Individual Elements

←2P43
2P45→

2P44

Elements Used in 2P44
  1. 2p41  2P44d
  2. 1a6  2P44d
  3. 1p29  2P44d
  4. 2p17  2P44s
  5. 2p17c  2P44s
  6. 2p18  2P44s
  7. 2p44  2P44c2d
  8. 2p41  2P44c2d
  9. 1a6  2P44c2d
  10. 1p16  2P44c2d
  11. 2p38  2P44c2d
  12. 2p37  2P44c2d

De natura rationis non est res ut contingentes sed ut necessarias contemplari.

DEMONSTRATIO: De natura rationis est res vere percipere (per propositionem 41 hujus) nempe (per axioma 6 partis I) ut in se sunt hoc est (per propositionem 29 partis I) non ut contingentes sed ut necessarias. Q.E.D.

COROLLARIUM I: Hinc sequitur a sola imaginatione pendere quod res tam respectu præteriti quam futuri ut contingentes contemplemur.

SCHOLIUM: Qua autem ratione hoc fiat paucis explicabo. Ostendimus supra (propositione 17 hujus cum ejus corollario) mentem, quamvis res non existant, eas tamen semper ut sibi præsentes imaginari nisi causæ occurrant quæ earum præsentem existentiam secludant. Deinde (propositione 18 hujus) ostendimus quod si corpus humanum semel a duobus corporibus externis simul affectum fuit, ubi mens postea eorum alterutrum imaginabitur, statim et alterius recordabitur hoc est ambo ut sibi præsentia contemplabitur nisi causæ occurrant quæ eorum præsentem existentiam secludant. Præterea nemo dubitat quin etiam tempus imaginemur nempe ex eo quod corpora alia aliis tardius vel celerius vel æque celeriter moveri imaginemur. Ponamus itaque puerum qui heri prima vice hora matutina viderit Petrum, meridiana autem Paulum et vespertina Simeonem atque hodie iterum matutina hora Petrum. Ex propositione 18 hujus patet quod simulac matutinam lucem videt, illico solem eandem cæli quam die præcedenti viderit partem percurrentem sive diem integrum et simul cum tempore matutino Petrum, cum meridiano autem Paulum et cum vespertino Simeonem imaginabitur hoc est Pauli et Simeonis existentiam cum relatione ad futurum tempus imaginabitur et contra si hora vespertina Simeonem videat, Paulum et Petrum ad tempus præteritum referet, eosdem scilicet simul cum tempore præterito imaginando atque hæc eo constantius quo sæpius eos eodem hoc ordine viderit. Quod si aliquando contingat ut alia quadam vespera loco Simeonis Jacobum videat, tum sequenti mane cum tempore vespertino jam Simeonem jam Jacobum, non vero ambos simul imaginabitur. Nam alterutrum tantum, non autem ambos simul tempore vespertino vidisse supponitur. Fluctuabitur itaque ejus imaginatio et cum futuro tempore vespertino jam hunc jam illum imaginabitur hoc est neutrum certo sed utrumque contingenter futurum contemplabitur. Atque hæc imaginationis fluctuatio eadem erit si imaginatio rerum sit quas eodem modo cum relatione ad tempus præteritum vel præsens contemplamur et consequenter res tam ad tempus præsens quam ad præteritum vel futurum relatas ut contingentes imaginabimur.

COROLLARIUM II: De natura rationis est res sub quadam æternitatis specie percipere.

DEMONSTRATIO: De natura enim rationis est res ut necessarias et non ut contingentes contemplari (per propositionem præcedentem). Hanc autem rerum necessitatem (per propositionem 41 hujus) vere hoc est (per axioma 6 partis I) ut in se est, percipit. Sed (per propositionem 16 partis I) hæc rerum necessitas est ipsa Dei æternæ naturæ necessitas; ergo de natura rationis est res sub hac æternitatis specie contemplari. Adde quod fundamenta rationis notiones sint (per propositionem 38 hujus) quæ illa explicant quæ omnibus communia sunt quæque (per propositionem 37 hujus) nullius rei singularis essentiam explicant quæque propterea absque ulla temporis relatione sed sub quadam æternitatis specie debent concipi. Q.E.D.

Tot de natuur van de reden behoort, de dingen niet als gebeurelijk, maar als nootzakelijk t' aanschouwen.

