Individual Elements

←3DAXLVIII
4D1→

3GDA

Elements Used in 3GDA
  1. 3p3  3GDAe
  2. 2p16c2  3GDAe
  3. 2p11  3GDAe
  4. 2p13  3GDAe

Affectus qui animi pathema dicitur, est confusa idea qua mens majorem vel minorem sui corporis vel alicujus ejus partis existendi vim quam antea affirmat et qua data ipsa mens ad hoc potius quam ad illud cogitandum determinatur.

EXPLICATIO: Dico primo affectum seu passionem animi esse confusam ideam. Nam mentem eatenus tantum pati ostendimus (vide propositionem 3 hujus) quatenus ideas inadæquatas sive confusas habet. Dico deinde "qua mens majorem vel minorem sui corporis vel alicujus ejus partis existendi vim quam antea affirmat". Omnes enim corporum ideæ quas habemus magis nostri corporis actualem constitutionem (per corollarium II propositionis 16 partis II) quam corporis externi naturam indicant; at hæc quæ affectus formam constituit, corporis vel alicujus ejus partis constitutionem indicare vel exprimere debet quam ipsum corpus vel aliqua ejus pars habet ex eo quod ipsius agendi potentia sive existendi vis augetur vel minuitur, juvatur vel coercetur. Sed notandum cum dico "majorem vel minorem existendi vim quam antea", me non intelligere quod mens præsentem corporis constitutionem cum præterita comparat sed quod idea quæ affectus formam constituit, aliquid de corpore affirmat quod plus minusve realitatis revera involvit quam antea. Et quia essentia mentis in hoc consistit (per propositiones 11 et 13 partis II) quod sui corporis actualem existentiam affirmat et nos per perfectionem ipsam rei essentiam intelligimus, sequitur ergo quod mens ad majorem minoremve perfectionem transit quando ei aliquid de suo corpore vel aliqua ejus parte affirmare contingit quod plus minusve realitatis involvit quam antea. Cum igitur supra dixerim mentis cogitandi potentiam augeri vel minui, nihil aliud intelligere volui quam quod mens ideam sui corporis vel alicujus ejus partis formaverit quæ plus minusve realitatis exprimit quam de suo corpore affirmaverat. Nam idearum præstantia et actualis cogitandi potentia ex objecti præstantia æstimatur. Addidi denique "et qua data ipsa mens ad hoc potius quam ad illud cogitandum determinatur" ut præter lætitiæ et tristitiæ naturam quam prima definitionis pars explicat, cupiditatis etiam naturam exprimerem. Finis tertiæ partis

De Hartstocht, die een lijding des gemoeds word genoemt, is een verward denkbeelt, door 't welk de ziel een meerder of minder macht, dan te voren, van haar lighaam, of van enig gedeelte daar af van wezentlijk te zijn, bevestigt, en door 't welk, gestelt zijnde, de ziel zelve bepaalt word eerder op dit, dan op dat te denken.

