Individual Elements

←5P9
5P11→

5P10

Elements Used in 5P10
  1. 4p30  5P10d
  2. 4p27  5P10d
  3. 4p26  5P10d
  4. 2p40s2  5P10d
  5. 2p47s  5P10d
  6. 5p1  5P10d
  7. 5p7  5P10s
  8. 4p46  5P10s
  9. 4p46s  5P10s
  10. 2p18  5P10s
  11. 4p52  5P10s
  12. 5p6  5P10s
  13. 5p8  5P10s
  14. 4p63c  5P10s
  15. 3p59  5P10s

Quamdiu affectibus qui nostræ naturæ sunt contrarii, non conflictamur tamdiu potestatem habemus ordinandi et concatenandi corporis affectiones secundum ordinem ad intellectum.

DEMONSTRATIO: Affectus qui nostræ naturæ sunt contrarii hoc est (per propositionem 30 partis IV) qui mali sunt, eatenus mali sunt quatenus impediunt quominus mens intelligat (per propositionem 27 partis IV). Quamdiu igitur affectibus qui nostræ naturæ contrarii sunt, non conflictamur tamdiu mentis potentia qua res intelligere conatur (per propositionem 26 partis IV) non impeditur atque adeo tamdiu potestatem habet claras et distinctas ideas formandi et alias ex aliis deducendi (vide II scholium propositionis 40 et scholium propositionis 47 partis II) et consequenter (per propositionem 1 hujus) tamdiu potestatem habemus ordinandi et concatenandi affectiones corporis secundum ordinem ad intellectum. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hac potestate recte ordinandi et concatenandi corporis affectiones efficere possumus ut non facile malis affectibus afficiamur. Nam (per propositionem 7 hujus) major vis requiritur ad affectus secundum ordinem ad intellectum ordinatos et concatenatos cœrcendum quam incertos et vagos. Optimum igitur quod efficere possumus quamdiu nostrorum affectuum perfectam cognitionem non habemus, est rectam vivendi rationem seu certa vitæ dogmata concipere eaque memoriæ mandare et rebus particularibus in vita frequenter obviis continuo applicare ut sic nostra imaginatio late iisdem afficiatur et nobis in promptu sint semper. Exempli gratia inter vitæ dogmata posuimus (vide propositionem 46 partis IV cum ejusdem scholio) odium amore seu generositate vincendum, non autem reciproco odio compensandum. Ut autem hoc rationis præscriptum semper in promptu habeamus ubi usus erit, cogitandæ et sæpe meditandæ sunt communes hominum injuriæ et quomodo et qua via generositate optime propulsentur; sic enim imaginem injuriæ imaginationi hujus dogmatis jungemus et nobis (per propositionem 18 partis II) in promptu semper erit ubi nobis injuria afferetur. Quod si etiam in promptu habuerimus rationem nostri veri utilis ac etiam boni quod ex mutua amicitia et communi societate sequitur et præterea quod ex recta vivendi ratione summa animi acquiescentia oriatur (per propositionem 52 partis IV) et quod homines ut reliqua, ex naturæ necessitate agant, tum injuria sive odium quod ex eadem oriri solet, minimam imaginationis partem occupabit et facile superabitur; vel si ira quæ ex maximis injuriis oriri solet, non adeo facile superetur, superabitur tamen quamvis non sine animi fluctuatione, longe minore temporis spatio quam si hæc non ita præmeditata habuissemus, ut patet ex propositione 6, 7 et 8 hujus partis. De animositate ad metum deponendum eodem modo cogitandum est; enumeranda scilicet sunt et sæpe imaginanda communia vitæ pericula et quomodo animi præsentia et fortitudine optime vitari et superari possunt. Sed notandum quod nobis in ordinandis nostris cogitationibus et imaginibus semper attendendum est (per corollarium propositionis 63 partis IV et propositionem 59 partis III) ad illa quæ in unaquaque re bona sunt ut sic semper ex lætitiæ affectu ad agendum determinemur. Exempli gratia si quis videt se nimis gloriam sectari, de ejus recto usu cogitet et in quem finem sectanda sit et quibus mediis acquiri possit sed non de ipsius abusu et vanitate et hominum inconstantia vel aliis hujusmodi de quibus nemo nisi ex animi ægritudine cogitat; talibus enim cogitationibus maxime ambitiosi se maxime afflictant quando de assequendo honore quem ambiunt desperant et dum iram evomunt, sapientes videri volunt. Quare certum est eos gloriæ maxime esse cupidos qui de ipsius abusu et mundi vanitate maxime clamant. Nec hoc ambitiosis proprium sed omnibus commune est quibus fortuna est adversa et qui animo impotentes sunt. Nam pauper etiam, avarus de abusu pecuniæ et divitum vitiis non cessat loqui, quo nihil aliud efficit quam se afflictare et aliis ostendere se non tantum paupertatem suam sed etiam aliorum divitias iniquo animo ferre. Sic etiam qui male ab amasia excepti sunt, nihil aliud cogitant quam de mulierum inconstantia et fallaci animo et reliquis earundem decantatis vitiis quæ omnia statim oblivioni tradunt simulac ab amasia iterum recipiuntur. Qui itaque suos affectus et appetitus ex solo libertatis amore moderari studet, is quantum potest nitetur virtutes earumque causas noscere et animum gaudio quod ex earum vera cognitione oritur, implere; at minime hominum vitia contemplari hominesque obtrectare et falsa libertatis specie gaudere. Atque hæc qui diligenter observabit (neque enim difficilia sunt) et exercebit, næ ille brevi temporis spatio actiones suas ex rationis imperio plerumque dirigere poterit.

