Individual Elements

←2P38
2P40→

2P39

Elements Used in 2P39
  1. 2p7c  2P39d
  2. 2p16  2P39d
  3. 2p13  2P39d
  4. 2p11c  2P39d

Id quod corpori humano et quibusdam corporibus externis a quibus corpus humanum affici solet, commune est et proprium quodque in cujuscunque horum parte æque ac in toto est, ejus etiam idea erit in mente adæquata.

DEMONSTRATIO: Sit A id quod corpori humano et quibusdam corporibus externis commune est et proprium quodque æque in humano corpore ac in iisdem corporibus externis et quod denique æque in cujuscunque corporis externi parte ac in toto est. Ipsius A dabitur in Deo idea adæquata (per corollarium propositionis 7 hujus) tam quatenus ideam corporis humani quam quatenus positorum corporum externorum ideas habet. Ponatur jam humanum corpus a corpore externo affici per id quod cum eo habet commune hoc est ab A; hujus affectionis idea proprietatem A involvet (per propositionem 16 hujus) atque adeo (per idem corollarium propositionis 7 hujus) idea hujus affectionis quatenus proprietatem A involvit, erit in Deo adæquata quatenus idea corporis humani affectus est hoc est (per propositionem 13 hujus) quatenus mentis humanæ naturam constituit adeoque (per corollarium propositionis 11 hujus) hæc idea est etiam in mente humana adæquata. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc sequitur quod mens eo aptior est ad plura adæquate percipiendum quo ejus corpus plura habet cum aliis corporibus communia.

Van het geen, 't welk aan 't menschelijk lighaam, en aan enige andere uitterlijke lighamen, van de welken het menschelijk lighaam aangedaan word, gemeen en eigen is, 't welk zo wel in 't deel, als in 't geheel van yder dezer lighamen is, zal ook een evenmatig denkbeelt in de ziel wezen.

Betoging.--Dat A het geen zy, 't welk aan t' menschelijk lighaam, en aan enige uitterlljke lighamen gemeen en eigen is, en dat zo wel in 't menschelijk lighaam, als in d' andere uitterlijke lighamen, en eindelijk dat zo wel in 't deel van alle deze lighamen, als in 't geheel is. Van deze A moet nootzakelijk (volgens de Toegift van de zevende Voorsteling in dit deel) een evenmatig denkbeelt in God zijn, zo wel voor zo veel hy het denkbeelt van 't menschelijk lighaam, als voor zo veel hy de denkbeelden der gestelde uitterlijke lighamen heeft. Stel nu dat het menschelijk lighaam van een van deze uitterlijke lighamen door 't geen, dat aan hen beide gemeen is, dat is van A, aangedaan word: het denkbeelt van deze aandoening zal de natuur van A insluiten; (volgens de zestiende Voorstelling van dit deel) Dieshalven, (volgens de zelfde Toegift van de zevende Voorstelling in dit deel) het denkbeelt van deze aandoening, voor zo.veel het de natuur van A insluit, zal evenmatig in God zijn, voor zo veel hy met het denkbeelt van 't menschelijk lighaam aangedaan is; dat is (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) voor zo veel hy de natuur van de menschelijke ziel stelt: in voegen dat (volgens de Toegift van d' elfde Voorstelling in dit deel) dit denkbeelt ook in de menschelijke ziel evenmatig is; gelijk voorgestelt wierd.

Toegift.--Hier uit volgt dat de ziel zo veel te bequamer is om veel dingen evenmatiglijk te begrijpen, naar dat haar lighaam meer dingen met d'andere lighamen gemeen heeft.

That, which is common to and a property of the human body and such other bodies as are wont to affect the human body, and which is present equally in each part of either, or in the whole, will be represented by an adequate idea in the mind.

Proof.--If A be that, which is common to and a property of the human body and external bodies, and equally present in the human body and in the said external bodies, in each part of each external body and in the whole, there will be an adequate idea of A in God (II. vii. Coroll.), both in so far as he has the idea of the human body, and in so far as he has the ideas of the given external bodies. Let it now be granted, that the human body is affected by an external body through that, which it has in common therewith, namely, A; the idea of this modification will involve the property A (II. xvi.), and therefore (II. vii. Coroll.) the idea of this modification, in so far as it involves the property A, will be adequate in God, in so far as God is affected by the idea of the human body; that is (II. xiii.), in so far as he constitutes the nature of the human mind; therefore (II. xi. Coroll.) this idea is also adequate in the human mind. Q.E.D.

Corollary.--Hence it follows that the mind is fitted to perceive adequately more things, in proportion as its body has more in common with other bodies.

Elements in Which 2P39 is Used
  1. 2P39  2p40s2
  2. 2P39c  2p40s2