Individual Elements

←5P35
5P37→

5P36

Elements Used in 5P36
  1. 5p32c  5P36d
  2. 3p3  5P36d
  3. 5p32  5P36d
  4. 1p25c  5P36d
  5. 2p11c  5P36d
  6. 5p35  5P36d
  7. 3daxxv  5P36s
  8. 3daxxx  5P36s
  9. 5p27  5P36s
  10. 1p15  5P36s
  11. 2p47s  5P36s
  12. 2p40s2  5P36s

Mentis amor intellectualis erga Deum est ipse Dei amor quo Deus se ipsum amat, non quatenus infinitus est sed quatenus per essentiam humanæ mentis sub specie æternitatis consideratam explicari potest hoc est mentis erga Deum amor intellectualis pars est infiniti amoris quo Deus se ipsum amat.

DEMONSTRATIO: Hic mentis amor ad mentis actiones referri debet (per corollarium propositionis 32 hujus et per propositionem 3 partis III) qui proinde actio est qua mens se ipsam contemplatur concomitante idea Dei tanquam causa (per propositionem 32 hujus et ejus corollarium) hoc est (per corollarium propositionis 25 partis I et corollarium propositionis 11 partis II) actio qua Deus quatenus per mentem humanam explicari potest, seipsum contemplatur concomitante idea sui atque adeo (per propositionem præcedentem) hic mentis amor pars est infiniti amoris quo Deus seipsum amat. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc sequitur quod Deus quatenus seipsum amat, homines amat et consequenter quod amor Dei erga homines et mentis erga Deum amor intellectualis unum et idem sit.

SCHOLIUM: Ex his clare intelligimus qua in re nostra salus seu beatitudo seu libertas consistit nempe in constanti et æterno erga Deum amore sive in amore Dei erga homines. Atque hic amor seu beatitudo in sacris codicibus gloria appellatur nec immerito. Nam sive hic amor ad Deum referatur sive ad mentem, recte animi acquiescentia quæ revera a gloria (per 25 et 30 affectuum definitiones) non distinguitur, appellari potest. Nam quatenus ad Deum refertur, est (per propositionem 35 hujus) lætitia, liceat hoc adhuc vocabulo uti, concomitante idea sui ut et quatenus ad mentem refertur (per propositionem 27 hujus). Deinde quia nostræ mentis essentia in sola cognitione consistit cujus principium et fundamentum Deus est (per propositionem 15 partis I et scholium propositionis 47 partis II) hinc perspicuum nobis fit quomodo et qua ratione mens nostra secundum essentiam et existentiam ex natura divina sequatur et continuo a Deo pendeat; quod hic notare operæ pretium duxi ut hoc exemplo ostenderem quantum rerum singularium cognitio quam intuitivam sive tertii generis appellavi (vide II scholium propositionis 40 partis II) polleat potiorque sit cognitione universali quam secundi generis esse dixi. Nam quamvis in prima parte generaliter ostenderim omnia (et consequenter mentem etiam humanam) a Deo secundum essentiam et existentiam pendere, illa tamen demonstratio tametsi legitima sit et extra dubitationis aleam posita, non ita tamen mentem nostram afficit quam quando id ipsum ex ipsa essentia rei cujuscunque singularis quam a Deo pendere dicimus, concluditur.

De verstandelijke liefde tot God is Gods liefde zelve, daar meê God zich zelf lief heeft: niet voor zo veel hy onëindig is; maar voor zo veel hy door de wezentheit van de menschelijke ziel, onder de gedaante van eeuwigheit aangemerkt, verklaart kan worden: dat is, de verstandelijke liefde van de ziel tot God is een deel van d'onëindige liefde, daar meê God zich zelf lief heeft.

Betoging.--Deze liefde der ziel moet tot de doeningen der ziel toegepast worden, (volgens de Toegift van de tweeëndartigste Voorstelling in dit deel, en de darde Voorstelling van't darde deel) die dieshalven een doening is, door de welke de ziel zich zelve aanschout, in 't gezelschap van Gods denkbeelt, als d'oorzaak; (volgens de--tweeëndartigste Voorstelling van dit deel, en der zelfder Toegift) dat is, (volgens de Toegift van de vijfëntwintigste Voorstelling in het eerste deel, en de Toegift van d'elfde Voorstelling in het tweede deel) de doening, daar door God, voor zo veel hy door de menschelijke ziel verklaart kan worden, zich zelf aanschout in 't gezelfchap van zijn denkbeelt: dieshalven, (volgens de voorgaande Voorstelling) deze liefde der ziel is een deel van d'onëindige liefde, daar door God zich zelf lieft; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt dat God, voor zo veel hy zich zelf lieft, ook de menschen lieft, en by gevolg dat Gods liefde tot de menschen, en de verstandelijke liefde der ziel tot God een en de zelfde is.

