Individual Elements

←3P49
3P51→

3P50

Elements Used in 3P50
  1. 3psi  3P50d
  2. 3p14  3P50d
  3. 3p11s  3P50d
  4. 3p18s2  3P50d
  5. 3p18s2  3P50s
  6. 3p15c  3P50s
  7. 3p28  3P50s
  8. 3p25  3P50s

Res quæcunque potest esse per accidens spei aut metus causa.

DEMONSTRATIO: Hæc propositio eadem via demonstratur qua propositio 15 hujus, quam vide una cum scholio II propositionis 18 hujus.

SCHOLIUM: Res quæ per accidens spei aut metus sunt causæ, bona aut mala omina vocantur. Deinde quatenus hæc eadem omina sunt spei aut metus causa eatenus (per definitionem spei et metus, quam vide in scholio II propositionis 18 hujus) lætitiæ aut tristitiæ sunt causa et consequenter (per corollarium propositionis 15 hujus) eatenus eadem amamus vel odio habemus et (per propositionem 28 hujus) tanquam media ad ea quæ speramus, adhibere vel tanquam obstacula aut metus causas amovere conamur. Præterea ex propositione 25 hujus sequitur nos natura ita esse constitutos ut ea quæ speramus, facile, quæ autem timemus, difficile credamus et ut de iis plus minusve justo sentiamus. Atque ex his ortæ sunt superstitiones quibus homines ubique conflictantur. Cæterum non puto operæ esse pretium animi hic ostendere fluctuationes quæ ex spe et metu oriuntur quandoquidem ex sola horum affectuum definitione sequitur non dari spem sine metu neque metum sine spe (ut fusius suo loco explicabimus) et præterea quandoquidem quatenus aliquid speramus aut metuimus eatenus idem amamus vel odio habemus atque adeo quicquid de amore et odio diximus, facile unusquisque spei et metui applicare poterit.

Yder zaak kan by toeval oorzaak van hoop of vrees wezen.

Betoging.--Dit word opgelijke wijze betoogt, als de vijftiende Voorstelling van dit deel, die men na te zien heeft, gezamentlijk met het . Byvoegsel van d' achtiende Voorstelling in dit deel.

Byvoegsel.--De dingen, die by toeval oorzaken van hoop of vrees zijn, worden goede of quade voorteekenen genoemt. Wijders, voor zo veel deze zelfde voorteekenen oorzaken van hoop, of van vrees zijn, voor zo veel zijn zy (volgens de bepalingen van hoop en vrees, die men in het tweede Byvoegsel van d'achtiende Voorstelling in dit deel na te zien heeft) oorzaken van bljschap, of van droefheit; en by gevolg (volgens de Toegift van de vijftiende Voorstelling in dit deel) beminnen, of haten wy hen zo verre, en (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) pogen hen als middelen tot het geen, dat wy verhopen, aan te wenden, of als verhindernissen, of oorzaken van vrees te verdrijven. Wijders, uit de vijfëntwintigste Voorstelling van dit deel volgt, dat wy van natuur zo gestelt zijn, dat wy de dingen, die wy verhopen, lichtelijk, en de dingen, die wy vrezen, zwarelijk geloven, en daar af hoger af laeger, dan billijk is, gevoelen. En hier uit zijn de waangelovigheden gesproten, van de welken de menschen aan alle zijden bestreden worden. Voorts, ik acht het niet de moeite waerdig te zijn, hier de vlotheden des gemoeds te vertonen, die uit hoop en vrees voortkomen; dewijl uit de Bepaling dezer hartstochten alleen volgt, dat 'er geen hoop zonder vrees, en geen vrees zonder hoop is; gelijk wy op zijn plaats bredelijker zullen verklaren: en wijders, om dat wy, voor zo veel wy iets hopen of vrezen, het zelfde voor zo veel beminnen, of haten. Dieshalven, al 't geen, dat wy van de liefde en haat gezegt hebben, zal yder lichtelijk tot de hoop en vrees konnen toepassen.

Anything whatever can be, accidentally, a cause of hope or fear.

Proof.--This proposition is proved in the same way as III. xv., which see, together with the note to III. xviii.

Note.--Things which are accidentally the causes of hope or fear are called good or evil omens. Now, in so far as such omens are the cause of hope or fear, they are (by the definitions of hope and fear given in III. xviii. note) the causes also of pleasure and pain; consequently we, to this extent, regard them with love or hatred, and endeavour either to invoke them as means towards that which we hope for, or to remove them as obstacles, or causes of that which we fear. It follows, further, from III. xxv., that we are naturally so constituted as to believe readily in that which we hope for, and with difficulty in that which we fear; moreover, we are apt to estimate such objects above or below their true value. Hence there have arisen superstitions, whereby men are everywhere assailed. However, I do not think it worth while to point out here the vacillations springing from hope and fear; it follows from the definition of these emotions, that there can be no hope without fear, and no fear without hope, as I will duly explain in the proper place. Further, in so far as we hope for or fear anything, we regard it with love or hatred; thus everyone can apply by himself to hope and fear what we have said concerning love and hatred.

Elements in Which 3P50 is Used

N/A