Individual Elements

←3P51
3P53→

3P52

Elements Used in 3P52
  1. 2p18  3P52d
  2. 2p18s  3P52d
  3. 3p12  3P52s
  4. 3p15  3P52s
  5. 3p15c  3P52s
  6. 3p27  3P52s

Objectum quod simul cum aliis antea vidimus vel quod nihil habere imaginamur nisi quod commune est pluribus, non tamdiu contemplabimur ac illud quod aliquid singulare habere imaginamur.

DEMONSTRATIO: Simulatque objectum quod cum aliis vidimus, imaginamur, statim et aliorum recordamur (per propositionem 18 partis II, cujus etiam scholium vide) et sic ex unius contemplatione statim in contemplationem alterius incidimus. Atque eadem est ratio objecti quod nihil habere imaginamur nisi quod commune est pluribus. Nam eo ipso supponimus nos nihil in eo contemplari quod antea cum aliis non viderimus. Verum cum supponimus nos in objecto aliquo aliquid singulare quod antea nunquam vidimus, imaginari, nihil aliud dicimus quam quod mens dum illud objectum contemplatur, nullum aliud in se habeat in cujus contemplationem ex contemplatione illius incidere potest atque adeo ad illud solum contemplandum determinata est. Ergo objectum etc. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc mentis affectio sive rei singularis imaginatio quatenus sola in mente versatur, vocatur admiratio, quæ si ab objecto quod timemus moveatur, consternatio dicitur quia mali admiratio hominem suspensum in sola sui contemplatione ita tenet ut de aliis cogitare non valeat quibus illud malum vitare posset. Sed si id quod admiramur sit hominis alicujus prudentia, industria vel aliquid hujusmodi, quia eo ipso hominem nobis longe antecellere contemplamur, tum admiratio vocatur veneratio; alias horror si hominis iram, invidiam etc. admiramur. Deinde si hominis quem amamus prudentiam, industriam etc. admiramur, amor eo ipso (per propositionem 12 hujus) major erit et hunc amorem admirationi sive venerationi junctum devotionem vocamus. Et ad hunc modum concipere etiam possumus odium, spem, securitatem et alios affectus admirationi junctos atque adeo plures affectus deducere poterimus quam qui receptis vocabulis indicari solent. Unde apparet affectuum nomina inventa esse magis ex eorum vulgari usu quam ex eorundem accurata cognitione. Admirationi opponitur contemptus cujus tamen causa hæc plerumque est quod scilicet ex eo quod aliquem rem aliquam admirari, amare, metuere etc. videmus vel ex eo quod res aliqua primo aspectu apparet similis rebus quas admiramur, amamus, metuimus etc. (per propositionem 15 cum ejus corollario et propositionem 27 hujus) determinamur ad eandem rem admirandum, amandum, metuendum etc. Sed si ex ipsius rei præsentia vel accuratiore contemplatione, id omne de eadem negare cogamur quod causa admirationis, amoris, metus etc. esse potest, tum mens ex ipsa rei præsentia magis ad ea cogitandum quæ in objecto non sunt quam quæ in ipso sunt, determinata manet cum tamen contra ex objecti præsentia id præcipue cogitare soleat quod in objecto est. Porro sicut devotio ex rei quam amamus admiratione sic irrisio ex rei quam odimus vel metuimus contemptu oritur et dedignatio ex stultitiæ contemptu sicuti veneratio ex admiratione prudentiæ. Possumus denique amorem, spem, gloriam et alios affectus junctos contemptui concipere atque inde alios præterea affectus deducere quos etiam nullo singulari vocabulo ab aliis distinguere solemus.

Het voorwerp, 't welk wy te voren gelijk met anderen hebben gezien, of 't welk, gelijk wy ons inbeelden, niets heeft, dan dat met veel gemeen is, zullen wy niet zo lang aanschouwen, als het geen, 't welk, gelijk wy ons inbeelden, iets bezonder heeft.

Betoging.--Zo haast als wy ons het voorwerp, dat wy met anderen gezien hebben, inbeelden, zo gedenken wy ook terstont aan d' anderen. (volgens d' achtiende Voorstelling van het tweede deel, van de welke men ook het Byvoegsel na te zien heeft) en dus vervallen wy uit d' aanschouwing van 't een terstont tot d'aanschouwing van 't ander. En dit is de zelfde reden van 't voorwerp, 't welk, gelijk wy ons inbeelden, niets heeft, dan dat met veel gemeen is. Want daarom onderstellen wy, dat wy daar in niets aanschouwen, 't welk wy niet te voren by anderen hebben gezien. Maar als wy onderstellen dat wy ons in enig voorwerp iets bezonder, dat wy te voren nooit gezien hebben, inbeelden, zo zeggen wy niets anders, dan dat de ziel, terwijl zy dit voorwerp aanschout, geen ander in de geest heeft, tot welke beschouwing zy, uit des zelfs beschouwing, kan vervallen; en dieshalven is zy bepaalt tot dat alleen t' aanschouwen.

