan hy hen verstaat; 't welk, gelijk ik nu getoont heb, een grote ongerijmtheit is. Ik kan dan dit bewijs tegen hen omkeeren, op deze wijze. Alle dingenihangen van Gods macht af. Indien dan de dingen anders zouden wezen, zo moest nootzakelijk Gods wil ook anders wezen: maar Gods wil (gelijk wy nu uit Gods volmaaktheit zeer klarelijk getoont hebben) kan niet anders zijn: zo konnen dan de dingen ook niet anders wezen. Ik beken echter dat dit gevoelen, 't welk alle dingen zekere onverschillende wil van God onderwerpt, en stelt dat alles van Gods welbehagen afhangt, minder van de waarheit afdwaalt, dan dat van de genen, die stellen dat God alles in opzicht van 't goede doet. Want deze schijnen iets buiten God te stellen, 't welk van God niet afhangt, op 't welk hy, in zijn werking, als op een voorschrift merkt, of naar 't welk hy, als naar zeker doelwit, mikt: dat warelijk niets anders is, als God hetmnootlot t' onderwerpen, boven 't welk men niets ongerijmder van God kan stellen, van God, zeg ik, die, gelijk wy getoont hebben, d'eerste en enige vrije oorzaak aller dingen, zo wel van hun wezentheit, als van hunpwezentlijkheit, is. Ik zal dieshalven geen tijt spillen met deze ongerijmtheit te wederleggen.

Things could not have been brought into being by God in any manner or in any order different from that which has in fact obtained.

Proof--All things necessarily follow from the nature of God (Prop. xvi.), and by the nature of God are conditioned to exist and act in a particular way (Prop. xxix.). If things, therefore, could have been of a different nature, or have been conditioned to act in a different way, so that the order of nature would have been different, God's nature would also have been able to be different from what it now is; and therefore (by Prop. xi.) that different nature also would have perforce existed, and consequently there would have been able to be two or more Gods. This (by Prop. xiv., Coroll. i.) is absurd. Therefore things could not have been brought into being by God in any other manner, &c. Q.E.D.

Note I.--As I have thus shown, more clearly than the sun at noonday, that there is nothing to justify us in calling things contingent, I wish to explain briefly what meaning we shall attach to the word contingent; but I will first explain the words necessary and impossible.

A thing is called necessary either in respect to its essence or in respect to its cause; for the existence of a thing necessarily follows, either from its essence and definition, or from a given efficient cause. For similar reasons a thing is said to be impossible; namely, inasmuch as its essence or definition involves a contradiction, or because no external cause is granted, which is conditioned to produce such an effect; but a thing can in no respect be called contingent, save in relation to the imperfection of our knowledge.

A thing of which we do not know whether the essence does or does not involve a contradiction, or of which, knowing that it does not involve a contradiction, we are still in doubt concerning the existence, because the order of causes escapes us,--such a thing, I say, cannot appear to us either necessary or impossible. Wherefore we call it contingent or possible.

Note II.--It clearly follows from what we have said, that things have been brought into being by God in the highest perfection, inasmuch as they have necessarily followed from a most perfect nature. Nor does this prove any imperfection in God, for it has compelled us to affirm his perfection. From its contrary proposition, we should clearly gather (as I have just shown), that God is not supremely perfect, for if things had been brought into being in any other way, we should have to assign to God a nature different from that, which we are bound to attribute to him from the consideration of an absolutely perfect being.

I do not doubt, that many will scout this idea as absurd, and will refuse to give their minds up to contemplating it, simply because they are accustomed to assign to God a freedom very different from that which we (Def. vii.) have deduced. They assign to him, in short, absolute free will. However, I am also convinced that if such persons reflect on the matter, and duly weigh in their minds our series of propositions, they will reject such freedom as they now attribute to God, not only as nugatory, but also as a great impediment to organized knowledge. There is no need for me to repeat what I have said in the note to Prop. xvii. But, for the sake of my opponents, I will show further, that although it be granted that will pertains to the essence of God, it nevertheless follows from his perfection, that things could not have been by him created other than they are, or in a different order; this is easily proved, if we reflect on what our opponents themselves concede, namely, that it depends solely on the decree and will of God, that each thing is what it is. If it were otherwise, God would not be the cause of all things. Further, that all the decrees of God have been ratified from all eternity by God himself. If it were otherwise, God would be convicted of imperfection or change. But in eternity there is no such thing as when, before, or after; hence it follows solely from the perfection of God, that God never can decree, or never could have decreed anything but what is; that God did not exist before his decrees, and would not exist without them. But, it is said, supposing that God had made a different universe, or had ordained other decrees from all eternity concerning nature and her order, we could not therefore conclude any imperfection in God. But persons who say this must admit that God can change his decrees. For if God had ordained any decrees concerning nature and her order, different from those which he has ordained--in other words, if he had willed and conceived something different concerning nature--he would perforce have had a different intellect from that which he has, and also a different will. But if it were allowable to assign to God a different intellect and a different will, without any change in his essence or his perfection, what would there be to prevent him changing the decrees which he has made concerning created things, and nevertheless remaining perfect? For his intellect and will concerning things created and their order are the same, in respect to his essence and perfection, however they be conceived.

