Individual Elements

←4P17
4P19→

4P18

Elements Used in 4P18
  1. 3dai  4P18d
  2. 3p7  4P18d
  3. 3p11s  4P18d
  4. 3p4  4P18s
  5. 4d8  4P18s
  6. 3p7  4P18s
  7. 2psiv  4P18s

Cupiditas quæ ex lætitia oritur, cæteris paribus fortior est cupiditate quæ ex tristitia oritur.

DEMONSTRATIO: Cupiditas est ipsa hominis essentia (per 1 affectuum definitionem) hoc est (per propositionem 7 partis III) conatus quo homo in suo esse perseverare conatur. Quare cupiditas quæ ex lætitia oritur, ipso lætitiæ affectu (per definitionem lætitiæ, quam vide in scholio propositionis 11 partis III) juvatur vel augetur; quæ autem contra ex tristitia oritur, ipso tristitiæ affectu (per idem scholium) minuitur vel coercetur atque adeo vis cupiditatis quæ ex lætitia oritur, potentia humana simul et potentia causæ externæ, quæ autem ex tristitia sola humana potentia definiri debet ac proinde hac illa fortior est. Q.E.D.

SCHOLIUM: His paucis humanæ impotentiæ et inconstantiæ causas et cur homines rationis præcepta non servent, explicui. Superest jam ut ostendam quid id sit quod ratio nobis præscribit et quinam affectus cum rationis humanæ regulis conveniant, quinam contra iisdem contrarii sint. Sed antequam hæc prolixo nostro geometrico ordine demonstrare incipiam, lubet ipsa rationis dictamina hic prius breviter ostendere ut ea quæ sentio facilius ab unoquoque percipiantur. Cum ratio nihil contra naturam postulet, postulat ergo ipsa ut unusquisque seipsum amet, suum utile, quod revera utile est, quærat et id omne quod hominem ad majorem perfectionem revera ducit, appetat et absolute ut unusquisque suum esse quantum in se est, conservare conetur. Quod quidem tam necessario verum est quam quod totum sit sua parte majus (vide propositionem 4 partis III). Deinde quandoquidem virtus (per definitionem 8 hujus) nihil aliud est quam ex legibus propriæ naturæ agere et nemo suum esse (per propositionem 7 partis III) conservare conetur nisi ex propriæ suæ naturæ legibus, hinc sequitur primo virtutis fundamentum esse ipsum conatum proprium esse conservandi et felicitatem in eo consistere quod homo suum esse conservare potest. Secundo sequitur virtutem propter se esse appetendam nec quicquam quod ipsa præstabilius aut quod utilius nobis sit, dari, cujus causa deberet appeti. Tertio denique sequitur eos qui se interficiunt animo esse impotentes eosque a causis externis suæ naturæ repugnantibus prorsus vinci. Porro ex postulato 4 partis II sequitur nos efficere nunquam posse ut nihil extra nos indigeamus ad nostrum esse conservandum et ut ita vivamus ut nullum commercium cum rebus quæ extra nos sunt, habeamus et si præterea nostram mentem spectemus, sane noster intellectus imperfectior esset si mens sola esset nec quicquam præter se ipsam intelligeret. Multa igitur extra nos dantur quæ nobis utilia quæque propterea appetenda sunt. Ex his nulla præstantiora excogitari possunt quam ea quæ cum nostra natura prorsus conveniunt. Si enim duo exempli gratia ejusdem prorsus naturæ individua invicem junguntur, individuum componunt singulo duplo potentius. Homini igitur nihil homine utilius; nihil inquam homines præstantius ad suum esse conservandum optare possunt quam quod omnes in omnibus ita conveniant ut omnium mentes et corpora unam quasi mentem unumque corpus componant et omnes simul quantum possunt suum esse conservare conentur omnesque simul omnium commune utile sibi quærant; ex quibus sequitur homines qui ratione gubernantur hoc est homines qui ex ductu rationis suum utile quærunt, nihil sibi appetere quod reliquis hominibus non cupiant atque adeo eosdem justos, fidos atque honestos esse.

Hæc illa rationis dictamina sunt quæ hic paucis ostendere proposueram antequam eadem prolixiore ordine demonstrare inciperem, quod ea de causa feci ut, si fieri posset, eorum attentionem mihi conciliarem qui credunt hoc principium, quod scilicet unusquisque suum utile quærere tenetur, impietatis, non autem virtutis et pietatis esse fundamentum. Postquam igitur rem sese contra habere breviter ostenderim, pergo ad eandem eadem via qua huc usque progressi sumus, demonstrandum.

