Individual Elements

←4P34
4P36→

4P35

Elements Used in 4P35
  1. 4p33  4P35d
  2. 4p34  4P35d
  3. 3p3  4P35d
  4. 3d2  4P35d
  5. 4p19  4P35d
  6. 2p41  4P35d
  7. 4p31c  4P35d
  8. 4p31c  4P35c1
  9. 3d2  4P35c1
  10. 4p35  4P35c1
  11. 4p20  4P35c2
  12. 4d8  4P35c2
  13. 3p3  4P35c2
  14. 4p35  4P35c2
  15. 4p35c1  4P35c2

Quatenus homines ex ductu rationis vivunt eatenus tantum natura semper necessario conveniunt.

DEMONSTRATIO: Quatenus homines affectibus qui passiones sunt, conflictantur, possunt esse natura diversi (per propositionem 33 hujus) et invicem contrarii (per propositionem præcedentem). Sed eatenus homines tantum agere dicuntur quatenus ex ductu rationis vivunt (per propositionem 3 partis III) atque adeo quicquid ex humana natura quatenus ratione definitur, sequitur id (per definitionem 2 partis III) per solam humanam naturam tanquam per proximam suam causam debet intelligi. Sed quia unusquisque ex suæ naturæ legibus id appetit quod bonum et id amovere conatur quod malum esse judicat (per propositionem 19 hujus) et cum præterea id quod ex dictamine rationis bonum aut malum esse judicamus, necessario bonum aut malum sit (per propositionem 41 partis II). Ergo homines quatenus ex ductu rationis vivunt eatenus tantum ea necessario agunt quæ humanæ naturæ et consequenter unicuique homini necessario bona sunt hoc est (per corollarium propositionis 31 hujus) quæ cum natura uniuscujusque hominis conveniunt atque adeo homines etiam inter se quatenus ex ductu rationis vivunt, necessario semper conveniunt. Q.E.D.

COROLLARIUM I: Nihil singulare in rerum natura datur quod homini sit utilius quam homo qui ex ductu rationis vivit. Nam id homini utilissimum est quod cum sua natura maxime convenit (per corollarium propositionis 31 hujus) hoc est (ut per se notum) homo. At homo ex legibus suæ naturæ absolute agit quando ex ductu rationis vivit (per definitionem 2 partis III) et eatenus tantum cum natura alterius hominis necessario semper convenit (per propositionem præcedentem); ergo homini nihil inter res singulares utilius datur quam homo etc. Q.E.D.

COROLLARIUM II: Cum maxime unusquisque homo suum sibi utile quærit, tum maxime homines sunt sibi invicem utiles. Nam quo magis unusquisque suum utile quærit et se conservare conatur eo magis virtute præditus est (per propositionem 20 hujus) sive quod idem est (per definitionem 8 hujus) eo majore potentia præditus est ad agendum ex suæ naturæ legibus hoc est (per propositionem 3 partis III) ad vivendum ex ductu rationis. At homines tum maxime natura conveniunt cum ex ductu rationis vivunt (per propositionem præcedentem); ergo (per præcedens corollarium) tum maxime homines erunt sibi invicem utiles cum maxime unusquisque suum utile sibi quærit. Q.E.D.

SCHOLIUM: Quæ modo ostendimus, ipsa etiam experientia quotidie tot tamque luculentis testimoniis testatur ut omnibus fere in ore sit : hominem homini Deum esse. Fit tamen raro ut homines ex ductu rationis vivant sed cum iis ita comparatum est ut plerumque invidi atque invicem molesti sint. At nihilominus vitam solitariam vix transigere queunt ita ut plerisque illa definitio quod homo sit animal sociale, valde arriserit et revera res ita se habet ut ex hominum communi societate multo plura commoda oriantur quam damna. Rideant igitur quantum velint res humanas satyrici easque detestentur theologi et laudent quantum possunt melancholici vitam incultam et agrestem hominesque contemnant et admirentur bruta; experientur tamen homines mutuo auxilio ea quibus indigent multo facilius sibi parare et non nisi junctis viribus pericula quæ ubique imminent, vitare posse; ut jam taceam quod multo præstabilius sit et cognitione nostra magis dignum hominum quam brutorum facta contemplari. Sed de his alias prolixius.

