Individual Elements

←4P72
5A1→

4P73

Elements Used in 4P73
  1. 4p63  4P73d
  2. 4p66s  4P73d
  3. 4p37  4P73d
  4. 4p37s2  4P73d
  5. 3p59s  4P73s
  6. 4p37  4P73s
  7. 4p46  4P73s
  8. 4p50s  4P73s

Homo qui ratione ducitur magis in civitate ubi ex communi decreto vivit quam in solitudine ubi sibi soli obtemperat, liber est.

DEMONSTRATIO: Homo qui ratione ducitur, non ducitur metu ad obtemperandum (per propositionem 63 hujus) sed quatenus suum esse ex rationis dictamine conservare conatur hoc est (per scholium propositionis 66 hujus) quatenus libere vivere conatur, communis vitæ et utilitatis rationem tenere (per propositionem 37 hujus) et consequenter (ut in scholio II propositionis 37 hujus ostendimus) ex communi civitatis decreto vivere cupit. Cupit ergo homo qui ratione ducitur, ut liberius vivat, communia civitatis jura tenere. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc et similia quæ de vera hominis libertate ostendimus, ad fortitudinem hoc est (per scholium propositionis 59 partis III) ad animositatem et generositatem referuntur. Nec operæ pretium duco omnes fortitudinis proprietates hic separatim demonstrare et multo minus quod vir fortis neminem odio habeat, nemini irascatur, invideat, indignetur, neminem despiciat minimeque superbiat. Nam hæc et omnia quæ ad veram vitam et religionem spectant, facile ex propositione 37 et 46 hujus partis convincuntur nempe quod odium amore contra vincendum sit et quod unusquisque qui ratione ducitur, bonum quod sibi appetit, reliquis etiam ut sit, cupiat. Ad quod accedit id quod in scholio propositionis 50 hujus partis et aliis in locis notavimus quod scilicet vir fortis hoc apprime consideret nempe quod omnia ex necessitate divinæ naturæ sequantur ac proinde quicquid molestum et malum esse cogitat et quicquid præterea impium, horrendum, injustum et turpe videtur, ex eo oritur quod res ipsas perturbate, mutilate et confuse concipit et hac de causa apprime conatur res ut in se sunt, concipere et veræ cognitionis impedimenta amovere ut sunt odium, ira, invidia, irrisio, superbia et reliqua hujusmodi quæ in præcedentibus notavimus atque adeo quantum potest conatur uti diximus bene agere et lætari. Quousque autem humana virtus ad hæc consequenda se extendat et quid possit in sequenti parte demonstrabo.

Een mensch, die door reden geleid word, is meer vry in een Staat, daar in men naar 't gemeen besluit leeft, dan in d' eensaamheit, daar hy zich zelf alleen gehoorzaamt.

Betoging.--De mensch, die de reden volgt, word niet door vrees tot gehoorzamen geleid; (volgens de drieënzestigste Voorstelling van dit--deel) maar voor zo veel hy, volgens het voorschrift van de reden, zijn wezen poogt te behouden; dat is, (volgens het Byvoegsel van de ze sënzestigste Voorstelling in dit deel) voor zo veel hy vry poogt te leven, de reden en regel van 't gemeen leven, en de gemene nuttigheit begeert te behouden, (volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) en by gevolg (gelijk wy in het tweede Byvoegsel van de zevenëndartigste Voorstelling in dit deel getoont hebben) naar 't gemeen besluit van de Staat te leven. De mensch dan, die door reden geleid word, begeert de gemene rechten van de Staat, t' onderhouden, om vrijer te leven; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze en diergelijke dingen, die wy van de ware vrijheit van de mensch getoont hebben, worden tot de vroomheit, dat is, (volgens het Byvoegsel van de negenënvijstigste Voorstelling in 't darde deel) tot de kloekmoedigheit en edelmoedigheit toegepast. Ik acht het ook niet nodig hier alle d'eigenschappen der vroomheit bezonderlijk te betogen, en veel minder dat een vroom man niemant haat, op niemant vergramt word, niemant benijd, zich tegen niemant kant, niemant versmaad, en geensins verwaant word. Want deze, en alle dingen, die hun opzicht op het ware leven, en de ware Godsdienst hebben, worden lichtelijk uit de zevenëndartigste en zesënveertigste Voorstelling van dit deel bewezen: namelijk, dat de haat door liefde word verwonnen, en dat yder, die door de reden geleid word, het goet, 't welk hy voor zich zelf betracht, ook voor d' anderen begeert. Daar noch dit bykoomt, 't welk wy in 't Byvoegsel van de vijftigste Voorstelling in dit deel, en in andere plaatsen aangemerkt hebben; te weten dat een vroom man dit voornamelijk aanmerkt, te weten dat alle dingen uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur volgen, en dieshalven, dat al 't geen, 't welk hy acht lastig en quaat te zijn, en wijders dat alles, 't welk boos, schrikkelijk, onrechtvaerdig en schandelijk schijnt, hier uit voortkoomt, dat hy de dingen zelven onördentlijk, verminktelijk en verwardelijk bevat; en dat hy om deze oorzaak voornamelijk poogt de dingen, gelijk zy in zich zijn, te bevatten, en de beletselen van de ware kennis te verdrijven; gelijk daar zijn de haat, gramschap, nijt, bespotting, verwaantheit, en andere diergelijken, die wy in 't voorgaande aangemerkt hebben: hy poogt dan, zo veel als hem mogelijk is, gelijk wy gezegt hebben, wel te doen, en vrolijk te wezen. Maar hoe verre de menschelijke deucht zich uitstrekt om deze dingen te verkrijgen, en wat zy vermag, zal ik in 't volgende deel betogen.

The man, who is guided by reason, is more free in a State, where he lives under a general system of law, than in solitude, where he is independent.

Proof.--The man, who is guided by reason, does not obey through fear (IV. lxiii.): but, in so far as he endeavours to preserve his being according to the dictates of reason, that is (IV. lxvi. note), in so far as he endeavours to live in freedom, he desires to order his life according to the general good (IV. xxxvii.), and, consequently (as we showed in IV. xxxvii. note. ii.), to live according to the laws of his country. Therefore the free man, in order to enjoy greater freedom, desires to possess the general rights of citizenship. Q.E.D.

Note.--These and similar observations, which we have made on man's true freedom, may be referred to strength, that is, to courage and nobility of character (III. lix. note). I do not think it worth while to prove separately all the properties of strength; much less need I show, that he that is strong hates no man, is angry with no man, envies no man, is indignant with no man, despises no man, and least of all things is proud. These propositions, and all that relate to the true way of life and religion, are easily proved from IV. xxxvii. and IV. xlvi.; namely, that hatred should be overcome with love, and that every man should desire for others the good which he seeks for himself. We may also repeat what we drew attention to in the note to IV. l., and in other places; namely, that the strong man has ever first in his thoughts, that all things follow from the necessity of the divine nature; so that whatsoever he deems to be hurtful and evil, and whatsoever, accordingly, seems to him impious, horrible, unjust, and base, assumes that appearance owing to his own disordered, fragmentary, and confused view of the universe. Wherefore he strives before all things to conceive things as they really are, and to remove the hindrances to true knowledge, such as are hatred, anger, envy, derision, pride, and similar emotions, which I have mentioned above. Thus he endeavours, as we said before, as far as in him lies, to do good, and to go on his way rejoicing. How far human virtue is capable of attaining to such a condition, and what its powers may be, I will prove in the following Part.

Elements in Which 4P73 is Used

N/A