Individual Elements

←3P26
3P28→

3P27

Elements Used in 3P27
  1. 2p17s  3P27d
  2. 2p16  3P27d
  3. 3p23  3P27d
  4. 3p22s  3P27s
  5. 3p27  3P27c1d
  6. 3p22  3P27c1d
  7. 3p21  3P27c1d
  8. 3p23  3P27c2d
  9. 3p27  3P27c3d
  10. 3p13  3P27c3d
  11. 3p9s  3P27c3d
  12. 3p22s  3P27c3ds

Ex eo quod rem nobis similem et quam nullo affectu prosecuti sumus, aliquo affectu affici imaginamur, eo ipso simili affectu afficimur.

DEMONSTRATIO: Rerum imagines sunt corporis humani affectiones quarum ideæ corpora externa veluti nobis præsentia repræsentant (per scholium propositionis 17 partis II) hoc est (per propositionem 16 partis II) quarum ideæ naturam nostri corporis et simul præsentem externi corporis naturam involvunt. Si igitur corporis externi natura similis sit naturæ nostri corporis, tum idea corporis externi quod imaginamur affectionem nostri corporis involvet similem affectioni corporis externi et consequenter si aliquem nobis similem aliquo affectu affectum imaginamur, hæc imaginatio affectionem nostri corporis huic affectui similem exprimet adeoque ex hoc quod rem aliquam nobis similem aliquo affectu affici imaginamur, simili cum ipsa affectu afficimur. Quod si rem nobis similem odio habeamus, eatenus (per propositionem 23 hujus) contrario affectu cum ipsa afficiemur, non autem simili. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc affectuum imitatio quando ad tristitiam refertur, vocatur commiseratio (de qua vide scholium propositionis 22 hujus) sed ad cupiditatem relata æmulatio, quæ proinde nihil aliud est quam alicujus rei cupiditas quæ in nobis ingeneratur ex eo quod alios nobis similes eandem cupiditatem habere imaginamur.

COROLLARIUM I: Si aliquem quem nullo affectu prosecuti sumus, imaginamur lætitia afficere rem nobis similem, amore erga eundem afficiemur. Si contra eundem imaginamur eandem tristitia afficere, odio erga ipsum afficiemur.

DEMONSTRATIO: Hoc eodem modo ex propositione præcedenti demonstratur ac propositio 22 hujus ex propositione 21.

COROLLARIUM II: Rem cujus nos miseret, odio habere non possumus ex eo quod ipsius miseria nos tristitia afficit.

DEMONSTRATIO: Si enim ex eo nos eandem odio habere possemus, tum (per propositionem 23 hujus) ex ipsius tristitia lætaremur, quod est contra hypothesin.

COROLLARIUM III: Rem cujus nos miseret, a miseria quantum possumus liberare conabimur.

DEMONSTRATIO: Id quod rem cujus nos miseret, tristitia afficit, nos simili etiam tristitia afficit (per propositionem præcedentem) adeoque omne id quod ejus rei existentiam tollit sive quod rem destruit, comminisci conabimur (per propositionem 13 hujus) hoc est (per scholium propositionis 9 hujus) id destruere appetemus sive ad id destruendum determinabimur atque adeo rem cujus miseremur, a sua miseria liberare conabimur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc voluntas sive appetitus benefaciendi qui ex eo oritur quod rei in quam beneficium conferre volumus, nos miseret, benevolentia vocatur, quæ proinde nihil aliud est quam cupiditas ex commiseratione orta. Cæterum de amore et odio erga illum qui rei quam nobis similem esse imaginamur, bene aut male fecit, vide scholium propositionis 22 hujus.

Hier uit, dat wy ons inbeelden dat een zaak, ons gelijk, en die wy met geen hartstocht vervolgt hebben, met enige hartstocht aangedaan word, worden wy met gelijke hartstocht aangedaan.

Betoging.--De beelden der dingen zijn d'aandoeningen van 't menschelijk lighaam, welker denkbeelden d'uitterlijke lighamen als tegenwoordig aan ons vertonen; (volgens het Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) dat is (volgens de zestiende Voorstelling van het tweede deel) welker denkbeelden de natuur van onz lighaam, en te gelijk de tegenwoordige natuur van 't uitterlijk lighaam insluiten. Indien dan de natuur van 't uitterlijk lighaam met de natuur van onz lighaam gelijk is, zo zal het denkbeelt van 't uitterlijk lighaam, 't welk wy inbeelden, een aandoening onzes lighaams, die met d' aandoening van 't uitterlijk lighaam gelijk is, insluiten; en by gevolg, indien wy ons inbeelden dat iemant, ons gelijk, met enige hartstocht aangedaan is, zo zal deze inbeelding een aandoening, met deze aandoening onzes lighaams gelijk, uitdrukken. Dieshalven, hier uit, dat wy ons inbeelden dat enig ding, ons gelijk, met enige hartstocht aangedaan word, worden wy met een zelfde hartstocht, als dat ding zelf, aangedaan. Maar indien wy een zaak, ons gelijk, haten, zo worden wy dus verre (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van dit deel) met een hartstocht, die daar tegen strijdig is, aangedaan, en niet met een gelijke; gelijk voorgestelt wierd.

Byvoegsel.--Deze navolging van hartstochten, op de droefheit toegepast, word medelijden, (bezie hier af het Byvoegsel van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel) en, op de begeerte toegepast, nayvering genoemt; de welke dieshalven niets anders is, dan de begeerte van enig ding, de welke in ons hier uit geboren word, dat wy ons inbeelden dat anderen, ons gelijk, de zelfde begeerte hebben.