Byvoegsel.--Hier uit verstaan wy klarelijk, waar in onze welstant, of zaligheit, of vryheit bestaat; namelijk in een bestandige en eeuwige liefde tot God, of in Gods liefde tot de menschen. Deze liefde, of zaligheit word in de heilige Schrift heerlijkheit genoemt; en niet t'onrecht. Want het zy deze liefde tot God, of tot de ziel betrokken en toegepast word, zy mag met recht gerustheit des gemoeds genoemt worden, die warelijk (volgens de vijfëntwintigste en dartigste Bepaling der hartstochten) niet van de heerlijkheit onderscheiden word. Want voor zo veel zy tot God betrokken en toegepastword, is zy (volgens de vijfëndartigse Voorstelling van dit deel) een blijschap, (het zy my geöorloft deze benaming te gebruiken van zijn denkbeelt verzelt; gelijk ook voor zo veel zy tot de ziel toegepast word; volgens de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel. Wijders, dewijl de wezentheit van onze ziel alleenlijk in de kennis bestaat, van de welke God het beginsel, en de grontvest is; volgens de vyftiende Voorstelling van't eerste deel, en het Byvoegsel van de zevenënveertigste Voorstelling in het tweede deel: zo blijkt hier uit klarelijk aan ons, op wat wijze, en door welke middel onze ziel, volgens de wezentheit en wezentlijkheit, uit de goddelijke natuur volgt, en geduriglijk van God afhangt. Ik heb dienstig geächt dit hier aan te tekenen, om door dit voorbeelt te tonen, hoe veel de kennis der bezondere dingen, die ik zienig, of van de darde slach genoemt heb, (bezie het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) vermag, en beter is dan d'algemene kennis, die ik gezegt heb van de tweede slach te wezen. Want hoewel ik in 't eerste deel in 't algemeen getoont heb,--dat alle dingen, en by gevolg ook de menschelijke ziel, volgens hun wezentheit en wezentlijkheit, van God afhangen, zo treft echter die Betoging, schoon wettig, en buiten twijffeling, onze ziel niet in dier voegen, dan als dit zelfde uit de wezentheit zelve van yder bezonder ding, 't welk wy gezegt hebben van God af te hangen, besloten word.

The intellectual love of the mind towards God is that very love of God whereby God loves himself, not in so far as he is infinite, but in so far as he can be explained through the essence of the human mind regarded under the form of eternity; in other words, the intellectual love of the mind towards God is part of the infinite love wherewith God loves himself.

Proof.--This love of the mind must be referred to the activities of the mind (V. xxxii. Coroll. and III. iii.); it is itself, indeed, an activity whereby the mind regards itself accompanied by the idea of God as cause (V. xxxii. and Coroll.); that is (I. xxv. Coroll. and II. xi. Coroll.), an activity whereby God, in so far as he can be explained through the human mind, regards himself accompanied by the idea of himself; therefore (by the last Prop.), this love of the mind is part of the infinite love wherewith God loves himself. Q.E.D.

Corollary.--Hence it follows that God, in so far as he loves himself, loves man, and, consequently, that the love of God towards men, and the intellectual love of the mind towards God are identical.

Note.--From what has been said we clearly understand, wherein our salvation, or blessedness, or freedom, consists: namely, in the constant and eternal love towards God, or in God's love towards men. This love or blessedness is, in the Bible, called Glory, and not undeservedly. For whether this love be referred to God or to the mind, it may rightly be called acquiescence of spirit, which (Def. of the Emotions, xxv. xxx.) is not really distinguished from glory. In so far as it is referred to God, it is (V. xxxv.) pleasure, if we may still use that term, accompanied by the idea of itself, and, in so far as it is referred to the mind, it is the same (V. xxvii.).

Again, since the essence of our mind consists solely in knowledge, whereof the beginning and the foundation is God (I. xv., and II. xlvii. note), it becomes clear to us, in what manner and way our mind, as to its essence and existence, follows from the divine nature and constantly depends on God. I have thought it worth while here to call attention to this, in order to show by this example how the knowledge of particular things, which I have called intuitive or of the third kind (II. xl. note. ii.), is potent, and more powerful than the universal knowledge, which I have styled knowledge of the second kind. For, although in Part I. I showed in general terms, that all things (and consequently, also, the human mind) depend as to their essence and existence on God, yet that demonstration, though legitimate and placed beyond the chances of doubt, does not affect our mind so much, as when the same conclusion is derived from the actual essence of some particular thing, which we say depends on God.

Elements in Which 5P36 is Used
  1. 5P36  5p42d
  2. 5P36s  5p42d