Individual Elements

←5P19
5P21→

5P20

Elements Used in 5P20
  1. 4p28  5P20d
  2. 4p36  5P20d
  3. 4p37  5P20d
  4. 3daxxiii  5P20d
  5. 5p18  5P20d
  6. 3p35s  5P20d
  7. 3p31  5P20d
  8. 5p4s  5P20s
  9. 5p2  5P20s
  10. 5p7  5P20s
  11. 5p9  5P20s
  12. 5p10  5P20s
  13. 5p11  5P20s
  14. 5p12  5P20s
  15. 5p13  5P20s
  16. 5p14  5P20s
  17. 4p5  5P20s
  18. 2p47s  5P20s
  19. 5p3  5P20s
  20. 5p15  5P20s
  21. 2p45  5P20s
  22. 5p16  5P20s
  23. 3p1  5P20s
  24. 3p3  5P20s

Hic erga Deum amor neque invidiæ neque zelotypiæ affectu inquinari potest sed eo magis fovetur quo plures homines eodem amoris vinculo cum Deo junctos imaginamur.

DEMONSTRATIO: Hic erga Deum amor summum bonum est quod ex dictamine rationis appetere possumus (per propositionem 28 partis IV) et omnibus hominibus commune est (per propositionem 36 partis IV) et omnes ut eodem gaudeant cupimus (per propositionem 37 partis IV) atque adeo (per 23 affectuum definitionem) invidiæ affectu maculari nequit neque etiam (per propositionem 18 hujus et definitionem zelotypiæ, quam vide in scholio propositionis 35 partis III) zelotypiæ affectu sed contra (per propositionem 31 partis III) eo magis foveri debet quo plures homines eodem gaudere imaginamur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Possumus hoc eodem modo ostendere nullum dari affectum qui huic amori directe sit contrarius, a quo hic ipse amor possit destrui atque adeo concludere possumus hunc erga Deum amorem omnium affectuum est constantissimum nec quatenus ad corpus refertur, posse destrui nisi cum ipso corpore. Cujus autem naturæ sit quatenus ad solam mentem refertur, postea videbimus. Atque his omnia affectuum remedia sive id omne quod mens in se sola considerata adversus affectus potest, comprehendi; ex quibus apparet mentis in affectus potentiam consistere Iƒ in ipsa affectuum cognitione (vide scholium propositionis 4 hujus). IIƒ in eo quod affectus a cogitatione causæ externæ quam confuse imaginamur, separat (vide propositionem 2 cum eodem scholio propositionis 4 hujus). IIIƒ in tempore quo affectiones quæ ad res quas intelligimus referuntur, illas superant quæ ad res referuntur quas confuse seu mutilate concipimus (vide propositionem 7 hujus). IVƒ in multitudine causarum a quibus affectiones quæ ad rerum communes proprietates vel ad Deum referuntur, foventur (vide propositiones 9 et 11 hujus). Vƒ denique in ordine quo mens suos affectus ordinare et invicem concatenare potest (vide scholium propositionis 10 et insuper propositiones 12, 13 et 14 hujus). Sed ut hæc mentis in affectus potentia melius intelligatur, venit apprime notandum quod affectus a nobis magni appellantur quando unius hominis affectum cum affectu alterius comparamus et unum magis quam alium eodem affectu conflictari videmus; vel quando unius ejusdemque hominis affectus ad invicem comparamus eundemque uno affectu magis quam alio affici sive moveri comperimus. Nam (per propositionem 5 partis IV) vis cujuscunque affectus definitur potentia causæ externæ cum nostra comparata. At mentis potentia sola cognitione definitur; impotentia autem seu passio a sola cognitionis privatione hoc est ab eo per quod ideæ dicuntur inadæquatæ, æstimatur; ex quo sequitur mentem illam maxime pati cujus maximam partem ideæ inadæquatæ constituunt ita ut magis per id quod patitur quam per id quod agit dignoscatur et illam contra maxime agere cujus maximam partem ideæ adæquatæ constituunt ita ut quamvis huic tot inadæquatæ ideæ quam illi insint, magis tamen per illas quæ humanæ virtuti tribuuntur quam per has quæ humanam impotentiam arguunt, dignoscatur. Deinde notandum animi ægritudines et infortunia potissimum originem trahere ex nimio amore erga rem quæ multis variationibus est obnoxia et cujus nunquam compotes esse possumus. Nam nemo de re ulla nisi quam amat sollicitus anxiusve est neque injuriæ, suspiciones, inimicitiæ etc. oriuntur nisi ex amore erga res quarum nemo potest revera esse compos. Ex his itaque facile concipimus quid clara et distincta cognitio et præcipue tertium illud cognitionis genus (de quo vide scholium propositionis 47 partis II) cujus fundamentum est ipsa Dei cognitio, in affectus potest quos nempe quatenus passiones sunt, si non absolute tollit (vide propositionem 3 cum scholio propositionis 4 hujus) saltem efficit ut minimam mentis partem constituant (vide propositionem 14 hujus). Deinde amorem gignit erga rem immutabilem et æternam (vide propositionem 15 hujus) et cujus revera sumus compotes (vide propositionem 45 partis II) et qui propterea nullis vitiis quæ in communi amore insunt, inquinari sed semper major ac major esse potest (per propositionem 15 hujus) et mentis maximam partem occupare (per propositionem 16 hujus) lateque afficere. Atque his omnia quæ præsentem hanc vitam spectant, absolvi. Nam quod in hujus scholii principio dixi me his paucis omnia affectuum remedia amplexum esse, facile poterit unusquisque videre qui ad hæc quæ in hoc scholio diximus et simul ad mentis ejusque affectuum definitiones et denique ad propositiones 1 et 3 partis III attenderit. Tempus igitur jam est ut ad illa transeam quæ ad mentis durationem sine relatione ad corpus pertinent.

