Individual Elements

←3P54
3P56→

3P55

Elements Used in 3P55
  1. 3p54  3P55d
  2. 3p11s  3P55d
  3. 3p53c  3P55c
  4. 3p24s  3P55cs
  5. 3p32s  3P55cs
  6. 3p53  3P55cs
  7. 2p40s1  3P55cs
  8. 3p28  3P55cs
  9. 3p24s  3P55cscd
  10. 3p13s  3P55cscd
  11. 3p11s  3P55cscd
  12. 3p9s  3P55cscd
  13. 3p52s  3P55cds
  14. 3p52  3P55cds

Cum mens suam impotentiam imaginatur, eo ipso contristatur.

DEMONSTRATIO: Mentis essentia id tantum quod mens est et potest, affirmat sive de natura mentis est ea tantummodo imaginari quæ ipsius agendi potentiam ponunt (per propositionem præcedentem). Cum itaque dicimus quod mens dum se ipsam contemplatur, suam imaginatur impotentiam, nihil aliud dicimus quam quod dum mens aliquid imaginari conatur quod ipsius agendi potentiam ponit, hic ejus conatus coercetur sive (per scholium propositionis 11 hujus) quod ipsa contristatur. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hæc tristitia magis ac magis fovetur si se ab aliis vituperari imaginatur; quod eodem modo demonstratur ac corollarium propositionis 53 hujus.

SCHOLIUM: Hæc tristitia concomitante idea nostræ imbecillitatis humilitas appellatur; lætitia autem quæ ex contemplatione nostri oritur, philautia vel acquiescentia in se ipso vocatur. Et quoniam hæc toties repetitur quoties homo suas virtutes sive suam agendi potentiam contemplatur, hinc ergo etiam fit ut unusquisque facta sua narrare suique tam corporis quam animi vires ostentare gestiat et ut homines hac de causa sibi invicem molesti sint. Ex quibus iterum sequitur homines natura esse invidos (vide scholium propositionis 24 et scholium propositionis 32 hujus) sive ob suorum æqualium imbecillitatem gaudere et contra propter eorundem virtutem contristari. Nam quoties unusquisque suas actiones imaginatur toties lætitia (per propositionem 53 hujus) afficitur et eo majore quo actiones plus perfectionis exprimere et easdem distinctius imaginatur hoc est (per illa quæ in scholio I propositionis 40 partis II dicta sunt) quo magis easdem ab aliis distinguere et ut res singulares contemplari potest. Quare unusquisque ex contemplatione sui tunc maxime gaudebit quando aliquid in se contemplatur quod de reliquis negat. Sed si id quod de se affirmat, ad universalem hominis vel animalis ideam refert, non tantopere gaudebit et contra contristabitur si suas ad aliorum actiones comparatas imbecilliores esse imaginetur, quam quidem tristitiam (per propositionem 28 hujus) amovere conabitur idque suorum æqualium actiones perperam interpretando vel suas quantum potest adornando. Apparet igitur homines natura proclives esse ad odium et invidiam ad quam accedit ipsa educatio. Nam parentes solo honoris et invidiæ stimulo liberos ad virtutem concitare solent. Sed scrupulus forsan remanet quod non raro hominum virtutes admiremur eosque veneremur. Hunc ergo ut amoveam sequens addam corollarium.

COROLLARIUM: Nemo virtutem alicui nisi æquali invidet.

DEMONSTRATIO: Invidia est ipsum odium (vide scholium propositionis 24 hujus) sive (per scholium propositionis 13 hujus) tristitia hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) affectio qua hominis agendi potentia seu conatus coercetur. At homo (per scholium propositionis 9 hujus) nihil agere conatur neque cupit nisi quod ex data sua natura sequi potest; ergo homo nullam de se agendi potentiam seu (quod idem est) virtutem prædicari cupiet quæ naturæ alterius est propria et suæ aliena adeoque ejus cupiditas coerceri hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) ipse contristari nequit ex eo quod aliquam virtutem in aliquo ipsi dissimili contemplatur et consequenter neque ei invidere poterit. At quidem suo æquali qui cum ipso ejusdem naturæ supponitur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Cum igitur supra in scholio propositionis 52 hujus partis dixerimus nos hominem venerari ex eo quod ipsius prudentiam, fortitudinem etc. admiramur, id fit (ut ex ipsa propositione patet) quia has virtutes ei singulariter inesse et non ut nostræ naturæ communes imaginamur adeoque easdem ipsi non magis invidebimus quam arboribus altitudinem et leonibus fortitudinem etc.

