Individual Elements

←5P41
1APP.→

5P42

Elements Used in 5P42
  1. 5p36  5P42d
  2. 5p36s  5P42d
  3. 5p32c  5P42d
  4. 3p59  5P42d
  5. 3p3  5P42d
  6. 5p32  5P42d
  7. 5p3c  5P42d
  8. 5p38  5P42d

Beatitudo non est virtutis præmium sed ipsa virtus nec eadem gaudemus quia libidines cœrcemus sed contra quia eadem gaudemus, ideo libidines cœrcere possumus.

DEMONSTRATIO: Beatitudo in amore erga Deum consistit (per propositionem 36 hujus et ejus scholium) qui quidem amor ex tertio cognitionis genere oritur (per corollarium propositionis 32 hujus) atque adeo hic amor (per propositiones 59 et 3 partis III) ad mentem quatenus agit referri debet ac proinde (per definitionem 8 partis IV) ipsa virtus est, quod erat primum. Deinde quo mens hoc amore divino seu beatitudine magis gaudet, eo plus intelligit (per propositionem 32 hujus) hoc est (per corollarium propositionis 3 hujus) eo majorem in affectus habet potentiam et (per propositionem 38 hujus) eo minus ab affectibus qui mali sunt, patitur atque adeo ex eo quod mens hoc amore divino seu beatitudine gaudet, potestatem habet libidines cœrcendi et quia humana potentia ad cœrcendos affectus in solo intellectu consistit, ergo nemo beatitudine gaudet quia affectus cœrcuit sed contra potestas libidines cœrcendi ex ipsa beatitudine oritur. Q.E.D.

SCHOLIUM: His omnia quæ de mentis in affectus potentia quæque de mentis libertate ostendere volueram, absolvi. Ex quibus apparet quantum sapiens polleat potiorque sit ignaro qui sola libidine agitur. Ignarus enim præterquam quod a causis externis multis modis agitatur nec unquam vera animi acquiescentia potitur, vivit præterea sui et Dei et rerum quasi inscius et simulac pati desinit, simul etiam esse desinit. Cum contra sapiens quatenus ut talis consideratur, vix animo movetur sed sui et Dei et rerum æterna quadam necessitate conscius, nunquam esse desinit sed semper vera animi acquiescentia potitur. Si jam via quam ad hæc ducere ostendi, perardua videatur, inveniri tamen potest. Et sane arduum debet esse quod adeo raro reperitur. Qui enim posset fieri si salus in promptu esset et sine magno labore reperiri posset ut ab omnibus fere negligeretur? Sed omnia præclara tam difficilia quam rara sunt.

Finis

De zaligheit is niet de vergelding des deuchts, maar de deucht zelve, en wy genieten niet de zelfde, om dat wy de--lusten intomen: maar in tegendeel, wy konnen de lusten intomen, om dat wy de deucht genieten.

