Individual Elements

←5P3
5P5→

5P4

Elements Used in 5P4
  1. 2p38  5P4d
  2. 2p12  5P4d
  3. 2l2  5P4d
  4. 3gda  5P4c
  5. 5p4  5P4c
  6. 1p36  5P4s
  7. 2p40  5P4s
  8. 5p2  5P4s
  9. 4p61  5P4s
  10. 3p31s  5P4s
  11. 4p37s1  5P4s
  12. 4p37a  5P4s
  13. 4p59  5P4s
  14. 3p3  5P4s

Nulla est corporis affectio cujus aliquem clarum et distinctum non possumus formare conceptum.

DEMONSTRATIO: Quæ omnibus communia sunt, non possunt concipi nisi adæquate (per propositionem 38 partis II) adeoque (per propositionem 12 et lemma 2 quod habetur post scholium propositionis 13 partis II) nulla est corporis affectio cujus aliquem clarum et distinctum non possumus formare conceptum. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc sequitur nullum esse affectum cujus non possumus aliquem clarum et distinctum formare conceptum. Est namque affectus corporis affectionis idea (per generalem affectuum definitionem) quæ propterea (per propositionem præcedentem) aliquem clarum et distinctum involvere debet conceptum.

SCHOLIUM: Quandoquidem nihil datur ex quo aliquis effectus non sequatur (per propositionem 36 partis I) et quicquid ex idea quæ in nobis est adæquata, sequitur, id omne clare et distincte intelligimus (per propositionem 40 partis II) hinc sequitur unumquemque potestatem habere se suosque affectus, si non absolute, ex parte saltem clare et distincte intelligendi et consequenter efficiendi ut ab iisdem minus patiatur. Huic igitur rei præcipue danda est opera ut unumquemque affectum quantum fieri potest clare et distincte cognoscamus ut sic mens ex affectu ad illa cogitandum determinetur quæ clare et distincte percipit et in quibus plane acquiescit atque adeo ut ipse affectus a cogitatione causæ externæ separetur et veris jungatur cogitationibus; ex quo fiet ut non tantum amor, odium etc. destruantur (per propositionem 2 hujus) sed ut etiam appetitus seu cupiditates quæ ex tali affectu oriri solent, excessum habere nequeant (per propositionem 61 partis IV). Nam apprime notandum est unum eundemque esse appetitum per quem homo tam agere quam pati dicitur. Exempli gratia cum natura humana ita comparatum esse ostendimus ut unusquisque appetat ut reliqui ex ipsius ingenio vivant (vide corollarium propositionis 31 partis III) qui quidem appetitus in homine qui ratione non ducitur, passio est quæ ambitio vocatur nec multum a superbia discrepat et contra in homine qui ex rationis dictamine vivit, actio seu virtus est quæ pietas appellatur (vide scholium I propositionis 37 partis IV et II demonstrationem ejusdem propositionis). Et hoc modo omnes appetitus seu cupiditates eatenus tantum passiones sunt quatenus ex ideis inadæquatis oriuntur atque eædem virtuti accensentur quando ab ideis adæquatis excitantur vel generantur. Nam omnes cupiditates quibus ad aliquid agendum determinamur, tam oriri possunt ab adæquatis quam ab inadæquatis ideis (vide propositionem 59 partis IV). Atque hoc (ut eo unde digressus sum revertar) affectuum remedio quod scilicet in eorum vera cognitione consistit, nullum præstantius aliud quod a nostra potestate pendeat, excogitari potest quandoquidem nulla alia mentis potentia datur quam cogitandi et adæquatas ideas formandi, ut supra (per propositionem 3 partis III) ostendimus.

Daar is geen aandoening des lighaams, van de welke wy niet enige klare en onderscheide bevatting konnen vormen.

Betoging.--Het geen, dat aan alle dingen gemeen is, kan niet, dan evenmatiglijk, bevat worden; volgens d'achtëndartigste Voorstelling van het tweede deel: en dieshalven, (volgens de twaalfde Voorstelling, en het tweede Voorbewijs, 't welk achter het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in het tweede deel staat) daar is geen aandoening des lighaams, van de welke wy niet enige klare en onderscheide bevatting konnen vormen, gelijk wy voorstelden.

Toegift.--Hier uit volgt dat'er geen hartstocht is, van de welk wy niet enige klare en onderscheide bevatting konnen vormen: want een hartstocht is het denkbeelt der aandoening van 't lighaam, (volgens de Bepaling der algemene hartstochten) 't welk dieshalven (volgens de voorgaande Voorstelling) enige klare en onderscheide bevatting moet insluiten.

