Individual Elements

←4P12
4P14→

4P13

Elements Used in 4P13
  1. 4d3  4P13d
  2. 2p18  4P13d
  3. 2p18s  4P13d
  4. 2p17c  4P13d
  5. 4p9  4P13d

Affectus erga rem contingentem quam scimus in præsenti non existere, cæteris paribus remissior est quam affectus erga rem præteritam.

DEMONSTRATIO: Quatenus rem ut contingentem imaginamur, nulla alterius rei imagine afficimur quæ rei existentiam ponat (per definitionem 3 hujus). Sed contra (secundum hypothesin) quædam imaginamur quæ ejusdem præsentem existentiam secludunt. Verum quatenus eandem cum relatione ad tempus præteritum imaginamur eatenus aliquid imaginari supponimur quod ipsam ad memoriam redigit sive quod rei imaginem excitat (vide propositionem 18 partis II cum ejusdem scholio) ac proinde eatenus efficit ut ipsam ac si præsens esset, contemplemur (per corollarium propositionis 17 partis II) atque adeo (per propositionem 9 hujus) affectus erga rem contingentem quam scimus in præsenti non existere, cæteris paribus remissior erit quam affectus erga rem præteritam. Q.E.D.

De hartstocht tot een gebeurelijke zaak, van de welke wy weten dat zy tegenwoordig niet wezentlijk is, is, zo d'andere dingen gelijk zijn, flaauwer dan de hartstocht tot de verlede zaak.

Betoging.--Zo lang wy ons een zaak als gebeurelijk inbeelden, zo worden wy door geen beelt van een andere zaak aangedaan, die de wezentlijkheit van de zaak zal stellen; volgens de darde Bepaling van dit deel: Maar in tegendeel, (volgens d'onderstelling) wy beelden ons enige dingen in, die der zelfder tegenwoordige wezentlijkheit uitsluiten. Doch voor zo veel wy ons de zelfde, met betrekking tot de verlede tijt, inbeelden, voor zo veel onderstellen wy dat wy ons iets inbeelden, 't welk de zelfde voor de geheugenis brengt, of 't welk het beelt van de zaak verwekt, (bezie d'achtiende Voorstelling van het tweede deel, met der zelfder Byvoegsel) en brengt dieshalven zo veel te weeg, dat wy de zelfde, als of zy tegenwoordig was, aanschouwen; (volgens de Toegift van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) en voor zo veel (volgens de negende Voorstelling van dit deel) zal de hartstocht tot de gebeurelijke zaak, van de welke wy weten dat zy tegenwoordig niet wezentlijk is, als d'andere dingen gelijk zijn, flaauwer wezen dan de hartstocht tot een voorgaande zaak; 't welk te betogenstond.

Emotion towards a thing contingent, which we know not to exist in the present, is, other conditions being equal, fainter than an emotion towards a thing past.

Proof.--In so far as we conceive a thing as contingent, we are not affected by the image of any other thing, which asserts the existence of the said thing (IV. Def. iii.), but, on the other hand (by hypothesis), we conceive certain things excluding its present existence. But, in so far as we conceive it in relation to time past, we are assumed to conceive something, which recalls the thing to memory, or excites the image thereof (II. xviii. and note), which is so far the same as regarding it as present (II. xvii. Coroll.). Therefore (IV. ix.) an emotion towards a thing contingent, which we know does not exist in the present, is fainter, other conditions being equal, than an emotion towards a thing past. Q.E.D.
Elements in Which 4P13 is Used

N/A