Individual Elements

←3DAXLVII
3GDA→

3DAXLVIII

Elements Used in 3DAXLVIII
  1. 3p56s  3DAXLVIIIe
  2. 3p29s  3DAXLVIIIe

Libido est etiam cupiditas et amor in commiscendis corporibus.

EXPLICATIO: Sive hæc coeundi cupiditas moderata sit sive non sit, libido appellari solet. Porro hi quinque affectus (ut in scholio propositionis 56 hujus monui) contrarios non habent. Nam modestia species est ambitionis, de qua vide scholium propositionis 29 hujus. Temperantiam deinde, sobrietatem et castitatem mentis potentiam, non autem passionem indicare jam etiam monui. Et tametsi fieri potest ut homo avarus, ambitiosus vel timidus a nimio cibo, potu et coitu abstineat, avaritia tamen, ambitio et timor luxuriæ, ebrietati vel libidini non sunt contrarii. Nam avarus in cibum et potum alienum se ingurgitare plerumque desiderat. Ambitiosus autem, modo speret fore clam, in nulla re sibi temperabit et si inter ebrios vivat et libidinosos, ideo quia ambitiosus est, proclivior erit ad eadem vitia. Timidus denique id quod non vult, facit. Nam quamvis mortis vitandæ causa divitias in mare projiciat, manet tamen avarus et si libidinosus tristis est quod sibi morem gerere nequeat, non desinit propterea libidinosus esse. Et absolute hi affectus non tam ipsos actus convivandi, potandi etc. respiciunt quam ipsum appetitum et amorem. Nihil igitur his affectibus opponi potest præter generositatem et animositatem, de quibus in sequentibus. Definitiones zelotypiæ et reliquarum animi fluctuationum silentio prætermitto tam quia ex compositione affectuum quos jam definivimus, oriuntur quam quia pleræque nomina non habent, quod ostendit ad usum vitæ sufficere easdem in genere tantummodo noscere. Cæterum ex definitionibus affectuum quos explicuimus, liquet eos omnes a cupiditate, lætitia vel tristitia oriri seu potius nihil præter hos tres esse quorum unusquisque variis nominibus appellari solet propter varias eorum relationes et denominationes extrinsecas. Si jam ad hos primitivos et ad ea quæ de natura mentis supra diximus, attendere velimus, affectus quatenus ad solam mentem referuntur sic definire poterimus.

D' Onkuisheit, of Gailheit is ook een begeerte en liefde in de lighamen te zamen te mengen.

Verklaring.--'t Zy deze begeerte van te zamen te komen matig is, of niet, zy word gemenelijk Onkuisheit, of gailheit genoemt. Voorts, deze vijf hartstochten, (gelijk ik in 't Byvoegsel van de zesenvijftigste Voorstelling vermaant heb) hebben geen strijdigen. Want de zedigheit is een soort, of gedaante van roemzucht; bezie hier af het Byvoegsel van de negenëntwintigste Voorstelling in dit deel. Ik heb ook alreê gezegt, dat de matigheit, soberheit, en kuisheit het vermogen van de ziel, en geen lijding aanwijzen. En hoewel het gebeuren kan dat een gierig, roemzuchtig, of vreesachtig mensch zich van al te veel spijs, drank en bijslapen onthoud, zo zijn echter de gierigheit, eerzucht en vrees niet strijdig tegen de brassery, dronkenschap, of kuisheit: want de gierige wenscht deurgaans dat hy eens anders spijs en drank mag inzwelgen. D' eerzuchtige zal zich nergens in matigen, zo hy slechs hoopt dat het verborgen zal blijven; en indien hy onder de dronkaarts en onkuischen leeft, zo zal hy tot deze zonden meer genegen zijn, om dat hy roemzuchtig is. Eindelijk, de vreesachtige doet het geen, dat hy niet wil: want hoewel hy, om de doot t'ontgaan, zijn rijkdom in zee werpt, zo blijft hy echter gierig; en indien d'onkuische droevig is, om dat hy zijn lust niet kan voldoen, zo laat hy echter daaröm niet onkuisch te wezen. Deze hartstochten zien volstrektelijk niet zo zeer op de daden van te zuipen en te brassen, enz. als wel op de lust en liefde daar toe. Daar kan dieshalven niets tegen deze hartstochten gestelt worden, als d'edelmoedigheit en kloekmoedigheit, van de welken wy hier na zullen spreken. Ik ga de bepalingen van de nay vering, en der andere vlotheden des gemoeds met stilzwijgen voorby, zo om dat zy uit de samenzetting der hartstochten, die wy alreê beschreven hebben, spruiten, als om dat veel van hen geen benamingen hebben; 't welk aanwijst dat het tot gebruik van 't leven genoech is, de zelfden alleenlijk in 't algemeen te kennen. Voorts, uit de bepalingen der hartstochten, die wy verklaart hebben, blijkt dat zy alle uit begeerte, uit blijschap, of uit droef heit spruiten; of eerder, dat'er geen anderen, dan deze drie zijn, van de welken yder gemenelijk met verscheide namen genoemt word, uit oorzaak van hun verscheide betrekkingen, en uitwendige afnoemingen. Indien wy nu op dcze eerste en oorspronkelijke hartstochten, en op de dingen, die wy hier voor van de natuur der ziel gezegt hebben, willen merken, zo konnen wy, voor zo veel zy tot de ziel alleen toegepast worden, hen dus bepalen.

Lust is desire and love in the matter of sexual intercourse.

Explanation--Whether this desire be excessive or not, it is still called lust. These last five emotions (as I have shown in III. lvi.) have on contraries. For deference is a species of ambition. Cf. III. xxix. note.

Again, I have already pointed out, that temperance, sobriety, and chastity indicate rather a power than a passivity of the mind. It may, nevertheless, happen, that an avaricious, an ambitious, or a timid man may abstain from excess in eating, drinking, or sexual indulgence, yet avarice, ambition, and fear are not contraries to luxury, drunkenness, and debauchery. For an avaricious man often is glad to gorge himself with food and drink at another man's expense. An ambitious man will restrain himself in nothing, so long as he thinks his indulgences are secret; and if he lives among drunkards and debauchees, he will, from the mere fact of being ambitious, be more prone to those vices. Lastly, a timid man does that which he would not. For though an avaricious man should, for the sake of avoiding death, cast his riches into the sea, he will none the less remain avaricious; so, also, if a lustful man is downcast, because he cannot follow his bent, he does not, on the ground of abstention, cease to be lustful. In fact, these emotions are not so much concerned with the actual feasting, drinking, &c., as with the appetite and love of such. Nothing, therefore, can be opposed to these emotions, but high--mindedness and valour, whereof I will speak presently.

The definitions of jealousy and other waverings of the mind I pass over in silence, first, because they arise from the compounding of the emotions already described; secondly, because many of them have no distinctive names, which shows that it is sufficient for practical purposes to have merely a general knowledge of them. However, it is established from the definitions of the emotions, which we have set forth, that they all spring from desire, pleasure, or pain, or, rather, that there is nothing besides these three; wherefore each is wont to be called by a variety of names in accordance with its various relations and extrinsic tokens. If we now direct our attention to these primitive emotions, and to what has been said concerning the nature of the mind, we shall be able thus to define the emotions, in so far as they are referred to the mind only.

Elements in Which 3DAXLVIII is Used

N/A