Individual Elements

←2P12
2A1′→

2P13

Elements Used in 2P13
  1. 2p9c  2P13d
  2. 2p11c  2P13d
  3. 2a4  2P13d
  4. 2p11  2P13d
  5. 1p36  2P13d
  6. 2p12  2P13d
  7. 2a5  2P13d

Objectum ideæ humanam mentem constituentis est corpus sive certus extensionis modus actu existens et nihil aliud.

DEMONSTRATIO: Si enim corpus non esset humanæ mentis objectum, ideæ affectionum corporis non essent in Deo (per corollarium propositionis 9 hujus) quatenus mentem nostram sed quatenus alterius rei mentem constitueret hoc est (per corollarium propositionis 11 hujus) ideæ affectionum corporis non essent in nostra mente; atqui (per axioma 4 hujus) ideas affectionum corporis habemus. Ergo objectum ideæ humanam mentem constituentis est corpus idque (per propositionem 11 hujus) actu existens. Deinde si præter corpus etiam aliud esset mentis objectum, cum nihil (per propositionem 36 partis I) existat ex quo aliquis effectus non sequatur, deberet (per propositionem 12 hujus) necessario alicujus ejus effectus idea in mente nostra dari; atqui (per axioma 5 hujus) nulla ejus idea datur. Ergo objectum nostræ mentis est corpus existens et nihil aliud. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc sequitur hominem mente et corpore constare et corpus humanum prout ipsum sentimus existere.

SCHOLIUM: Ex his non tantum intelligimus mentem humanam unitam esse corpori sed etiam quid per mentis et corporis unionem intelligendum sit. Verum ipsam adæquate sive distincte intelligere nemo poterit nisi prius nostri corporis naturam adæquate cognoscat. Nam ea quæ hucusque ostendimus, admodum communia sunt nec magis ad homines quam ad reliqua individua pertinent, quæ omnia quamvis diversis gradibus animata tamen sunt. Nam cujuscunque rei datur necessario in Deo idea cujus Deus est causa eodem modo ac humani corporis ideæ atque adeo quicquid de idea humani corporis diximus, id de cujuscunque rei idea necessario dicendum est. Attamen nec etiam negare possumus ideas inter se ut ipsa objecta differre unamque alia præstantiorem esse plusque realitatis continere prout objectum unius objecto alterius præstantius est plusque realitatis continet ac propterea ad determinandum quid mens humana reliquis intersit quidque reliquis præstet, necesse nobis est ejus objecti ut diximus hoc est corporis humani naturam cognoscere. Eam autem hic explicare nec possum nec id ad ea quæ demonstrare volo, necesse est. Hoc tamen in genere dico quo corpus aliquod reliquis aptius est ad plura simul agendum vel patiendum, eo ejus mens reliquis aptior est ad plura simul percipiendum et quo unius corporis actiones magis ab ipso solo pendent et quo minus alia corpora cum eodem in agendo concurrunt, eo ejus mens aptior est ad distincte intelligendum. Atque ex his præstantiam unius mentis præ aliis cognoscere possumus, deinde causam etiam videre cur nostri corporis non nisi admodum confusam habeamus cognitionem et alia plura quæ in sequentibus ex his deducam. Qua de causa operæ pretium esse duxi hæc ipsa accuratius explicare et demonstrare, ad quod necesse est pauca de natura corporum præmittere.

Het voorwerp van 't denkbeelt, 't welk de menschelijke ziel stelt, is een lighaam, of zekere wijze van uitgestrektheit, die dadelijk wezentlijk is, en niets anders.

Betoging.--Indien het voorwerp van de menschelijke ziel geen lighaam was, zo zouden de denkbeelden van d'aandoeningen des lighaams niet in God zijn, (volgens de Toegift van de negende Voorstelling in dit deel) voor zo veel hy onze ziel, maar wel voor zo veel hy de ziel van enig ander ding zou stellen; dat is, (volgens de Toegift van d' elf de Voorstelling in dit deel) de denkbeelden der aandoeningen des lighaams zouden niet in onze ziel wezen: maar wy hebben (volgens de vierde Kundigheit van dit deel) denkbeelden der aandoeningen des lighaams. Dieshalven, 't voorwerp van 't denkbeelt, dat de menschelijke ziel stelt, is een lighaam, en dat (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) dadelijk wezentlijk is.--Wijders, indien het voorwerp van de ziel noch iets anders was, dan lighaam; dewijl'er (volgens de zesendartigste Voorstelling van 't eerste deel) niets wezentlijk is, uit het welk niet enig gewrocht volgt, zo moest (volgens de twaalfde Voorstelling van dit deel) nootzakelijk het denkbeelt van enig gewrocht daar af in onze ziel wezen: maar (volgens de vijfde Kundigheit van dit deel) daar af is geen denkbeelt in onze ziel: Dieshalven, het voorwerp van onze ziel is een wezentlijk lighaam, en niets anders; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt dat de mensch uit ziel en lighaam bestaat, en dat het menschelijk lighaam, gelijk wy het zelfde gewaar worden, wezentlijk is.