Eerste Toegift.--Indien wy ons inbeelden dat iemant een zaak, ons geljk, en de welke wy met geen hartstocht nagejaagt hebben, met blijschap aandoet, zo zullen wy met liefde tot hem aangedaan worden: in tegendeel, indien wy ons inbeelden dat de zelfde de zelfde zaak met droefheit aandoet, zo zullen wy met haat tot hem aangedaan worden.

Betoging.--Dit word op de zelfde wijze uit de voorgaande Voorstelling betoogt, als de tweeëntwintigste Voorstelling van dit deel uit d'eenentwintigste Voorstelling.

Tweede Toegift.--Wy konnen een zaak, daar wy deernis meê hebben, niet om dat der zelfder elende ons met droefheit aandoet.

Betoging.--Want indien wy daarom de zelfde konden haten, zo zouden wy (volgens de drieëntwintigste Voorstelling van dit deel) ons uit der zelfder droefheit verblijden; 't welk tegen d'onderstelling is.

Darde Toegift.--Wy zullen, zo veel als ons mogelijk is, pogen de zaak daar over wy deernis hebben, van elende te verlossen.

Betoging.--Het geen, 't welk de zaak, daar over wy deernis hebben, met droefheit aandoet, doet ons ook met gelijke droefheit aan; volgens de voorgaande Voorstelling. En dieshalven zullen wy pogen al het geen, dat de wezentlijkheit van die zaak wechneemt, of dat de zaak vernietigt, te gedenken; (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) dat is (volgens het Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel) wy zullen trachten dit te vernietigen, of wy zullen bepaalt worden tot dit te vernietigen: en dieshalven zullen wy pogen de zaak, daar over wy deernis hebben, van haar elende te verlossen; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Deze wil, of deze luft van wel te doen, die hier uit spruit, dat wy deernis over de zaak hebben, aan de welke wy weldaat willen doen, word goetwilligheit genoemt, de welke dieshalven niets anders is, dan een begeerte uit medelijden gesproten. Voorts, wat de liefde en haat tot de geen aangaat, die de zaak, de welke wy ons inbeelden ons gelijk te zijn, goet of quaat aangedaan heeft, bezie hier af het Byvoegsel van de tweeëntwintigste Voorstelling in dit deel.

By the very fact that we conceive a thing, which is like ourselves, and which we have not regarded with any emotion, to be affected with any emotion, we are ourselves affected with a like emotion (affectus).

Proof.--The images of things are modifications of the human body, whereof the ideas represent external bodies as present to us (II. xvii.); in other words (II. x.), whereof the ideas involve the nature of our body, and, at the same time, the nature of the external bodies as present. If, therefore, the nature of the external body be similar to the nature of our body, then the idea which we form of the external body will involve a modification of our own body similar to the modification of the external body. Consequently, if we conceive anyone similar to ourselves as affected by any emotion, this conception will express a modification of our body similar to that emotion. Thus, from the fact of conceiving a thing like ourselves to be affected with any emotion, we are ourselves affected with a like emotion. If, however, we hate the said thing like ourselves, we shall, to that extent, be affected by a contrary, and not similar, emotion. Q.E.D.

Note I.--This imitation of emotions, when it is referred to pain, is called compassion (cf. III. xxii. note); when it is referred to desire, it is called emulation, which is nothing else but the desire of anything, engendered in us by the fact that we conceive that others have the like desire.

Corollary I.--If we conceive that anyone, whom we have hitherto regarded with no emotion, pleasurably affects something similar to ourselves, we shall be affected with love towards him. If, on the other hand, we conceive that he painfully affects the same, we shall be affected with hatred towards him.

Proof.--This is proved from the last proposition in the same manner as III. xxii. is proved from III. xxi.

Corollary II.--We cannot hate a thing which we pity, because its misery affects us painfully.

Proof.--If we could hate it for this reason, we should rejoice in its pain, which is contrary to the hypothesis.

Corollary III.--We seek to free from misery, as far as we can, a thing which we pity.

Proof.--That, which painfully affects the object of our pity, affects us also with similar pain (by the foregoing proposition); therefore, we shall endeavour to recall everything which removes its existence, or which destroys it (cf. III. xiii.); in other words (III. ix. note), we shall desire to destroy it, or we shall be determined for its destruction; thus, we shall endeavour to free from misery a thing which we pity. Q.E.D.

Note II.--This will or appetite for doing good, which arises from pity of the thing whereon we would confer a benefit, is called benevolence, and is nothing else but desire arising from compassion. Concerning love or hate towards him who has done good or harm to something, which we conceive to be like ourselves, see III. xxii. note.

Elements in Which 3P27 is Used
  1. 3P27  3p23s
  2. 3P27  3p29d
  3. 3P27  3p30d
  4. 3P27  3p31d
  5. 3P27  3p32d
  6. 3P27c1  3p32d
  7. 3P27  3p40d
  8. 3P27  3p41d
  9. 3P27  3p47d
  10. 3P27  3p49s
  11. 3P27  3p52s
  12. 3P27  3p53c
  13. 3P27s  3daxviii
  14. 3P27c1  3daxxe
  15. 3P27  3daxxxiiie
  16. 3P27s  3daxxxiiie
  17. 3P27s  3daxxxv
  18. 3P27  3daxlive
  19. 3P27c3  4p50d
  20. 3P27  4p50s
  21. 3P27  4p68s