Individual Elements

←3P21
3P23→

3P22

Elements Used in 3P22
  1. 3p21  3P22d
  2. 3p13s  3P22d
  3. 3p21  3P22s

Si aliquem imaginamur lætitia afficere rem quam amamus, amore erga eum afficiemur. Si contra eundem imaginamur tristitia eandem afficere, contra odio etiam contra ipsum afficiemur.

DEMONSTRATIO: Qui rem quam amamus lætitia vel tristitia afficit, ille nos lætitia vel tristitia etiam afficit si nimirum rem amatam lætitia illa vel tristitia affectam imaginamur (per præcedentem propositionem). At hæc lætitia vel tristitia in nobis supponitur dari concomitante idea causæ externæ; ergo (per scholium propositionis 13 hujus) si aliquem imaginamur lætitia vel tristitia afficere rem quam amamus, erga eundem amore vel odio afficiemur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Propositio 21 nobis explicat quid sit commiseratio quam definire possumus quod sit tristitia orta ex alterius damno. Quo autem nomine appellanda sit lætitia quæ ex alterius bono oritur, nescio. Porro amorem erga illum qui alteri bene fecit, favorem et contra odium erga illum qui alteri male fecit, indignationem appellabimus. Denique notandum nos non tantum misereri rei quam amavimus (ut in propositione 21 ostendimus) sed etiam ejus quam antea nullo affectu prosecuti sumus modo eam nobis similem judicemus (ut infra ostendam) atque adeo ei etiam favere qui simili bene fecit et contra in eum indignari qui simili damnum intulit.

Indien wy ons inbeelden dat iemant een zaak, die wy beminnen, met blijschap aandoet, zo zullen wy met liefde tot hem aangedaan worden. Indien, in tegendeel, wy ons inbeelden dat de zelfde deze zaak met droefheit aandoet, zo zullen wy ook met haat tegen hem aangedaan worden.

Betoging.--De geen, die de zaak, de welke wy beminnen, met blijschap, of met droefheit aandoet, doet ons ook met blijschap, of met droefheit aan; namelijk, zo wy ons de beminde zaak met blijschap, of met droefheit aangedaan inbeelden; volgens de voorgaande Voorstelling. En deze blijschap, of droefheit word in ons onderstelt met het denkbeelt van een uitterlijke oorzaak verzelt te zijn: dieshalven, (volgens de dartiende Voorstelling in dit deel) indien wy ons inbeelden dat iemant een ding, 't welk wy beminnen, met blijschap, of met droefheit aandoet, zo zullen wy tegen de zelfde met liefde, of met haat aangedaan worden; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--D' eenentwintigste Voorstelling verklaart aan ons, wat medelijden is, die wy konnen bepalen, dat het is een droefheit, uit eens anders schade gesproten. Maar ik weet niet met welke naam de blijschap, die uit eens anders goet spruit, genoemt moet worden. Voorts, de liefde tot de geen, die aan een ander wel gedaan heeft, zullen wy gunst, en, in tegendeel, de haat tegen de geen, die aan iemant quaat gedaan heeft, euvelneeming noemen. Eindelijk staat aan te merken, dat wy niet alleenlijk medelijden met die zaak hebben, de welke wy beminnen; (gelijk wy in de voorgaande eenëntwintigste Voorstelling hebben getoont) maar ook met de gene, die wy te voren met geen genegentheit gevolgt hebben, zo wy de zelfde ons gelijk oordeelen: (gelijk wy hier na zullen tonen) en dat wy dieshalven ook de geen begunstigen, die aan 't gelijke wel gedaan heeft, en, in tegendeel, ons tegen de geen vergrammen, die 't gelijke schade aangedaan heeft.

If we conceive that anything pleasurably affects some object of our love, we shall be affected with love towards that thing. Contrariwise, if we conceive that it affects an object of our love painfully, we shall be affected with hatred towards it.

Proof.--He, who affects pleasurably or painfully the object of our love, affects us also pleasurably or painfully--that is, if we conceive the loved object as affected with the said pleasure or pain (III. xxi.). But this pleasure or pain is postulated to come to us accompanied by the idea of an external cause; therefore (III. xiii. note), if we conceive that anyone affects an object of our love pleasurably or painfully, we shall be affected with love or hatred towards him. Q.E.D.

Note.--Prop. xxi. explains to us the nature of Pity, which we may define as pain arising from another's hurt. What term we can use for pleasure arising from another's gain, I know not.

We will call the love towards him who confers a benefit on another, Approval; and the hatred towards him who injures another, we will call Indignation. We must further remark, that we not only feel pity for a thing which we have loved (as shown in III. xxi.), but also for a thing which we have hitherto regarded without emotion, provided that we deem that it resembles ourselves (as I will show presently). Thus, we bestow approval on one who has benefited anything resembling ourselves, and, contrariwise, are indignant with him who has done it an injury.

Elements in Which 3P22 is Used
  1. 3P22s  3p27s
  2. 3P22  3p27c1d
  3. 3P22s  3p27c3ds
  4. 3P22s  3daxviii
  5. 3P22s  3daxxe