Individual Elements

←5P38
5P40→

5P39

Elements Used in 5P39
  1. 4p38  5P39d
  2. 4p30  5P39d
  3. 5p10  5P39d
  4. 5p14  5P39d
  5. 5p15  5P39d
  6. 5p16  5P39d
  7. 5p33  5P39d
  8. 5p38s  5P39s

Qui corpus ad plurima aptum habet, is mentem habet cujus maxima pars est æterna.

DEMONSTRATIO: Qui corpus ad plurima agendum aptum habet, is minime affectibus qui mali sunt, conflictatur (per propositionem 38 partis IV) hoc est (per propositionem 30 partis IV) affectibus qui naturæ nostræ sunt contrarii atque adeo (per propositionem 10 hujus) potestatem habet ordinandi et concatenandi corporis affectiones secundum ordinem ad intellectum et consequenter efficiendi (per propositionem 14 hujus) ut omnes corporis affectiones ad Dei ideam referantur, ex quo fiet (per propositionem 15 hujus) ut erga Deum afficiatur amore qui (per propositionem 16 hujus) mentis maximam partem occupare sive constituere debet ac proinde (per propositionem 33 hujus) mentem habet cujus maxima pars est æterna. Q.E.D.

SCHOLIUM: Quia corpora humana ad plurima apta sunt, non dubium est quin ejus naturæ possint esse ut ad mentes referantur quæ magnam sui et Dei habeant cognitionem et quarum maxima seu præcipua pars est æterna atque adeo ut mortem vix timeant. Sed ut hæc clarius intelligantur, animadvertendum hic est quod nos in continua vivimus variatione et prout in melius sive in pejus mutamur, eo felices aut infelices dicimur. Qui enim ex infante vel puero in cadaver transiit, infelix dicitur et contra id felicitati tribuitur, quod totum vitæ spatium mente sana in corpore sano percurrere potuerimus. Et revera qui corpus habet ut infans vel puer ad paucissima aptum et maxime pendens a causis externis, mentem habet quæ in se sola considerata nihil fere sui nec Dei nec rerum sit conscia et contra qui corpus habet ad plurima aptum, mentem habet quæ in se sola considerata multum sui et Dei et rerum sit conscia. In hac vita igitur apprime conamur ut corpus infantiæ in aliud quantum ejus natura patitur eique conducit, mutetur quod ad plurima aptum sit quodque ad mentem referatur quæ sui et Dei et rerum plurimum sit conscia atque ita ut id omne quod ad ipsius memoriam vel imaginationem refertur, in respectu ad intellectum vix alicujus sit momenti, ut in scholio propositionis præcedentis jam dixi.

De geen, die een lighaam heeft, dat tot zeer veel dingen bequaam is, heeft ook een ziel, daar af het grootste deel eeuwig is.