Zo lang wy van de hartstochten, die tegen onze natuur strijden, niet bestreden worden, zo lang hebben wy macht om d' aandoeningen des lighaams te schikken, en te zamen te schakelen, volgens d' ordening van het verstant.

Betoging.--De hartstochten, die tegen onze natuur strijden, dat is, (volgens de dartigste Voorstelling van 't vierde deel) die quaat zijn, zijn voor zo veel quaat, als zy beletten dat de ziel verstaat; volgens de zevenëndartigste Voorstelling van 't vierde deel. Zo lang als wy dan van de hartstochten, die tegen onze natuur strijden, niet bestreden worden, zo lang word het vermogen van de ziel, daar door zy poogt de zaken te verstaan, (volgens de zesentwintigste voorstelling van 't vierde deel) niet belet: en dieshalven heeft zy lange tijt macht van klare en onderscheide denkbeelden te vormen, en anderen van anderen af te leiden; bezie het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling, en het Byvoegsel, van de zevenënveertigste Voorstelling in het tweede deel: en by gevolg, (volgens d' eerste Voorstelling van dit deel) zo lang hebben wy macht van d'aandoeningen des lighaams te schikken, en te zamen te schakelen, volgens d'ordening van het verstant; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Door deze macht, van d'aandoeningen des lighaams wel en recht te schikken, en te zamen te schakelen, konnen wy uitwerken dat wy niet lichtelijk van de quade hartstochten aangedaan zullen worden. Want (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) daar word groter kracht verëischt om de hartstochten, die volgens d'ordening van 't verstant geschikt, en te zamen geschakelt zijn, dan om de genen, die onzeeker zijn, en zich in 't wilde verspreiden, te bedwingen. Het beste dan, dat wy doen konnen, zo lang wy geen volmaakte kennis van onze hartstochten hebben, is een rechte middel en wijze van te leven, of zekere leerstukken des levens te bevatten, en de zelfden in geheugenis te houden, en hen geduriglijk tot de bezondere dingen, die deurgaans in 't leven voorkomen, toe te passen; op dat zy over-vloediglijk plaats in onze inbeelding zouden krijgen, en wy hen altijt gereet hebben. Tot een voorbeelt, onder de leerstukken des levens hebben wy gestelt, (bezie de zesenveertigste Voorstelling van 't vierde deel, met der zelfder Bjvoegsel) dat men de haat door liefde, of door edelmoedigheit moet verwinnen, en niet met onderlinge haat vergelden. Doch op dat wy dit voorschrift van de reden altijt, daar het nodig is, in handen zouden hebben, zo moeten wy de gemene ongelijken en onbillijkheden der menschen bedenken, en dikwijls overwegen, en hoe, en op welke wijze wy hen best door edelmoedigheit zullen verdrijven. Want dus zullen wy het beelt van 't ongelijk met d'inbeelding van dit leerstuk te zamen voegen; en dus zullen wy 't (volgens d'achtiende Voorstelling van het tweede deel) altijt vaerdig hebben, daar ons ongelijk aangedaan zal worden. Indien wy ook de reden van onz ware nut, en daar beneffens van 't goet, 't welk uit d'onderlinge vrientschap, en gemene gezelligheit volgt, vaerdig en by der hant hebben; gelijk ook dit, dat uit de rechte wijze en middel van te lerven d'opperste gerustheit des gemoeds voortkoomt, (volgens de tweeënvijftigste Voorstelling van het tweede deel) en dat de menschen, gelijk