Byvoegsel.--Dewijl 'er niets is, uit het welk niet enig gewrocht volgt, (volgens de zesendartigste Voorstelling van 't eerste deel) en dewijl wy al 't geen, 't welk uit het denkbeelt volgt, dat in ons evenmatig is, klarelijk en onderscheidelijk verstaan; volgens de veertigste Voorstelling van het tweede deel: zo volgt hier uit, dat yder macht heeft om zich zelf en zijn hartstochten, is 't niet volkomentlijk, ten minsten ten deel, klarelijk en onderscheidelijk te verstaan, en by gevolg te maken dat hy minder van hen lijd. Wy moeten dan voornamelijk vlijt en naerstigheit hier toe aanwenden, dat wy yder hartstocht, zo veel als 't mogelijk is, klarelijk en onderscheidelijk kennen; op dat de ziel dus uit hartstocht bepaalt zou worden tot die dingen te denken, de welken zy klarelijk en onderscheidelijk bevat, en op de welken zy warelijk gerust is, en op dat dieshalven de hartstocht zelf van de denking'der uitwendige oorzaak afgescheiden, en aan de ware denkingen gevoegt zou worden: en hier uit zal voortkomen dat niet alleenlijk de liefde, haat, enz. vernietigt zullen worden; volgens de tweede Voorstelling van dit deel: maar dat ook de lusten of begeerten, die gemenelijk uit zodanige hartstochten spruiten, geen overmaat zullen konnen hebben; volgens de tweeënzestigste Voorstelling van 't vierde deel. Want men heeft voornamelijk aan te merken dat het een en de zelfde lust is, door de welk de mensch, gelijk men zegt, zo wel doet, als lijd. Tot een voorbeelt; wy hebben getoont dat het met de menschelijke natuur zodanig gestelt is, dat yder wenscht en begeert dat d' anderen naar zijn verstant en zin leven; bezie het Byvoegsel van d' eenëndartigste Voorstelling in 't darde deel: en deze lust in de mensch, die niet door reden geleid word, is een lijding, de welke roemzucht word genoemt, en niet veel van de verwaantheit verschilt. In tegendeel in de mensch, die naar het voorschrift der reden leeft, is hy een doening of deucht, die godvruchtigheit word geheten; bezie het eerste Byvoegsel van de zevenëndartigste Voorstelling in 't vierde deel, en de tweede Betoging van die zelfde Voorstelling. En op deze wijze zijn alle lusten, of begeerten alleenlijk voor zo veel lijdingen, als zy uit onëevenmatige denkbeelden voortkomen. De zelfden worden aan de deucht toegerekent, als zy van evenmatige denkbeelden verwekt worden, of voortkomen. Want alle begeerten, door de welken wy bepaalt worden tot iets te werken, konnen zo wel uit evenmatige, als uit onëevenmatige denkbeelden spruiten; bezie de negenenvijftigste Voorstelling van 't vierde--deel: en daar kan (om weêr tot het geen te keren, daar af ik begonnen heb) geen andere voortreffelijker hulpmiddel, die in onze macht is, bedacht worden, als deze hulpmiddel tegen de hartstochten, namelijk die in der zelfder ware kennis bestaat; dewijl 'er geen ander vermogen van de ziel is, dan die van te denken, en evenmatige denkbeelden te vormen; gelijk wy hier voor (in de darde Voorstelling van 't darde deel) getoont hebben.

There is no modification of the body, whereof we cannot form some clear and distinct conception.

Proof.--Properties which are common to all things can only be conceived adequately (II. xxxviii.); therefore (II. xii. and Lemma ii. after II. xiii.) there is no modification of the body, whereof we cannot form some clear and distinct conception. Q.E.D.

Corollary.--Hence it follows that there is no emotion, whereof we cannot form some clear and distinct conception. For an emotion is the idea of a modification of the body (by the general Def. of the Emotions), and must therefore (by the preceding Prop.) involve some clear and distinct conception.

Note.--Seeing that there is nothing which is not followed by an effect (I. xxxvi.), and that we clearly and distinctly understand whatever follows from an idea, which in us is adequate (II. xl.), it follows that everyone has the power of clearly and distinctly understanding himself and his emotions, if not absolutely, at any rate in part, and consequently of bringing it about, that he should become less subject to them. To attain this result, therefore, we must chiefly direct our efforts to acquiring, as far as possible, a clear and distinct knowledge of every emotion, in order that the mind may thus, through emotion, be determined to think of those things which it clearly and distinctly perceives, and wherein it fully acquiesces: and thus that the emotion itself may be separated from the thought of an external cause, and may be associated with true thoughts; whence it will come to pass, not only that love, hatred, &c. will be destroyed (V. ii.), but also that the appetites or desires, which are wont to arise from such emotion, will become incapable of being excessive (IV. lxi.). For it must be especially remarked, that the appetite through which a man is said to be active, and that through which he is said to be passive is one and the same. For instance, we have shown that human nature is so constituted, that everyone desires his fellow--men to live after his own fashion (III. xxxi. note); in a man, who is not guided by reason, this appetite is a passion which is called ambition, and does not greatly differ from pride; whereas in a man, who lives by the dictates of reason, it is an activity or virtue which is called piety (IV. xxxvii. note. i. and second proof). In like manner all appetites or desires are only passions, in so far as they spring from inadequate ideas; the same results are accredited to virtue, when they are aroused or generated by adequate ideas. For all desires, whereby we are determined to any given action, may arise as much from adequate as from inadequate ideas (IV. lix.). Than this remedy for the emotions (to return to the point from which I started), which consists in a true knowledge thereof, nothing more excellent, being within our power, can be devised. For the mind has no other power save that of thinking and of forming adequate ideas, as we have shown above (III. iii.).

Elements in Which 5P4 is Used
  1. 5P4  5p14d
  2. 5P4s  5p20s