Byvoegsel.--Deze aandoening der ziel, of bezondere inbeelding van de zaak, voor zo veel zy alleen in de ziel verkeert, word verwondering genoemt, de welke, zo zy uit het voorwerp ontstaat, 't welk wy vrezen, verslagentheit word geheten; om dat de verwondering van 't quaat de mensch in dier voegen in d'enige aanschouwing van zich bezich houd, dat hy op geen andere dingen, door de welken hy dit quaat zou konnen mijden, kan denken. Maar indien het geen, daar over wy verwondert zijn, de voorzichtigheit, naerstigheit, of iets diergelijk van de mensch is, om dat wy aanschouwen dat die mensch ons daar door verre overtreft, zo word de verwondering eerbiedigheit genoemt, andersins afschuwelijkheit, zo wy over de gramschap, nijdigheit enz. van die mensch verwondert zijn. Wijders, indien wy over de voorzichtigheit, naerstigheit, enz. van die mensch, de welk wy beminnen, verwondert zijn, zo zal de liefde daar door (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) groter zijn; en deze liefde, aan de verwondering, of eerbiedigheit gevoegt, word verloving, of overgeving genoemt. En op deze wijze konnen wy ook de haat, hoop, gerustheit, en d'andere hartstochten, aan de verwondering gevoegt, bevatten. In dezer voegen zullen wy meer hartstochten konnen afleiden, dan die gemenelijk met d'aangenome bewoordingen aangewezen worden. Daar uit dan blijkt dat de namen der hartstochten meer uit het gemeen gebruik der zelfder, dan uit hun naaukeurige kennis, gevonden zijn. Tegen de verwondering word de versmading gestelt, daar af echter dit deurgaans d'oorzaak is, namelijk dat wy hier door, dat wy iemant over enig ding verwondert zien, en dat hy het bemint, vreest, enz. of dat wy hier door, dat enig ding met d'eerste aanschouwing gelijk blijkt met de dingen, daar over wy verwondert zijn, die wy beminnen, vrezen, enz. dat wy, zeg ik, daar door (volgens de vijftiende Voorstelling, met der zelfder Toegift, en volgens de zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel) bepaalt worden tot over dat ding verwondert te zijn, het zelfde te beminnen, te vrezen, enz. Maar indien wy uit de tegenwoordigheit van de zaak zelve, of uit der zelfder naaukeurige beschouwing gedwongen worden van de zelfde zaak dit alles t' ontkennen, dat d'oorzaak van de verwondering, liefde vrees; enz. kan wezen; zo blijft de ziel, door de tegenwoordigheit van de zaak zelve, meer bepaalt tot die dingen te denken, die niet in 't voorwerp zijn, dan die daar in zijn, hoewel zy echter in tegendeel, uit de tegenwoordigheit van 't voorwerp, gewent is dit voornamelijk, dat in 't voorwerp is, te denken. Wijders, gelijk de verloving, of overgeving uit de verwondering van de zaak, die wy beminnen, voortkoomt, zo spruit de bespotting uit de versmading van de zaak, die wy haten, of vrezen, en de verontwaerdiging uit de versmading van de dwaasheit, gelijk d'eerbiedigheit uit de verwondering van de voorzichtigheit. Eindelijk, wy konnen de liefde, hoop, roem, en d'andere hartstochten aan de versmading gevoegt bevatten, en van daar ook andere hartstochten afleiden, die wy niet gewent zijn met enige bezondere bewoordingen van d'anderen t'onderscheiden.

An object which we have formerly seen in conjunction with others, and which we do not conceive to have any property that is not common to many, will not be regarded by us for so long, as an object which we conceive to have some property peculiar to itself.

Proof.--As soon as we conceive an object which we have seen in conjunction with others, we at once remember those others (II. xviii. and note), and thus we pass forthwith from the contemplation of one object to the contemplation of another object. And this is the case with the object, which we conceive to have no property that is not common to many. For we thereupon assume that we are regarding therein nothing, which we have not before seen in conjunction with other objects. But when we suppose that we conceive an object something special, which we have never seen before, we must needs say that the mind, while regarding that object, has in itself nothing which it can fall to regarding instead thereof; therefore it is determined to the contemplation of that object only. Therefore an object, &c. Q.E.D.

Note.--This mental modification, or imagination of a particular thing, in so far as it is alone in the mind, is called Wonder; but if it be excited by an object of fear, it is called Consternation, because wonder at an evil keeps a man so engrossed in the simple contemplation thereof, that he has no power to think of anything else whereby he might avoid the evil. If, however, the object of wonder be a man's prudence, industry, or anything of that sort, inasmuch as the said man, is thereby regarded as far surpassing ourselves, wonder is called Veneration; otherwise, if a man's anger, envy, &c., be what we wonder at, the emotion is called Horror. Again, if it be the prudence, industry, or what not, of a man we love, that we wonder at, our love will on this account be the greater (III. xii.), and when joined to wonder or veneration is called Devotion. We may in like manner conceive hatred, hope, confidence, and the other emotions, as associated with wonder; and we should thus be able to deduce more emotions than those which have obtained names in ordinary speech. Whence it is evident, that the names of the emotions have been applied in accordance rather with their ordinary manifestations than with an accurate knowledge of their nature.

To wonder is opposed Contempt, which generally arises from the fact that, because we see someone wondering at, loving, or fearing something, or because something, at first sight, appears to be like things, which we ourselves wonder at, love, fear, &c., we are, in consequence (III. xv. Coroll. and III. xxvii.), determined to wonder at, love, or fear that thing. But if from the presence, or more accurate contemplation of the said thing, we are compelled to deny concerning it all that can be the cause of wonder, love, fear, &c., the mind then, by the presence of the thing, remains determined to think rather of those qualities which are not in it, than of those which are in it; whereas, on the other hand, the presence of the object would cause it more particularly to regard that which is therein. As devotion springs from wonder at a thing which we love, so does Derision spring from contempt of a thing which we hate or fear, and Scorn from contempt of folly, as veneration from wonder at prudence. Lastly, we can conceive the emotions of love, hope, honour, &c., in association with contempt, and can thence deduce other emotions, which are not distinguished one from another by any recognized name.

Elements in Which 3P52 is Used
  1. 3P52s  3p55cds
  2. 3P52  3p55cds
  3. 3P52p  3daiv
  4. 3P52s  3daiv
  5. 3P52s  3dav
  6. 3P52  3daxe
  7. 3P52s  3daxie
  8. 3P52s  3daxliie