Individual Elements

←5P22
5P24→

5P23

Elements Used in 5P23
  1. 5p22  5P23d
  2. 2p13  5P23d
  3. 2p8c  5P23d

Mens humana non potest cum corpore absolute destrui sed ejus aliquid remanet quod æternum est.

DEMONSTRATIO: In Deo datur necessario conceptus seu idea quæ corporis humani essentiam exprimit (per propositionem præcedentem) quæ propterea aliquid necessario est quod ad essentiam mentis humanæ pertinet (per propositionem 13 partis II). Sed menti humanæ nullam durationem quæ tempore definiri potest, tribuimus nisi quatenus corporis actualem existentiam quæ per durationem explicatur et tempore definiri potest, exprimit hoc est (per corollarium propositionis 8 partis II) ipsi durationem non tribuimus nisi durante corpore. Cum tamen aliquid nihilominus sit id quod æterna quadam necessitate per ipsam Dei essentiam concipitur (per propositionem præcedentem) erit necessario hoc aliquid quod ad mentis essentiam pertinet, æternum. Q.E.D.

SCHOLIUM: Est uti diximus hæc idea quæ corporis essentiam sub specie æternitatis exprimit, certus cogitandi modus qui ad mentis essentiam pertinet quique necessario æternus est. Nec tamen fieri potest ut recordemur nos ante corpus exstitisse quandoquidem nec in corpore ulla ejus vestigia dari nec æternitas tempore definiri nec ullam ad tempus relationem habere potest. At nihilominus sentimus experimurque nos æternos esse. Nam mens non minus res illas sentit quas intelligendo concipit quam quas in memoria habet. Mentis enim oculi quibus res videt observatque, sunt ipsæ demonstrationes. Quamvis itaque non recordemur nos ante corpus exstitisse, sentimus tamen mentem nostram quatenus corporis essentiam sub æternitatis specie involvit, æternam esse et hanc ejus existentiam tempore definiri sive per durationem explicari non posse. Mens igitur nostra eatenus tantum potest dici durare ejusque existentia certo tempore definiri potest quatenus actualem corporis existentiam involvit et eatenus tantum potentiam habet rerum existentiam tempore determinandi easque sub duratione concipiendi.

De menschelijke ziel kan niet gantschelijk met het lighaam vernietigt worden: maar daar blijft iets van de zelfde, dat eeuwig is.

Betoging.--In God is nootzakelijk zekere bevatting, of denkbeelt, 't welk de wezentheit van 't menschelijk lighaam uitdrukt, (volgens de voorgaande Voorstelling) de welke daaröm nootzakelijk iets is, dat tot de wezentheit van de menschelijke ziel behoort; volgens de dartiende Voorstelling van het tweede deel. Maar wy eigenen aan de menschelijke ziel geen during toe, die door de tijt bepaalt kan worden, dan voor zo veel zy de dadelijke wezentlijkheit van 't lighaam, die door de during verklaart word, en door de tijt bepaalt kan worden, uitdrukt: dat is, (volgens de Toegift van d'achtste Voorstelling in het tweede deel) wy eigenen daar aan geen during toe, dan terwijl het lighaam duurt. Dewijl 't echter iets is, 't welk wy door zekere eeuwige nootzakelijkheit door Gods wezentheit zelve bevatten, (volgens de voorgaande Voorstelling) zo zal nootzakelijk dit iets, 't welk tot de wezentheit der ziel behoort, eeuwig zijn: 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Dit denkbeelt, 't welk de wezentheit des lighaams, onder de gedaante der eeuwigheit, uitdrukt, is, gelijk wy gezegt hebben, zekere wijze van denken, die tot de wezentheit van de ziel behoort, en die nootzakelijk eeuwig is. En echter kan 't ons niet heugen dat wy, voor het lighaam, wezentlijk geweest hebben; dewijl 'er noch in 't lighaam enige voetstappen of speuren van die zaak zijn, noch d'eeuwigheit door de tijt bepaalt kan worden, noch enige betrekking tot de tijt hebben. Wy gevoelen en bevinden nochtans dat wy eeuwig zijn: want de ziel gevoelt niet minder die dingen, de welken zy met te verstaan bevat, als die zy in de geheugenis heeft; dewijl d'ogen der ziel, met de welken zy de dingen ziet en waarneemt, de betogingen zelven zijn. Dieshalven, hoewel ons niet heugt dat wy voor het lighaam wezentlijk geweest hebben, zo gevoelen wy echter dat onze ziel, voor zo veel zy de wezentheit des lighaams onder de gedaante van eeuwigheit insluit, eeuwig is, en dat deze haar wezentlijkheit niet door de tijt bepaalt, noch door de during verklaart kan worden. Onze ziel dan kan alleenlijk voor--zo veel gezegt worden te duren, en haar wezentlijkheit door zekere tijt bepaalt te worden, als zy de dadelijke wezentlijkheit des lighaams insluit; en voor zo veel heeft zy alleenlijk vermogen van de wezentheit der dingen door de tijt te bepalen, en onder de during te bevatten.

The human mind cannot be absolutely destroyed with the body, but there remains of it something which is eternal.

Proof.--There is necessarily in God a concept or idea, which expresses the essence of the human body (last Prop.), which, therefore, is necessarily something appertaining to the essence of the human mind (II. xiii.). But we have not assigned to the human mind any duration, definable by time, except in so far as it expresses the actual existence of the body, which is explained through duration, and may be defined by time--that is (II. viii. Coroll.), we do not assign to it duration, except while the body endures. Yet, as there is something, notwithstanding, which is conceived by a certain eternal necessity through the very essence of God (last Prop.); this something, which appertains to the essence of the mind, will necessarily be eternal. Q.E.D.

Note.--This idea, which expresses the essence of the body under the form of eternity, is, as we have said, a certain mode of thinking, which belongs to the essence of the mind, and is necessarily eternal. Yet it is not possible that we should remember that we existed before our body, for our body can bear no trace of such existence, neither can eternity be defined in terms of time, or have any relation to time. But, notwithstanding, we feel and know that we are eternal. For the mind feels those things that it conceives by understanding, no less than those things that it remembers. For the eyes of the mind, whereby it sees and observes things, are none other than proofs. Thus, although we do not remember that we existed before the body, yet we feel that our mind, in so far as it involves the essence of the body, under the form of eternity, is eternal, and that thus its existence cannot be defined in terms of time, or explained through duration. Thus our mind can only be said to endure, and its existence can only be defined by a fixed time, in so far as it involves the actual existence of the body. Thus far only has it the power of determining the existence of things by time, and conceiving them under the category of duration.

Elements in Which 5P23 is Used
  1. 5P23  5p29d
  2. 5P23  5p31d
  3. 5P23  5p38d
  4. 5P23  5p40c