Individual Elements

←2P10
2P12→

2P11

Elements Used in 2P11
  1. 2p10c  2P11d
  2. 2a2  2P11d
  3. 2a3  2P11d
  4. 2p8c  2P11d
  5. 1p21  2P11d
  6. 1p22  2P11d
  7. 2a1  2P11d

Primum quod actuale mentis humanæ esse constituit, nihil aliud est quam idea rei alicujus singularis actu existentis.

DEMONSTRATIO: Essentia hominis (per corollarium præcedentis propositionis) a certis Dei attributorum modis constituitur nempe (per axioma 2 hujus) a modis cogitandi quorum omnium (per axioma 3 hujus) idea natura prior est et ea data reliqui modi (quibus scilicet idea natura prior est) in eodem debent esse individuo (per axioma 3 hujus). Atque adeo idea primum est quod humanæ mentis esse constituit. At non idea rei non existentis. Nam tum (per corollarium propositionis 8 hujus) ipsa idea non potest dici existere; erit ergo idea rei actu existentis. At non rei infinitæ. Res namque infinita (per propositiones 21 et 22 partis I) debet semper necessario existere; atqui hoc (per axioma 1 hujus) est absurdum; ergo primum quod esse humanæ mentis actuale constituit, est idea rei singularis actu existentis. Q.E.D.

COROLLARIUM: Hinc sequitur mentem humanam partem esse infiniti intellectus Dei ac proinde cum dicimus mentem humanam hoc vel illud percipere, nihil aliud dicimus quam quod Deus non quatenus infinitus est sed quatenus per naturam humanæ mentis explicatur sive quatenus humanæ mentis essentiam constituit, hanc vel illam habet ideam et cum dicimus Deum hanc vel illam ideam habere non tantum quatenus naturam humanæ mentis constituit sed quatenus simul cum mente humana alterius rei etiam habet ideam, tum dicimus mentem humanam rem ex parte sive inadæquate percipere.

SCHOLIUM: Hic sine dubio lectores hærebunt multaque comminiscentur quæ moram injiciant et hac de causa ipsos rogo ut lento gradu mecum pergant nec de his judicium ferant donec omnia perlegerint.

't Eerste, 't welk het dadelijk wezen van de menschelijke Ziel stelt, is niets anders, dan het denkbeelt van enige bezondere zaak, die dadelijk wezentlijk is.

Betoging.--De wezentheit van de mensch (volens de Toegift van de voorgaande Voorstelling) word van zekere wijzen van Gods toeëgeningen gestelt, namelijk (volgens de tweede Kundigheit van dit deel) van de wijzen van denken, van alle de welken (volgens de--darde Kundigheit van dit deel) het denkbeelt in ordening van natuur 't eerste is, en als dit gestelt is, zo moeten d' andere wijzen (te weten de genen, die in ordening van natuur het denkbeelt volgen) met het denkbeelt (volgens de vierde Kundigheit van het tweede deel) een en de zelfde zaak stellen. In dezer voegen dan is het denkbeelt het eerste, 't welk het wezen van de menschelijke ziel stelt. Voorts, men kan niet zeggen dat dit u denkbeelt van een niet wezentlijke zaak is; want dan (volgens de Toegift van d' achtste Voorstelling in dit deel) zou het denkbeelt zelf niet gezegt konnen worden wezentlijk te wezen. Het zal dan het denkbeelt van een zaak zijn, die dadelijk wezentlijk is: doch echter niet van een onëindige zaak. Want een onëindige zaak (volgens d' een en drie-entwintigste Voorstelling van 't eerste deel) moet altijt nootzakelijk wezentlijk wezen. Doch dit (volgens d' eerste Kundigheit van dit deel) is ongerijmt. Zo is dan het denkbeelt van een bezondere zaak, die dadelijk wezentlijk is, het eerste, 't welk het wezen van de menschelijke ziel stelt; gelijk te betogen stond.

Toegift.--Hier uit volgt dat de menschelijke ziel een deel van Gods oneindig verstant is. En dieshalven, als wy zeggen dat de menschelijke ziel dit of dat begrijpt, zo zeggen wy niets anders, dan dat God, niet voor zo veel hy onëindig is, maar voor zo veel hy door de natuur van de menschelijke ziel verklaart word, of voor zo veel hy de wezentheit van de menschelijke ziel stelt, dit of dat denkbeelt heeft: en als wy zeggen dat God dit of dat denkbeelt heeft, niet alleenlijk voor zo veel hy de natuur van de menschelijke ziel stelt, maar voor zo veel hy, met de menschelijke ziel te gelijk, ook het denkbeelt van een andere zaak heeft; zo zeggen wy dat de menschelijke ziel de zaak ten deel, of onëvenmatiglijk begrijpt.

Byvoegsel.--De lezers zullen hier zonder twijffel stil staan, en aan veel dingen gedenken, die hen zullen ophouden. Ik verzoek dieshalven van hen dat zy zachtelijk met my voortgaan, en hier af geen oordeel vellen, dan na dat zy alles deurgelezen zullen hebben.

The first element, which constitutes the actual being of the human mind, is the idea of some particular thing actually existing.

Proof.--The essence of man (by the Coroll. of the last Prop.) is constituted by certain modes of the attributes of God, namely (by II. Ax. ii.), by the modes of thinking, of all which (by II. Ax. iii.) the idea is prior in nature, and, when the idea is given, the other modes (namely, those of which the idea is prior in nature) must be in the same individual (by the same Axiom). Therefore an idea is the first element constituting the human mind. But not the idea of a non--existent thing, for then (II. viii. Coroll.) the idea itself cannot be said to exist; it must therefore be the idea of something actually existing. But not of an infinite thing. For an infinite thing (I. xxi., xxii.), must always necessarily exist; this would (by II. Ax. i.) involve an absurdity. Therefore the first element, which constitutes the actual being of the human mind, is the idea of something actually existing. Q.E.D.

Corollary.--Hence it follows, that the human mind is part of the infinite intellect of God; thus when we say, that the human mind perceives this or that, we make the assertion, that God has this or that idea, not in so far as he is infinite, but in so far as he is displayed through the nature of the human mind, or in so far as he constitutes the essence of the human mind; and when we say that God has this or that idea, not only in so far as he constitutes the essence of the human mind, but also in so far as he, simultaneously with the human mind, has the further idea of another thing, we assert that the human mind perceives a thing in part or inadequately.

Note.--Here, I doubt not, readers will come to a stand, and will call to mind many things which will cause them to hesitate; I therefore beg them to accompany me slowly, step by step, and not to pronounce on my statements, till they have read to the end.

Elements in Which 2P11 is Used
  1. 2P11  2p12d
  2. 2P11c  2p12d
  3. 2P11c  2p13d
  4. 2P11  2p13d
  5. 2P11c  2p19d
  6. 2P11  2p20d
  7. 2P11c  2p22d
  8. 2P11c  2p23d
  9. 2P11c  2p24d
  10. 2P11c  2p30d
  11. 2P11c  2p34d
  12. 2P11c  2p38d
  13. 2P11c  2p39d
  14. 2P11c  2p40d
  15. 2P11c  2p43d
  16. 2P11c  2p43s
  17. 2P11  2p48d
  18. 2P11c  3p1d
  19. 2P11c  3p1d
  20. 2P11  3p2d
  21. 2P11  3p3d
  22. 2P11  3p10d
  23. 2P11c  3p28d
  24. 2P11  3gdae
  25. 2P11  4p37d
  26. 2P11  5p9d
  27. 2P11c  5p36d
  28. 2P11  5p38d