Individual Elements

←2P16
2P18→

2P17

Elements Used in 2P17
  1. 2p12  2P17d
  2. 2p16  2P17d
  3. 2p16c1  2P17d
  4. 2psv  2P17cd
  5. 2a2″  2P17cd
  6. 2p12  2P17cd
  7. 2p17  2P17cd
  8. 2p13c  2P17s
  9. 2p17c  2P17s
  10. 2p16c2  2P17s
  11. 1d7  2P17s

Si humanum corpus affectum est modo qui naturam corporis alicujus externi involvit, mens humana idem corpus externum ut actu existens vel ut sibi præsens contemplabitur donec corpus afficiatur affectu qui ejusdem corporis existentiam vel præsentiam secludat.

DEMONSTRATIO: Patet. Nam quamdiu corpus humanum sic affectum est tamdiu mens humana (per propositionem 12 hujus) hanc corporis affectionem contemplabitur hoc est (per propositionem præcedentem) ideam habebit modi actu existentis quæ naturam corporis externi involvit hoc est ideam quæ existentiam vel præsentiam naturæ corporis externi non secludit sed ponit adeoque mens (per corollarium I præcedentis) corpus externum ut actu existens vel ut præsens contemplabitur donec afficiatur etc. Q.E.D.

COROLLARIUM: Mens corpora externa a quibus corpus humanum semel affectum fuit, quamvis non existant nec præsentia sint, contemplari tamen poterit velut præsentia essent.

DEMONSTRATIO: Dum corpora externa corporis humani partes fluidas ita determinant ut in molliores sæpe impingant, earum plana (per postulatum 5) mutant, unde fit (vide axioma 2 post corollarium lemmatis 3) ut inde alio modo reflectantur quam antea solebant et ut etiam postea iisdem novis planis spontaneo suo motu occurrendo eodem modo reflectantur ac cum a corporibus externis versus illa plana impulsæ sunt et consequenter ut corpus humanum dum sic reflexæ moveri pergunt, eodem modo afficiant, de quo mens (per propositionem 12 hujus) iterum cogitabit hoc est (per propositionem 17 hujus) mens iterum corpus externum ut præsens contemplabitur et hoc toties quoties corporis humani partes fluidæ spontaneo suo motu iisdem planis occurrent. Quare quamvis corpora externa a quibus corpus humanum affectum semel fuit, non existant, mens tamen eadem toties ut præsentia contemplabitur quoties hæc corporis actio repetetur. Q.E.D.

SCHOLIUM: Videmus itaque qui fieri potest ut ea quæ non sunt veluti præsentia contemplemur, ut sæpe fit. Et fieri potest ut hoc aliis de causis contingat sed mihi hic sufficit ostendisse unam per quam rem sic possim explicare ac si ipsam per veram causam ostendissem nec tamen credo me a vera longe aberrare quandoquidem omnia illa quæ sumpsi postulata, vix quicquam continent quod non constet experientia de qua nobis non licet dubitare postquam ostendimus corpus humanum prout ipsum sentimus, existere (vide corollarium post propositionem 13 hujus). Præterea (ex corollario præcedentis et corollario II propositionis 16 hujus) clare intelligimus quænam sit differentia inter ideam exempli gratia Petri quæ essentiam mentis ipsius Petri constituit et inter ideam ipsius Petri quæ in alio homine, puta in Paulo, est. Illa enim essentiam corporis ipsius Petri directe explicat nec existentiam involvit nisi quamdiu Petrus existit; hæc autem magis constitutionem corporis Pauli quam Petri naturam indicat et ideo durante illa corporis Pauli constitutione mens Pauli quamvis Petrus non existat, ipsum tamen ut sibi præsentem contemplabitur. Porro ut verba usitata retineamus, corporis humani affectiones quarum ideæ corpora externa velut nobis præsentia repræsentant, rerum imagines vocabimus tametsi rerum figuras non referunt. Et cum mens hac ratione contemplatur corpora, eandem imaginari dicemus. Atque hic ut quid sit error indicare incipiam, notetis velim mentis imaginationes in se spectatas nihil erroris continere sive mentem ex eo quod imaginatur, non errare sed tantum quatenus consideratur carere idea quæ existentiam illarum rerum quas sibi præsentes imaginatur, secludat. Nam si mens dum res non existentes ut sibi præsentes imaginatur, simul sciret res illas revera non existere, hanc sane imaginandi potentiam virtuti suæ naturæ, non vitio tribueret præsertim si hæc imaginandi facultas a sola sua natura penderet hoc est (per definitionem 7 partis I) si hæc mentis imaginandi facultas libera esset.

