Individual Elements

←5P28
5P30→

5P29

Elements Used in 5P29
  1. 5p21  5P29d
  2. 2p26  5P29d
  3. 1d8  5P29d
  4. 2p44c2  5P29d
  5. 5p23  5P29d
  6. 2p13  5P29d
  7. 2p45  5P29s
  8. 2p45s  5P29s

Quicquid mens sub specie æternitatis intelligit, id ex eo non intelligit quod corporis præsentem actualem existentiam concipit sed ex eo quod corporis essentiam concipit sub specie æternitatis.

DEMONSTRATIO: Quatenus mens præsentem sui corporis existentiam concipit eatenus durationem concipit quæ tempore determinari potest et eatenus tantum potentiam habet concipiendi res cum relatione ad tempus (per propositionem 21 hujus et propositionem 26 partis II). At æternitas per durationem explicari nequit (per definitionem 8 partis I et ipsius explicationem). Ergo mens eatenus potestatem non habet concipiendi res sub specie æternitatis sed quia de natura rationis est res sub specie æternitatis concipere (per II corollarium propositionis 44 partis II) et ad mentis naturam etiam pertinet corporis essentiam sub specie æternitatis concipere (per propositionem 23 hujus) et præter hæc duo nihil aliud ad mentis essentiam pertinet (per propositionem 13 partis II) ergo hæc potentia concipiendi res sub specie æternitatis ad mentem non pertinet nisi quatenus corporis essentiam sub specie æternitatis concipit. Q.E.D.

SCHOLIUM: Res duobus modis a nobis ut actuales concipiuntur vel quatenus easdem cum relatione ad certum tempus et locum existere vel quatenus ipsas in Deo contineri et ex naturæ divinæ necessitate consequi concipimus. Quæ autem hoc secundo modo ut veræ seu reales concipiuntur, eas sub æternitatis specie concipimus et earum ideæ æternam et infinitam Dei essentiam involvunt, ut propositione 45 partis II ostendimus, cujus etiam scholium vide.

Al 't geen, dat de ziel onder de gedaante van eeuwigheit verstaat, verstaat zy niet hier uit, dat zy de tegenwoordige dadelijke wezentlijkheit des lighaams bevat, maar hier uit, dat zy de wezentheit des lighaams onder de gedaante van eeuwigheit bevat.

Betoging.--Voor zo veel als de ziel de tegenwoordige wezentlijkheit van haar lighaam bevat, voor zo veel bevat zy de during, die door de tijt bepaalt kan worden, en voor zo veel alleen heeft zy vermogen van de dingen, met betrekking tot de tijt, te bevatten; volgens d' eenëntwintigste Voorstelling van dit, en de zesentwintigste Voorstelling van het tweede deel: maar d' eeuwigheit kan niet door de during verklaart worden; volgens d'achtste Bepaling van't eerste deel, en der zelfder verklaring: dieshalven, de ziel heeft niet voor zo veel de macht van de dingen onder de gedaante van d' eeuwigheit te bevatten. Maar dewijl het tot de natuur der reden behoort, de zaken onder de gedaante van eeuwigheit te bevatten, (volgens de tweede Toegift van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) en tot de natuur van de ziel ook behoort de wezentheit des lighaams onder de gedaante van d' eeuwigheit te bevatten; volgens de drieëntwintigste Voorstelling van dit deel: en dewijl 'er, behalven deze twee dingen, niets anders is, dat tot de wezentheit der ziel behoort; (volgens de dartiende Voorstelling van het tweede deel) zo behoort dit vermogen, van de dingen, onder de gedaante van d' eeuwigheit te bevatten, niet tot de ziel, dan voor zo veel zy de wezentheit des lighaams onder de gedaante van d'eeuwigheit bevat: 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Wy bevatten de dingen op twee wijzen als dadelijk, of voor zo veel de zelfden, met betrekking tot zekere tijt en plaats, wezentlijk zijn, of voor zo veel wy hen bevatten in God begrepen te wezen, en uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur te volgen. Maar de dingen, die op deze tweede wijze als waar, of zake---lijk bevat worden, bevatten wy onder de gedaante van d' eeuwigheit; en der zelfder denkbeelden sluiten Gods eeuwige en onëindige wezentheit in; gelijk wy, in de vijfënveertigste Voorstelling van het tweede deel, getoont hebben, daar af men ook het By voegsel te bezien heeft.

Whatsoever the mind understands under the form of eternity, it does not understand by virtue of conceiving the present actual existence of the body, but by virtue of conceiving the essence of the body under the form of eternity.

Proof.--In so far as the mind conceives the present existence of its body, it to that extent conceives duration which can be determined by time, and to that extent only has it the power of conceiving things in relation to time (V. xxi. II. xxvi.). But eternity cannot be explained in terms of duration (I. Def. viii. and explanation). Therefore to this extent the mind has not the power of conceiving things under the form of eternity, but it possesses such power, because it is of the nature of reason to conceive things under the form of eternity (II. xliv. Coroll. ii.), and also because it is of the nature of the mind to conceive the essence of the body under the form of eternity (V. xxiii.), for besides these two there is nothing which belongs to the essence of mind (II. xiii.). Therefore this power of conceiving things under the form of eternity only belongs to the mind in virtue of the mind's conceiving the essence of the body under the form of eternity. Q.E.D.

Note.--Things are conceived by us as actual in two ways; either as existing in relation to a given time and place, or as contained in God and following from the necessity of the divine nature. Whatsoever we conceive in this second way as true or real, we conceive under the form of eternity, and their ideas involve the eternal and infinite essence of God, as we showed in II. xlv. and note, which see.

Elements in Which 5P29 is Used
  1. 5P29  5p31d
  2. 5P29  5p32c
  3. 5P29  5p37d
  4. 5P29  5p38d
  5. 5P29  5p40c