Individual Elements

←3P10
3P12→

3P11

Elements Used in 3P11
  1. 2p7  3P11d
  2. 2p14  3P11d
  3. 3p9s  3P11s
  4. 3p10  3P11s
  5. 2p17s  3P11s
  6. 2p8c  3P11s
  7. 2p17  3P11s
  8. 2p18  3P11s
  9. 2p18s  3P11s
  10. 3p4  3P11s
  11. 2p6  3P11s
  12. 2p8  3P11s

Quicquid corporis nostri agendi potentiam auget vel minuit, juvat vel cœrcet, ejusdem rei idea mentis nostræ cogitandi potentiam auget vel minuit, juvat vel cœrcet.

DEMONSTRATIO: Hæc propositio patet ex propositione 7 partis II vel etiam ex propositione 14 partis II.

SCHOLIUM: Videmus itaque mentem magnas posse pati mutationes et jam ad majorem jam autem ad minorem perfectionem transire, quæ quidem passiones nobis explicant affectus lætitiæ et tristitiæ. Per lætitiam itaque in sequentibus intelligam passionem qua mens ad majorem perfectionem transit. Per tristitiam autem passionem qua ipsa ad minorem transit perfectionem. Porro affectum lætitiæ ad mentem et corpus simul relatum titillationem vel hilaritatem voco, tristitiæ autem dolorem vel melancholiam. Sed notandum titillationem et dolorem ad hominem referri quando una ejus pars præ reliquis est affecta; hilaritatem autem et melancholiam quando omnes pariter sunt affectæ. Quid deinde cupiditas sit in scholio propositionis 9 hujus partis explicui et præter hos tres nullum alium agnosco affectum primarium nam reliquos ex his tribus oriri in sequentibus ostendam. Sed antequam ulterius pergam, lubet hic fusius propositionem 10 hujus partis explicare ut clarius intelligatur qua ratione idea ideæ sit contraria. In scholio propositionis 17 partis II ostendimus ideam quæ mentis essentiam constituit, corporis existentiam tamdiu involvere quamdiu ipsum corpus existit. Deinde ex iis quæ in corollario propositionis 8 partis II et in ejusdem scholio ostendimus, sequitur præsentem nostræ mentis existentiam ab hoc solo pendere quod scilicet mens actualem corporis existentiam involvit. Denique mentis potentiam qua ipsa res imaginatur earumque recordatur, ab hoc etiam pendere ostendimus (vide propositiones 17 et 18 partis II cum ejus scholio) quod ipsa actualem corporis existentiam involvit. Ex quibus sequitur mentis præsentem existentiam ejusque imaginandi potentiam tolli simulatque mens præsentem corporis existentiam affirmare desinit. At causa cur mens hanc corporis existentiam affirmare desinit, non potest esse ipsa mens (per propositionem 4 hujus) nec etiam quod corpus esse desinit. Nam (per propositionem 6 partis II) causa cur mens corporis existentiam affirmat, non est quia corpus existere incepit : quare per eandem rationem nec ipsius corporis existentiam affirmare desinit quia corpus esse desinit sed (per propositionem 8 partis II) hoc ab alia idea oritur quæ nostri corporis et consequenter nostræ mentis præsentem existentiam secludit quæque adeo ideæ quæ nostræ mentis essentiam constituit, est contraria.

Al 't geen, 't welk onze lighaams macht van te doen en te werken vermeerdert, of vermindert, bevordert, of intoomt; het denkbeelt van dat ding vermeerdert, of vermindert, bevordert, of beteugelt de macht van te denken van onze ziel.

Betoging.--Deze Voorstelling blijkt uit de zevende Voorstelling van het tweede deel, of ook uit de veertiende Voorstelling van het zelfde deel.

