Individual Elements

←3P14
3P16→

3P15

Elements Used in 3P15
  1. 3psi  3P15d
  2. 3p14  3P15d
  3. 3p11s  3P15d
  4. 3p14  3P15cd
  5. 3p11s  3P15cd
  6. 3p12  3P15cd
  7. 3p13c  3P15cd
  8. 3p13s  3P15cd
  9. 3p16  3P15s

Res quæcunque potest esse per accidens causa lætitiæ, tristitiæ vel cupiditatis.

DEMONSTRATIO: Ponatur mens duobus affectibus simul affici, uno scilicet qui ejus agendi potentiam neque auget neque minuit et altero qui eandem vel auget vel minuit (vide postulatum 1 hujus). Ex præcedenti propositione patet quod ubi mens postea illo a sua vera causa quæ (per hypothesin) per se ejus cogitandi potentiam nec auget nec minuit, afficietur, statim et hoc altero qui ipsius cogitandi potentiam auget vel minuit hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) lætitia vel tristitia afficietur atque adeo illa res non per se sed per accidens causa erit lætitiæ vel tristitiæ. Atque hac eadem via facile ostendi potest rem illam posse per accidens causam esse cupiditatis. Q.E.D.

COROLLARIUM: Ex eo solo quod rem aliquam affectu lætitiæ vel tristitiæ cujus ipsa non est causa efficiens, contemplati sumus, eandem amare vel odio habere possumus.

DEMONSTRATIO: Nam ex hoc solo fit (per propositionem 14 hujus) ut mens hanc rem postea imaginando affectu lætitiæ vel tristitiæ afficiatur hoc est (per scholium propositionis 11 hujus) ut mentis et corporis potentia augeatur vel minuatur etc. Et consequenter (per propositionem 12 hujus) ut mens eandem imaginari cupiat vel (per corollarium propositionis 13 hujus) aversetur hoc est (per scholium propositionis 13 hujus) ut eandem amet vel odio habeat. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hinc intelligimus qui fieri potest ut quædam amemus vel odio habeamus absque ulla causa nobis cognita sed tantum ex sympathia (ut aiunt) et antipathia. Atque huc referenda etiam ea objecta quæ nos lætitia vel tristitia afficiunt ex eo solo quod aliquid simile habent objectis quæ nos iisdem affectibus afficere solent ut in sequentibus propositionibus ostendam. Scio equidem auctores qui primi hæc nomina sympathiæ et antipathiæ introduxerunt, significare iisdem voluisse rerum occultas quasdam qualitates sed nihilominus credo nobis licere per eadem notas vel manifestas etiam qualitates intelligere.

Yder ding kan by toeval oorzaak van blijschap, droefheit, of begeerte wezen.

Betoging.--Laat ons stellen dat een ziel van twee hartstochten te gelijk aangedaan word, namentlijk van een, die haar macht van te doen, of te werken noch vermeerdert, noch vermindert; en van een ander, die de zelfde of vermeerdert, of vermindert: (bezie d' eerste Verëissching van dit deel) uit de voorgaande Voorstelling blijkt, dat, als de ziel namaals van gene, als haar ware oorzaak, die (volgens d'onderstelling) door zich haar macht van te denken noch vermeerdert, noch vermindert, aangedaan zal worden, zy terstont ook van deze andere, die haar macht van te denken vermeerdert, of vermindert, dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) van blijschap, of van droefheit, aangedaan zal worden: en in dezer voegen zal die zaak, niet door zich, maar door toeval, oorzaak van blijschap of droefheit zijn. En door deze middel kan men lichtelijk tonen, dat die zaak by toeval oorzaak van begeerte kan wezen, gelijk wy voorgaven.

Toegift.--Uit dit alleen, dat wy enige zaak met de hartstocht van blijschap, of droefheit, van de welke zy geen werkende oorzaak is, aangeschout hebben, konnen wy de zelfde beminnen, of haten. Want hier uit alleen geschied het (volgens de veertiende Voorstelling van dit deel) dat de ziel, met deze zaak namaals in te beelden, dpor de hartstocht van blijschap, of van droefheit aangedaan word; dat is (volgens het Byvoegsel van d'elfde Voorstelling in dit deel) dat het vermogen van de ziel, en van 't lighaam, vermeerdert, of vermindert word, enz. en by gevolg (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) dat de ziel de zelfde zaak begeert in te beelden, of (volgens de Toegift van de dartiende Voorstelling in dit deel) een afkeer daar af heeft: dat is (volgens het Byvoegsel van de dartiende Voorstelling in dit deel) dat zy de zelfde bemint, of haat; 't welk te betogen stond.

Byvoegsel.--Hier uit verstaan wy, hoe het kan geschieden dat wy enige dingen beminnen, of haten, zonder enige oorzaak, die aan ons bekent is, maar alleenlijk (gelijk men zegt) door toegenegentheit en afkeerlijkheit. En hier toe moeten ook die voorwerpen, de welken ons met blijschap, of met droefheit aandoen, toegepast worden, alleenlijk hier om, dat zy iets gelijk met de voorwerpen hebben, die ons gemenelijk met de zelfde hartstochten aandoen; gelijk ik in de volgende Voorstelling zal tonen. Ik weet wel dat de Schrijvers, die d' eersten deze namen van toegenegentheit en afkeerlijkheit ingevoert hebben, met de zelfden zekere verborge hoedanigheden der dingen hebben willen aanwijzen: Maar echter geloof ik dat het aan ons vrystaat by de zelfden de bekende, of openbare hoedanigheden te verstaan.

Anything can, accidentally, be the cause of pleasure, pain, or desire.

Proof.--Let it be granted that the mind is simultaneously affected by two emotions, of which one neither increases nor diminishes its power of activity, and the other does either increase or diminish the said power (III. Post. i.). From the foregoing proposition it is evident that, whenever the mind is afterwards affected by the former, through its true cause, which (by hypothesis) neither increases nor diminishes its power of action, it will be at the same time affected by the latter, which does increase or diminish its power of activity, that is (III. xi. note) it will be affected with pleasure or pain. Thus the former of the two emotions will, not through itself, but accidentally, be the cause of pleasure or pain. In the same way also it can be easily shown, that a thing may be accidentally the cause of desire. Q.E.D.

Corollary.--Simply from the fact that we have regarded a thing with the emotion of pleasure or pain, though that thing be not the efficient cause of the emotion, we can either love or hate it.

Proof.--For from this fact alone it arises (III. xiv.), that the mind afterwards conceiving the said thing is affected with the emotion of pleasure or pain, that is (III. xi. note), according as the power of the mind and body may be increased or diminished, &c.; and consequently (III. xii.), according as the mind may desire or shrink from the conception of it (III. xiii. Coroll.), in other words (III. xiii. note), according as it may love or hate the same. Q.E.D.

Note.--Hence we understand how it may happen, that we love or hate a thing without any cause for our emotion being known to us; merely, as a phrase is, from sympathy or antipathy. We should refer to the same category those objects, which affect us pleasurably or painfully, simply because they resemble other objects which affect us in the same way. This I will show in the next Prop. I am aware that certain authors, who were the first to introduce these terms "sympathy" and "antipathy," wished to signify thereby some occult qualities in things; nevertheless I think we may be permitted to use the same terms to indicate known or manifest qualities.

Elements in Which 3P15 is Used
  1. 3P15  3p16d
  2. 3P15c  3p16d
  3. 3P15c  3p35d
  4. 3P15c  3p35s
  5. 3P15  3p36d
  6. 3P15c  3p50s
  7. 3P15  3p52s
  8. 3P15c  3p52s
  9. 3P15s  3daix