De begeerte, die uit blijschap spruit, is, als d' andere dingen gelijk zijn, krachtiger, dan de begeerte, die uit droefheit spruit.

Betoging.--De begeerte is de wezentheit zelve van de mensch; (volgens d' eerste Bepaling der hartstochten) dat is, (volgens de Zevende Voorstelling van het darde deel) de poging, door de welke de mensch in zijn wezen poogt te volharden. En dieshalven word de begeerte, die uit blijschap spruit, door de hartstocht van blijschap zelf (volgens de Bepaling van de blijschap, die men in 't Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in het darde deel kan zien) geholpen, of vermeerdert. In tegendeel, de begeerte, die uit droefheit spruit, word door de hartstocht van droefheit zelf (volgens het zelfde Byvoegsel) vermindert, of ingetrokken: en dieshalven moet de macht van de begeerte, die uit blijschap spruit, door het menschelijk vermogen, en gezamentlijk door 't vermogen van d' uitterlijke oorzaak, maar de begeerte, die uit de droefheit spruit, alleenlijk door 't menschelijk vermogen, bepaalt worden; 't welk ook oorzaak is van dat deze eerste krachtiger is, dan d' ander; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Ik heb met deze weinige woorden d' oorzaak van 't menschelijk onvermogen, en van de menschelijke onstantvastigheit verklaart, en waaröm de menschen d' onderwijzingen der reden niet gebruiken. Nu is noch overig dat ik toon wat het geen is, 't welk de reden aan ons voorschrijft, en welke hartstochten met de regelen van de menschelijke reden overëenkomen, of welken, in tegendeel, daar tegen strijden. Maar eer ik begin deze dingen in 't brede, volgens onze Meetkundige wijze, te betogen, zo zal ik hier eerst in 't kort de voorspellingen zelven van de reden tonen, op dat yder de dingen, die ik gevoel, te lichtelijker zou konnen bevatten. Dewijl de reden niets verëischt, dat tegen de natuur is, zo verëischt zy dan dat yder zich zelf bemint, zijn nut, 't welk warelijk nut is, zoekt, en naar al 't geen tracht, 't welk de mensch warelijk tot groter volmaaktheit leid, en, om rechtüit te spreken, dat yder, zo veel in hem is, zijn wezen poogt te behouden: 't welk immers zo nootzakelijk waar is, als dat het geheel groter, dan zijn deel is. (Bezie de vierde Voorstelling van het darde deel. Wijders, dewijl de deucht (volgens d'achtste Bepaling van dit deel) niets anders is, dan naar de wetten van zijn eige natuur te doen, en niemant (volgens de zevende Voorstelling van het darde deel) zijn wezen poogt te behouden, dan volgens de wetten van zijn eige natuur; zo volgt hier uit, voorëerst, dat de poging zelve van zijn eige wezen te bewaren de grontvest van de deucht is, en dat de gelukza---ligheit hier in bestaat, dat de mensch zijn wezen kan bewaren. Ten tweeden volgt, dat de deucht om zich zelve te begeren is, en dat 'er niets gevonden word, 't welk beter, of nutter aan ons is, om welks oorzaak zy begeert moet worden. Eindelijk en ten darden volgt, dat de genen, die zich zelven doden, hun gemoed niet machtig zijn, en dat zy gantschelijk van d'uitterlijke oorzaken, tegen hun natuur strijdende, verwonnen worden. Wijders, uit de vierde Verëissching van het tweede deel volgt, dat wy nooit te weech konnen brengen, dat wy niet iets, 't welk buiten ons is, behoeven, om onz wezen te bewaren, en dat wy in dier voegen levèn, dat wy niets met de dingen, die buiten ons zijn, te doen hebben; en dat, zo wy ook onze ziel aanmerken, onz verstant warelijk onvolmaakter zou wezen, indien de ziel alleen was, en niets behalven zich zelve verstond. Daar zijn dan buiten ons veel dingen, die aan ons nut zijn, en die wy dieshalven moeten begeren: en van de zodanigen konnen 'er geen voortreffelijker bedacht worden, als de genen, die gantschelijk met onze natuur overëenkomen. Want indien, tot een voorbeelt, twee ondeeligen, die gantschelijk van een zelfde natuur zijn, te zamen gevoegt worden, zo maken zy een ondeelig, dat tweemaal machtiger is, dan yder in 't bezonder. Daar is dan niets nutter voor de mensch, als der mensch. De menschen, zeg ik, konnen niet voortreffelijker wenschen, om hun wezen te bewaren, als dat zy alle in alles in dier voegen overëenkomen, dat de zielen en lighamen van hen alle als een ziel, en een lighaam maken, en alle te gelijk, zo veel als hen mogelijk is, hun wezen pogen te bewaren, en alle te gelijk het gemeen nut van hen alle voor zich zoeken. Hier uit volgt dan dat de menschen, die door reden bestiert worden, dat is, die, volgens het beleit der reden, hun nut zoeken, niets voor zich betrachten, 't welk zy ook niet voor d'andere menschen zouden begeren, en voor zo verre rechtvaerdig, getrou en eerlijk zijn.--Dit zijn die voorspellingen van de reden, de welken ik voorgenemon had hier met weinig woorden te tonen, eer ik beginnen zou hen in breder ordening te betogen. D'oorzaak, om de welke ik dit gedaan heb, is op dat ik, indien het mogelijk was, d'opmerking der gener zou bekomen, de welken geloven dat dit beginsel, namelijk dat yder gehouden is zijn nut te zoeken, de grontvest van goddeloosheit, en niet van deucht en godvruchtigheit is. Na dat ik dan met korte woorden getoont heb, dat het geheel anders met de zaak is gelegen, zo zal ik voortgaan met zulks door de zelfde middel, die ik tot hier toe gebruikt heb, te betogen.

