Individual Elements

←4P56
4P58→

4P57

Elements Used in 4P57
  1. 3daxxviii  4P57d
  2. 3davi  4P57d
  3. 3p13s  4P57d
  4. 3p55s  4P57s
  5. 3p41s  4P57s

Superbus parasitorum seu adulatorum præsentiam amat, generosorum autem odit.

DEMONSTRATIO: Superbia est lætitia orta ex eo quod homo de se plus justo sentit (per definitiones 28 et 6 affectuum) quam opinionem homo superbus quantum potest fovere conabitur (vide scholium propositionis 13 partis III) adeoque superbi parasitorum vel adulatorum (horum definitiones omisi quia nimis noti sunt) præsentiam amabunt et generosorum qui de ipsis ut par est, sentiunt, fugient. Q.E.D.

SCHOLIUM: Nimis longum foret hic omnia superbiæ mala enumerare quandoquidem omnibus affectibus obnoxii sunt superbi sed nullis minus quam affectibus amoris et misericordiæ. Sed hic minime tacendum est quod ille etiam superbus vocetur qui de reliquis minus justo sentit atque adeo hoc sensu superbia definienda est quod sit lætitia orta ex falsa opinione quod homo se supra reliquos esse putat. Et abjectio huic superbiæ contraria definienda esset tristitia orta ex falsa opinione quod homo se infra reliquos esse credit. At hoc posito facile concipimus superbum necessario esse invidum (vide scholium propositionis 55 partis III) et eos maxime odio habere qui maxime ob virtutes laudantur nec facile eorum odium amore aut beneficio vinci (vide scholium propositionis 41 partis III) et eorum tantummodo præsentia delectari qui animo ejus impotenti morem gerunt et ex stulto insanum faciunt.

Abjectio quamvis superbiæ sit contraria, est tamen abjectus superbo proximus. Nam quandoquidem ejus tristitia ex eo oritur quod suam impotentiam ex aliorum potentia seu virtute judicat, levabitur ergo ejus tristitia hoc est lætabitur si ejus imaginatio in alienis vitiis contemplandis occupetur, unde illud proverbium natum: solamen miseris socios habuisse malorum; et contra eo magis contristabitur quo se magis infra reliquos esse crediderit; unde fit ut nulli magis ad invidiam sint proni quam abjecti et ut isti maxime hominum facta observare conentur ad carpendum magis quam ad eadem corrigendum et ut tandem solam abjectionem laudent eaque glorientur sed ita ut tamen abjecti videantur. Atque hæc ex hoc affectu tam necessario sequuntur quam ex natura trianguli quod ejus tres anguli æquales sint duobus rectis et jam dixi me hos et similes affectus malos vocare quatenus ad solam humanam utilitatem attendo. Sed naturæ leges communem naturæ ordinem cujus homo pars est, respiciunt; quod hic in transitu monere volui ne quis putaret me hic hominum vitia et absurda facta narrare, non autem rerum naturam et proprietates demonstrare voluisse. Nam ut in præfatione partis tertiæ dixi, humanos affectus eorumque proprietates perinde considero ac reliqua naturalia. Et sane humani affectus si non humanam, naturæ saltem potentiam et artificium non minus indicant quam multa alia quæ admiramur quorumque contemplatione delectamur. Sed pergo de affectibus ea notare quæ hominibus utilitatem adferunt vel quæ iisdem damnum inferunt.

De verwaande bemint de tegenwoordigheit der vleiders en pluimstrijkers, en haat d'edelmoedigen.

Betoging.--De verwaantheit is een blijschap, hier uit gesproten, dat de mensch hoger, dan billijk is, van zich gevoelt; volgens d'achtentwintigste en zeste Bepaling der hartstochten: en een verwaant mensch zal pogen, zo veel als hem mogelijk is, deze waan te voeden; bezie het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel. De verwaanden dan zullen de tegenwoordigheit der vleiders en pluimstrijkers (welker Bepaling ik nagelaten heb, om dat zy al te wel bekent zijn) beminnen, en die van d'edelmoedigen, de welken van zich zelven gevoelen naar dat het billijk is, vlieden.