Betoging.--Tot de natuur van de reden behoort, de dingen warelijk te begrijpen; (volgens d' eenënveertigste Voorstelling in dit deel) namelijk (volgens de zeste Kundigheit van 't eerste deel) gelijk zy in zich zijn: dat is (volgens de negenëntwintigste Voorstelling van 't eerste deel) niet als gebeurelijk, maar als nootzakelijk; gelijk te betogen stond.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt dat van d' inbeelding alleen afhangt, dat wy de dingen, zo wel ten opzicht van de voorgaande, als van de toekomende tijt, als gebeurelijk aanschouwen.

Byvoegsel.--Doch op welke wijze dit geschied, zal ik met weinig woorden verklaren. Wy hebben hier voor (in de zeventiende Voorstelling van dit deel, en in der zelfder Toegift) getoont dat de ziel de dingen, schoon zy niet wezentlijk zijn, echter, als voor zich tegenwoordig, inbeeld, 't en zy 'er oorzaken voorkomen, die hun tegenwoordige wezentlijkheit uitsluiten. Wijders, wy hebben (in d' achtiende Voorstelling van dit deel) getoont dat, indien het menschelijk lighaam eens van twee uitterlijke lighamen te gelijk aangedaan heeft geweest, de ziel namaals, als zy zich een van deze beiden inbeeld, terstont ook aan 't ander zal gedenken: dat is, zy zal hen beide als aan zich tegenwoordig aanschouwen, 't en zy 'er oorzaken voorkomen, die hun tegenwoordige wezentlijkheit uitsluiten. Voorts, niemant twijffelt hier aan, dat wy ook de tijt konnen inbeelden, te weten hier uit, dat wy ons inbeelden dat, als wy de bewegingen der lighamen vergelijken, enige lighamen tragelijker dan anderen, of snellijker, of even gezwindelijk bewogen worden. Laat ons dan stellen dat een jongen gisteren voor d'eerste maal in de morgenstont Pieter, op de middag Jan, en in d' avontstont Symon, en heden in de morgenstont weêr Pieter heeft gezien: uit d'achtiende Voorstelling van dit deel blijkt dat de jongen, zo haaft hy de morgenstont ziet, zich ook terstont zal inbeelden, dat de zon de zelfde keer zal doen, die zy in de voorgaande dag gedaan--heeft, dat is de gehele dag, en te gelijk met de dageraat Pieter, met de middag Jan, en in d' avontstont Symon; dat is dat hy de wezentlijkheit van Jan en Symon by de toekomende tijt zal voegen. In tegendeel, indien hy in d' avontstont Symon ziet, zo zal hy Jan en Pieter aan de voorgaande tijt voegen, namelijk met hen te gelijk met de voorgaande tijt in te beelden, en dit zo veel te vaster, als hy hen meermaals in deze ordening gezien heeft. Doch indien het gebeurt is dat hy in een andere avontstont, in plaats van Symon, Jakob gezien heeft, zo zal hy in de volgende morgenstont dan Symon, en dan Jakob aan de volgende avontstont voegen. Ik zeg dan d' een, en dan d' ander, en niet beide te gelijk: want men onderstelt dat de jongen in d' avontstont t' elkens een van beide, en niet hen beide te gelijk, gezien heeft. D' inbeelding van deze jongen dan zal als vlot en wankelbaar zijn, en zich met d'aanstaande avontstont nu deze, dan die inbeelden; dat is, hy zal geen van beide als zekerlijk, maar beide als gebeurelijk met d' avontstont te zullen komen aanschouwen. En deze vlotheit van inbeelding zal de zelfde wezen, zo d' inbeelding op de dingen valt, die wy op de zelfde wijze, met betrekking tot de verlede, of tegenwoordige tijt, aanschouwen: en by gevolg zullen wy ons de dingen op deze wijze als gebeurelijk, zo wel ten opzicht van de tegenwoordige, als van de verlede, en ook van d' aanstaande tijt inbeelden.

Tweede Toegift.--Tot de natuur der reden behoort, de dingen onder zekere gedaante van eeuwigheit te begrijpen.