Als de ziel zich haar onmacht inbeeld, zo word zy daar over bedroeft.

Betoging.--De wezentheit der ziel bevestigt dit alleenlijk, dat de ziel is, en vermag; dat is, de natuur van de ziel is alleenlijk die dingen in te beelden, die haar vermogen van te doen stellen; volgens de voorgaande Voorstelling. Als wy dan zeggen, dat de ziel, terwijl zy zich zelve beschout, zich haar onmacht inbeeld, zo zeggen wy niets anders, dan dat, als de ziel zich iets poogt in te beelden, 't welk haar macht van te doen stelt, deze haar poging belet of verhindert word, of (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) dat zy bedroeft word; 't welk te betogen stond.

Toegift.--Deze droef heit word meer en meer gevoed en aangequeekt, zo zy zich inbeeld dat zy van anderen gelastert word: 't welk op de zelfde wijze, als de Toegift van de drieënveertigste Voorstelling in dit deel, betoogt word.

Byvoegsel.--Deze droef heit, van het denkbeelt van onze zwakheit verzelt, word nederigheit genoemt; en de blijschap, die uit de beschouwing van ons zelven spruit, heeft de naam van zelfsliefde, of gerustheit op zich zelf. En dewijl de zelfde zo dikwijls vernieut word, als de mensch zijn deuchden, of zijn vermogen van te doen beschout, zo is dit ook d'oorzaak dat yder zijn daden gaerne wil verhalen, en zo wel de krachten van zijn lighaam, als van zijn gemoed tonen, en dat de menschen om deze oorzaak aan malkander lastig zijn. Uit het welk weder volgt, dat de menschen van natuur nijdig zijn, (bezie het Byvoegsel van de vierëntwintigste Voorstelling, en het Byvoegsel van de tweeëndartigste Voorstelling in dit deel) of zich om de zwakheit van huns gelijken verblijden, en in tegendeel om hun deucht zich bedroeven. Want zo dikwijls yder zich zijn doeningen inbeeld, word hy (volgens de drieënvijftigste Voorstel- ling in dit deel) met blijschap aangedaan, en met zo veel te groter blijschap, als hy zich inbeeld dat zijn doeningen meer volmaaktheit uitdrukken, en als hy de zelfden zich onderscheidelijker inbeeld; dat is (volgens het geen, 't welk in 't eerste Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in het tweede deel gezegt is) hoe hy de zelfden meer van d'anderen kan onderscheiden, en als bezondere dingen beschouwen. Dieshalven zal yder zich dan uit d'aanschouwing van zich zelf meest verblijden, als hy in zich iets beschout, 't welk hy in d'anderen ontkent. Maar indien hy dit, dat hy van zich zelf bevestigt, aan 't algemeen denkbeelt van de mensch, of van het dier toepast, zo zal hy zich niet zo zeer verblijden, maar, in tegendeel, zich bedroeven zo hy zich inbeeld dat zijn doeningen, by die van anderen geleken, zwakker zijn. En deze droef heit (volgens d'achtentwintigste Voorstelling van dit deel) zal hy pogen te verdrijven; en dit met de doeningen van zijns gelijken qualijk uit te leggen; of de zijnen, zo veel als hem mogelijk is, op te pronken. Hier uit blijkt dan dat de menschen van natuur tot haat en nijt genegen zijn; daar d'opvoeding zelve noch bijkoomt. Want d'ouders zijn gewent hun kinderen door d'enige prikkel van eer en nijt ter deucht aan te prikkelen. Maar hier zal misschien noch deze zwarigheit overig zijn, dat wy dikwijls over de deuchden der menschen verwondert zullen wezen, en hen eren. Om dan deze zwarigheit wech te nemen, zal ik de volgende Toegift hier by voegen.

Toegift.--Niemant benijd iemants deucht, 't en zy hy hem gelijk is.

Betoging.--Nijt is een haat zelf, (bezie het Byvoegsel van de vierëntwintigste Voorstelling in dit deel) of (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) een droefheit, dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) een aandoening, daar door de macht, of poging van de mensch om te doen, bedwongen, en ingetoomt word. Maar de mensch (volgens het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) poogt, noch begeert niets te doen, dan 't geen, dat uit zijn gestelde natuur kan volgen: dieshalven, de mensch zal niet begeren dat'er enig vermogen, of ('t welk het zelfde is) deucht, die aan eens anders natuur eigen, en aan de zijne vreemt is, aan zijn natuur toegeëigent word: in voegen dat zijn begeerte niet kan bedwongen en ingetoomt, dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) hy zelf niet bedroeft worden, namelijk hieröm, dat in iemant, hem ongelijk, enige deucht word aangeschout; en by gevolg zal hy hem ook niet konnen benijden: maar wel zijns gelijkel, die met hem van een zelfde natuur onderstelt word; gelijk de Voorstelling meêbracht.

