Individual Elements

←3P38
3P40→

3P39

Elements Used in 3P39
  1. 3p13s  3P39d
  2. 3p28  3P39d
  3. 3p37  3P39d
  4. 3p9s  3P39s
  5. 3p28  3P39s

Qui aliquem odio habet, ei malum inferre conabitur nisi ex eo majus sibi malum oriri timeat et contra qui aliquem amat, ei eadem lege benefacere conabitur.

DEMONSTRATIO: Aliquem odio habere est (per scholium propositionis 13 hujus) aliquem ut tristitiæ causam imaginari adeoque (per propositionem 28 hujus) is qui aliquem odio habet, eundem amovere vel destruere conabitur. Sed si inde aliquid tristius sive (quod idem est) majus malum sibi timeat idque se vitare posse credit non inferendo ei quem odit malum quod meditabatur, a malo inferendo (per eandem propositionem 28 hujus) abstinere cupiet idque (per propositionem 37 hujus) majore conatu quam quo tenebatur inferendi malum, qui propterea prævalebit, ut volebamus. Secundæ partis demonstratio eodem modo procedit. Ergo qui aliquem odio habet etc. Q.E.D.

SCHOLIUM: Per bonum hic intelligo omne genus lætitiæ et quicquid porro ad eandem conducit et præcipue id quod desiderio qualecunque illud sit, satisfacit. Per malum autem omne tristitiæ genus et præcipue id quod desiderium frustratur. Supra enim (in scholio propositionis 9 hujus) ostendimus nos nihil cupere quia id bonum esse judicamus sed contra id bonum vocamus quod cupimus et consequenter id quod aversamur malum appellamus; quare unusquisque ex suo affectu judicat seu æstimat quid bonum, quid malum, quid melius, quid pejus et quid denique optimum quidve pessimum sit. Sic avarus argenti copiam optimum, ejus autem inopiam pessimum judicat. Ambitiosus autem nihil æque ac gloriam cupit et contra nihil æque ac pudorem reformidat. Invido deinde nihil jucundius quam alterius infelicitas et nihil molestius quam aliena felicitas ac sic unusquisque ex suo affectu rem aliquam bonam aut malam, utilem aut inutilem esse judicat. Cæterum hic affectus quo homo ita disponitur ut id quod vult nolit vel ut id quod non vult velit, timor vocatur, qui proinde nihil aliud est quam metus quatenus homo ab eodem disponitur ad malum quod futurum judicat, minore vitandum (vide propositionem 28 hujus). Sed si malum quod timet pudor sit, tum timor appellatur verecundia. Denique si cupiditas malum futurum vitandi coercetur timore alterius mali ita ut quid potius velit, nesciat, tum metus vocatur consternatio præcipue si utrumque malum quod timetur ex maximis sit.

De geen, die iemant haat, zal pogen hem quaat aan te doen, 't en zy hy vreest dat daar uit groter quaat voor hem zal voortkomen: in tegendeel, de geen, die iemant bemint, zal, op de zelfde wijze pogen hem wel te doen.

Iemant te haten, is, (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) zich iemant als d' oorzaak van zijn droefheit in te beelden. Dieshalven, (volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) de geen, die iemant haat, zal pogen hem te verdrijven, of te vernietigen. Maar indien hy daar uit iets droeviger, of ('t welk het zelfde is) enig groter quaat voor zich vreest, en gelooft dat hy dit kan ontgaan met den geen, die hy haat, met dat quaat, 't welk hy overwoog, aan te doen, zo zal hy begeten zich t' onthouden van hem quaat aan te doen, (volgens de zelfde achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) en dit (volgens de zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) met groter poging dan de gene, daar door hy gehouden was hem quaat aan te doen; welke poging dieshalven, gelijk wy wilden, d' overhant zal verkrijgen. De Betoging van het tweede deel gaat op gelijke wijze voort.

