Individual Elements

←3P46
3P48→

3P47

Elements Used in 3P47
  1. 3p27  3P47d
  2. 2p17c  3P47s

Lætitia quæ ex eo oritur quod scilicet rem quam odimus destrui aut alio malo affici imaginamur, non oritur absque ulla animi tristitia.

DEMONSTRATIO: Patet ex propositione 27 hujus. Nam quatenus rem nobis similem tristitia affici imaginamur eatenus contristamur.

SCHOLIUM: Potest hæc propositio etiam demonstrari ex corollario propositionis 17 partis II. Quoties enim rei recordamur, quamvis ipsa actu non existat, eandem tamen ut præsentem contemplamur corpusque eodem modo afficitur; quare quatenus rei memoria viget eatenus homo determinatur ad eandem cum tristitia contemplandum; quæ determinatio manente adhuc rei imagine coercetur quidem memoria illarum rerum quæ hujus existentiam secludunt sed non tollitur atque adeo homo eatenus tantum lætatur quatenus hæc determinatio coercetur et hinc fit ut hæc lætitia quæ ex rei quam odimus malo oritur, toties repetatur quoties ejusdem rei recordamur. Nam uti diximus quando ejusdem rei imago excitatur, quia hæc ipsius rei existentiam involvit, hominem determinat ad rem cum eadem tristitia contemplandum qua eandem contemplari solebat cum ipsa existeret. Sed quia ejusdem rei imagini alias junxit quæ ejusdem existentiam secludunt, ideo hæc ad tristitiam determinatio statim coercetur et homo de novo lætatur et hoc toties quoties hæc repetitio fit. Atque hæc eadem est causa cur homines lætantur quoties alicujus jam præteriti mali recordantur et cur pericula a quibus liberati sunt, narrare gaudeant. Nam ubi aliquod periculum imaginantur, idem veluti adhuc futurum contemplantur et ad id metuendum determinantur, quæ determinatio de novo coercetur idea libertatis quam hujus periculi ideæ junxerunt cum ab eodem liberati sunt quæque eos de novo securos reddit atque adeo de novo lætantur.

De blijschap, die hier uit spruit, namelijk, dat wy ons inbeelden dat de zaak, die wy haten, vernietigt, of met enig ander quaat aangedaan word, koomt niet voort zonder enige droefheit des gemoeds.

Betoging.--De Betoging blijkt uit de zevenëntwintigste Voorstelling van dit deel. Want voor zo veel wy ons inbeelden dat een zaak, ons gelijk, met droef heit aangedaan word, voor zo veel worden wy bedroeft.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling kan ook uit de Toegift van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel betoogt worden. Want zo dikwijls als wy aan een zaak gedenken, hoewel zy niet dadelijk wezentlijk is, zo aanschouwen wy echter de zelfde als tegenwoordig, en het lighaam word op de zelfde wijze aangedaan, als of zy tegenwoordig was. Dieshalven; voor zo veel de geheugenis van de zaak varsch is, voor zo veel word de mensch bepaalt tot de zelfde met droef heit t' aanschouwen. Deze bepaling word, terwijl het beelt van de zaak noch blijft, wel door de geheugenis van die dingen, de welken de wezentlijkheit hier af uitsluiten, ingetoomt, maar niet wechgenomen: en dieshalven verblijd de mensch zich zo verre, als deze bepaling ingetoomt word. En hier uit gebeurt het dat deze blijschap, de welke uit elende van die zaak spruit, de welke wy haten, zo dikwijls herhaalt en vernieut word, als wy aan de zelfde zaak gedenken. Want, gelijk wy gezegt hebben, als het beelt van de zelfde zaak verwekt word, om dat het zelfde de wezentlijkheit van de zaak zelve insluit, zo bepaalt het de mensch tot de zaak met de zelfde droef heit t'aanschouwen, daar meê hy de zelfde plag t'aanschouwen, toen zy wezentlijk was. Maar dewijl hy aan het beelt van de zelfde zaak anderen bygevoegt heeft, die der zelfder wezentlijkheit uitsluiten, zo word deze bepaling tot droefheit terstont ingetoomt; en de mensch verblijd zich van nieus, en dit zo dikwijls, als deze herhaling en vernieuwing geschied. Dit zelfde is ook oorzaak, om 't welk de menschen zich verblijden, zo dikwijls als zy aan enig quaat, dat alreê voorby is, gedenken, en om 't welk zy vermaak scheppen in de gevarelijkheden, van de welken zy verlost zijn, te verhalen. Want als zy zich enig gevaar inbeelden, zo aanschouwen zy het zelfde als noch aanstaande, en worden bepaalt tot het zelfde te vrezen. Deze bepaling word van nieus ingetoomt door het denkbeelt van de verlossing, 't welk de denkbeelden van dit gevaar te zamen hebben gevoegt, toen zy van het zelfde verlost zijn, en maakt hen op nieus verzekert; en dieshalven verblijden zy zich van nieus.

Joy arising from the fact, that anything we hate is destroyed, or suffers other injury, is never unaccompanied by a certain pain in us.

Proof.--This is evident from III. xxvii. For in so far as we conceive a thing similar to ourselves to be affected with pain, we ourselves feel pain.

Note.--This proposition can also be proved from the Corollary to II. xvii. Whenever we remember anything, even if it does not actually exist, we regard it only as present, and the body is affected in the same manner; wherefore, in so far as the remembrance of the thing is strong, a man is determined to regard it with pain; this determination, while the image of the thing in question lasts, is indeed checked by the remembrance of other things excluding the existence of the aforesaid thing, but is not destroyed: hence, a man only feels pleasure in so far as the said determination is checked: for this reason the joy arising from the injury done to what we hate is repeated, every time we remember that object of hatred. For, as we have said, when the image of the thing in question, is aroused, inasmuch as it involves the thing's existence, it determines the man to regard the thing with the same pain as he was wont to do, when it actually did exist. However, since he has joined to the image of the thing other images, which exclude its existence, this determination to pain is forthwith checked, and the man rejoices afresh as often as the repetition takes place. This is the cause of men's pleasure in recalling past evils, and delight in narrating dangers from which they have escaped. For when men conceive a danger, they conceive it as still future, and are determined to fear it; this determination is checked afresh by the idea of freedom, which became associated with the idea of the danger when they escaped therefrom: this renders them secure afresh: therefore they rejoice afresh.

Elements in Which 3P47 is Used
  1. 3P47s  3daxie
  2. 3P47s  3daxxxiie