Individual Elements

←4P61
4P63→

4P62

Elements Used in 4P62
  1. 2p44c2  4P62d
  2. 2p43  4P62d
  3. 2p43s  4P62d
  4. 2p41  4P62d
  5. 2d4  4P62d
  6. 2p31  4P62s
  7. 2p44s  4P62s
  8. 4p16  4P62s

Quatenus mens ex rationis dictamine res concipit, æque afficitur sive idea sit rei futuræ vel præteritæ sive præsentis.

DEMONSTRATIO: Quicquid mens ducente ratione concipit, id omne sub eadem æternitatis seu necessitatis specie concipit (per corollarium II propositionis 44 partis II) eademque certitudine afficitur (per propositionem 43 partis II et ejus scholium). Quare sive idea sit rei futuræ vel præteritæ sive præsentis, mens eadem necessitate rem concipit eademque certitudine afficitur et sive idea sit rei futuræ vel præteritæ sive præsentis, erit nihilominus æque vera (per propositionem 41 partis II) hoc est (per definitionem 4 partis II) habebit nihilominus semper easdem ideæ adæquatæ proprietates atque adeo quatenus mens ex rationis dictamine res concipit, eodem modo afficitur sive idea sit rei futuræ vel præteritæ sive præsentis. Q.E.D.

SCHOLIUM: Si nos de rerum duratione adæquatam cognitionem habere earumque existendi tempora ratione determinare possemus, eodem affectu res futuras ac præsentes contemplaremur et bonum quod mens ut futurum conciperet, perinde ac præsens appeteret et consequenter bonum præsens minus pro majore bono futuro necessario negligeret et quod in præsenti bonum esset sed causa futuri alicujus mali, minime appeteret, ut mox demonstrabimus. Sed nos de duratione rerum (per propositionem 31 partis II) non nisi admodum inadæquatam cognitionem habere possumus et rerum existendi tempora (per scholium propositionis 44 partis II) sola imaginatione determinamus quæ non æque afficitur imagine rei præsentis ac futuræ; unde fit ut vera boni et mali cognitio quam habemus non nisi abstracta sive universalis sit et judicium quod de rerum ordine et causarum nexu facimus ut determinare possimus quid nobis in præsenti bonum aut malum sit, sit potius imaginarium quam reale atque adeo mirum non est si cupiditas quæ ex boni et mali cognitione quatenus hæc futurum prospicit, oritur, facilius rerum cupiditate quæ in præsentia suaves sunt, coerceri potest, de quo vide propositionem 16 hujus partis.

Voor zo veel de ziel naar het voorschrift van de reden de zaken bevat, zo word zy ook op de zelfde wijze aangedaan, 't zy het een denkbeelt van een toekomende, of verlede, of tegenwoordige zaak is.

Betoging.--Al 't geen, 't welk de ziel, door 't beleit van de reden, bevat, bevat zy onder een zelfde gedaante van eeuwigheit, of van nootzakelijkheit, (volgens de tweede Toegift van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) en word met de zelfde zekerheit aangedaan; volgens de drieënveertigste Voorstelling van het tweede deel, en der zelfder Byvoegsel: dieshalven, 't zy het denkbeelt van een toekomende, of verlede, of tegenwoordige zaak is, de ziel bevat de zaak met de zelfde nootzakelijkheit, en word met de zelfde zekerheit aangedaan; en 't zy het denkbeelt van een toekomende, verlede, of tegenwoordige zaak is, zy zal echter even waar zijn; (volgen d' eenënveertigste Voorstelling van het tweede deel) dat is, (volgens de vierde Bepaling in het tweede deel) zy zal echter altijt de zelfde eigenschappen van 't evenmatig denkbeelt hebben; en word dieshalven, voor zo veel de ziel de zaken naar het voorschrift van de reden bevat, op de zelfde wijze aangedaan, 't zy het denkbeelt van een toekomende, verlede, of tegenwoordige zaak is; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Indien wy een evenmatige kennis van de during der dingen konden hebben, en hun tijden van wezentlijk te zijn naar de reden bepalen, zo zouden wy de toekomende en tegenwoordige dingen met een zelfde hartstocht aanschouwen, en het goede, 't welk de ziel als toekomende bevat, even als tegenwoordig, betrachten, en by gevolg het tegenwoordig minder goet om een groter toekomend goet nootzakelijk verwarelozen, en geensins het geen, dat tegenwoordiglijk wel goet is, maar echter d' oorzaak van enig toekomend quaat, begeren; gelijk wy terstont hier na zullen betogen. Maar wy konnen van de during der dingen (volgens d' eenëndartigste Voorstelling van het tweede deel) geen, dan een zeer onëvenmatige, kennis hebben; en wy bepalen de tijden der dingen van we---zentlijk te zijn (volgens het Byvoegsel van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) alleenlijk door d' inbeelding, die niet even zeer door het beelt van een tegenwoordige, als van een toekomende zaak aangedaan word. Hier uit spruit het dat de ware kennis van 't goet en quaat, welke wy hebben, niets anders, dan afgetrokken, of algemeen is, en dat het oordeel, 't welk wy van d' ordening der dingen, en van de samenknoping der oorzaken doen, op dat wy zouden konnen bepalen wat tegenwoordiglijk goet of quaat voor ons is, eerder inbeeldig, dan zakelijk is. 't Is dieshalven geen wonder, zo de begeerte, die uit de kennis van 't goet en quaat spruit, voor zo veel de zelfde op het toekomende ziet, lichtelijker door de begeerte der dingen, die tegenwoordiglijk zoet en lieffelijk zijn, ingetoomt kan worden. Bezie hier af d' achtiende Voorstelling van dit deel.

In so far as the mind conceives a thing under the dictates of reason, it is affected equally, whether the idea be of a thing future, past, or present.

Proof.--Whatsoever the mind conceives under the guidance of reason, it conceives under the form of eternity or necessity (II. xliv. Coroll. ii.), and is therefore affected with the same certitude (II. xliii. and note). Wherefore, whether the thing be present, past, or future, the mind conceives it under the same necessity and is affected with the same certitude; and whether the idea be of something present, past, or future, it will in all cases be equally true (II. xli.); that is, it will always possess the same properties of an adequate idea (II. Def. iv.); therefore, in so far as the mind conceives things under the dictates of reason, it is affected in the same manner, whether the idea be of a thing future, past, or present. Q.E.D.

Note.--If we could possess an adequate knowledge of the duration of things, and could determine by reason their periods of existence, we should contemplate things future with the same emotion as things present; and the mind would desire as though it were present the good which it conceived as future; consequently it would necessarily neglect a lesser good in the present for the sake of a greater good in the future, and would in no wise desire that which is good in the present but a source of evil in the future, as we shall presently show. However, we can have but a very inadequate knowledge of the duration of things (II. xxxi.); and the periods of their existence (II. xliv. note.) we can only determine by imagination, which is not so powerfully affected by the future as by the present. Hence such true knowledge of good and evil as we possess is merely abstract or general, and the judgment which we pass on the order of things and the connection of causes, with a view to determining what is good or bad for us in the present, is rather imaginary than real. Therefore it is nothing wonderful, if the desire arising from such knowledge of good and evil, in so far as it looks on into the future, be more readily checked than the desire of things which are agreeable at the present time. (Cf. IV. xvi.)

Elements in Which 4P62 is Used
  1. 4P62  4p66d