Individual Elements

←3P55
3P57→

3P56

Elements Used in 3P56
  1. 3p11s  3P56d
  2. 3p1  3P56d
  3. 3p3  3P56d
  4. 2p40s  3P56d
  5. 2p17  3P56d
  6. 2p17s  3P56d
  7. 3p9s  3P56d
  8. 3p56  3P56s

Lætitiæ, tristitiæ et cupiditatis et consequenter uniuscujusque affectus qui ex his componitur ut animi fluctuationis vel qui ab his derivatur nempe amoris, odii, spei, metus etc. tot species dantur quot sunt species objectorum a quibus afficimur.

DEMONSTRATIO: Lætitia et tristitia et consequenter affectus qui ex his componuntur vel ex his derivantur, passiones sunt (per scholium propositionis 11 hujus); nos autem (per propositionem 1 hujus) necessario patimur quatenus ideas habemus inadæquatas et quatenus easdem habemus (per propositionem 3 hujus) eatenus tantum patimur hoc est (vide scholium I propositionis 40 partis II) eatenus tantum necessario patimur quatenus imaginamur sive (vide propositionem 17 partis II cum ejus scholio) quatenus afficimur affectu qui naturam nostri corporis et naturam corporis externi involvit. Natura igitur uniuscujusque passionis ita necessario debet explicari ut objecti a quo afficimur, natura exprimatur. Nempe lætitia quæ ex objecto exempli gratia A oritur, naturam ipsius objecti A et lætitia quæ ex objecto B oritur, ipsius objecti B naturam involvit atque adeo hi duo lætitiæ affectus natura sunt diversi quia ex causis diversæ naturæ oriuntur. Sic etiam tristitiæ affectus qui ex uno objecto oritur, diversus natura est a tristitia quæ ab alia causa oritur, quod etiam de amore, odio, spe, metu, animi fluctuatione etc. intelligendum est ac proinde lætitiæ, tristitiæ, amoris, odii etc. tot species necessario dantur quot sunt species objectorum a quibus afficimur. At cupiditas est ipsa uniuscujusque essentia seu natura quatenus ex data quacunque ejus constitutione determinata concipitur ad aliquid agendum (vide scholium propositionis 9 hujus); ergo prout unusquisque a causis externis hac aut illa lætitiæ, tristitiæ, amoris, odii etc. specie afficitur hoc est prout ejus natura hoc aut alio modo constituitur, ita ejus cupiditas alia atque alia esse et natura unius a natura alterius cupiditatis tantum differre necesse est quantum affectus a quibus unaquæque oritur, inter se differunt. Dantur itaque tot species cupiditatis quot sunt species lætitiæ, tristitiæ, amoris etc. et consequenter (per jam ostensa) quot sunt objectorum species a quibus afficimur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Inter affectuum species quæ (per propositionem præcedentem) perplurimæ esse debent, insignes sunt luxuria, ebrietas, libido, avaritia et ambitio, quæ non nisi amoris vel cupiditatis sunt notiones quæ hujus utriusque affectus naturam explicant per objecta ad quæ referuntur. Nam per luxuriam, ebrietatem, libidinem, avaritiam et ambitionem nihil aliud intelligimus quam convivandi, potandi, coeundi, divitiarum et gloriæ immoderatum amorem vel cupiditatem. Præterea hi affectus quatenus eos per solum objectum ad quod referuntur ab aliis distinguimus, contrarios non habent. Nam temperantia quam luxuriæ et sobrietas quam ebrietati et denique castitas quam libidini opponere solemus, affectus seu passiones non sunt sed animi indicant potentiam quæ hos affectus moderatur. Cæterum reliquas affectuum species hic explicare nec possum (quia tot sunt quot objectorum species) nec si possem, necesse est. Nam ad id quod intendimus nempe ad affectuum vires et mentis in eosdem potentiam determinandum, nobis sufficit uniuscujusque affectus generalem habere definitionem. Sufficit inquam nobis affectuum et mentis communes proprietates intelligere ut determinare possimus qualis et quanta sit mentis potentia in moderandis et coercendis affectibus. Quamvis itaque magna sit differentia inter hunc et illum amoris, odii vel cupiditatis affectum exempli gratia inter amorem erga liberos et inter amorem erga uxorem, nobis tamen has differentias cognoscere et affectuum naturam et originem ulterius indagare, non est opus.

