Individual Elements

←2P30
2P32→

2P31

Elements Used in 2P31
  1. 1p28  2P31d
  2. 2p30  2P31d
  3. 2p31  2P31c
  4. 1p33s1  2P31c
  5. 1p29  2P31c

Nos de duratione rerum singularium quæ extra nos sunt, nullam nisi admodum inadæquatam cognitionem habere possumus.

DEMONSTRATIO: Unaquæque enim res singularis sicuti humanum corpus ab alia re singulari determinari debet ad existendum et operandum certa ac determinata ratione et hæc iterum ab alia et sic in infinitum (per propositionem 28 partis I). Cum autem ex hac communi rerum singularium proprietate in præcedenti propositione demonstraverimus nos de duratione nostri corporis non nisi admodum inadæquatam cognitionem habere, ergo hoc idem de rerum singularium duratione erit concludendum quod scilicet ejus non nisi admodum inadæquatam cognitionem habere possumus. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc sequitur omnes res particulares contingentes et corruptibiles esse. Nam de earum duratione nullam adæquatam cognitionem habere possumus (per propositionem præcedentem) et hoc est id quod per rerum contingentiam et corruptionis possibilitatem nobis est intelligendum (vide scholium I propositionis 33 partis I). Nam (per propositionem 29 partis I) præter hoc nullum datur contingens.

Wy konnen van de during der bezondere dingen, die buiten ons zijn, geen andere, dan een zeer onëvenmatige kennis hebben.

Betoging.--Want yder bezonder ding moet, gelijk het menschelijk lighaam, Van een ander bezonder ding bepaalt worden tot op een zekere en bepaalde wijze wezentlijk te zijn, en te werken, en dit weêr van een ander, en dus tot aan 't onëindig; volgens d' achtëntwintigste Voorstelling van 't eerste deel Maar dewijl wy uit deze algemene eigenschap der bezondere dingen in de voorgaande Voorsteling getoont hebben, dat wy van de during van onz lighaam niet, dan een zeer onëvenmatige kennis hebben, zo zal men het zelfde van de during der bezondere dingen moeten besluiten; te weten dat wy daar af niet, dan een zeer onëvenmatige kennis, konnen hebben; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hiet uit volgt dat alle bezondere dingen gebeurelijk en verdersfelijk zijn: want wy konnen geen evenmatige kennis van der zelfder during hebben; volgens de voorgaande Voorstelling. En dit is 't geen, 't welk wy by gebeurelijkheit, en by mogelijkheit van verdervenis der dingen te verstaan hebben; (bezie het eerste Byvoegsel van de drieëndartigste Voorstelling in 't eerste deel.) Want (volgens de negenëntwintigste Voorstelling van 't eerste deel) behalven dit kan er geen gebeurelijkheit wezen.

We can only have a very inadequate knowledge of the duration of particular things external to ourselves.

Proof.--Every particular thing, like the human body, must be conditioned by another particular thing to exist and operate in a fixed and definite relation; this other particular thing must likewise be conditioned by a third, and so on to infinity. (I. xxviii.) As we have shown in the foregoing proposition, from this common property of particular things, we have only a very inadequate knowledge of the duration of our body; we must draw a similar conclusion with regard to the duration of particular things, namely, that we can only have a very inadequate knowledge of the duration thereof. Q.E.D.

Corollary.--Hence it follows that all particular things are contingent and perishable. For we can have no adequate idea of their duration (by the last Prop.), and this is what we must understand by the contingency and perishableness of things. (I. xxxiii., Note i.) For (I. xxix.), except in this sense, nothing is contingent.

Elements in Which 2P31 is Used
  1. 2P31c  3daxve
  2. 2P31  4p62s