Individual Elements

←2P42
2P44→

2P43

Elements Used in 2P43
  1. 2p11c  2P43d
  2. 2p20  2P43d
  3. 2p34  2P43d
  4. 2p21s  2P43s
  5. 2p35  2P43s
  6. 2p11c  2P43s

Qui veram habet ideam, simul scit se veram habere ideam nec de rei veritate potest dubitare.

DEMONSTRATIO: Idea vera in nobis est illa quæ in Deo quatenus per naturam mentis humanæ explicatur, est adæquata (per corollarium propositionis 11 hujus). Ponamus itaque dari in Deo quatenus per naturam mentis humanæ explicatur, ideam adæquatam A. Hujus ideæ debet necessario dari etiam in Deo idea quæ ad Deum eodem modo refertur ac idea A (per propositionem 20 hujus cujus demonstratio universalis est). At idea A ad Deum referri supponitur quatenus per naturam mentis humanæ explicatur; ergo etiam idea ideæ A ad Deum eodem modo debet referri hoc est (per idem corollarium propositionis 11 hujus) hæc adæquata idea ideæ A erit in ipsa mente quæ ideam adæquatam A habet adeoque qui adæquatam habet ideam sive (per propositionem 34 hujus) qui vere rem cognoscit, debet simul suæ cognitionis adæquatam habere ideam sive veram cognitionem hoc est (ut per se manifestum) debet simul esse certus. Q.E.D.

SCHOLIUM: In scholio propositionis 21 hujus partis explicui quid sit idea ideæ sed notandum præcedentem propositionem per se satis esse manifestam. Nam nemo qui veram habet ideam, ignorat veram ideam summam certitudinem involvere; veram namque habere ideam nihil aliud significat quam perfecte sive optime rem cognoscere nec sane aliquis de hac re dubitare potest nisi putet ideam quid mutum instar picturæ in tabula et non modum cogitandi esse nempe ipsum intelligere et quæso quis scire potest se rem aliquam intelligere nisi prius rem intelligat? hoc est quis potest scire se de aliqua re certum esse nisi prius de ea re certus sit? Deinde quid idea vera clarius et certius dari potest quod norma sit veritatis? Sane sicut lux seipsam et tenebras manifestat, sic veritas norma sui et falsi est. Atque his me ad has quæstiones respondisse puto nempe si idea vera quatenus tantum dicitur cum suo ideato convenire, a falsa distinguitur, nihil ergo realitatis aut perfectionis idea vera habet præ falsa (quandoquidem per solam denominationem extrinsecam distinguuntur) et consequenter neque etiam homo qui veras præ illo qui falsas tantum ideas habet? Deinde unde fit ut homines falsas habeant ideas? Et denique unde aliquis certo scire potest se ideas habere quæ cum suis ideatis conveniant? Ad has inquam quæstiones me jam respondisse puto. Nam quod ad differentiam inter ideam veram et falsam attinet, constat ex propositione 35 hujus illam ad hanc sese habere ut ens ad non-ens. Falsitatis autem causas a propositione 19 usque ad 35 cum ejus scholio clarissime ostendi. Ex quibus etiam apparet quid homo qui veras habet ideas, homini qui non nisi falsas habet, intersit. Quod denique ultimum attinet nempe undenam homo scire potest se habere ideam quæ cum suo ideato conveniat, id modo satis superque ostendi ex hoc solo oriri quod ideam habet quæ cum suo ideato convenit sive quod veritas sui sit norma. His adde quod mens nostra quatenus res vere percipit, pars est infiniti Dei intellectus (per corollarium propositionis 11 hujus) adeoque tam necesse est ut mentis claræ et distinctæ ideæ veræ sint ac Dei ideæ.

De geen, die een waar denkbeelt heeft, weet te gelijk dat hy een waar denkbeelt heeft, en kan aan de waarheit van de zaak niet twijffelen.