Daar zijn zo veel soorten, of gedaanten van blijschap, droef heit, en begeerte, en by gevolg van yder hartstocht, die uit dezen bestaat, als van vlotheit des gemoeds, of die van dezen afgeleid worden, namentlijk van liefde, haat, hoop, vrees, enz. als'er soorten, of gedaante van voorwerpen zijn, van de welken wy aangedaan worden.

Betoging.--De blijschap en droef heit, en by gevolg de hartstochten, die uit de zelfden te zamen gezet, of daar van afgeleid worden, zijn lijdingen; volgens het Byvoegsel van d' elfde Voorstelling in dit deel. Maar wy (volgens d' eerste Voorstelling van dit deel) lijden nootzakelijk voor zo veel wy onëvenmatige denkbeelden hebben; en voor zo veel wy de zelfden hebben, (volgens de darde Voorstelling in dit deel) voor zo veel lijden wy alleenlijk; dat is, (bezie het Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel) voor zo veel lijden wy alleenlijk nootzakelijk, als wy ons inbeelden, of (bezie de zeventiende Voorstelling in het tweede deel, met der zelfder Byvoegsel) voor zo veel worden wy met de hartstocht aangedaan, die de natuur van onz lighaam, en de natuur van een uitterlijk lighaam insluit. De natuur van yder lijding dan moet nootzakelijk zodanig verklaart worden, dat de natuur van het voorwerp, van het welk wy aangedaan worden, uitgedrukt word: te weten, de blijschap, die, om een voorbeelt by te brengen, uit het voorwerp A spruit, sluit de natuur van 't voorwerp A zelf in, en de blijschap, die uit het voorwerp B spruit, de natuur van 't voorwerp B zelf: in voegen dat deze twee hartstochten van blijschap verscheiden van natuur zijn, om dat zy uit oorzaken van een verscheide natuur spruiten. In dezer voegen is ook de hartstocht van droef heit, die uit een voorwerp spruit, verscheiden van de natuur van de droef heit, die uit een andere oorzaak spruit: 't welk ook van de liefde, haat, hoop, vrees, vlotheit des gemoeds, enz. te verstaan is: en dieshalven moeten 'er nootzakelijk zo veel soorten, of gedaanten van blijschap, droef heit, liefde, haat, enz. wezen, als'er soorten of gedaanten van voorwerpen zijn, van de welken wy aangedaan worden. Maar de begeerte is de wezentheit zelve, of de natuur van yder, voor zo veel zy, uit yder gegeve gesteltenis daar af, bepaalt bevat word tot iets te doen; bezie het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel: dieshalven, naar dat yder, door d'uitwendige oorzaken, van deze of die soort, of gedaante van blijschap, droef heit, liefde, haat, enz. aangedaan word, dat is, naar dat zijn natuur op deze of die wijze gestelt is; zo is nootzakelijk dat zijn begeerte anders en anders is, en dat de natuur van de begeerte des eens zo veel van die van d'ander verschilt, als de hartstochten, uit de welken yder spruit, van malkander verschillen. Daar zijn dieshalven zo veel soorten, of gedaanten van begeerte, als 'er soorten, of gedaanten van blijschap, droef heit, liefde, enz. zijn, en by gevolg (volgens het geen, dat alreê getoont is) als men soorten, of gedaanten van voorwerpen vind, van de welken wy aangedaan worden: 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Onder de soorten, of gedaanten van hartstochten, die (volgens de voorgaande Voorstelling) zeer veel moeten wezen, munten uit, d' overdaat, dronkenschap, gailheit, gierigheit, en roemzucht, de welken niets anders zijn, dan kundigheden van liefde, en van begeerte, de welken de natuur van deze beide hartstochten verklaren, te weten door de voorwerpen, op de welken zy toegepast worden. Want by overdaat, dronkenschap, gailheit, gierigheit, en eerzucht verstaan wy niets anders, dan een overmatige liefde, of lust van te gasten, te drinken, by te slapen, der rijkdommen, en eer. Wijders, deze hartstochten, voor zo veel wy hen door 't voorwerp alleen, tot het welk zy toegepast worden, van d' anderen onderscheiden, hebben geen strijdigen. Want de matigheit, die wy tegen d' overdaat, en de nuchterheit, die wy tegen de dronkenschap, en eindelijk de kuisheit, die wy tegen de gailheit gemenelijk stellen, zijn geen hartstochten, of lijdingen, maar wijzen aan het vermogen, 't welk deze hartstocht matigt. Voorts, ik kan d' andere soorten, of gedaanten van hartstochten hier niet verklaren, om dat zy zo groot in getal zijn, als de soorten, of gedaanten der voorwerpen; en schoon ik zulks vermogt, zo zou het niet nootzakelijk zijn. Want tot het geen, daar wy 't op gemunt hebben, namelijk tot de krachten der hartstochten, en het vermogen van de ziel daar in te bepalen, is ons genoech dat wy d' algemene bepaling van yder hartstocht hebben. 't Is ons, zeg ik, genoech de gemene eigenschappen der hartstochten, en der ziel te verstaan, om te konnen bepalen hoedanig en hoe groot het vermogen van de ziel is, om de hartstochten te matigen, en te bedwingen. Hoewel 'er dan groot onderscheit tusschen deze en die hartstocht van liefde, haat, of begeerlijkheit is, tot een voorbeelt, tusschen de liefde tot zijn kinderen, en tusschen de liefde tot zijn gemalin, zo is ons echter niet nodig deze onderscheiden te kennen, en de natuur en oorsprong der hartstochten wijder t' onderzoeken.