Indien het menschelijk lighaam met een wijze aangedaan word, die de natuur van enig uitterlijk lighaam insluit, zo zal de menschelijke ziel het zelfde uitterlijk lighaam als dadelijk wezentlijk, of als voor haar tegenwoordig zijnde, aanschouwen, en dit zo lang 't lighaam op een andere wijze aangedaan word, die de wezentlijkheit, of de tegenwoordigheit van 't zelfde lighaam uitsluit.

Betoging.--De Betoging blijkt. Want zo lang het menschelijk lighaam dus aangedaan is, zo lang zal ook de menschelijke ziel (volgens de--twaalfde Voorstelling van dit deel) deze aandoening des lighaams aanschouwen: dat is, (volgens de voorgaande Voorstelling) zy zal een denkbeelt van een wijze hebben, die dadelijk wezentlijk is, en de natuur van 't uitterlijk lighaam insluit: dat is, een denkbeelt, 't welk de wezentlijkheit, of tegenwoordigheit van de natuur van 't uitterlijk lighaam niet uitsluit, maar stelt. Dieshalven, de ziel (volgens d' eerste Toegift van de voorgaande Voorstelling) zal 't uitterlijk lighaam, als dadelijk wezentlijk, of als tegenwoordig zijnde, aanschouwen, zo lang het aangedaan word, enz. gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hoewel d' uitterlijke lighamen, van de welken het menschelijk lighaam eens aangedaan heeft geweest, niet wezentlijk, noch tegenwoordig zijn, zo zal de ziel hen echter, als of zy tegenwoordig waren, konnen aanschouwen.

Betoging.--Terwijl d' uitterlijke lighamen de vloedige delen van 't menschelijk lighaam in dier voegen bepalen, dat zy dikwils tegen de genen, die zacht zijn, aanstoten, zo veränderen zy (volgens de vijfde Verëissching) de vlakten van deze zachte delen. En hier uit volgt dat zy (bezie de tweede Kundigheit des Toegifts van het darde Voorbewijs) volgens andere lijnen, dan te voren, weêrstuiten. Maar als daar na deze vloedige delen van zelfs tegen deze nieuwe vlakten in dier voegen aanlopen, dat zy op de zelfde wijze weêr te rug stuiten, en by gevolg het menschelijk lighaam op deze zelfde wijze schikken, als het geschikt was, toen de vloedige delen door 't uitterlijk lighaam naar de vlakten wierden gedreven, zo zal (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) de ziel weêr op deze gestalte des lighaams denken; dat is (volgens de zeventiende Voorstelling van dit deel) de ziel zal weêr het uitterlijk lighaam, als tegenwoordig zijnde, aanschouwen, en dit zo dikwijls, als deze vloedige delen van 't menschelijk lighaam van zelfs tegen de zelfde vlakten aanlopen. Dieshalven, hoewel d' uitterlijke lighamen, van de welken het lighaam eenmaal aangedaan heeft geweest, niet wezentlijk zijn, zo zal echter de ziel de zelfden zo dikwijls, als deze doening des lighaams hervat word, als tegenwoordig aanschouwen; gelijk te betogen stond.