De liefde tot God kan door geen hartstocht van nijt, noch yverzucht besmet worden; maar word zo veel te meer aangevoed, als wy ons inbeelden dat 'er meer menschen met de zelfde bant van liefde met God te zamen gevoegt zijn.

Betoging.--Deze liefde tot God is het opperste goet, 't welk wy, volgens het Voorschrift van de reden, konnen begeren; volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van 't vierde deel: en dat aan alle menschen gemeen is; volgens de zesëndartigste Voorstelling van 't vierde deel: en 't welk wy begeren en wenschen dat alle menschen het zelfde mogen genieten; volgens de zevenëndartigste Voorstelling van 't vierde deel: en dat dieshalven (volgens de drieëntwintigste Bepaling der hartstochten) niet door de hartstocht van nijt besmet kan worden, noch ook (volgens d' achtiende Voorstelling van dit deel, en de Bepaling der yverzucht, die in 't Byvoegsel van de vijfëndartigste Voorstelling in 't darde deel te zien is) door de hartstocht van yverzucht: maar dat, in tegendeel, (volgens d' eenëndartigste Voorstelling van 't darde deel) zo veel te meer gevoed moet wor---den, als wy ons inbeelden dat meer menschen het zelfde genieten; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Wy konnen dan op de zelfde wijze tonen, dat 'er geen hartstocht is, die rechtstrijdig tegen deze liefde is, van de welk deze liefde zelf vernietigt kan worden: en dieshalven konnen wy besluiten dat deze liefde tot God de stantvastigste van alle is, en ook, voor zo veel zy tot het lighaam toegepast word, niet vernietigt kan worden, dan met het lighaam zelf. Maar van welke natuur zy is, voor zo veel zy tot de ziel alleen toegepast word; wy zullen dit hier na zien. En hier in heb ik alle hulpmiddelen der hartstochten, of al 't geen, 't welk de ziel, in zich alleen aangemerkt, tegen de hartstochten vermag, begrepen; uit het welk blijkt, dat het vermogen van de ziel over de hartstochten bestaat; eerstelijk in de kennis zelve der hartstochten; bezie het Byvoegsel van de vierde Voorstelling in dit deel: ten tweeden hier in, dat zy de hartstochten van de denking der uitterlijke oorzaak, die wy ons verwardelijk inbeelden, afscheid; bezie de tweede Voorstelling, met het zelfde Byvoegsel van de vierde Voorstelling in dit deel: ten darden in de tijt, daar in d' aandoeningen, de welken tot het geen toegepast worden, dat wy verstaan, die dingen overtreffen, de welken tot het geen toegepast worden, dat wy verwardelijk, of op een verminkte wijze bevatten; (bezie de zevende Voorstelling van dit deel: ten vierden in de menigte der oorzaken, van de welken d' aandoeningen, die men tot de gemene eigenschappen der dingen, of tot God toepast, gevoed en gesterkt worden; bezie de negendeen elfde Voorstellingen van dit deel: ten vijfden, en eindelijk in d' ordening, daar door de ziel haar hartstochten schikken, en onderling samenschakelen kan. Bezie het Bjvoegsel van de tiende Voorstelling, en daarënboven de twaalfde, dartiende en veertiende Voorstellingen van dit deel. Maar op dat men dit vermogen der ziel over de hartstochten te beter zou verstaan, zo staat voornamelijk aan te merken, dat wy de hartstochten groot noemen, als wy de hartstocht van een enig mensch met die van een ander vergelijken, en zien dat d' een meer, dan d' ander, van een zelfde