Individual Elements

←3P17
3P19→

3P18

Elements Used in 3P18
  1. 2p17  3P18d
  2. 2p17c  3P18d
  3. 2p44s  3P18d
  4. 2p16c2  3P18d
  5. 2p17  3P18s1
  6. 2p44s  3P18s1

Homo ex imagine rei præteritæ aut futuræ eodem lætitiæ et tristitiæ affectu afficitur ac ex imagine rei præsentis.

DEMONSTRATIO: Quamdiu homo rei alicujus imagine affectus est, rem ut præsentem tametsi non existat, contemplabitur (per propositionem 17 partis II cum ejusdem corollario) nec ipsam ut præteritam aut futuram imaginatur nisi quatenus ejus imago juncta est imagini temporis præteriti aut futuri (vide scholium propositionis 44 partis II). Quare rei imago in se sola considerata eadem est sive ad tempus futurum vel præteritum sive ad præsens referatur hoc est (per corollarium II propositionis 16 partis II) corporis constitutio seu affectus idem est sive imago sit rei præteritæ vel futuræ sive præsentis atque adeo affectus lætitiæ et tristitiæ idem est sive imago sit rei præteritæ aut futuræ sive præsentis. Q.E.D.

SCHOLIUM I: Rem eatenus præteritam aut futuram hic voco quatenus ab eadem affecti fuimus aut afficiemur exempli gratia quatenus ipsam vidimus aut videbimus, nos refecit aut reficiet, nos læsit aut lædet etc. Quatenus enim eandem sic imaginamur eatenus ejus existentiam affirmamus hoc est corpus nullo affectu afficitur qui rei existentiam secludat atque adeo (per propositionem 17 partis II) corpus ejusdem rei imagine eodem modo afficitur ac si res ipsa præsens adesset. Verumenimvero quia plerumque fit ut ii qui plura sunt experti, fluctuent quamdiu rem ut futuram vel præteritam contemplantur deque rei eventu ut plurimum dubitent (vide scholium propositionis 44 partis II) hinc fit ut affectus qui ex similibus rerum imaginibus oriuntur, non sint adeo constantes sed ut plerumque aliarum rerum imaginibus perturbentur donec homines de rei eventu certiores fiant.

SCHOLIUM II: Ex modo dictis intelligimus quid sit spes, metus, securitas, desperatio, gaudium et conscientiæ morsus. Spes namque nihil aliud est quam inconstans lætitia orta ex imagine rei futuræ vel præteritæ de cujus eventu dubitamus, metus contra inconstans tristitia ex rei dubiæ imagine etiam orta. Porro si horum affectuum dubitatio tollatur, ex spe sit securitas et ex metu desperatio nempe lætitia vel tristitia orta ex imagine rei quam metuimus vel speravimus. Gaudium deinde est lætitia orta ex imagine rei præteritæ de cujus eventu dubitavimus. Conscientiæ denique morsus est tristitia opposita gaudio.

De menschword van het beelt van de voorgaande, of toekomende zaak met de zelfde hartstocht van blijschap en droefheit aangedaan, als van het beelt van de tegenwoordige zaak.

Betoging.--Zo lang de mensch van het beelt van enige zaak aangedaan word, zo aanschout hy de zaak als tegenwoordig, schoon zy niet wezentlijk is; (volgens de zeventiende Voorstelling in het tweede deel, met der zelfder Toegift) en beeld het zich niet in als alreê voorby, of toekomende, dan voor zo veel des zelfs beelt aan het beelt van de voorgaande, of toekomende tijt gevoegt is. (bezie het Byvoegsel van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) Dieshalven, het beelt van de zaak, in zich alleen aangemerkt, is het zelfde, 't zy zy op de toekomende, of op de verlede, of op de tegenwoordige tijt toegepast word; dat is (volgens de Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel) des lighaams gesteltenis, of hartstocht is de zelfde, 't zy het beelt is van een voorgaande, of toekomende, of tegenwoordige zaak; en dieshalven is de hartstocht van blijschap en droefheit de zelfde, 't zy het beelt is van een voorgaande, of toekomende, of tegenwoordige zaak; gelijk te betogen stond.