Betoging.--De zaligheit bestaat in de liefde tot God, (volgens de zesendartigste Voorstelling van dit deel, en der zelfder Byvoegsel) die uit de darde slach van kennis spruit; volgens de Toegift van de tweeëndartigste Voorstelling: in voegen dat deze liefde (volgens de negenënvijftigste en darde Voorstellingen van het darde deel) tot de ziel, voor zo veel zy werkt, toegepast moet worden; en is dieshalven (volgens d' achtste Bepaling van 't vierde deel) de deucht zelve; 't welk het eerste was. Wijders, hoe de ziel deze goddelijke liefde, of zaligheit meer geniet, hoe zy meer verstaat; volgens de tweeëndartigste Voorstelling van dit deel: dat is, (volgens de Toegift van de darde Voorstelling in dit deel) hoe zy groter vermogen over de hartstochten heeft, en (volgens d' achtendartigste Voorstelling van dit deel) hoe zy minder van de hartstochten, die quaat zijn, lijd: en dieshalven, om dat de ziel deze goddelijke liefde, of zaligheit geniet, zo heeft zy macht om de lusten te bedwingen: en dewijl het menschelijk vermogen om de hartstochten te bedwingen in 't verstant alleen bestaat, zo geniet niemant de zaligheit, om dat hy de hartstochten heeft bedwongen: maar in tegendeel, de macht van de lusten te bedwingen spruit uit de zaligheit zelve; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hier meê heb ik al 't geen afgedaan, 't welk ik van 't vermogen der ziel over de hartstochten, en van de vryheit des gemoeds heb willen tonen: uit het welk blijkt hoe veel de Wijze vermag, en hoe veel beter hy is dan d'onkundige, die door de lust alleen gedreven word. Want behalven dat d'onkundige door d'uitterlijke oorzaken op veelderhande wijzen bewogen word, en nooit de ware gerustheit des gemoeds geniet, zo leeft hy ook byna onkundig van zich zelf, van God, en van de dingen, en houd ook op van te wezen, zo haast als hy ophoud van te lijden. De Wijze in tegendeel, voor zo veel hy als zodanig aangemerkt word, word naauwelijks in zijn gemoed bewogen, maar, door--zekere eeuwige nootzakelijkheit, van zich zelf, van God, en van de dingen bewust, houd nooit op van te wezen, maar geniet altijt de ware gerustheit des gemoeds. Indien de weg, die, gelijk ik getoont heb, hier toe geleid, zeer zwaar schijnt, zo kan zy echter gevonden worden. En zeker, het geen, dat zo zelden gevonden word, moet zwaar wezen. Want hoe zou het konnen zijn dat de zaligheit, zo zy zo naby was, en zonder grote arbeit gevonden kon worden, byna van alle menschen verächt zou worden? Maar alle heerlijke dingen zijn zo zwaar, als ongemeen.

Einde van 't vijfde en Leste Deel.

Blessedness is not the reward of virtue, but virtue itself; neither do we rejoice therein, because we control our lusts, but, contrariwise, because we rejoice therein, we are able to control our lusts.

Proof.--Blessedness consists in love towards God (V. xxxvi and note), which love springs from the third kind of knowledge (V. xxxii. Coroll.); therefore this love (III. iii. lix.) must be referred to the mind, in so far as the latter is active; therefore (IV. Def. viii.) it is virtue itself. This was our first point. Again, in proportion as the mind rejoices more in this divine love or blessedness, so does it the more understand (V. xxxii.); that is (V. iii. Coroll.), so much the more power has it over the emotions, and (V. xxxviii.) so much the less is it subject to those emotions which are evil; therefore, in proportion as the mind rejoices in this divine love or blessedness, so has it the power of controlling lusts. And, since human power in controlling the emotions consists solely in the understanding, it follows that no one rejoices in blessedness, because he has controlled his lusts, but, contrariwise, his power of controlling his lusts arises from this blessedness itself. Q.E.D.

Note.--I have thus completed all I wished to set forth touching the mind's power over the emotions and the mind's freedom. Whence it appears, how potent is the wise man, and how much he surpasses the ignorant man, who is driven only by his lusts. For the ignorant man is not only distracted in various ways by external causes without ever gaining the true acquiescence of his spirit, but moreover lives, as it were unwitting of himself, and of God, and of things, and as soon as he ceases to suffer, ceases also to be.

Whereas the wise man, in so far as he is regarded as such, is scarcely at all disturbed in spirit, but, being conscious of himself, and of God, and of things, by a certain eternal necessity, never ceases to be, but always possesses true acquiescence of his spirit.

If the way which I have pointed out as leading to this result seems exceedingly hard, it may nevertheless be discovered. Needs must it be hard, since it is so seldom found. How would it be possible, if salvation were ready to our hand, and could without great labour be found, that it should be by almost all men neglected? But all things excellent are as difficult as they are rare.

Elements in Which 5P42 is Used

N/A