hartstocht word bestreden, of als wy de hartstochten van een en de zelfde mensch onderling vergelijken, en bevinden, dat de zelfde meer van d'een, dan van d' ander, aangedaan, of bewogen word. Want, (volgens de vijfde Voorstelling van 't vierde deel) de kracht van yder--hartstocht word door 't vermogen van d'uitterlijke oorzaak, met het onze vergeleken, bepaalt. Maar het vermogen der ziel word door de kennis alleen bepaalt; en 't onvermogen, of de lijding word alleenlijk van de derving der kennis, dat is van 't geen, door 't welk de denkbeelden onëvenmatig gezegt worden, geschat. Hier uit volgt, dat die ziel meezt lijd, welker grootste deel uit onevenmatige denkbeelden bestaat; in voegen dat zy meer door het geen, dat zy lijd, dan door 't geen, dat zy doet, onderkent word: en in tegendeel, dat deze ziel meest werkt, welks grootste deel uit evenmatige denkbeelden bestaat; in voegen dat deze, schoon zy zo veel onëvenmatige denkbeelden, als d'andere, in zich heeft, echter meer door de genen, die aan de menschelijke deucht toegeëigent worden, dan door dezen, die 't menschelijk onvermogen aanwijzen, onderkent of gekent word. Wijders staat aan te merken, dat de qualen des gemoeds, en d'ongelukken voornamelijk hun oorsprong uit d' al te grote liefde tot een zaak trekken, die veel veränderingen onderworpen is, en die wy nooit machtig konnen worden. Want niemant is ooit voor enige zaak bekommert, en beängst, dan voor de gene, die hy bemint. D'ongelijken, achterdenkingen, vijantichappen, enz. spruiten ook nooit, dan uit liefde tot zaken, die niemant warelijk bezit. Hier uit dan bevatten wy lichtelijk wat een klare en onderscheide kennis, en voornamelijk deze darde slach van kennis, (bezie hier af het Byvoegsel van de zevenënveertigste Voorstelling in het tweede deel) van 't welk de kennis zelve van God de grontvest is, over de hartstochten vermag: want indien zy hen, namelijk voor zo veel zy lijdingen zijn, niet gantschelijk wechneemt, (bezie de darde Voorstelling, met het Byvoegsel van de vierde Voorstelling in dit deel) ten minsten maakt zy dat zy het minste deel van de ziel uitmaken. Bezie de veertiende Voorstelling van dit deel. Wijders, zy brengt een liefde tot een onveränderlijke en eeuwige zaak voort; bezie de vijftiende Voorstelling van dit deel: en die wy warelijk genieten; bezie de vijfënveertigste Voorstelling van het tweede deel. Zy kan dieshalven door geen gebreken, die in de gemene liefde plaats hebben, besmet, maar altijt groter en groter worden; volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel: en het grootste deel van de ziel beslaan, (volgens de zestiende Voorstelling in dit deel) en bredelijk aandoen. Hier meê heb ik alle de dingen, die tot dit tegenwoordig leven behoren, afgehandelt. Want wat het geen betreft, welk ik in 't begin van dit Byvoegsel gezegt heb, namelijk dat ik in dit weinige aile de hulpmid---delen der hartstochten heb begrepen, yder zal dit lichtelijk konnen zien, die op deze dingen merkt, de welken wy in dit Byvoegsel gezegt hebben, gelijk ook op de Bepalingen der ziel, en der zelfder hartstochten, en eindelijk op d'eerste en darde Voorstellingen van 't darde deel. 't Is dieshalven nu tijt dat ik tot die dingen overga, de welken tot de during der ziel, zonder betrekking tot het lighaam, behoren.