Byvoegsel.--Wy verstaan hier uit niet alleenlijk dat de menschelijke ziel met het lighaam verëenigt is; maar ook wat by verëeniging van ziel en lighaam te verstaan is. Doch niemant zal de zelfde evenmatiglijk, of onderscheidelijk konnen verstaan, 't en zy hy eerst evenmatiglijk de natuur van onz lighaam kent. Want de dingen, die wy tot noch toe getoont hebben, zijn gemeen, en behoren niet meer tot de menschen, dan tot d'andere ondeeligen, die echter alle, hoewel naar verscheide trappen, bezielt zijn. Want van yder ding is nootzakelijk in God een denkbeelt, van 't welk hy oorzaak is, op de zelfde wijze, als van het denkbeelt van 't menschelijk lighaam: en dieshalven, al 't geen, dat wy van 't denkbeelt van 't menschelijk lighaam gezegt hebben, moet nootzakelijk van het denkbeelt van yder ding gezegt worden. Wy konnen echter niet ontkennen, dat de denkbeelden, gelijk de voorwerpen zelven, van malkander verschillen, en dat het een voortreffelijker is, dan 't ander en meer zakelijkheit begrijpt, gelijk het voorwerp van 't een voortreffelijker is, dan 't voorwerp van 't ander, en meer zakelijkheit begrijpt. Om dan 't onderscheit tusschen een menschelijke ziel, en d' andere zielen te bepalen, en waar in zy d' anderen overtreft, zo is, gelijk wy gezegt hebben, aan ons nodig dat wy de natuur van haar voorwerp, dat is van 't menschelijk lighaam, kennen. Doch het is my heden onmogelijk de zelfde hier te verklaren; en 't is my ook niet nootzakelijk tot de dingen, die ik te betogen heb. Ik zeg echter dit in 't algemeen, hoe enig lighaam bequamer is dan d' anderen om veel dingen te gelijk te doen, of te lijden, hoe des--zelfs ziel ook bequamer is om veel dingen te gelijk te begrijpen; en hoe de werkingen van een lighaam meer van 't zelfde alleen afhangen, en hoe'er minder andere lighamen in de werking by het zelfde te zamen komen, hoe de ziel van dit lighaam ook bequamer is tot onderscheidelijk te verstaan. Hier uit konnen wy de voortreffelijkheit van d' een ziel boven d'anderen kennen, en wijders ook zien waaröm wy niet, dan een zeer verwarde kennis, van onz lighaam hebben, en meer andere dingen, die wy in 't volgende hier van zullen afleiden. En dieshalven acht ik 't de moeite waerdig te zijn, deze dingen zelven hier naaukeuriglijker te verklaren, en te betogen; doch hier toe is van node dat wy enige weinige dingen van de natuur der lighamen vooräf laten gaan.

The object of the idea constituting the human mind is the body, in other words a certain mode of extension which actually exists, and nothing else.

Proof.--If indeed the body were not the object of the human mind, the ideas of the modifications of the body would not be in God (II. ix. Coroll.) in virtue of his constituting our mind, but in virtue of his constituting the mind of something else; that is (II. xi. Coroll.) the ideas of the modifications of the body would not be in our mind: now (by II. Ax. iv.) we do possess the idea of the modifications of the body. Therefore the object of the idea constituting the human mind is the body, and the body as it actually exists (II. xi.). Further, if there were any other object of the idea constituting the mind besides body, then, as nothing can exist from which some effect does not follow (I. xxxvi.) there would necessarily have to be in our mind an idea, which would be the effect of that other object (II. xi.); but (I. Ax. v.) there is no such idea. Wherefore the object of our mind is the body as it exists, and nothing else. Q.E.D.

Note.--We thus comprehend, not only that the human mind is united to the body, but also the nature of the union between mind and body. However, no one will be able to grasp this adequately or distinctly, unless he first has adequate knowledge of the nature of our body. The propositions we have advanced hitherto have been entirely general, applying not more to men than to other individual things, all of which, though in different degrees, are animated. For of everything there is necessarily an idea in God, of which God is the cause, in the same way as there is an idea of the human body; thus whatever we have asserted of the idea of the human body must necessarily also be asserted of the idea of everything else. Still, on the other hand, we cannot deny that ideas, like objects, differ one from the other, one being more excellent than another and containing more reality, just as the object of one idea is more excellent than the object of another idea, and contains more reality.

Wherefore, in order to determine, wherein the human mind differs from other things, and wherein it surpasses them, it is necessary for us to know the nature of its object, that is, of the human body. What this nature is, I am not able here to explain, nor is it necessary for the proof of what I advance, that I should do so. I will only say generally, that in proportion as any given body is more fitted than others for doing many actions or receiving many impressions at once, so also is the mind, of which it is the object, more fitted than others for forming many simultaneous perceptions; and the more the actions of the body depend on itself alone, and the fewer other bodies concur with it in action, the more fitted is the mind of which it is the object for distinct comprehension. We may thus recognize the superiority of one mind over others, and may further see the cause, why we have only a very confused knowledge of our body, and also many kindred questions, which I will, in the following propositions, deduce from what has been advanced. Wherefore I have thought it worth while to explain and prove more strictly my present statements. In order to do so, I must premise a few propositions concerning the nature of bodies.

Elements in Which 2P13 is Used
  1. 2P13  2p15d
  2. 2P13c  2p17s
  3. 2P13  2p19d
  4. 2P13  2p21d
  5. 2P13  2p21s
  6. 2P13  2p23d
  7. 2P13  2p24d
  8. 2P13  2p26d
  9. 2P13  2p29d
  10. 2P13  2p38d
  11. 2P13  2p39d
  12. 2P13  3p3d
  13. 2P13  3p10d
  14. 2P13  3gdae
  15. 2P13  5p23d
  16. 2P13  5p29d