Individual Elements

←2P46
2P48→

2P47

Elements Used in 2P47
  1. 2p22  2P47d
  2. 2p23  2P47d
  3. 2p19  2P47d
  4. 2p16c1  2P47d
  5. 2p17  2P47d
  6. 2p45  2P47d
  7. 2p46  2P47d
  8. 2p40s2  2P47s

Mens humana adæquatam habet cognitionem æternæ et infinitæ essentiæ Dei.

DEMONSTRATIO: Mens humana ideas habet (per propositionem 22 hujus) ex quibus (per propositionem 23 hujus) se suumque corpus (per propositionem 19 hujus) et (per corollarium I propositionis 16 et per propositionem 17 hujus) corpora externa ut actu existentia percipit adeoque (per propositiones 45 et 46 hujus) cognitionem æternæ et infinitæ essentiæ Dei habet adæquatam. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hinc videmus Dei infinitam essentiam ejusque æternitatem omnibus esse notam. Cum autem omnia in Deo sint et per Deum concipiantur, sequitur nos ex cognitione hac plurima posse deducere quæ adæquate cognoscamus atque adeo tertium illud cognitionis genus formare de quo diximus in scholio II propositionis 40 hujus partis et de cujus præstantia et utilitate in quinta parte erit nobis dicendi locus. Quod autem homines non æque claram Dei ac notionum communium habeant cognitionem, inde fit quod Deum imaginari nequeant ut corpora et quod nomen "Deus" junxerunt imaginibus rerum quas videre solent; quod homines vix vitare possunt quia continuo a corporibus externis afficiuntur. Et profecto plerique errores in hoc solo consistunt quod scilicet nomina rebus non recte applicamus. Cum enim aliquis ait lineas quæ ex centro circuli ad ejusdem circumferentiam ducuntur esse inæquales, ille sane aliud tum saltem per circulum intelligit quam mathematici. Sic cum homines in calculo errant, alios numeros in mente, alios in charta habent. Quare si ipsorum mentem spectes, non errant sane; videntur tamen errare quia ipsos in mente putamus habere numeros qui in charta sunt. Si hoc non esset, nihil eosdem errare crederemus; ut non credidi quendam errare quem nuper audivi clamantem suum atrium volasse in gallinam vicini quia scilicet ipsius mens satis perspecta mihi videbatur. Atque hinc pleræque oriuntur controversiæ nempe quia homines mentem suam non recte explicant vel quia alterius mentem male interpretantur. Nam revera dum sibi maxime contradicunt, vel eadem vel diversa cogitant ita ut quos in alio errores et absurda esse putant, non sint.

De menschelijke ziel heeft een evenmatige kennis van Gods eeuwige en onëindige wezentheit.