d'andere dingen, uit nootzakelijkheit der natuur werken: zo zal het ongelijk, of de haat, die gemenelijk uit het ongelijk rijft, het minste deel van d'inbeelding beslaan, en lichtelijk overwonnen worden: of indien de gramschap, die gemenelijk uit de grootste ongelijken spruit, niet zo lichtelijk verwonnen word, zo zal zy echter, hoewel niet zonder enige vlotheit des gemoeds, in veel korter tijt verwonnen worden, dan als wy deze dingen niet--zo voorbedacht hadden; gelijk uit de zeste, zevende en achtste Voorstellingen van dit deel blijkt. Om de vrees te verdrijven, moet men op gelijke wijze de gedachten op de kloekmoedigheit vester: dat is, men moet de gevarelijkheden van 't gemeen leven optellen, en hen zich dikwijls inbeelden, en hoe zy door kloekhartigheit en vroomheit best gemijd en verwonnen konnen worden. Maar hier staat aan te merken, dat wy, in onze denkingen en beelden te schikken, altijt (volgens de Toegift van de drieënzestigste Voorstelling in 't vierde deel, en de negenënvyftigste Voorstelling van 't darde deel) op die dingen moeten letten, die in yder ding goet zijn, om dus altijt door de hartstocht van blijschap tot werken bepaalt te worden. Tot een voorbeelt, indien iemant ziet dat hy naar al te grote roem tracht, zo moet hy des zelfs recht gebruik bedenken, en tot welk einde de zelfde betracht, en door welke middelen verkregen kan worden, en niet op des zelfs misbruik en ydelheit denken, gelijk ook niet op de wispelturigheit der menschen, of op andere diergelijke middelen, daar op niemant denkt, dan uit zwakheit des gemoeds: want de genen, die meest roemzuchtig zijn, pijnigen zich meest met zodanige denkingen, als zy wanhopen in d'eer, daar zy naar trachten, te verkrijgen, en als zy, terwijl zy hun gramschap uitbraken, wijs willen schijnen. 't Is dan zeker dat de genen meest naar roem trachten, die meest tegen des zelfs misbruik, en tegen d'ydelheit des werrelts roepen. Dit is niet alleenlijk de roemzuchtigen eigen, maar gemeen aan alle de genen, die in tegenspoet zijn, en zich zelven niet konnen bestieren. Want d'arme zelf, gierig zijnde, houd niet op van 't misbruik van 't gelt, en van de gebreken der rijken te spreken; daar meê hy niets anders uitricht, dan dat hy zich zelf pijnigt, en aan anderen toont, dat hy niet alleenlijk zijn eige armoede, maar ook de rijkdommen der anderen onverduldiglijk draagt. In dezer voegen denken ook de genen, die van hun vrijster qualijk onthaalt zijn, nergens anders op, dan op d'ongestadigheit en bedriegelijkheit der vrouwen, en op hun andere gebreken, die dus uitgekreten worden; doch zy vergeten hen alle terstont, zo haast zy van hun vrijster weêr aangenomen zijn. De geen dan, die zijn hartstochten en begeerlijkheden alleenlijk naar de liefde tot de vryheit tracht te matigen, en te stieren, zal, zo veel als hem mogelijk is, pogen de deuchden, en hun oorzaken te kennen, en zijn ziel met vreucht, die uit hun ware kennis spruit, te vervullen, en geensins de gebreken der menschen t'aanschouwen, de menschen te lasteren, noch zich met de valsche schijn van vryheit--te verheugen. De geen dan, die deze dingen naerstiglijk zal waarneemen, (want zy zijn niet zwaar) en oeffenen, zal zekerlijk binnen korten tijt zijn doeningen deurgaans naar 't gebied van de reden konnen stieren.