Byvoegsel.--Wy zien dan dat de ziel grote veränderingen kan lijden, en nu tot meerder, en dat tot minder volmaaktheit overgaan; welke lijdingen aan ons de hartstochten van blijschap en droefheit verklaren. Ik zal dan vervolgens by blijschap die lijding verstaan, door de velke de ziel tot groter volmaaktheit, en by droefheit die lijding, daar door zy tot minder volmaaktheit overgaat. Wijders, de hartstocht van blijschap, gezamentlijk tot de ziel en 't lighaam toegepast, noem ik kitteling, of vrolijkheit, en die van droefheit treurigheit, of naargeestigheit. Doch hier staat aan te merken, dat de kitteling en treurigheit tot de mensch toegepast word, als een van zijn delen meer dan d' anderen aangedaan is; en vrolijkheit en naargeestigheit, als zy alle gezamentlijk aangedaan zijn. Voorts, wat begeerte is, heb ik in 't Byvoegsel van de negende Voorstelling in dit deel verhaalt: en behalven deze drie ken ik geen andere voorname hartstocht; want in 't volgende zal ik tonen, dat d' anderen uit deze drie spruiten. Doch eer ik wijder voortga, zo lust het my hier de tiende Voorstelling van dit deel bredelijker te verklaren, op dat men klarelijker zou verstaan, op welke wijze het een denkbeelt tegen 't ander strijd. In 't Byvoegsel van de zeventiende Voorstelling in het tweede deel hebben wy getoont, dat het denkbeelt, 't welk de wezentheit van de ziel stelt, de wezentlijkheit van 't lighaam zo lang influit, als het lighaam zelf wezentlijk is. Wijders, uit de dingen, die wy in de Toegift van d' achtste Voorstelling in het tweede deel, en in der zelfder Byvoegsel getoont hebben, volgt dat de tegenwoordige wezentlijkheit van onze ziel van dit enige afhangt, namentlijk dat de ziel de dadelijke wezentlijkheit des lighaams insluit. Eindelijk, wy hebben getoont, (bezie de zeventiende en achtiende Voorstelling van het tweede deel, met der zelfder Byvoegsel) dat het vermogen van de ziel, daar door zy de zaken inbeeld, en daar aan gedenkt, ook van dit afhangt, dat zy zelve dadelijke wezentlijkheit des lighaams insluit. Uit het welk volgt, dat de tegenwoordige wezentlijkheit van de ziel, en der zelfder vermogen van in te beelden wechgenomen word, zo haast de ziel aflaat van de tegenwoordige wezentlijkheit des lighaams te bevestigen. Maar d' oorzaak, daarom de ziel aflaat deze wezentlijkheit des lighaams te bevestigen, kan niet de ziel zelve zijn, (volgens de vierde Voorstelling van dit deel) noch ook dat het lighaam aflaat te wezen: want (volgens de zeste Voorstelling van het tweede deel) d' oorzaak, om de welke de ziel de wezentlijkheit van 't lighaam bevestigt, is niet om dat het lighaam begonnen heeft wezentlijk te zijn. Dieshalven, volgens de zelfde reden, laat zy niet af van de wezentlijkheit des lighaams zelf te bevestigen, om dat het lighaam aflaat te wezen : maar dit (volgens d' achtste Voorstelling in het tweede deel) spruit uit een ander denkbeelt, 't welk de tegenwoordige wezentlijkheit van onz lighaam, en by gevolg ook van onze ziel, uitsluit, en 't welk zo verre tegen dat denkbeelt strijd, 't welk de wezentheit van onze ziel stelt.

Whatsoever increases or diminishes, helps or hinders the power of activity in our body, the idea thereof increases or diminishes, helps or hinders the power of thought in our mind.

Proof.--This proposition is evident from II. vii. or from II. xiv.

Note.--Thus we see, that the mind can undergo many changes, and can pass sometimes to a state of greater perfection, sometimes to a state of lesser perfection. These passive states of transition explain to us the emotions of pleasure and pain. By pleasure therefore in the following propositions I shall signify a passive state wherein the mind passes to a greater perfection. By pain I shall signify a passive state wherein the mind passes to a lesser perfection. Further, the emotion of pleasure in reference to the body and mind together I shall call stimulation (titillatio) or merriment (hilaritas), the emotion of pain in the same relation I shall call suffering or melancholy. But we must bear in mind, that stimulation and suffering are attributed to man, when one part of his nature is more affected than the rest, merriment and melancholy, when all parts are alike affected. What I mean by desire I have explained in the note to Prop. ix. of this part; beyond these three I recognize no other primary emotion; I will show as I proceed, that all other emotions arise from these three. But, before I go further, I should like here to explain at greater length Prop. x of this part, in order that we may clearly understand how one idea is contrary to another. In the note to II. xvii. we showed that the idea, which constitutes the essence of mind, involves the existence of body, so long as the body itself exists. Again, it follows from what we pointed out in the Corollary to II. viii., that the present existence of our mind depends solely on the fact, that the mind involves the actual existence of the body. Lastly, we showed (II. xvii., xviii. and note) that the power of the mind, whereby it imagines and remembers things, also depends on the fact, that it involves the actual existence of the body. Whence it follows, that the present existence of the mind and its power of imagining are removed, as soon as the mind ceases to affirm the present existence of the body. Now the cause, why the mind ceases to affirm this existence of the body, cannot be the mind itself (III. iv.), nor again the fact that the body ceases to exist. For (by II. vi.) the cause, why the mind affirms the existence of the body, is not that the body began to exist; therefore, for the same reason, it does not cease to affirm the existence of the body, because the body ceases to exist; but (II. xvii.) this result follows from another idea, which excludes the present existence of our body and, consequently, of our mind, and which is therefore contrary to the idea constituting the essence of our mind.

Elements in Which 3P11 is Used
  1. 3P11  3p12d
  2. 3P11s  3p15d
  3. 3P11s  3p15cd
  4. 3P11s  3p19d
  5. 3P11s  3p20d
  6. 3P11s  3p21d
  7. 3P11s  3p23d
  8. 3P11  3p34d
  9. 3P11s  3p34d
  10. 3P11s  3p35d
  11. 3P11s  3p37d
  12. 3P11s  3p50d
  13. 3P11s  3p53d
  14. 3P11s  3p55d
  15. 3P11s  3p55cscd
  16. 3P11s  3p56d
  17. 3P11  3p57d
  18. 3P11s  3p57d
  19. 3P11  3p59d
  20. 3P11s  3p59d
  21. 3P11s  3daiiie
  22. 3P11s  3daive
  23. 3P11s  4p8d
  24. 3P11s  4p18d
  25. 3P11s  4p29d
  26. 3P11s  4p30d
  27. 3P11  4p41d
  28. 3P11s  4p41d
  29. 3P11s  4p42d
  30. 3P11  4p42d
  31. 3P11s  4p43d
  32. 3P11s  4p44d
  33. 3P11s  4p51a