Byvoegsel.--Wy zien dan hoe 't wezen kan dat wy die dingen, de welken niet--zijn, dikwijls als tegenwoordig aanschouwen. Het kan zijn dat dit ook uit andere oorzaken gebeurt: Maar 't is my hier genoech dat ik een getoont heb, door de welke ik de zaak dus kan verklaren, als of ik haar door haar ware oorzaak getoont had. Ik geloof echter niet dat ik verre van de waarheit afgeweken ben, dewijl alle de Verëisschingen, die ik onderstelt heb, naauwelijks iets begrijpen, 't welk niet door d' ervarentheit blijkt, aan de welken wy ook niet konnen twijffelen, na dat wy getoont hebben dat het menschelijk lighaam, gelijk wy 't gevoelen en gewaar worden, wezentlijk is. (bezie de Toegift achter de dartiende Voorstelling van dit deel) Wijders, uit de voorgaande Toegift, en uit de tweede Toegift van de zestiende Voorstelling in dit deel verstaan wy klarelijk, wat onderscheit dat'er is tusschen het denkbeelt (tot een voorbeelt) van Pieter, die de wezentheit van Pieters ziel zelve stelt, en tusschen het denkbeelt van de zelve Pieter, 't welk in een ander mensch is, namelijk in Jan.--Want het eerste verklaart regelrecht de wezentheit van Pieters lighaam zelf, en sluit geen wezentlijkheit in, dan zo lang Pieter zelf wezentlijk is: maar het leste wijst meer de gesteltheit van Jans lighaam, dan van Pieters natuur aan. (bezie de tweede Toegift van de zestiende Voorstelling in dit deel) En dieshalven, zo lang die gesteltheit van Jans lighaam duurt, zal Jans ziel, 't zy Pieter wezentlijk is, of niet, hem echter als tegenwoordig aanschouwen. Voorts, om de woorden, die in 't gebruik zijn, te behouden; wy zullen d'aandoeningen van 't menschelijk lighaam, welker denkbeelden d' uitterlijke lighamen als tegenwoordig aan ons vertonen, de beelden der dingen noemen, schoon zy d' uitterlijke gestalten der dingen niet vertonen: en als de ziel de lighamen door deze middel aanschout, zullen wy zeggen dat zy zich de zelfden inbeeld. Eindelijk, om hier te beginnen aan te wijzen wat doling is, zo wilde ik wel dat men aanmerkte, dat d' inbeeldingen van de ziel, in zich alleen aangeschout, geen doling in zich hebben, of dat de ziel hier uit, dat zy inbeeld, niet doolt; maar alleenlijk voor zo veel zy aangemerkt word het denkbeelt te derven, 't welk de wezentlijkheit van die dingen, die zy zich als tegenwoordig inbeeld, uitsluit. Want, dien de ziel, terwijl zy de dingen, die niet zijn, als tegenwoordig inbeeld, te gelijk wist dat die dingen warelijk niet zijn, zo zou zy dit vermogen van inbeelden voor een deucht van haar natuur, en niet voor een gebrek reekenen, voornamelijk zo dit vermogen van in te beelden van haar natuur alleen afhing, dat is (volgens de zevende Bepaling in 't eerste deel) zo dit vermogen van in te beelden in de ziel vry was.

If the human body is affected in a manner which involves the nature of any external body, the human mind will regard the said external body as actually existing, or as present to itself, until the human body be affected in such a way, as to exclude the existence or the presence of the said external body.

Proof.--This proposition is self--evident, for so long as the human body continues to be thus affected, so long will the human mind (II. xii.) regard this modification of the body--that is (by the last Prop.), it will have the idea of the mode as actually existing, and this idea involves the nature of the external body. In other words, it will have the idea which does not exclude, but postulates the existence or presence of the nature of the external body; therefore the mind (by II. xvi., Coroll. i.) will regard the external body as actually existing, until it is affected, &c. Q.E.D.

Corollary.--The mind is able to regard as present external bodies, by which the human body has once been affected, even though they be no longer in existence or present.