Eerste Byvoegsel.--Ik noem een zaak voor zo veel verlede, of toekomende, als wy van de zelfde aangedaan geweest hebben, of aangedaan zullen worden. Tot een voorbeelt, voor zo veel wy de zelfde gezien hebben, of zien zullen, voor zo veel verheugt zy ons, of zal ons verheugen, heeft zy ons beledigt, of zal ons beledigen, enz. Want voor zo veel wy ons de zelfde dus inbeelden, voor zo veel bevestigen wy der zelfder wezentlijkheit: dat is, het lighaam word van geen hartstocht aangedaan, die de wezentlijkheit van de zaak uitsluit en dieshalven (volgens de zeventiende Voorstelling in het tweede deel) word het lighaam door het beelt van de zelfde zaak op de zelfde wijze aangedaan, als of de zaak zelve tegenwoordig was. Maar dewijl echter dikwijls gebeurt dat de genen, die veel dingen beproeft hebben, vlot en in waggeling zijn, zo lang zy de zaak als toekomende, of verlede aanschouwen, en deurgaans aan d'uitgang van de zaak twijffelen; (bezie het Byvoegsel van de vierënveertigste Voorstelling in het tweede deel) zo gebeurt het dat de hartstochten, die uit gelijke beelden der dingen spruiten, niet zeer bestandig zijn, maar dat zy dikwijls door de beelden der andere dingen ontroert worden, tot dat de menschen van d' uitgang van de zaak zeker zijn.

Tweede Byvoegsel.--Uit de dingen, die nu gezegt zijn, verstaan wy wat hoop, vrees, gerustheit, wanhoop, vreucht en knaging van geweten is. Want de hoop is niets anders, dan een onbestandige blijschap, uit het beelt van een toekomende, of verlede zaak gesproten, van welker uitgang wy twijffelen. De vrees, in tegendeel, is een onbestandige droef heit, ook uit het beelt van een twijffelachtige zaak gesproten. Wijders, indien de twijffeling dezer hartstochten wechgenomen word, zo word uit hoop gerustheit, en uit vrees wanhoop; namentlijk blijschap, of droefheit, uit het beeelt van de zaak gesproten, die wy gevreest, of gehoopt hebben. Voorts, de vreucht is een blijschap, uit het beelt van een voorgaande zaak gesproten, van welker uitgang wy getwijffelt hebben. Eindelijk, de knaging van geweten is een droefheit, tegen de vreucht gestelt.

A man is as much affected pleasurably or painfully by the image of a thing past or future as by the image of a thing present.

Proof.--So long as a man is affected by the image of anything, he will regard that thing as present, even though it be non--existent (II. xvii. and Coroll.), he will not conceive it as past or future, except in so far as its image is joined to the image of time past or future (II. xliv. note). Wherefore the image of a thing, regarded in itself alone, is identical, whether it be referred to time past, time future, or time present; that is (II. xvi. Coroll.), the disposition or emotion of the body is identical, whether the image be of a thing past, future, or present. Thus the emotion of pleasure or pain is the same, whether the image be of a thing past or future. Q.E.D.

Note I.--I call a thing past or future, according as we either have been or shall be affected thereby. For instance, according as we have seen it, or are about to see it, according as it has recreated us, or will recreate us, according as it has harmed us, or will harm us. For, as we thus conceive it, we affirm its existence; that is, the body is affected by no emotion which excludes the existence of the thing, and therefore (II. xvii.) the body is affected by the image of the thing, in the same way as if the thing were actually present. However, as it generally happens that those, who have had many experiences, vacillate, so long as they regard a thing as future or past, and are usually in doubt about its issue (II. xliv. note); it follows that the emotions which arise from similar images of things are not so constant, but are generally disturbed by the images of other things, until men become assured of the issue.

Note II.--From what has just been said, we understand what is meant by the terms Hope, Fear, Confidence, Despair, Joy, and Disappointment. Hope is nothing else but an inconstant pleasure, arising from the image of something future or past, whereof we do not yet know the issue. Fear, on the other hand, is an inconstant pain also arising from the image of something concerning which we are in doubt. If the element of doubt be removed from these emotions, hope becomes Confidence and fear becomes Despair. In other words, Pleasure or Pain arising from the image of something concerning which we have hoped or feared. Again, Joy is Pleasure arising from the image of something past whereof we have doubted the issue. Disappointment is the Pain opposed to Joy.

Elements in Which 3P18 is Used
  1. 3P18s2  3p50d
  2. 3P18s2  3p50s
  3. 3P18s2  3daxiii
  4. 3P18  3daxve
  5. 3P18s1  3daxve
  6. 3P18s1  4d6
  7. 3P18s2  4d6
  8. 3P18  4p9s
  9. 3P18  4p12d