Byvoegsel.--Als wy dan hier voor (volgens het Byvoegsel van de tweeënvijftigste Voorstelling in dit deel) gezegt hebben, dat wy een mensch hieröm eren, dat wy over zijn voorzichtigheit, sterkheit, enz. verwondert zijn, zo geschied dit, (gelijk uit de Voorstelling zelve blijkt) om dat wy ons inbeelden dat deze deuchden bezonderlijk in hem zijn, en niet als aan onze natuur gemeen: en dus zullen wy aan hem de zelfden zo weinig benijden, als aan de bomen de hoogte, en aan de leeuwen de sterkheit, enz.

When the mind contemplates its own weakness, it feels pain thereat.

Proof.--The essence of the mind only affirms that which the mind is, or can do; in other words, it is the mind's nature to conceive only such things as assert its power of activity (last Prop.). Thus, when we say that the mind contemplates its own weakness, we are merely saying that while the mind is attempting to conceive something which asserts its power of activity, it is checked in its endeavour----in other words (III. xi. note), it feels pain. Q.E.D.

Corollary.--This pain is more and more fostered, if a man conceives that he is blamed by others; this may be proved in the same way as the corollary to III. liii.

Note.--This pain, accompanied by the idea of our own weakness, is called humility; the pleasure, which springs from the contemplation of ourselves, is called self--love or self--complacency. And inasmuch as this feeling is renewed as often as a man contemplates his own virtues, or his own power of activity, it follows that everyone is fond of narrating his own exploits, and displaying the force both of his body and mind, and also that, for this reason, men are troublesome to one another. Again, it follows that men are naturally envious (III. xxiv. note, and III. xxxii. note), rejoicing in the shortcomings of their equals, and feeling pain at their virtues. For whenever a man conceives his own actions, he is affected with pleasure (III. liii.), in proportion as his actions display more perfection, and he conceives them more distinctly--that is (II. xl. note), in proportion as he can distinguish them from others, and regard them as something special. Therefore, a man will take most pleasure in contemplating himself, when he contemplates some quality which he denies to others. But, if that which he affirms of himself be attributable to the idea of man or animals in general, he will not be so greatly pleased: he will, on the contrary, feel pain, if he conceives that his own actions fall short when compared with those of others. This pain (III. xxviii.) he will endeavour to remove, by putting a wrong construction on the actions of his equals, or by, as far as he can, embellishing his own.

It is thus apparent that men are naturally prone to hatred and envy, which latter is fostered by their education. For parents are accustomed to incite their children to virtue solely by the spur of honour and envy. But, perhaps, some will scruple to assent to what I have said, because we not seldom admire men's virtues, and venerate their possessors. In order to remove such doubts, I append the following corollary.

Corollary.--No one envies the virtue of anyone who is not his equal.

Proof.--Envy is a species of hatred (III. xxiv. note) or (III. xiii. note) pain, that is (III. xi. note), a modification whereby a man's power of activity, or endeavour towards activity, is checked. But a man does not endeavour or desire to do anything, which cannot follow from his nature as it is given; therefore a man will not desire any power of activity or virtue (which is the same thing) to be attributed to him, that is appropriate to another's nature and foreign to his own; hence his desire cannot be checked, nor he himself pained by the contemplation of virtue in some one unlike himself, consequently he cannot envy such an one. But he can envy his equal, who is assumed to have the same nature as himself. Q.E.D.

Note.--When, therefore, as we said in the note to III. lii., we venerate a man, through wonder at his prudence, fortitude, &c., we do so, because we conceive those qualities to be peculiar to him, and not as common to our nature; we, therefore, no more envy their possessor, than we envy trees for being tall, or lions for being courageous.

Elements in Which 3P55 is Used
  1. 3P55  3daxxviie
  2. 3P55s  3daxxviie
  3. 3P55s  4p34d
  4. 3P55c  4p52s
  5. 3P55  4p53d
  6. 3P55  4p54d
  7. 3P55s  4p57s