This love towards God cannot be stained by the emotion of envy or jealousy: contrariwise, it is the more fostered, in proportion as we conceive a greater number of men to be joined to God by the same bond of love.

Proof.--This love towards God is the highest good which we can seek for under the guidance of reason (IV. xxviii.), it is common to all men (IV. xxxvi.), and we desire that all should rejoice therein (IV. xxxvii.); therefore (Def. of the Emotions, xxiii.), it cannot be stained by the emotion envy, nor by the emotion of jealousy (V. xviii. see definition of Jealousy, III. xxxv. note); but, contrariwise, it must needs be the more fostered, in proportion as we conceive a greater number of men to rejoice therein. Q.E.D.

Note.--We can in the same way show, that there is no emotion directly contrary to this love, whereby this love can be destroyed; therefore we may conclude, that this love towards God is the most constant of all the emotions, and that, in so far as it is referred to the body, it cannot be destroyed, unless the body be destroyed also. As to its nature, in so far as it is referred to the mind only, we shall presently inquire.

I have now gone through all the remedies against the emotions, or all that the mind, considered in itself alone, can do against them. Whence it appears that the mind's power over the emotions consists:----

I. In the actual knowledge of the emotions (V. iv. note).

II. In the fact that it separates the emotions from the thought of an external cause, which we conceive confusedly (V. ii. and V. iv. note).

III. In the fact, that, in respect to time, the emotions referred to things, which we distinctly understand, surpass those referred to what we conceive in a confused and fragmentary manner (V. vii.).

IV. In the number of causes whereby those modifications are fostered, which have regard to the common properties of things or to God (V. ix. xi.).

V. Lastly, in the order wherein the mind can arrange and associate, one with another, its own emotions (V. x. note and xii. xiii. xiv.).

But, in order that this power of the mind over the emotions may be better understood, it should be specially observed that the emotions are called by us strong, when we compare the emotion of one man with the emotion of another, and see that one man is more troubled than another by the same emotion; or when we are comparing the various emotions of the same man one with another, and find that he is more affected or stirred by one emotion than by another. For the strength of every emotion is defined by a comparison of our own power with the power of an external cause. Now the power of the mind is defined by knowledge only, and its infirmity or passion is defined by the privation of knowledge only: it therefore follows, that that mind is most passive, whose greatest part is made up of inadequate ideas, so that it may be characterized more readily by its passive states than by its activities: on the other hand, that mind is most active, whose greatest part is made up of adequate ideas, so that, although it may contain as many inadequate ideas as the former mind, it may yet be more easily characterized by ideas attributable to human virtue, than by ideas which tell of human infirmity. Again, it must be observed, that spiritual unhealthiness and misfortunes can generally be traced to excessive love for something which is subject to many variations, and which we can never become masters of. For no one is solicitous or anxious about anything, unless he loves it; neither do wrongs, suspicions, enmities, &c. arise, except in regard to things whereof no one can be really master.

We may thus readily conceive the power which clear and distinct knowledge, and especially that third kind of knowledge (II. xlvii. note), founded on the actual knowledge of God, possesses over the emotions: if it does not absolutely destroy them, in so far as they are passions (V. iii. and iv. note); at any rate, it causes them to occupy a very small part of the mind (V. xiv.). Further, it begets a love towards a thing immutable and eternal (V. xv.), whereof we may really enter into possession (II. xlv.); neither can it be defiled with those faults which are inherent in ordinary love; but it may grow from strength to strength, and may engross the greater part of the mind, and deeply penetrate it.

And now I have finished with all that concerns this present life: for, as I said in the beginning of this note, I have briefly described all the remedies against the emotions. And this everyone may readily have seen for himself, if he has attended to what is advanced in the present note, and also to the definitions of the mind and its emotions, and, lastly, to Propositions i. and iii. of Part III. It is now, therefore, time to pass on to those matters, which appertain to the duration of the mind, without relation to the body.

Elements in Which 5P20 is Used

N/A