Verklaring.--Ik zeg voorëerst, dat de hartstocht, of de lijding des gemoeds een verwart denkpeelt is. Want wy hebben (bezie hier af de darde Voorstelling in dit deel) getoont dat de ziel alleenlijk zo verre lijd, als zy onëvenmatige, of verwarde denkbeelden heeft. Ik zeg wijders, door 't welk de ziel een meerder of minder macht, dan te voren, van haar lighaam, of van enig gedeelte daar af van wezentlijk te zijn bevestigt: want alle de denkbeelden der lighamen, die wy hebben, wijzen meer aan de dadelijke gesteltenis van onz lig- haam, (volgens de tweede Toegift van de zestiende Voorstelling in het tweede deel) dan de natuur van 't uitterlijk lighaam. Maar dat, 't welk de vorm van de hartstocht stelt, moet de gesteltenis van 't lighaam, of van enig deel daar af, 't welk het lighaam zelfs, of enig deel daar af heeft, aanwijzen, of uitdrukken; namelijk hieröm, dat des zelfs vermogen van te doen, of macht van wezentlijk te zijn vermeerdert of vermindert, geholpen of ingetoomt word. Maar hier staat aan te merken dat ik, als ik zeg een meerder of minder macht van wezentlijk te zijn, dan te voren, niet versta dat de ziel de tegenwoordige gesteltenis van 't lighaam met de voorgaande gelijkt; maar dat het denkbeelt, 't welk de vorm van de hartstocht stelt, iets van 't lighaam bevestigt, dat warelijk meerder, of minder zakelijkheit insluit, dan te voren. En dewijl de wezentheit van de ziel hier in bestaat, (volgens d'elfde en dartiende Voorstelling in het tweede deel) dat zy de dadelijke wezentlijkheit van haar lighaam bevestigt, en wy, by volmaaktheit, de wezentheit zelve van de zaak verstaan, zo volgt dat de ziel tot meerder, of minder volmaaktheit overgaat, als 't haar toevalt iets, dat meerder of minder zakelijkheit insluit, dan te voren, van haar lighaam, of van enig deel daar af te bevestigen. Als ik dieshalven hier voor gezegt heb, dat de macht van te denken van de ziel vermeerdert of vermindert word, dan heb ik daar by niets anders verstaan willen hebben, dan dat de ziel een denkbeelt van haar lighaam, of van enig gedeelte daar af gevormt heeft, 't welk meerder of minder zakelijkheit uitdrukt, dan zy van haar lighaam bevestigt had; want de voortreffelijkheit der denkbeelden, en het dadelijk vermogen van te denken word naar de voortreffelijkheit van 't voorwerp geschat. Eindelijk heb ik 'er by gevoegt, en door 't welk, gestelt zijnde, de ziel zelve bepaalt word eerder op dit, dan op dat te denken; op dat ik, boven de natuur van de blijschap en droef heit, de welke in 't eerste deel van de Bepaling verklaart word, ook de natuur van de begeerte zou uitdrukken.

Einde van 't darde Deel.

Emotion, which is called a passivity of the soul, is a confused idea, whereby the mind affirms concerning its body, or any part thereof, a force for existence (existendi vis) greater or less than before, and by the presence of which the mind is determined to think of one thing rather than another.

Explanation--I say, first, that emotion or passion of the soul is a confused idea. For we have shown that the mind is only passive, in so far as it has inadequate or confused ideas. (III. iii.) I say, further, whereby the mind affirms concerning its body or any part thereof a force for existence greater than before. For all the ideas of bodies, which we possess, denote rather the actual disposition of our own body (II. xvi. Coroll. ii.) than the nature of an external body. But the idea which constitutes the reality of an emotion must denote or express the disposition of the body, or of some part thereof, because its power of action or force for existence is increased or diminished, helped or hindered. But it must be noted that, when I say a greater or less force for existence than before, I do not mean that the mind compares the present with the past disposition of the body, but that the idea which constitutes the reality of an emotion affirms something of the body, which, in fact, involves more or less of reality than before.

And inasmuch as the essence of mind consists in the fact (II. xi., xiii.), that it affirms the actual existence of its own body, and inasmuch as we understand by perfection the very essence of a thing, it follows that the mind passes to greater or less perfection, when it happens to affirm concerning its own body, or any part thereof, something involving more or less reality than before.

When, therefore, I said above that the power of the mind is increased or diminished, I merely meant that the mind had formed of its own body, or of some part thereof, an idea involving more or less of reality, than it had already affirmed concerning its own body. For the excellence of ideas, and the actual power of thinking are measured by the excellence of the object. Lastly, I have added by the presence of which the mind is determined to think of one thing rather than another, so that, besides the nature of pleasure and pain, which the first part of the definition explains, I might also express the nature of desire.

Elements in Which 3GDA is Used
  1. 3GDA  4p7d
  2. 3GDA  4p7c
  3. 3GDA  4p8d
  4. 3GDA  4p9d
  5. 3GDA  4p14d
  6. 3GDA  5p3d
  7. 3GDA  5p4c
  8. 3GDA  5p17d
  9. 3GDA  5p34d
  10. 3GDA  5p40c