Betoging.--De menschelijke ziel heeft (volgens de tweeëntwintigste Voorstelling van dit deel) denkbeelden, uit de welken (volgens de drieentwintigste Voorstelling van dit deel) zy zich zelve, en haar lighaam, (volgens de negentiende Voorstelling van dit deel) en (volgens de Toegift van de zestiende Voorstelling, en volgens de zeventiende Voorstelling in dit deel) d' uitterlijke lighamen, als dadelijk wezentlijk zijnde, begrijpt: en dieshalven heeft zy (volgens de vijfen zevenënveertigste Voorstelling van dit deel) een evenmatige kennis van Gods eeuwige en onëindige wezentheit; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Wy zien hier uit dat Gods onëindige wezentheit, en zijn eeuwigheit aan alle menschen bekent is. En dewijl alles in God is, en door hem bevat word, zo volgt dat wy uit deze kennis veel dingen konnen afleiden, die wy evenmatiglijk moeten kennen, en dieshalven dit darde geslacht van kennis vormen, daar af wy (in het tweede Byvoegsel van de veertigste Voorstelling in dit deel) gesproken hebben; en van welks voortreftelijkheit en nuttigheit wy in--'t vijfde deel zullen spreken. Voorts, dat de menschen geen zo klare kennis van God, als van de gemene Kundigheden hebben; dit spruit hier uit, dat zy God niet, gelijk de lighamen, konnen inbeelden, en dat zy de naam God aan de beelden van de dingen, die zy gemenelijk zien, gevoegt hebben: 't welk de menschen naauwelijks konnen mijden, om dat zy geduriglijk van d' uitterlijke dingen aangedaan worden. En zeker, de meeste dolingen bestaan hier in alleen, dat wy de namen niet wel aan de dingen toepassen. Want als iemant zegt dat de lijnen, die uit het middelpunt van een kring naar des zelfs omtrek getrokken worden, ongelijk en niet even lang zijn, zo verstaat hy, ten minsten dan, by kring iets anders, dan de Wiskundigen. Desgelijks, als de menschen in hun rekening missen, zo hebben zy andere getallen in hun geest, en anderen op 't papier. Dieshalven, indien men op hun gedachten ziet, zo dolen zy warelijk niet. Zy schijnen echter te dolen, om dat wy menen dat zy de getallen, die op 't papier staan, in hun geest hebben: want indien dit dus niet was, wy zouden niet geloven dat zy doolden; gelijk ik niet geloofde dat iemant doolde, toen ik hem (hoewel zijn woorden ongerijmt waren) hoorde roepen, dat zijn plaats in zijns buurmans hoen was gevlogen; te weten om dat ik zijn mening zeer wel verstond. En hier uit rijzen veel geschillen, te weten om dat de menschen hun mening niet wel en recht uitdrukken, of om dat zy de mening van anderen qualijk uitleggen. Want warelijk, terwijl zy malkander op 't heftigste tegenspreken, hebben zy of de zelfde gedachten, of zy denken op verscheide dingen; in voegen dat zy malkanders gedachten t' onrecht van dolingen en ongerijmtheden beschuldigen.

The human mind has an adequate knowledge of the eternal and infinite essence of God.

Proof.--The human mind has ideas (II. xxii.), from which (II. xxiii.) it perceives itself and its own body (II. xix.) and external bodies (II. xvi. Coroll. i. and II. xvii.) as actually existing; therefore (II. xlv. and xlvi.) it has an adequate knowledge of the eternal and infinite essence of God. Q.E.D.

Note.--Hence we see, that the infinite essence and the eternity of God are known to all. Now as all things are in God, and are conceived through God, we can from this knowledge infer many things, which we may adequately know, and we may form that third kind of knowledge of which we spoke in the note to II. xl., and of the excellence and use of which we shall have occasion to speak in Part V. Men have not so clear a knowledge of God as they have of general notions, because they are unable to imagine God as they do bodies, and also because they have associated the name God with images of things that they are in the habit of seeing, as indeed they can hardly avoid doing, being, as they are, men, and continually affected by external bodies. Many errors, in truth, can be traced to this head, namely, that we do not apply names to things rightly. For instance, when a man says that the lines drawn from the centre of a circle to its circumference are not equal, he then, at all events, assuredly attaches a meaning to the word circle different from that assigned by mathematicians. So again, when men make mistakes in calculation, they have one set of figures in their mind, and another on the paper. If we could see into their minds, they do not make a mistake; they seem to do so, because we think, that they have the same numbers in their mind as they have on the paper. If this were not so, we should not believe them to be in error, any more than I thought that a man was in error, whom I lately heard exclaiming that his entrance hall had flown into a neighbour's hen, for his meaning seemed to me sufficiently clear. Very many controversies have arisen from the fact, that men do not rightly explain their meaning, or do not rightly interpret the meaning of others. For, as a matter of fact, as they flatly contradict themselves, they assume now one side, now another, of the argument, so as to oppose the opinions, which they consider mistaken and absurd in their opponents.

Elements in Which 2P47 is Used
  1. 2P47s  2p49s
  2. 2P47  4p36d
  3. 2P47s  4p36d
  4. 2P47  4p36s
  5. 2P47  4p37d
  6. 2P47s  5p10d
  7. 2P47  5p18d
  8. 2P47s  5p20s
  9. 2P47s  5p36s