So long as we are not assailed by emotions contrary to our nature, we have the power of arranging and associating the modifications of our body according to the intellectual order.

Proof.--The emotions, which are contrary to our nature, that is (IV. xxx.), which are bad, are bad in so far as they impede the mind from understanding (IV. xxvii.). So long, therefore, as we are not assailed by emotions contrary to our nature, the mind's power, whereby it endeavours to understand things (IV. xxvi.), is not impeded, and therefore it is able to form clear and distinct ideas and to deduce them one from another (II. xl. note. ii. and II. xlvii. note); consequently we have in such cases the power of arranging and associating the modifications of the body according to the intellectual order. Q.E.D.

Note.--By this power of rightly arranging and associating the bodily modifications we can guard ourselves from being easily affected by evil emotions. For (V. vii.) a greater force is needed for controlling the emotions, when they are arranged and associated according to the intellectual order, than when they, are uncertain and unsettled. The best we can do, therefore, so long as we do not possess a perfect knowledge of our emotions, is to frame a system of right conduct, or fixed practical precepts, to commit it to memory, and to apply it forthwith to the particular circumstances which now and again meet us in life, so that our imagination may become fully imbued therewith, and that it may be always ready to our hand. For instance, we have laid down among the rules of life (IV. xlvi. and note), that hatred should be overcome with love or high--mindedness, and not required with hatred in return. Now, that this precept of reason may be always ready to our hand in time of need, we should often think over and reflect upon the wrongs generally committed by men, and in what manner and way they may be best warded off by high--mindedness: we shall thus associate the idea of wrong with the idea of this precept, which accordingly will always be ready for use when a wrong is done to us (II. xviii.). If we keep also in readiness the notion of our true advantage, and of the good which follows from mutual friendships, and common fellowships; further, if we remember that complete acquiescence is the result of the right way of life ( IV. lii.), and that men, no less than everything else, act by the necessity of their nature: in such case I say the wrong, or the hatred, which commonly arises therefrom, will engross a very small part of our imagination and will be easily overcome; or, if the anger which springs from a grievous wrong be not overcome easily, it will nevertheless be overcome, though not without a spiritual conflict, far sooner than if we had not thus reflected on the subject beforehand. As is indeed evident from V. vi. vii. viii. We should, in the same way, reflect on courage as a means of overcoming fear; the ordinary dangers of life should frequently be brought to mind and imagined, together with the means whereby through readiness of resource and strength of mind we can avoid and overcome them. But we must note, that in arranging our thoughts and conceptions we should always bear in mind that which is good in every individual thing (IV. lxiii. Coroll. and III. lix.), in order that we may always be determined to action by an emotion of pleasure. For instance, if a man sees that he is too keen in the pursuit of honour, let him think over its right use, the end for which it should be pursued, and the means whereby he may attain it. Let him not think of its misuse, and its emptiness, and the fickleness of mankind, and the like, whereof no man thinks except through a morbidness of disposition; with thoughts like these do the most ambitious most torment themselves, when they despair of gaining the distinctions they hanker after, and in thus giving vent to their anger would fain appear wise. Wherefore it is certain that those, who cry out the loudest against the misuse of honour and the vanity of the world, are those who most greedily covet it. This is not peculiar to the ambitious, but is common to all who are ill--used by fortune, and who are infirm in spirit. For a poor man also, who is miserly, will talk incessantly of the misuse of wealth and of the vices of the rich; whereby he merely torments himself, and shows the world that he is intolerant, not only of his own poverty, but also of other people's riches. So, again, those who have been ill received by a woman they love think of nothing but the inconstancy, treachery, and other stock faults of the fair sex; all of which they consign to oblivion, directly they are again taken into favour by their sweetheart. Thus he who would govern his emotions and appetite solely by the love of freedom strives, as far as he can, to gain a knowledge of the virtues and their causes, and to fill his spirit with the joy which arises from the true knowledge of them: he will in no wise desire to dwell on men's faults, or to carp at his fellows, or to revel in a false show of freedom. Whosoever will diligently observe and practise these precepts (which indeed are not difficult) will verily, in a short space of time, be able, for the most part, to direct his actions according to the commandments of reason.

Elements in Which 5P10 is Used
  1. 5P10  5p20s
  2. 5P10  5p39d