Individual Elements

←2P18
2P20→

2P19

Elements Used in 2P19
  1. 2p13  2P19d
  2. 2p9  2P19d
  3. 2psiv  2P19d
  4. 2p7  2P19d
  5. 2p11c  2P19d
  6. 2p12  2P19d
  7. 2p16  2P19d
  8. 2p17  2P19d

Mens humana ipsum humanum corpus non cognoscit nec ipsum existere scit nisi per ideas affectionum quibus corpus afficitur.

DEMONSTRATIO: Mens enim humana est ipsa idea sive cognitio corporis humani (per propositionem 13 hujus) quæ (per propositionem 9 hujus) in Deo quidem est quatenus alia rei singularis idea affectus consideratur vel quia (per postulatum 4) corpus humanum plurimis corporibus indiget a quibus continuo quasi regeneratur et ordo et connexio idearum idem est (per propositionem 7 hujus) ac ordo et connexio causarum, erit hæc idea in Deo quatenus plurimarum rerum singularium ideis affectus consideratur. Deus itaque ideam corporis humani habet sive corpus humanum cognoscit quatenus plurimis aliis ideis affectus est et non quatenus naturam humanæ mentis constituit hoc est (per corollarium propositionis 11 hujus) mens humana corpus humanum non cognoscit. At ideæ affectionum corporis in Deo sunt quatenus humanæ mentis naturam constituit sive mens humana easdem affectiones percipit (per propositionem 12 hujus) et consequenter (per propositionem 16 hujus) ipsum corpus humanum idque (per propositionem 17 hujus) ut actu existens; percipit ergo eatenus tantum mens humana ipsum humanum corpus. Q.E.D.

De menschelijke ziel kent het menschelijk lighaam niet, en weet ook niet dat het wezentlijk is, dan door de denkbeelden der aandoeningen, van de welken het lighaam aangedaan word.

Betoging.--Want de menschelijke ziel zelve is het denkbeelt, of de kennis van 't menschelijk lighaam, (volgens de dartiende Voorstelling van dit deel) die (volgens de negende Voorstelling van dit deel) in God is, voor zo veel hy aangemerkt word met een ander denkbeelt van een bezondere zaak aangedaan: of om dat (volgens de vierde Verëissching) het menschelijk lighaam zeer veel lighamen behoeft, van de welken het geduriglijk als herboren word, en om dat (volgens de zevende Voorstelling van dit deel) d' ordening en samenknoping der denkbeelden de zelfde is, als d' ordening en samenknoping der dingen; zo zal dit denkbeelt in God zijn, voor zo veel hy aangemerkt word met de denkbeelden van zeer veel bezondere dingen aangedaan te wezen. God dan heeft het denkbeelt van 't menschelijk lighaam, of kent het menschelijk lighaam, voor zo veel hy met zeer veel andere denkbeelden aangedaan is, en niet voor zo veel hy de natuur van de menschelijke ziel stelt: dat is (volgens de Toegift van d' elfde Voorstelling in dit deel) de mensche---lijke ziel kent niet het menschelijk lighaam. Maar de denkbeelden der aandoeningen van 't lighaam zijn in God, voor zo veel hy de natuur van de menschelijke ziel stelt; of de menschelijke ziel (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) begrijpt de zelfde aandoeningen, en by gevolg (volgens de zestiende Voorstelling in dit deel) het menschelijk lighaam zelf; en dit (volgens de zeventiende Voorstelling van dit deel) als het geen, dat dadelijk wezentlijk is. De menschelijke ziel dan begrijpt alleenlijk dus verre het menschelijk lighaam zelf; gelijk te betogen stond.

The human mind has no knowledge of the body, and does not know it to exist, save through the ideas of the modifications whereby the body is affected.

Proof.--The human mind is the very idea or knowledge of the human body (II. xiii.), which (II. ix.) is in God, in so far as he is regarded as affected by another idea of a particular thing actually existing: or, inasmuch as (Post. iv.) the human body stands in need of very many bodies whereby it is, as it were, continually regenerated; and the order and connection of ideas is the same as the order and connection of causes (II. vii.); this idea will therefore be in God, in so far as he is regarded as affected by the ideas of very many particular things. Thus God has the idea of the human body, or knows the human body, in so far as he is affected by very many other ideas, and not in so far as he constitutes the nature of the human mind; that is (by II. xi. Coroll.), the human mind does not know the human body. But the ideas of the modifications of body are in God, in so far as he constitutes the nature of the human mind, or the human mind perceives those modifications (II. xii.), and consequently (II. xvi.) the human body itself, and as actually existing; therefore the mind perceives thus far only the human body. Q.E.D.
Elements in Which 2P19 is Used
  1. 2P19  2p23d
  2. 2P19  2p29c
  3. 2P19  2p47d
  4. 2P19  3p30d
  5. 2P19  3p53d