Betoging.--Dit is in ons een waar denkbeelt, 't welk evenmatig in God is, voor zo veel hy door de menschelijke ziel verklaart, of uitgedrukt kan worden; volgens de Toegift van d' elfde Voorstelling in dit deel. Laat ons dan stellen dat in God, voor zo veel hy door de menschelijke ziel verklaart, of uitgedrukt kan worden, het evenmatig denkbeelt A is. Van dit denkbeelt moet ook nootzakelijk in God een denkbeelt zijn, 't welk op de zelfde wijze, als het denkbeelt A, (volgens de twintigste Voorstelling van dit deel, welker Betoging algemeen is, en tot alle denkbeelden toegepast kan worden) tot God betrokken word: maar men onderstelt dat het denkbeelt A tot God betrokken word, voor zo veel hy door de menschelijke ziel verklaart, of uitgedrukt kan worden: dieshalven moet ook het denkbeelt van 't denkbeelt A op de zelfde wijze tot God betrokken worden; dat is (volgens de zelfde Toegift van d' elfde Voorstelling in dit deel) dit evenmatig denkbeelt van 't denkbeelt A zal in de ziel zelve zijn, die 't evenmatig denkbeelt A heeft: in voegen dat de geen, die een evenmatig denkbeelt heeft, of (volgens de vierëndartigste Voorstelling van dit deel) die een zaak warelijk kent, te gelijk een evenmatig denkbeelt van zijn kennis, of een ware kennis moet hebben; dat is, gelijk door zich blijkt, moet te gelijk zeker daar af wezen: gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--In 't Byvoegsel van d' eenëntwintigste Voorstelling in dit deel heb ik verklaart wat het denkbeelt van een denkbeelt is. Maar hier staat aan te merken dat de voorgaande Voorstelling uit zich zelve klaarblijkelijk genoech is. Want yder, die een waar denkbeelt heeft, weet wel dat een waar denkbeelt de hoogste zekerheit insluit: dewijl een waar denkbeelt te hebben, niets anders betekent, dan een zaak volmaaktelijk te kennen. En zeker, niemant kan van deze zaak twijffelen, 't en zy hy acht dat een denkbeelt gelijk een stom beelt--in een Schildery is, en niet een wijze van denken, te weten het verstaan zelf. En zeg my, ik bid u, wie kan weten dat hy enige zaak verstaat, 't en zy hy te voren de zaak verstaat: dat is, wie kan weten dat hy van een zaak zeker is, zo hy niet te voren van de zaak zeker is? Wijders, wat kan 'er klaarder en zekerder, dan een waar denkbeelt wezen, om tot een richtsnoer der waarheit te verstrekken? Warelijk, gelijk het licht zich zelf, en de duisternissen openbaart, zo openbaart de waarheit ook zich zelve, en de valsheit. Voorts, ik acht dat ik hier meê op deze volgende geschillen geäntwoord heb; te weten: Indien een waar denkbeelt, niet voor zo veel 't een wijze van denken, maar voor zo veel het gezegt word met de gedachte zaak overëen te komen, van een valsch denkbeelt onderscheiden word, zo heeft een waar denkbeelt niet meer zakelijkheit, of volmaaktheit, dan een valsch denkbeelt, dewijl zy alleenlijk door d' uitterlijke, en niet door d' innerlijke afnoeming onderscheiden worden: en by gevolg heeft ook een mensch, of menschelijke ziel, die ware denkbeelden heeft, geen meer zakelijkheit, noch volmaaktheit, dan de geen, die alleenlijk valsche denkbeelden heeft. Ten anderen, waar uit het spruit dat de menschen valsche denkbeelden hebben. Eindelijk, waar uit iemant zekerlijk kan weten dat hy denkbeelden heeft, die met hun voorwerpen, of gedachte zaken overëenkomen. Ik acht, zeg ik, dat ik alreê op deze geschillen geantwoord heb. Want wat het onderscheit tusschen een waar en valsch denkbeelt aangaat, het blijkt (volgens de vijfëndartigste Voorstelling van dit deel) dat het eerste zich tot het tweede heeft, gelijk het wezend tot het niet wezend. Voorts, van de negentiende tot aan de vijfëndartigste Voorstelling, met der zelfder Byvoegsel heb ik zeer klarelijk d' oorzaken der valsheit getoont; uit het welk ook blijkt wat onderscheit dat 'er is tusschen een mensch, die ware denkbeelden heeft, en de geen, die geen anderen, dan valsche denkbeelden heeft. Eindelijk, wat het leste aangaat, te weten waar uit de mensch kan weten dat hy een denkbeelt heeft, 't welk met zijn voorwerp, of met de gedachte zaak overëenkoomt; ik heb genoech, en meer dan genoech getoont dat dit hier uit alleen voortkoomt, dat hy een denkbeelt heeft, 't welk met zijn voorwerp, of met zijn gedachte zaak overëenkoomt, of om dat de waarheit de regel en 't richtsnoer van zich zelve is. Voeg hier by, dat onze ziel, voor zo veel zy de dingen warelijk begrijpt, een deel van Gods onëindig verstant is; volgens de Toegift van d' elfde Voorstelling in dit deel: in voegen dat het even--nootzakelijk is dat de klare en onderscheide denkbeelden van de ziel, als Gods denkbeelden, waar zijn.

