Individual Elements

←2P2
2P4→

2P3

Elements Used in 2P3
  1. 2p1  2P3d
  2. 1p16  2P3d
  3. 1p35  2P3d
  4. 1p15  2P3d
  5. 1p32c1  2P3s
  6. 1p32c2  2P3s
  7. 1p16  2P3s
  8. 1p34  2P3s

In Deo datur necessario idea tam ejus essentiæ quam omnium quæ ex ipsius essentia necessario sequuntur.

DEMONSTRATIO: Deus enim (per propositionem 1 hujus) infinita infinitis modis cogitare sive (quod idem est per propositionem 16 partis I) ideam suæ essentiæ et omnium quæ necessario ex ea sequuntur, formare potest. Atqui omne id quod in Dei potestate est, necessario est (per propositionem 35 partis I); ergo datur necessario talis idea et (per propositionem 15 partis I) non nisi in Deo. Q.E.D.

SCHOLIUM: Vulgus per Dei potentiam intelligit Dei liberam voluntatem et jus in omnia quæ sunt quæque propterea communiter ut contingentia considerantur. Deum enim potestatem omnia destruendi habere dicunt et in nihilum redigendi. Dei porro potentiam cum potentia regum sæpissime comparant. Sed hoc in corollario I et II propositionis 32 partis I refutavimus et propositione 16 partis I ostendimus Deum eadem necessitate agere qua seipsum intelligit hoc est sicuti ex necessitate divinæ naturæ sequitur (sicut omnes uno ore statuunt) ut Deus seipsum intelligat, eadem etiam necessitate sequitur ut Deus infinita infinitis modis agat. Deinde propositione 34 partis I ostendimus Dei potentiam nihil esse præterquam Dei actuosam essentiam adeoque tam nobis impossibile est concipere Deum non agere quam Deum non esse. Porro si hæc ulterius persequi liberet, possem hic etiam ostendere potentiam illam quam vulgus Deo affingit, non tantum humanam esse (quod ostendit Deum hominem vel instar hominis a vulgo concipi) sed etiam impotentiam involvere. Sed nolo de eadem re toties sermonem instituere. Lectorem solummodo iterum atque iterum rogo ut quæ in prima parte ex propositione 16 usque ad finem de hac re dicta sunt, semel atque iterum perpendat. Nam nemo ea quæ volo percipere recte poterit nisi magnopere caveat ne Dei potentiam cum humana regum potentia vel jure confundat.

In God is nootzakelijk een denkbeelt, zo van zijn wezentheit, als van alles, dat uit zijn wezentheit nootzakelijk volgt.

Betoging.--Want God kan (volgens d' eerste Voorstelling van dit deel) oneindige dingen op onëindige wijzen bedenken, of, 't welk het zelfde is, (volgens de zestiende Voorstelling van 't eerste deel) het denkbeelt van zijn wezentheit, en van alle de dingen, die nootzakelijk uit zijn wezentheit volgen, vormen. Maar alles, dat in Gods macht is, is nootzakelijk: (volgens de vijfendartigste Voorstelling van 't eerste deel) zo moet dan nootzakelijk zodanig een denkbeelt zijn, eu (volgens de vijftiende Voorstelling) niet dan in God; gelijk voorgestelt wierd.

Byvoegsel.--Het gemeen volk verstaat by Gods vermogen Gods vrije wil, en zijn recht, dat hy over alle dingen heeft, de welken zijn, en die daarom gemenelijk als gebeurelijk aangemerkt worden. Want zy zeggen dat God macht heeft om alles te verwoesten, en te vernietigen. Wijders, zy vergelijken zeer dikwijls Gods vermogen met het vermogen der koningen. Maar wy hebben dit (in d' eerste en tweede Toegift van de tweeëndartigste Voorstelling in 't eerste deel) wederlegt, en (in de zestiende Voorstelling) getoont dat God op een zelfde wijze nootzakelijk werkt, als hy zich zelf verstaat: dat is, gelijk--uit de nootzakelijkheit van de goddelijke natuur volgt, ('t welk alle menschen eenpariglijk stellen) dat God zich zelf verstaat: zo volgt ook uit de zelfde nootzakelijkheit dat God op onëindige wijzen oneindige dingen werkt. Wijders, wy hebben (in de vierëndartigste voorstelling van 't eerste deel) getoont dat Gods vermogen niets anders is, dan Gods werkige wezentheit. En dieshalven is 't aan ons zo onmogelijk te bevatten dat God niet werkt, als dat hy niet is. Voorts, indien 't my lustte deze zaak wijder te vervolgen, ik zou hier ook konnen tonen dat dit vermogen, 't welk het gemeen volk aan God toeschrijft, niet alleenlijk menschelijk is; 't welk aanwijst dat het gemeen volk een god, die een mensch, of als een mensch is, bevat) maar ook dat de zelfde enig onvermogen insluit. Doch ik wil van een en de zelfde zaak niet zo dikwijls spreken, maar u alleenlijk t' elkens weêr bidden dat gy de dingen, die van deze zaak in 't eerste deel, van de zestiende Voorstelling tot aan 't einde, gezegt zijn, meermalen overweegt: want niemant zal het geen, dat ik zeggen wil, recht konnen bevatten, zo hy niet wel toeziet dat hy Gods vermogen niet met het menschelijk vermogen, of met het recht der koningen vermengt.

In God there is necessarily the idea not only of his essence, but also of all things which necessarily follow from his essence.

Proof.--God (by the first Prop. of this Part) can think an infinite number of things in infinite ways, or (what is the same thing, by Prop. xvi., Part i.) can form the idea of his essence, and of all things which necessarily follow therefrom. Now all that is in the power of God necessarily is (Pt. i., Prop. xxxv.). Therefore, such an idea as we are considering necessarily is, and in God alone. Q.E.D. (Part i., Prop. xv.)

Note.--The multitude understand by the power of God the free will of God, and the right over all things that exist, which latter are accordingly generally considered as contingent. For it is said that God has the power to destroy all things, and to reduce them to nothing. Further, the power of God is very often likened to the power of kings. But this doctrine we have refuted (Pt. i., Prop. xxxii., Corolls. i. and ii.), and we have shown (Part i., Prop. xvi.) that God acts by the same necessity, as that by which he understands himself; in other words, as it follows from the necessity of the divine nature (as all admit), that God understands himself, so also does it follow by the same necessity, that God performs infinite acts in infinite ways. We further showed (Part i., Prop. xxxiv.), that God's power is identical with God's essence in action; therefore it is as impossible for us to conceive God as not acting, as to conceive him as non--existent. If we might pursue the subject further, I could point out, that the power which is commonly attributed to God is not only human (as showing that God is conceived by the multitude as a man, or in the likeness of a man), but involves a negation of power. However, I am unwilling to go over the same ground so often. I would only beg the reader again and again, to turn over frequently in his mind what I have said in Part I from Prop. xvi. to the end. No one will be able to follow my meaning, unless he is scrupulously careful not to confound the power of God with the human power and right of kings.

Elements in Which 2P3 is Used
  1. 2P3  2p5d
  2. 2P3  2p9cd
  3. 2P3  2p20d
  4. 2P3  2p24d
  5. 2P3  5p22d
  6. 2P3  5p35d