Voor zo veel de menschen naar 't beleit van de reden leven, voor zo veel alleenlijk komen zy altijt nootzakelijk in natuur overëen.

Betoging.--Voor zo veel de menschen van hartstochten, die lijdingen zijn, bestreden worden, voor zo veel konnen zy verscheiden van natuur, (volgens de drieëndartigste Voorstelling van dit deel) en strijdig tegen malkander wezen; volgens de voorgaande Voorstelling. Maar de menschen worden gezegt alleenlijk voor zo veel te werken, als zy naar 't beleit der reden leven; volgens de darde Voorstelling van 't darde deel. En dieshalven, al 't geen, dat uit de menschelijke natuur volgt, voor zo veel zy door de reden bepaalt word, moet (volgens de tweede Bepaling van 't darde deel) door de menschelijke natuur alleen, als door zijn naaste oorzaak, verstaan worden. Maar dewijl yder, volgens de wetten van zijn natuur, het geen betracht, 't welk hy goet oordeelt, en het geen poogt af te weren, dat hy quaat acht te wezen; (volgens de negentiende Voorstelling van dit deel) en dewijl wijders het geen, 't welk wy uit de voorspelling der reden goet of quaat oordeelen te zijn, nootzakelijk goet of quaat is; volgens d' eenënveertigste Voorstelling van het tweede deel: zo werken de menschen, voor zo veel zy naar 't beleit van de reden leven, alleenlijk nootzakelijk die dingen, die voor de menschelijke natuur, en by gevolg voor yder mensch, nootzakelijk goet zijn; dat is, (volgens de Toegift van d' eenëndartigste Voorstelling in dit deel) die met de natuur van yder mensch overëenkomen: en in dezer voegen komen ook de menschen, voor zo veel zy naar 't beleit van de reden leven, nootzakelijk altijt met malkander overëen; 't welk te betogen stond.

Eerste Toegift.--In de natuur der dingen is niets bezonder, 't welk nutter voor de mensch is, als de mensch zelf, die naar 't beleit van de reden leeft. Want dit is het nutste voor de mensch, 't welk meest met zijn natuur overëenkoomt; (volgens de Toegift van d' eenëndartigste Voorstelling in dit deel) dat is, (gelijk uit zich zelf blijkt) de mensch. Maar de mensch werkt volkomentlijk volgens de wetten van zijn natuur, als hy naar 't beleit der reden leeft; (volgens de tweede Bepaling van het darde deel) en dus verre alleenlijk koomt hy nootzakelijk altijt met de natuur van een ander mensch overëen; volgens de voorgaande Voorstelling. Daar is dan, onder de bezondere dingen, niets nutter voor de mensch, dan de mensch zelf, enz. gelijk te betogen stond.

Tweede Toegift.--Dewijl yder mensch voornamelijk zijn nut voor zich zoekt, zo zijn de menschen voornamelijk aan malkander nut. Want hoe meer yder zijn nut zoekt, en zich zelf poogt te behouden, hoe hy meer met deucht begaaft is, volgens de twintigste Voorstelling van dit deel) of, 't welk het zelfde is, (volgens d' achtste Bepaling van dit deel) hoe hy met groter vermogen begaaft is, om volgens de wetten van zijn natuur te werken; dat is, (volgens de darde Voorstelling van 't darde deel) om naar 't beleit der reden te leven. Maar de menschen komen dan meest in natuur overëen, als zy naar 't beleit der reden leven; volgens de voorgaande Voorstelling: dieshalven, volgens de voorgaande Toegift) de menschen zijn dan voornamelijk nut aan malkander, als yder voornamelijk zijn nut voor zich zoekt; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--D'ervarentheit zelve betuigt ook dagelijks het geen, dat wy nu getoont hebben, en dit door zo veel, en zo klaarblijkelijke getuigenissen, dat by na alle menschen in de mont hebben, dat de mensch een god voor de mensch is. Het gebeurt echter zelden dat de menschen naar 't beleit van de reden leven; maar 't is met hen in dier voegen gestelt, dat zy deurgaans nijdig, en aan malkander lastig zijn. Zy konnen nochtans naauwelijks hun leven in eenzaamheit overbrengen; 't welk zo verre loopt, dat deze Bepaling, dat de mensch een gezellig dier is, aan veel zeer wel behaagt heeft. En zeker, 't is in dier voegen gestelt, dat 'er veel meer voordeelen, dan schaden, uit de gemene gezelligheit der menschen rijzen. Dat dieshalven de schimpers en hekelaars de menschelijke zaken zo veel, als zy willen, belachen, en de godgeleerden hen verfoejen, en de naargeestigen een woest en eenzaam leven, zo veel, als hen mogelijk is, prijzen, de menschen verächten, en over de beesten verwondert zijn; zy zullen echter bevinden dat de menschen, door onderlinge behulpsaamheit, veel lichtelijker die dingen, de welken zy behoeven, voor zich verkrijgen, en niet, dan met samengevoegde krachten, de gevarelijkheden, die hen van alle zijden dreigen, konnen vermijden: ik verzwijg noch dat het veel voortreffelijker, en waerdiger voor onze kennis is, de werken der menschen, dan die van de beesten, t' aanschouwen; doch hier af bredelijker in een andere plaats.