Further, all the philosophers whom I have read admit that God's intellect is entirely actual, and not at all potential; as they also admit that God's intellect, and God's will, and God's essence are identical, it follows that, if God had had a different actual intellect and a different will, his essence would also have been different; and thus, as I concluded at first, if things had been brought into being by God in a different way from that which has obtained, God's intellect and will, that is (as is admitted) his essence would perforce have been different, which is absurd.

As these things could not have been brought into being by God in any but the actual way and order which has obtained; and as the truth of this proposition follows from the supreme perfection of God; we can have no sound reason for persuading ourselves to believe that God did not wish to create all the things which were in his intellect, and to create them in the same perfection as he had understood them.

But, it will be said, there is in things no perfection nor imperfection; that which is in them, and which causes them to be called perfect or imperfect, good or bad, depends solely on the will of God. If God had so willed, he might have brought it about that what is now perfection should be extreme imperfection, and vice versa. What is such an assertion, but an open declaration that God, who necessarily understands that which he wishes, might bring it about by his will, that he should understand things differently from the way in which he does understand them? This (as we have just shown) is the height of absurdity. Wherefore, I may turn the argument against its employers, as follows:--All things depend on the power of God. In order that things should be different from what they are, God's will would necessarily have to be different. But God's will cannot be different (as we have just most clearly demonstrated) from God's perfection. Therefore neither can things be different. I confess, that the theory which subjects all things to the will of an indifferent deity, and asserts that they are all dependent on his fiat, is less far from the truth than the theory of those, who maintain that God acts in all things with a view of promoting what is good. For these latter persons seem to set up something beyond God, which does not depend on God, but which God in acting looks to as an exemplar, or which he aims at as a definite goal. This is only another name for subjecting God to the dominion of destiny, an utter absurdity in respect to God, whom we have shown to be the first and only free cause of the essence of all things and also of their existence. I need, therefore, spend no time in refuting such wild theories.

1P34
Dei potentia est ipsa ipsius essentia.
DEMONSTRATIO: Ex sola enim necessitate Dei essentiæ sequitur Deum esse causam sui (per propositionem 11) et (per propositionem 16 ejusque corollarium) omnium rerum. Ergo potentia Dei qua ipse et omnia sunt et agunt, est ipsa ipsius essentia. Q.E.D.
Gods vermogen is niets anders, dan zijn wezentheit zelve.

Betoging--Want uit d'enige nootzakelijkheit van Gods wezentheit volgt, (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) dat God d' oorzaak van zich, en (volgens de Zestiende Voorstelling van dit deel, en der zelfder Toegift) ook d' oorzaak van alle dingen is. Dieshalven, Gods vermogen, door 't welk hy, en alle dingen zijn, en werken, is zijn wezentheit zelve; elijk te betogen stond.
God's power is identical with his essence.

Proof.--From the sole necessity of the essence of God it follows that God is the cause of himself (Prop. xi.) and of all things (Prop. xvi. and Coroll.). Wherefore the power of God, by which he and all things are and act, is identical with his essence. Q.E.D.
1P35
Quicquid concipimus in Dei potestate esse, id necessario est.
DEMONSTRATIO: Quicquid enim in Dei potestate est, id (per propositionem præcedentem) in ejus essentia ita debet comprehendi ut ex ea necessario sequatur adeoque necessario est. Q.E.D.
Al 't geen, dat wy begrijpen in Gods macht te zijn, is nootzakelijk.

Betoging.--Want al 't geen, dat in Gods macht is, moet (volgens de voorgaande Voorstelling) in zijn wezentheit in dier voegen begrepen zijn, dat het nootzakelijk daar uit volgt; en dieshalven is 't nootzakelijk; elijk te betogen stond.
Whatsoever we conceive to be in the power of God, necessarily exists.

Proof.--Whatsoever is in God's power, must (by the last Prop.) be comprehended in his essence in such a manner, that it necessarily follows therefrom, and therefore necessarily exists. Q.E.D.
1P36
Nihil existit ex cujus natura aliquis effectus non sequatur.
DEMONSTRATIO: Quicquid existit, Dei naturam sive essentiam certo et determinato modo exprimit (per corollarium propositionis 25) hoc est (per propositionem 34) quicquid existit, Dei potentiam quæ omnium rerum causa est, certo et determinato modo exprimit adeoque (per propositionem 16) ex eo aliquis effectus sequi debet. Q.E.D.
Daar is niets, uit welks natuur niet enig gewrocht volgt.

Betoging.--Alles, dat 'er is, drukt op een zekere en bepaalde wijze Gods natuur, ofiwezentheit uit: (volgens de Toegift van de vijfëntwintigste Voorstelling in dit deel) dat is (volgens de vierëndartigste Voorstelling van dit deel) al 't geen, 't welk is, drukt op een zekere en bepaalde wijze Gods vermogen uit, dat d' oorzaak van alle dingen is. Dieshalven, (volgens de zestiende Voorstelling van dit deel) uit al 't geen, dat is, moet enig gewrocht volgen; elijk te betogen stond.
There is no cause from whose nature some effect does not follow.

Proof.--Whatsoever exists expresses God's nature or essence in a given conditioned manner (by Prop. xxv., Coroll.); that is, (by Prop. xxxiv.), whatsoever exists, expresses in a given conditioned manner God's power, which is the cause of all things, therefore an effect must (by Prop. xvi.) necessarily follow. Q.E.D.