Desire arising from pleasure is, other conditions being equal, stronger than desire arising from pain.

Proof.--Desire is the essence of a man (Def. of the Emotions, i.), that is, the endeavour whereby a man endeavours to persist in his own being. Wherefore desire arising from pleasure is, by the fact of pleasure being felt, increased or helped; on the contrary, desire arising from pain is, by the fact of pain being felt, diminished or hindered; hence the force of desire arising from pleasure must be defined by human power together with the power of an external cause, whereas desire arising from pain must be defined by human power only. Thus the former is the stronger of the two. Q.E.D.

Note.--In these few remarks I have explained the causes of human infirmity and inconstancy, and shown why men do not abide by the precepts of reason. It now remains for me to show what course is marked out for us by reason, which of the emotions are in harmony with the rules of human reason, and which of them are contrary thereto. But, before I begin to prove my Propositions in detailed geometrical fashion, it is advisable to sketch them briefly in advance, so that everyone may more readily grasp my meaning.

As reason makes no demands contrary to nature, it demands, that every man should love himself, should seek that which is useful to him--I mean, that which is really useful to him, should desire everything which really brings man to greater perfection, and should, each for himself, endeavour as far as he can to preserve his own being. This is as necessarily true, as that a whole is greater than its part. (Cf. III. iv.)

Again, as virtue is nothing else but action in accordance with the laws of one's own nature (IV. Def. viii.), and as no one endeavours to preserve his own being, except in accordance with the laws of his own nature, it follows, first, that the foundation of virtue is the endeavour to preserve one's own being, and that happiness consists in man's power of preserving his own being; secondly, that virtue is to be desired for its own sake, and that there is nothing more excellent or more useful to us, for the sake of which we should desire it; thirdly and lastly, that suicides are weak--minded, and are overcome by external causes repugnant to their nature. Further, it follows from Postulate iv., Part II., that we can never arrive at doing without all external things for the preservation of our being or living, so as to have no relations with things which are outside ourselves. Again, if we consider our mind, we see that our intellect would be more imperfect, if mind were alone, and could understand nothing besides itself. There are, then, many things outside ourselves, which are useful to us, and are, therefore, to be desired. Of such none can be discerned more excellent, than those which are in entire agreement with our nature. For if, for example, two individuals of entirely the same nature are united, they form a combination twice as powerful as either of them singly.

Therefore, to man there is nothing more useful than man--nothing, I repeat, more excellent for preserving their being can be wished for by men, than that all should so in all points agree, that the minds and bodies of all should form, as it were, one single mind and one single body, and that all should, with one consent, as far as they are able, endeavour to preserve their being, and all with one consent seek what is useful to them all. Hence, men who are governed by reason--that is, who seek what is useful to them in accordance with reason, desire for themselves nothing, which they do not also desire for the rest of mankind, and, consequently, are just, faithful, and honourable in their conduct.

Such are the dictates of reason, which I purposed thus briefly to indicate, before beginning to prove them in greater detail. I have taken this course, in order, if possible, to gain the attention of those who believe, that the principle that every man is bound to seek what is useful for himself is the foundation of impiety, rather than of piety and virtue.

Therefore, after briefly showing that the contrary is the case, I go on to prove it by the same method, as that whereby I have hitherto proceeded.

Elements in Which 4P18 is Used
  1. 4P18s  4p37s1
  2. 4P18  4p56s