Betoging.--Tot de natuur der reden (volgens de voorgaande Voorstelling) behoort, de dingen als nootzakelijk, en niet als gebeurelijk t'aanschouwen. Wijders, deze nootzakelijkheit der dingen, die wy door de reden begrijpen, moet (volgens d' eenënveertigste Voorstelling in dit deel) waar zijn, dat is (volgens de zeste Kundigheit van 't eerste deel) moet van ons, gelijk zy is, bevat worden. Maar deze nootzakelijkheit der dingen (volgens de zestiende Voorstelling van't eerste deel) is niets anders, dan d'eeuwige nootzakelijkheit van Gods natuur: dieshalven, tot de natuur der reden behoort, de dingen onder deze gedaante van eeuwigheit t' aanschouwen. Voeg hier by, dat de grontvesten van de reden Kundigheden zijn, (volgens d'achtëndartigste Voorstelling in dit deel) die de dingen verklaren, de welken aan allen gemeen zijn, en die (volgens de--zevenëndartigste Voorstelling van dit deel) de wezentheit van geen bezondere zaak stellen, en de welken dieshalven zonder enige opzicht van tijt, maar onder zekere gedaante van eeuwigheit, bevat moeten worden.

It is not in the nature of reason to regard things as contingent, but as necessary.

Proof.--It is in the nature of reason to perceive things truly (II. xli.), namely (I. Ax. vi.), as they are in themselves--that is (I. xxix.), not as contingent, but as necessary. Q.E.D.

Corollary I.--Hence it follows, that it is only through our imagination that we consider things, whether in respect to the future or the past, as contingent.

Note.--How this way of looking at things arises, I will briefly explain. We have shown above (II. xvii. and Coroll.) that the mind always regards things as present to itself, even though they be not in existence, until some causes arise which exclude their existence and presence. Further (II. xviii.), we showed that, if the human body has once been affected by two external bodies simultaneously, the mind, when it afterwards imagines one of the said external bodies, will straightway remember the other--that is, it will regard both as present to itself, unless there arise causes which exclude their existence and presence. Further, no one doubts that we imagine time, from the fact that we imagine bodies to be moved some more slowly than others, some more quickly, some at equal speed. Thus, let us suppose that a child yesterday saw Peter for the first time in the morning, Paul at noon, and Simon in the evening; then, that today he again sees Peter in the morning. It is evident, from II. Prop. xviii., that, as soon as he sees the morning light, he will imagine that the sun will traverse the same parts of the sky, as it did when he saw it on the preceding day; in other words, he will imagine a complete day, and, together with his imagination of the morning, he will imagine Peter; with noon, he will imagine Paul; and with evening, he will imagine Simon--that is, he will imagine the existence of Paul and Simon in relation to a future time; on the other hand, if he sees Simon in the evening, he will refer Peter and Paul to a past time, by imagining them simultaneously with the imagination of a past time. If it should at any time happen, that on some other evening the child should see James instead of Simon, he will, on the following morning, associate with his imagination of evening sometimes Simon, sometimes James, not both together: for the child is supposed to have seen, at evening, one or other of them, not both together. His imagination will therefore waver; and, with the imagination of future evenings, he will associate first one, then the other--that is, he will imagine them in the future, neither of them as certain, but both as contingent. This wavering of the imagination will be the same, if the imagination be concerned with things which we thus contemplate, standing in relation to time past or time present: consequently, we may imagine things as contingent, whether they be referred to time present, past, or future.

Corollary II.--It is in the nature of reason to perceive things under a certain form of eternity (sub quadam aeternitatis specie).

Proof.--It is in the nature of reason to regard things, not as contingent, but as necessary (II. xliv.). Reason perceives this necessity of things (II. xli.) truly--that is (I. Ax. vi.), as it is in itself. But (I. xvi.) this necessity of things is the very necessity of the eternal nature of God; therefore, it is in the nature of reason to regard things under this form of eternity. We may add that the bases of reason are the notions (II. xxxviii.), which answer to things common to all, and which (II. xxxvii.) do not answer to the essence of any particular thing: which must therefore be conceived without any relation to time, under a certain form of eternity.

Elements in Which 2P44 is Used
  1. 2P44s  2p49s
  2. 2P44s  3p17s
  3. 2P44s  3p18d
  4. 2P44s  3p18s1
  5. 2P44c2  4p62d
  6. 2P44s  4p62s
  7. 2P44c2  5p29d