Proof.--When external bodies determine the fluid parts of the human body, so that they often impinge on the softer parts, they change the surface of the last named (Post. v.); hence (Ax. ii., after the Coroll. of Lemma iii.) they are refracted therefrom in a different manner from that which they followed before such change; and, further, when afterwards they impinge on the new surfaces by their own spontaneous movement, they will be refracted in the same manner, as though they had been impelled towards those surfaces by external bodies; consequently, they will, while they continue to be thus refracted, affect the human body in the same manner, whereof the mind (II. xii.) will again take cognizance--that is (II. xvii.), the mind will again regard the external body as present, and will do so, as often as the fluid parts of the human body impinge on the aforesaid surfaces by their own spontaneous motion. Wherefore, although the external bodies, by which the human body has once been affected, be no longer in existence, the mind will nevertheless regard them as present, as often as this action of the body is repeated. Q.E.D.

Note.--We thus see how it comes about, as is often the case, that we regard as present many things which are not. It is possible that the same result may be brought about by other causes; but I think it suffices for me here to have indicated one possible explanation, just as well as if I had pointed out the true cause. Indeed, I do not think I am very far from the truth, for all my assumptions are based on postulates, which rest, almost without exception, on experience, that cannot be controverted by those who have shown, as we have, that the human body, as we feel it, exists (Coroll. after II. xiii.). Furthermore (II. vii. Coroll., II. xvi. Coroll. ii.), we clearly understand what is the difference between the idea, say, of Peter, which constitutes the essence of Peter's mind, and the idea of the said Peter, which is in another man, say, Paul. The former directly answers to the essence of Peter's own body, and only implies existence so long as Peter exists; the latter indicates rather the disposition of Paul's body than the nature of Peter, and, therefore, while this disposition of Paul's body lasts, Paul's mind will regard Peter as present to itself, even though he no longer exists. Further, to retain the usual phraseology, the modifications of the human body, of which the ideas represent external bodies as present to us, we will call the images of things, though they do not recall the figure of things. When the mind regards bodies in this fashion, we say that it imagines. I will here draw attention to the fact, in order to indicate where error lies, that the imaginations of the mind, looked at in themselves, do not contain error. The mind does not err in the mere act of imagining, but only in so far as it is regarded as being without the idea, which excludes the existence of such things as it imagines to be present to it. If the mind, while imagining non--existent things as present to it, is at the same time conscious that they do not really exist, this power of imagination must be set down to the efficacy of its nature, and not to a fault, especially if this faculty of imagination depend solely on its own nature--that is (I. Def. vii.), if this faculty of imagination be free.

Elements in Which 2P17 is Used
  1. 2P17c  2p18d
  2. 2P17  2p19d
  3. 2P17s  2p26cd
  4. 2P17s  2p35s
  5. 2P17s  2p40s1
  6. 2P17c  2p40s1
  7. 2P17  2p44s
  8. 2P17c  2p44s
  9. 2P17  2p47d
  10. 2P17c  2p49s
  11. 2P17s  3psii
  12. 2P17s  3p11s
  13. 2P17  3p11s
  14. 2P17  3p12d
  15. 2P17s  3p12d
  16. 2P17  3p13d
  17. 2P17  3p18d
  18. 2P17c  3p18d
  19. 2P17  3p18s1
  20. 2P17  3p19d
  21. 2P17  3p25d
  22. 2P17c  3p25d
  23. 2P17s  3p27d
  24. 2P17  3p28d
  25. 2P17c  3p28d
  26. 2P17c  3p30s
  27. 2P17c  3p47s
  28. 2P17  3p56d
  29. 2P17s  3p56d
  30. 2P17  4p1s
  31. 2P17s  4p9d
  32. 2P17  4p9d
  33. 2P17c  4p13d
  34. 2P17  5p7d
  35. 2P17s  5p21d
  36. 2P17s  5p34d