He, who has a true idea, simultaneously knows that he has a true idea, and cannot doubt of the truth of the thing perceived.

Proof.--A true idea in us is an idea which is adequate in God, in so far as he is displayed through the nature of the human mind (II. xi. Coroll.). Let us suppose that there is in God, in so far as he is displayed through the human mind, an adequate idea, A. The idea of this idea must also necessarily be in God, and be referred to him in the same way as the idea A (by II. xx., whereof the proof is of universal application). But the idea A is supposed to be referred to God, in so far as he is displayed through the human mind; therefore, the idea of the idea A must be referred to God in the same manner; that is (by II. xi. Coroll.), the adequate idea of the idea A will be in the mind, which has the adequate idea A; therefore he, who has an adequate idea or knows a thing truly (II. xxxiv.), must at the same time have an adequate idea or true knowledge of his knowledge; that is, obviously, he must be assured. Q.E.D.

Note.--I explained in the note to II. xxi. what is meant by the idea of an idea; but we may remark that the foregoing proposition is in itself sufficiently plain. No one, who has a true idea, is ignorant that a true idea involves the highest certainty. For to have a true idea is only another expression for knowing a thing perfectly, or as well as possible. No one, indeed, can doubt of this, unless he thinks that an idea is something lifeless, like a picture on a panel, and not a mode of thinking--namely, the very act of understanding. And who, I ask, can know that he understands anything, unless he do first understand it? In other words, who can know that he is sure of a thing, unless he be first sure of that thing? Further, what can there be more clear, and more certain, than a true idea as a standard of truth? Even as light displays both itself and darkness, so is truth a standard both of itself and of falsity.

I think I have thus sufficiently answered these questions--namely, if a true idea is distinguished from a false idea, only in so far as it is said to agree with its object, a true idea has no more reality or perfection than a false idea (since the two are only distinguished by an extrinsic mark); consequently, neither will a man who has a true idea have any advantage over him who has only false ideas. Further, how comes it that men have false ideas? Lastly, how can anyone be sure, that he has ideas which agree with their objects? These questions, I repeat, I have, in my opinion, sufficiently answered. The difference between a true idea and a false idea is plain: from what was said in II. xxxv., the former is related to the latter as being is to not--being. The causes of falsity I have set forth very clearly in II. xix. and II. xxxv. with the note. From what is there stated, the difference between a man who has true ideas, and a man who has only false ideas, is made apparent. As for the last question--as to how a man can be sure that he has ideas that agree with their objects, I have just pointed out, with abundant clearness, that his knowledge arises from the simple fact, that he has an idea which corresponds with its object--in other words, that truth is its own standard. We may add that our mind, in so far as it perceives things truly, is part of the infinite intellect of God (II. xi. Coroll.); therefore, the clear and distinct ideas of the mind are as necessarily true as the ideas of God.

Elements in Which 2P43 is Used
  1. 2P43  2p49s
  2. 2P43s  2p49s
  3. 2P43  3p58d
  4. 2P43  4p27d
  5. 2P43s  4p27d
  6. 2P43  4p52d
  7. 2P43  4p56d
  8. 2P43  4p62d
  9. 2P43s  4p62d
  10. 2P43  5p27d