Byvoegsel.--Alle de quaden van de verwaantheit hier op te tellen zou al te langwijlig wezen: dewijl de verwaanden alle de hartstochten onderworpen zijn; doch geen minder, dan de hartstochten van liefde en barmhartigheit. Maar hier staat geensins te verzwijgen, dat deze ook verwaant word genoemt, die van anderen laeger, dan billijk is, gevoelt. En dieshalven moet de verwaantheit dus bepaalt worden, dat zy een blijschap is, uit een valsche waan gesproten van dat de mensch zich hoger, dan anderen, acht. De nederslachtigheit, rechtstrijdig tegen deze verwaantheit, zou dus bepaalt konnen worden, dat zy een droefheit is, uit een valsche waan gesproten, van dat de mensch zich laeger, dan anderen, acht. Uit deze stelling konnen wy lichtelijk bevatten, dat de verwaande nootzakelijk nijdig moet wezen, (bezie het Byvoegsel van de vijfënvijftigste Voorstelling in 't darde deel) en voornamentlijk de genen haten, die, om hun deuchden, hoogst geprezen zijn, en dat hun haat niet lichtelijk door liefde, of weldaat verwonnen kan worden, (bezie het Byvoegsel van d'eenënveertigste Voorstelling in 't darde deel) en dat zy alleenlijk door de tegenwoordigheit der gener, die hen in hun onmachtig gemoed volgen, vermaak scheppen, en hen van zotten tot ontzinnigen maken.--Wat de nederslachtigheit aangaat, hoewel zy rechtstrijdig tegen de verwaantheit is, zo is echter de nederslachtige naast aan de verwaande. Want dewijl zijn droefheit hier uit spruit, dat hy zijn onmacht naar eens anders vermogen, of deucht oordeelt, zo zal zijn droefheit verlicht worden; dat is, hy zal zich verblijden, zo zijn inbeelding zich bezich houd in de gebreken van anderen t'aanschouwen. En hier uit spruit dit spreekwoort: Medegezellen in 't quaat te hebben is een vertroosting voor d'elendigen. In tegendeel, hy zal zich zo veel te meer bedroeven, als hy zich minder dan d'anderen acht. Hier uit spruit het, dat'er geen meerder tot nijt zijn genegen, dan de nederslachtigen, en dat de zodanigen meest pogen de werken der menschen waar te nemen, meer om hen te berispen, dan om hen te verbeteren, en eindelijk, dat zy de nederslachtigheit alleen prijzen, en daar op roemen; maar in dier voegen, dat zy echter nederslachtig schijnen. Deze dingen volgen uit deze hartstocht zo nootzakelijk, als uit de natuur van de driehoek, dat zijn driehoeken even groot zijn als twee rechten. Ik heb alreê gezegt, dat ik deze en diergelijke hartstochten quaat noem, voor zo veel ik op de menschelijke nuttigheit alleen merk: maar dat de wetten der natuur hun opzicht op de gemene ordening der natuur hebben, van de welke de mensch een deel is: 't welk ik hier, als in 't voorbygaan, heb willen vermanen, op dat niemant zou achten, dat ik hier de gebreken der menschen, en hun ongerijmde werken heb willen verhalen, en niet de natuur en eigenschappen der dingen betogen. Want, gelijk ik in de Voorreeden van 't darde deel gezegt heb, ik aanmerk de menschelijke hartstochten, en hun eigenschappen even als d'andere naturelijke dingen. En zeker, de menschelijke hartstochten wijzen, is 't niet het menschelijk vermogen, ten minsten dat van de natuur, en de kunst, niet minder aan, dan veel andere dingen, over de welken wy verwondert zijn, en door welker beschouwing wy verheugt worden. Maar ik ga voort met die dingen van de hartstochten aan te merken, de welken den menschen nuttigheit toebrengen, of hen schade aandoen.

The proud man delights in the company of flatterers and parasites, but hates the company of the high--minded.

Proof.--Pride is pleasure arising from a man's over estimation of himself (Def. of the Emotions, xxviii. and vi.); this estimation the proud man will endeavour to foster by all the means in his power (III. xiii. note); he will therefore delight in the company of flatterers and parasites (whose character is too well known to need definition here), and will avoid the company of high--minded men, who value him according to his deserts. Q.E.D.

Note.--It would be too long a task to enumerate here all the evil results of pride, inasmuch as the proud are a prey to all the emotions, though to none of them less than to love and pity. I cannot, however, pass over in silence the fact, that a man may be called proud from his underestimation of other people; and, therefore, pride in this sense may be defined as pleasure arising from the false opinion, whereby a man may consider himself superior to his fellows. The dejection, which is the opposite quality to this sort of pride, may be defined as pain arising from the false opinion, whereby a man may think himself inferior to his fellows. Such being the ease, we can easily see that a proud man is necessarily envious (III. xli. note), and only takes pleasure in the company, who fool his weak mind to the top of his bent, and make him insane instead of merely foolish.

Though dejection is the emotion contrary to pride, yet is the dejected man very near akin to the proud man. For, inasmuch as his pain arises from a comparison between his own infirmity and other men's power or virtue, it will be removed, or, in other words, he will feel pleasure, if his imagination be occupied in contemplating other men's faults; whence arises the proverb, "The unhappy are comforted by finding fellow--sufferers." Contrariwise, he will be the more pained in proportion as he thinks himself inferior to others; hence none are so prone to envy as the dejected, they are specially keen in observing men's actions, with a view to fault--finding rather than correction, in order to reserve their praises for dejection, and to glory therein, though all the time with a dejected air. These effects follow as necessarily from the said emotion, as it follows from the nature of a triangle, that the three angles are equal to two right angles. I have already said that I call these and similar emotions bad, solely in respect to what is useful to man. The laws of nature have regard to nature's general order, whereof man is but a part. I mention this, in passing, lest any should think that I have wished to set forth the faults and irrational deeds of men rather than the nature and properties of things. For, as I said in the preface to the third Part, I regard human emotions and their properties as on the same footing with other natural phenomena. Assuredly human emotions indicate the power and ingenuity, of nature, if not of human nature, quite as fully as other things which we admire, and which we delight to contemplate. But I pass on to note those qualities in the emotions, which bring advantage to man, or inflict injury upon him.

Elements in Which 4P57 is Used

N/A