Individual Elements

←4A1
4P2→

4P1

Elements Used in 4P1
  1. 2p35  4P1d
  2. 2p33  4P1d
  3. 2p32  4P1d
  4. 3p4  4P1d
  5. 2p16c2  4P1s
  6. 2p35s  4P1s
  7. 2p17  4P1s

Nihil quod idea falsa positivum habet, tollitur præsentia veri quatenus verum.

DEMONSTRATIO: Falsitas in sola privatione cognitionis quam ideæ inadæquatæ involvunt, consistit (per propositionem 35 partis II) nec ipsæ aliquid habent positivum propter quod falsæ dicuntur (per propositionem 33 partis II) sed contra quatenus ad Deum referuntur, veræ sunt (per propositionem 32 partis II). Si igitur id quod idea falsa positivum habet præsentia veri quatenus verum est, tolleretur, tolleretur ergo idea vera a se ipsa, quod (per propositionem 4 partis III) est absurdum. Ergo nihil quod idea etc. Q.E.D.

SCHOLIUM: Intelligitur hæc propositio clarius ex II corollario propositionis 16 partis II. Nam imaginatio idea est quæ magis corporis humani præsentem constitutionem quam corporis externi naturam indicat, non quidem distincte sed confuse; unde fit ut mens errare dicatur. Exempli gratia cum solem intuemur, eundem ducentos circiter pedes a nobis distare imaginamur, in quo tamdiu fallimur quamdiu veram ejus distantiam ignoramus sed cognita ejusdem distantia tollitur quidem error sed non imaginatio hoc est idea solis quæ ejusdem naturam eatenus tantum explicat quatenus corpus ab eodem afficitur adeoque quamvis veram ejusdem distantiam noscamus, ipsum nihilominus prope nobis adesse imaginabimur. Nam ut in scholio propositionis 35 partis II diximus, non ea de causa solem adeo propinquum imaginamur quia ejus veram distantiam ignoramus sed quia mens eatenus magnitudinem solis concipit quatenus corpus ab eodem afficitur. Sic cum solis radii aquæ superficiei incidentes ad nostros oculos reflectuntur, eundem perinde ac si in aqua esset, imaginamur tametsi verum ejus locum noverimus et sic reliquæ imaginationes quibus mens fallitur, sive eæ naturalem corporis constitutionem sive quod ejusdem agendi potentiam augeri vel minui indicant, vero non sunt contrariæ nec ejusdem præsentia evanescunt. Fit quidem cum falso aliquod malum timemus, ut timor evanescat audito vero nuntio sed contra etiam fit cum malum quod certe venturum est, timemus ut timor etiam evanescat audito falso nuntio atque adeo imaginationes non præsentia veri quatenus verum evanescunt sed quia aliæ occurrunt iis fortiores quæ rerum quas imaginamur, præsentem existentiam secludunt, ut propositione 17 partis II ostendimus.

Niets, 't welk het valsch denkbeelt stellig heeft, word door de tegenwoordigheit van 't ware, voor zo veel het waar is, wechgenomen.

