Individual Elements

←2P37
2P39→

2P38

Elements Used in 2P38
  1. 2p7c  2P38d
  2. 2p16  2P38d
  3. 2p25  2P38d
  4. 2p27  2P38d
  5. 2p12  2P38d
  6. 2p13  2P38d
  7. 2p11c  2P38d
  8. 2l2  2P38c
  9. 2p38  2P38c

Illa quæ omnibus communia quæque æque in parte ac in toto sunt, non possunt concipi nisi adæquate.

DEMONSTRATIO: Sit A aliquid quod omnibus corporibus commune quodque æque in parte cujuscunque corporis ac in toto est. Dico A non posse concipi nisi adæquate. Nam ejus idea (per corollarium propositionis 7 hujus) erit necessario in Deo adæquata tam quatenus ideam corporis humani quam quatenus ideas habet ejusdem affectionum quæ (per propositiones 16, 25 et 27 hujus) tam corporis humani quam corporum externorum naturam ex parte involvunt hoc est (per propositiones 12 et 13 hujus) hæc idea erit necessario in Deo adæquata quatenus mentem humanam constituit sive quatenus ideas habet quæ in mente humana sunt; mens igitur (per corollarium propositionis 11 hujus) A necessario adæquate percipit idque tam quatenus se quam quatenus suum vel quodcunque externum corpus percipit nec A alio modo potest concipi. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc sequitur dari quasdam ideas sive notiones omnibus hominibus communes. Nam (per lemma 2) omnia corpora in quibusdam conveniunt, quæ (per propositionem præcedentem) ab omnibus debent adæquate sive clare et distincte percipi.

Die dingen, de welken aan alle gemeen, en die even in het deel, als in 't geheel zijn, konnen niet, dan evenmatiglijk, bevat worden.

Betoging.--Dat A iets zy, 't welk aan alle lighamen gemeen, en dat zo wel in het deel van yder lighaam, als in 't geheel is: ik zeg dat A niet, dan evenmatiglijk, bevat kan worden. Want des zelfs denkbeelt (volgens de Toegift van de zevende Voorstelling in dit deel) zal nootzakelijk evenmatig in God zijn, zo wel voor zo veel hy een denkbeelt van 't menschelijk lighaam, als voor zo veel hy de denkbeelden van des zelfs aandoeningen heeft, die (volgens. de zestiende, vijfëntwintigste en zevenëntwintigste Voorstelling in dit deel) zo wel de natuur van 't menschelijk lighaam, als die van d' uitterlijke lighamen ten deel insluiten; dat is, (volgens de twaalfde en dartiende Voorstelling van dit deel) dit denkbeelt zal nootzakelijk evenmatig in God zijn, voor zo veel hy de menschelijke ziel stelt, of voor zo veel hy denkbeelden heeft, die in de menschelijke ziel zijn. De ziel dan (volgens de Toegift van d' elfde Voorstelling in dit deel) begrijpt nootzakelijk A evenmatiglijk, en dit zo wel voor zo veel zy zich zelve, als voor zo veel zy haar, of enig uit---terlijk lighaam begrijpt; en A kan ook op geen andere wijze begrepen worden, gelijkwy voorstelden.

Toegift.--Hier uit volgt dat men enige denkbeelden, of kundigheden, die aan alle menschen gemeen zijn, moet toestaan. Want (volgens het tweede Voorbewijs) alle de lighamen komen in enige dingen overëen, de welken (volgens de voorgaande Voorstelling) van alle menschen evenmatiglijk, of klarelijk en onderscheidelijk begrepen moeten worden.

Those things, which are common to all, and which are equally in a part and in the whole, cannot be conceived except adequately.

Proof.--Let A be something, which is common to all bodies, and which is equally present in the part of any given body and in the whole. I say A cannot be conceived except adequately. For the idea thereof in God will necessarily be adequate (II. vii. Coroll.), both in so far as God has the idea of the human body, and also in so far as he has the idea of the modifications of the human body, which (II. xvi., xxv., xxvii.) involve in part the nature of the human body and the nature of external bodies; that is (II. xii., xiii.), the idea in God will necessarily be adequate, both in so far as he constitutes the human mind, and in so far as he has the ideas, which are in the human mind. Therefore the mind (II. xi. Coroll.) necessarily perceives A adequately, and has this adequate perception, both in so far as it perceives itself, and in so far as it perceives its own or any external body, nor can A be conceived in any other manner. Q.E.D.

Corollary--Hence it follows that there are certain ideas or notions common to all men; for (by Lemma ii.) all bodies agree in certain respects, which (by the foregoing Prop.) must be adequately or clearly and distinctly perceived by all.

Elements in Which 2P38 is Used
  1. 2P38c  2p40s2
  2. 2P38  2p44c2d
  3. 2P38  2p46d
  4. 2P38c  3p3d
  5. 2P38  5p4d
  6. 2P38  5p7d