There are as many kinds of pleasure, of pain, of desire, and of every emotion compounded of these, such as vacillations of spirit, or derived from these, such as love, hatred, hope, fear, &c., as there are kinds of objects whereby we are affected.

Proof.--Pleasure and pain, and consequently the emotions compounded thereof, or derived therefrom, are passions, or passive states (III. xi. note); now we are necessarily passive (III. i.), in so far as we have inadequate ideas; and only in so far as we have such ideas are we passive (III. iii.); that is, we are only necessarily passive (II. xl. note), in so far as we conceive, or (II. xvii. and note) in so far as we are affected by an emotion, which involves the nature of our own body, and the nature of an external body. Wherefore the nature of every passive state must necessarily be so explained, that the nature of the object whereby we are affected be expressed. Namely, the pleasure, which arises from, say, the object A, involves the nature of that object A, and the pleasure, which arises from the object B, involves the nature of the object B; wherefore these two pleasurable emotions are by nature different, inasmuch as the causes whence they arise are by nature different. So again the emotion of pain, which arises from one object, is by nature different from the pain arising from another object, and, similarly, in the case of love, hatred, hope, fear, vacillation, &c.

Thus, there are necessarily as many kinds of pleasure, pain, love, hatred, &c., as there are kinds of objects whereby we are affected. Now desire is each man's essence or nature, in so far as it is conceived as determined to a particular action by any given modification of itself (III. ix. note); therefore, according as a man is affected through external causes by this or that kind of pleasure, pain, love, hatred, &c., in other words, according as his nature is disposed in this or that manner, so will his desire be of one kind or another, and the nature of one desire must necessarily differ from the nature of another desire, as widely as the emotions differ, wherefrom each desire arose. Thus there are as many kinds of desire, as there are kinds of pleasure, pain, love, &c., consequently (by what has been shown) there are as many kinds of desire, as there are kinds of objects whereby we are affected. Q.E.D.

Note.--Among the kinds of emotions, which, by the last proposition, must be very numerous, the chief are luxury, drunkenness, lust, avarice, and ambition, being merely species of love or desire, displaying the nature of those emotions in a manner varying according to the object, with which they are concerned. For by luxury, drunkenness, lust, avarice, ambition, &c., we simply mean the immoderate love of feasting, drinking, venery, riches, and fame. Furthermore, these emotions, in so far as we distinguish them from others merely by the objects wherewith they are concerned, have no contraries. For temperance, sobriety, and chastity, which we are wont to oppose to luxury, drunkenness, and lust, are not emotions or passive states, but indicate a power of the mind which moderates the last--named emotions. However, I cannot here explain the remaining kinds of emotions (seeing that they are as numerous as the kinds of objects), nor, if I could, would it be necessary. It is sufficient for our purpose, namely, to determine the strength of the emotions, and the mind's power over them, to have a general definition of each emotion. It is sufficient, I repeat, to understand the general properties of the emotions and the mind, to enable us to determine the quality and extent of the mind's power in moderating and checking the emotions. Thus, though there is a great difference between various emotions of love, hatred, or desire, for instance between love felt towards children, and love felt towards a wife, there is no need for us to take cognizance of such differences, or to track out further the nature and origin of the emotions.

Elements in Which 3P56 is Used
  1. 3P56s  3daxlviiie
  2. 3P56  4p33d