Betoging.--De valsheit bestaat alleenlijk in de derving van de kennis, die in d'onëvenmatige denkbeelden ingesloten word; volgens de vijf---endartigste Voorstelling van het tweede deel. Zy hebben ook niets stellig, om 't welk zy valsch genoemt worden; volgens de drieëndartigste Voorstelling van het tweede deel. Maar in tegendeel, voor zo veel zy tot God toegepast worden, zijn zy waar; volgens de tweeendartigste Voorstelling in het tweede deel. Indien dan het geen, 't welk in het valsch denkbeelt stellig is, door de tegenwoordigheit van 't ware, voor zo veel het waar is, wechgenomen wierd, zo zou ook het waar denkbeelt van zich zelf wechgenomen worden: 't welk ongerijmt is; volgens de vierde Voorstelling van het darde deel.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling zal klarelijker door de tweede Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel verstaan worden. Want d'inbeelding is een denkbeelt, 't welk meer de tegenwoordige gesteltenis van 't menschelijk lighaam, dan de natuur van 't uitterlijk lighaam aanwijst; wel niet onderscheidelijk, maar verwardelijk: en hier uit spruit het dat de ziel gezegt word te dolen. Tot een voorbeelt, als wy de zon aanschouwen, zo beelden wy ons in dat de zelfde omtrent tweehondert voeten van ons af is: daar in wy zo lang dolen, als wy van der zelfder ware afstant onkundig zijn. Maar als der zelfder afstant bekent is, zo word wel de doling, doch niet d'inbeelding wechgenomen, dat is het denkbeelt der zon, 't welk alleenlijk der zelfder natuur zo verre verklaart, als het lighaam daar af aangedaan word. Dieshalven, hoewel wy der zelfder ware afstant kennen, zo beelden wy ons echter in dat zy naby is. Want (gelijk wy in 't Byvoegsel van de vijfendartigste Voorstelling in het tweede deel gezegt hebben) wy beelden ons in de zon daarom niet zo naby te wezen, om dat wy van der zelfder ware afstant onkundig zijn; maar om dat onze ziel zo verre de grootheit der zon bevat, als het lighaam van de zelfde aangedaan word. In dezer voegen, als de stralen der zon, op de vlakte van 't water vallende, weêr naar onze ogen keren, beelden wy ons de zelfde in, als of zy in 't water was, schoon wy haar ware plaats kennen; en dus met d'ander inbeeldingen, door de welken onze ziel bedrogen word, die, 't zy dat zy de naturelijke gesteltenis des lighaams aanwijzen, of te kennen geven dat des zelfs vermogen van te doen vermeerdert, of vermindert, niet strijdig tegen het ware zijn, noch door des zelfs tegenwoordigheit verdwijnen. Het gebeurt wel dat, als men t'onrecht enig quaat vreest, de vrees verdwijnt, als men de ware tijding hoort. Maar in tegendeel gebeurt ook, dat, als wy met recht enig--quaat vrezen, de vrees weêr wechgenomen word, als men een valsche tijding daar af hoort. In dezer voegen verdwijnen d'inbeeldingen niet door de tegenwoordigheit van 't ware, voor zo veel het waar is; maar om dat 'er anderen voorkomen, die sterker zijn dan de genen, de welken de tegenwoordige wezentlijkheit der ingebeelde dingen uitsluiten; gelijk wy in de zeventiende Voorstelling van het tweede deel getoont hebben.

No positive quality possessed by a false idea is removed by the presence of what is true, in virtue of its being true.

Proof.--Falsity consists solely in the privation of knowledge which inadequate ideas involve (II. xxxv.), nor have they any positive quality on account of which they are called false (II. xxxiii.); contrariwise, in so far as they are referred to God, they are true (II. xxxii.). Wherefore, if the positive quality possessed by a false idea were removed by the presence of what is true, in virtue of its being true, a true idea would then be removed by itself, which (IV. iii.) is absurd. Therefore, no positive quality possessed by a false idea, &c. Q.E.D.

Note.--This proposition is more clearly understood from II. xvi. Coroll. ii. For imagination is an idea, which indicates rather the present disposition of the human body than the nature of the external body; not indeed distinctly, but confusedly; whence it comes to pass, that the mind is said to err. For instance, when we look at the sun, we conceive that it is distant from us about two hundred feet; in this judgment we err, so long as we are in ignorance of its true distance; when its true distance is known, the error is removed, but not the imagination; or, in other words, the idea of the sun, which only explains tho nature of that luminary, in so far as the body is affected thereby: wherefore, though we know the real distance, we shall still nevertheless imagine the sun to be near us. For, as we said in II. xxxv. note, we do not imagine the sun to be so near us, because we are ignorant of its true distance, but because the mind conceives the magnitude of the sun to the extent that the body is affected thereby. Thus, when the rays of the sun falling on the surface of water are reflected into our eyes, we imagine the sun as if it were in the water, though we are aware of its real position; and similarly other imaginations, wherein the mind is deceived, whether they indicate the natural disposition of the body, or that its power of activity is increased or diminished, are not contrary to the truth, and do not vanish at its presence. It happens indeed that, when we mistakenly fear an evil, the fear vanishes when we hear the true tidings; but the contrary also happens, namely, that we fear an evil which will certainly come, and our fear vanishes when we hear false tidings; thus imaginations do not vanish at the presence of the truth, in virtue of its being true, but because other imaginations, stronger than the first, supervene and exclude the present existence of that which we imagined, as I have shown in II. xvii.

Elements in Which 4P1 is Used
  1. 4P1  4p14d