Byvoegsel.--By goet versta ik hier allerhande blijschap; en wijders het geen, dat tot de zelfde dienstig is, en voornamelijk dit, 't welk het verlangen, hoedanig het ook is, voldoet; en by quaat alderhande droefheit, en voornamelijk deze, die ons van onz verlangen berooft. Want hier voor (in het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) hebben wy getoont, dat wy niets begeren om dat wy het goet oordeelen te zijn: maar in tegendeel, wy noemen het goet, om dat wy het begeren, en by gevolg dit quaat, van 't welk wy een afkeer hebben. Dieshalven, yder oordeelt, ofschat naar zijn hartstocht en drift wat goet, wat quaat, wat beter, wat erger, en eindelijk wat best en ergst is. Dus oordeelt een gierigaart, dat d' overvloet van gelt best, en 't gebrek daar af, ergst is. Maar d' eerzuchtige begeert niets zo zeer, als de roem, en in tegendeel ontziet niets zo zeer als de schande. Wijders, den nijdige is niets aangenamer, dan eens anders ongeluk, en niets lastiger, dan eens anders geluk; en dus oordeelt yder, naar zijn hartstocht, dat enig ding goet of quaat, nut of onnut is. Voorts, deze hartstocht, door de welke de mensch dus geschikt word, dat hy dit, 't welk hy wil, niet wil, of dat hy dit wil, 't welk hy niet wil, word schroomte genoemt, die dieshalven niets anders is, dan vrees, voor zo veel de mensch van de zelfde geschikt word tot het quaat, dat hy toekomende oordeelt, door een minder quaat te schouwen. (bezie d' achtëntwintigste Voorstelling van dit deel) Maar indien het quaat, 't welk hy schroomt, schaamte is, zo word de schroomte beschaamtheit genoemt. Eindelijk, indien de begeerte van het toekomende quaat te schuwen door de schroom van eens anders quaat in dier voegen ingetoomt word, dat hy niet weet wat hy liever wil, zo word de vrees verbaastheit genoemt, voornamelijk zo de beide quaden, daar voor men schroomt, van de grootsten zijn.

He who hates anyone will endeavour to do him an injury, unless he fears that a greater injury will thereby accrue to himself; on the other hand, he who loves anyone will, by the same law, seek to benefit him.

Proof.--To hate a man is (III. xiii. note) to conceive him as a cause of pain; therefore he who hates a man will endeavour to remove or destroy him. But if anything more painful, or, in other words, a greater evil, should accrue to the hater thereby--and if the hater thinks he can avoid such evil by not carrying out the injury, which he planned against the object of his hate--he will desire to abstain from inflicting that injury (III. xxviii.), and the strength of his endeavour (III. xxxvii.) will be greater than his former endeavour to do injury, and will therefore prevail over it, as we asserted. The second part of this proof proceeds in the same manner. Wherefore he who hates another, etc. Q.E.D.

Note.--By good I here mean every kind of pleasure, and all that conduces thereto, especially that which satisfies our longings, whatsoever they may be. By evil, I mean every kind of pain, especially that which frustrates our longings. For I have shown (III. ix. note) that we in no case desire a thing because we deem it good, but, contrariwise, we deem a thing good because we desire it: consequently we deem evil that which we shrink from; everyone, therefore, according to his particular emotions, judges or estimates what is good, what is bad, what is better, what is worse, lastly, what is best, and what is worst. Thus a miser thinks that abundance of money is the best, and want of money the worst; an ambitious man desires nothing so much as glory, and fears nothing so much as shame. To an envious man nothing is more delightful than another's misfortune, and nothing more painful than another's success. So every man, according to his emotions, judges a thing to be good or bad, useful or useless. The emotion, which induces a man to turn from that which he wishes, or to wish for that which he turns from, is called timidity, which may accordingly be defined as the fear whereby a man is induced to avoid an evil which he regards as future by encountering a lesser evil (III. xxviii.). But if the evil which he fears be shame, timidity becomes bashfulness. Lastly, if the desire to avoid a future evil be checked by the fear of another evil, so that the man knows not which to choose, fear becomes consternation, especially if both the evils feared be very great.

Elements in Which 3P39 is Used
  1. 3P39  3p40s
  2. 3P39  3p40c2d
  3. 3P39  3p41s
  4. 3P39s  3p51s
  5. 3P39p  3daxxxiv
  6. 3P39p  3daxxxvi
  7. 3P39s  3daxxxix
  8. 3P39s  3daxliie
  9. 3P39  4p34d
  10. 3P39  4p37s2
  11. 3P39  4p45d
  12. 3P39  4p45c1
  13. 3P39  4p45c2
  14. 3P39  4p70d