In so far only as men live in obedience to reason, do they always necessarily agree in nature.

Proof.--In so far as men are assailed by emotions that are passions, they can be different in nature (IV. xxxiii.), and at variance one with another. But men are only said to be active, in so far as they act in obedience to reason (III. iii.); therefore, what so ever follows from human nature in so far as it is defined by reason must (III. Def. ii.) be understood solely through human nature as its proximate cause. But, since every man by the laws of his nature desires that which he deems good, and endeavours to remove that which he deems bad (IV. xix.); and further, since that which we, in accordance with reason, deem good or bad, necessarily is good or bad (II. xli.); it follows that men, in so far as they live in obedience to reason, necessarily do only such things as are necessarily good for human nature, and consequently for each individual man (IV. xxxi. Coroll.); in other words, such things as are in harmony with each man's nature. Therefore, men in so far as they live in obedience to reason, necessarily live always in harmony one with another. Q.E.D.

Corollary I.--There is no individual thing in nature, which is more useful to man, than a man who lives in obedience to reason. For that thing is to man most useful, which is most in harmony with his nature (IV. xxxi. Coroll.); that is, obviously, man. But man acts absolutely according to the laws of his nature, when he lives in obedience to reason (III. Def. ii.), and to this extent only is always necessarily in harmony with the nature of another man (by the last Prop.); wherefore among individual things nothing is more useful to man, than a man who lives in obedience to reason. Q.E.D.

Corollary II.--As every man seeks most that which is useful to him, so are men most useful one to another. For the more a man seeks what is useful to him and endeavours to preserve himself, the more is he endowed with virtue (IV. xx.), or, what is the same thing (IV. Def. viii.), the more is he endowed with power to act according to the laws of his own nature, that is to live in obedience to reason. But men are most in natural harmony, when they live in obedience to reason (by the last Prop.); therefore (by the foregoing Coroll.) men will be most useful one to another, when each seeks most that which is useful to him. Q.E.D.

Note.--What we have just shown is attested by experience so conspicuously, that it is in the mouth of nearly everyone: "Man is to man a God." Yet it rarely happens that men live in obedience to reason, for things are so ordered among them, that they are generally envious and troublesome one to another. Nevertheless they are scarcely able to lead a solitary life, so that the definition of man as a social animal has met with general assent; in fact, men do derive from social life much more convenience than injury. Let satirists then laugh their fill at human affairs, let theologians rail, and let misanthropes praise to their utmost the life of untutored rusticity, let them heap contempt on men and praises on beasts; when all is said, they will find that men can provide for their wants much more easily by mutual help, and that only by uniting their forces can they escape from the dangers that on every side beset them: not to say how much more excellent and worthy of our knowledge it is, to study the actions of men than the actions of beasts. But I will treat of this more at length elsewhere.

Elements in Which 4P35 is Used
  1. 4P35  4p36s
  2. 4P35c1  4p37d
  3. 4P35c1  4p37s2
  4. 4P35s  4p37s2
  5. 4P35  4p40d
  6. 4P35  4p71d
  7. 4P35c1  4p71d