Betoging.--De geen, die een lighaam heeft, dat bequaam is om veel dingen te doen, word minst van de hartstochten, die quaat zijn, bestreden; (volgens d' achtëndartigste Voorstelling van 't vierde deel) dat is, (volgens de dartigste Voorstelling van 't vierde deel) van de hartstochten, die tegen onze natuur strijden; en heeft dieshalven (volgens de tiende Voosteelling van dit deel) macht om d' aandoeningen des lighaams, naar d' ordening van het verstant, te schikken) en te zamen te schakelen, en by gevolg te weeg te brengen, (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel) dat alle d' aandoeningen des lighaams tot Gods denkbeelt betrokken en toegepast worden: daar uit (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) gebeuren zal dat hy tot God met een liefde aangedaan zal worden, de welke (volgens de zestiende Voorstelling van dit deel) het grootste deel van de ziel moet beslaan, of uitmaken: en dieshalven heeft hy (volgens de drieëndartigste Voorstelling in dit deel) een ziel, daar af het grootste deel eeuwig is; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Dewijl de menschelijke lighamen tot zeer veel dingen bequaam--zijn, zo is 'er niet aan te twijffelen, of zy konnen van zodanige natuur wezen, dat zy tot zielen toegepast worden, die grote kennis van zich, en van God hebben, en welker grootste, of voornaamste deel eeuwig is, en dat zy dieshalven de doot naauwelijks vrezen. Maar op dat wy dit klarelijker zouden verstaan, zo staat ons hier aan te merken, dat wy in gedurige verändering leven, en, naar dat wy tot beter, of tot erger veränderen, gelukkig of ongelukkig genoemt worden. Want de geen, die van een kint, of jongen tot een lijk overgaat, word ongelukkig genoemt. In tegendeel, dit word aan 't geluk toegeëigent, dat wy de gehele tijt onzes levens met goed verstant in een gezont lighaam hebben konnen overbrengen. En zeker, de geen, die, gelijk een kint, of jongen, een lighaam heeft, dat tot zeer weinig dingen bequaam is, en ten hoogsten van d'uitterlijke oorzaken af hangt, heeft een ziel, die, in zich alleen aangemerkt, byna niet van zich zelve, van God, noch van de dingen bewust is. In tegendeel, de geen, die een lighaam heeft, dat tot zeer veel dingen bequaam is, heeft een ziel, die, in zich alleen aangemerkt, grotelijks van zich zelve, van God, en van de dingen meêwustig is. Wy pogen dan voornamelijk in dit leven, dat het lighaam der kintsheit in een ander, voor zo veel des zelfs natuur lijd, en voor zo veel het voor 't zelfde dienstig is, zal veränderen, 't welk tot zeer veel dingen bequaam zal wezen, en tot de ziel toegepast worden, de welke van zich zelve, van God, en van zeer veel dingen meêwustig zal zijn; namelijk in dier voegen, dat dit alles, 't welk tot haar geheugenis, of inbeelding betrokken en toegepast word, ten opzicht van het verstant, naauwelijks van enig belang zou wezen; gelijk ik in het Byvoegsel van de voorgaande Voorstelling alreê gezegt heb.

He, who possesses a body capable of the greatest number of activities, possesses a mind whereof the greatest part is eternal.

Proof.--He, who possesses a body capable of the greatest number of activities, is least agitated by those emotions which are evil (IV. xxxviii.)--that is (IV. xxx.), by those emotions which are contrary to our nature; therefore (V. x.), he possesses the power of arranging and associating the modifications of the body according to the intellectual order, and, consequently, of bringing it about, that all the modifications of the body should be referred to the idea of God; whence it will come to pass that (V. xv.) he will be affected with love towards God, which (V. xvi.) must occupy or constitute the chief part of the mind; therefore (V. xxxiii.), such a man will possess a mind whereof the chief part is eternal. Q.E.D.

Note.--Since human bodies are capable of the greatest number of activities, there is no doubt but that they may be of such a nature, that they may be referred to minds possessing a great knowledge of themselves and of God, and whereof the greatest or chief part is eternal, and, therefore, that they should scarcely fear death. But, in order that this may be understood more clearly, we must here call to mind, that we live in a state of perpetual variation, and, according as we are changed for the better or the worse, we are called happy or unhappy.

For he, who, from being an infant or a child, becomes a corpse, is called unhappy; whereas it is set down to happiness, if we have been able to live through the whole period of life with a sound mind in a sound body. And, in reality, he, who, as in the case of an infant or a child, has a body capable of very few activities, and depending, for the most part, on external causes, has a mind which, considered in itself alone, is scarcely conscious of itself, or of God, or of things; whereas, he, who has a body capable of very many activities, has a mind which, considered in itself alone, is highly conscious of itself, of God, and of things. In this life, therefore, we primarily endeavour to bring it about, that the body of a child, in so far as its nature allows and conduces thereto, may be changed into something else capable of very many activities, and referable to a mind which is highly conscious of itself, of God, and of things; and we desire so to change it, that what is referred to its imagination and memory may become insignificant, in comparison with its intellect, as I have already said in the note to the last Proposition.

Elements in Which 5P39 is Used

N/A