Individual Elements

←2P22
2P24→

2P23

Elements Used in 2P23
  1. 2p20  2P23d
  2. 2p19  2P23d
  3. 2p11c  2P23d
  4. 2p16  2P23d
  5. 2p13  2P23d
  6. 2p22  2P23d

Mens se ipsam non cognoscit nisi quatenus corporis affectionum ideas percipit.

DEMONSTRATIO: Mentis idea sive cognitio (per propositionem 20 hujus) in Deo eodem modo sequitur et ad Deum eodem modo refertur ac corporis idea sive cognitio. At quoniam (per propositionem 19 hujus) mens humana ipsum humanum corpus non cognoscit hoc est (per corollarium propositionis 11 hujus) quoniam cognitio corporis humani ad Deum non refertur quatenus humanæ mentis naturam constituit; ergo nec cognitio mentis ad Deum refertur quatenus essentiam mentis humanæ constituit atque adeo (per idem corollarium propositionis 11 hujus) mens humana eatenus se ipsam non cognoscit. Deinde affectionum quibus corpus afficitur ideæ naturam ipsius corporis humani involvunt (per propositionem 16 hujus) hoc est (per propositionem 13 hujus) cum natura mentis conveniunt; quare harum idearum cognitio cognitionem mentis necessario involvet; at (per propositionem præcedentem) harum idearum cognitio in ipsa humana mente est; ergo mens humana eatenus tantum se ipsam novit. Q.E.D.

De ziel kent zich zelve niet, dan voor zo veel zy de denkbeelder der aandoeningen des lighaams begrijft.

Betoging.--Het denkbeelt, of de kennis van de ziel (volgens de twintigste Voorstelling van dit deel) volgt op de zelfde wijze in God, en word op de zelfde wijze tot God betrokken, als het denkbeelt, of de kennis van 't lighaam. Maar dewijl (volgens de negentiende Voorstelling van dit deel) de menschelijke ziel het menschelijk lighaam zelf niet kent, dat is, (volgens de Toegift van d' elfde Voorstelling in dit deel) dewijl de kennis van 't menschelijk lighaam niet tot God betrokken word, voor zo veel hy de natuur van de menschelijke ziel stelt; zo kan ook de kennis van de ziel niet tot God betrokken worden, voor zo veel hy de wezentheit van de menschelijke ziel stelt: dieshalven, (volgens de zelfde Toegift van d' elfde Voorstelling) de menschelijke ziel, enkelijk aangemerkt, kent zich zelven niet. Wijders, de denkbeelden der aandoeningen, van de welken 't lighaam aangedaan word, sluiten (volgens de zeftiende Voorstelling van dit deel) de natuur van 't menschelijk lighaam zelf in, dat is, (volgens de dartiende Voorstelling in dit deel) komen met de natuur van de ziel overëen; en dieshalven sluit de kennis dezer denkbeelden nootzakelijk de kennis van de ziel in. Maar (volgens de voorgaande Voorstelling) de kennis dezer denkbeelden is in de menschelijke ziel zelve; zo kent dan de menschelijke ziel alleenlijk dus verre zich zelve, gelijk te betogen stond.

The mind does not know itself, except in so far as it perceives the ideas of the modifications of the body.

Proof.--The idea or knowledge of the mind (II. xx.) follows in God in the same manner, and is referred to God in the same manner, as the idea or knowledge of the body. But since (II. xix.) the human mind does not know the human body itself, that is (II. xi. Coroll.), since the knowledge of the human body is not referred to God, in so far as he constitutes the nature of the human mind; therefore, neither is the knowledge of the mind referred to God, in so far as he constitutes the essence of the human mind; therefore (by the same Coroll. II. xi.), the human mind thus far has no knowledge of itself. Further the ideas of the modifications, whereby the body is affected, involve the nature of the human body itself (II. xvi.), that is (II. xiii.), they agree with the nature of the mind; wherefore the knowledge of these ideas necessarily involves knowledge of the mind; but (by the last Prop.) the knowledge of these ideas is in the human mind itself; wherefore the human mind thus far only has knowledge of itself. Q.E.D.
Elements in Which 2P23 is Used
  1. 2P23  2p29c
  2. 2P23  2p47d
  3. 2P23  3p9d
  4. 2P23  3p30d
  5. 2P23  3p53d
  6. 2P23  3daie